Part 11
Toen nam Maarten haar zacht in zijn arm, en keerde haar naar ’t bed...
Hij voelde haar sidderen, en steunde haar—maar ze maakte zich los van hem.
En met een onverstaanbare, doffe klacht viel ze op haar knieën bij haar dooden zoon—haar hoofd gezonken op zijn borst.
Toen gingen de anderen zacht heen.
— — — — — — — — — — — — — —
Zij bleef alleen en waakte bij hem; zij had niemand noodig, daar was niemand die haár helpen kon.
In dien langen, lichten maannacht zag zij alles terug van vroeger:
Den stillen vriendelijken jongen, die op háár leek, en bij haar zat de lange winteravonden—zij zag hem heengaan—zag de lange, lànge jaren, die ze geduldig had doorgewacht,—zag den laatsten tijd, sinds hij weer thuis was, dag voor dag terug.
Haar hoop en haar vrede waren geweest: te zullen sterven met haar hoofd aan zijn borst.
Dat had niet kunnen zijn.
Zij zag hem lang aan—zóó rustig, zoo gelukkig was de uitdrukking in den sterken, grijzen kop—zoo voldaan en zoo trotsch.
Wat was dit? Was hij gestorven in een gelukkigen waan—was in zijn stervensuur het levensgeluk over hem gekomen?
Eindelijk?—had het hem eindelijk één oogenblik geluk gegeven—dat machtige, dat onbegrijpelijke,—dat zij haatte,—dat hem had weggedreven van haar, en voortgejaagd, en altijd had doen lijden?
Zij zag op in het duister, in machteloozen toorn; zij haatte het nóg; het was zijn ongeluk geweest,—en zij met haar sterke liefde had moeten wijken.
Zij legde haar hand op zijn hoofd, als om nòg te verjagen de herinnering aan dat leed; zij dacht er niet aan, dat hij zelf een oud man was; ze dacht alleen in heftigen, bitteren opstand, dat hij haar kind was; en ze had hem willen verdedigen tegen alle smart en pijn, met de alles opofferende liefde van het moederschepsel.
En over hem neergebogen, haar moed en kracht verloren in haar mateloos leed, klaagde ze ééns uit haar diepe smart, alsof hij haar troost kon geven.
Maar hij lag en zweeg zijn eeuwig, groot zwijgen.
Langzaam toen kwam vàn dat zwijgen tot haar een kalmte—iets, dat sprak van wijze berusting.
En nieuw nu dacht zij:
„Als die macht hem ’t geluk heeft gegeven in zijn stervensuur—dàn—dan is ’t goèd—tóch goed—ik kòn ’t hem niet geven—ik niet...”
Langzaam ging de nacht...
Stom en stil lag de zoon, onwetend van de moeder, die weenend over hem boog en uitleed haar zwaarste ure.
Onwetend?
Daar is niemand die zeggen zal, in hoeverre iets komt tot den doode van hen, die zoo hem hebben liefgehad, dat nòg hun liefde hem niet loslaat in den dood.
Onwetend...
Maar op zijn doode oogen vielen de tranen van haar onsterfelijke liefde, en op zijn voorhoofd rustte haar altijd zorgende hand.
Over de wereld gaat de breede schare.
Zoekers naar het Beloofde Land.
Daar zijn de jongen—gaande met blijden, onbesuisden moed.
En de ouden—met moede, slepende voeten.
Daar zijn de sterken, met vasten mond, het gelaat doorploegd van veel leed.
En de zwakken,—moedeloos, met oogen dof van veel weenen.
Ze gaan voort—voort.
Hun stemmen spreken tot elkaar de onverschillige woorden—maar hun gedachten zwijgen.
Het verre—vèrre—waarnaar zij allen streven—dat zij ééns zullen bereiken, elk op zijn wijze.
Het is bij allen hetzelfde—en voor ieder wat anders.
Het geluk.
Ze gaan voort.
Soms schrikken zij op; dan is daar achter hen een snelle stap, een jonge, luide stem, een krachtige arm, die zich ruimte breekt—en één gaat snel door de schare met opgeheven hoofd, en ongeduldig vorschenden blik.
Hier struikelt een zwakke, ruw opzij geduwd,—een ander uit een toornig woord.
Hij is al weg....
Een oogenblik zien zij met plotseling oplevende herinnering hem na—die, sterker en vlugger dan zij, denkt het eerder te zullen bereiken met zijn ongeduldigen, frisschen moed.
Ze glimlachen—een langzamen glimlach.
En gaan verder—vérder.
Dan soms is daar een zwakke zucht, een veege hand raakt koud een der hunnen—dan staan die met hem gingen stil en zien rondom.
Eén pelgrim gevallen.
Een krachtige, nog kort te voren gaande temidden van hen met rustigen, stillen moed.
Zij staan, en staren neer in zijn gelaat.
En dan zien zij in bevende ontroering, dat aan dezen eenen zich de Belofte heeft vervuld,—dat hij is ingegaan in het Beloofde Land.
Zij staan stil en klemmen zich vast aan elkaar, zich voelend broos, en klein en zwak—en zij fluisteren met sidderende stemmen tegenover het groote mysterie:
„Hoè—is hij ingegaan in het geluk—toen hij nog verre scheen?”
Daar is geen antwoord.
Dan gaan zij verder.
De enkelen, die hem liefhadden, met strakke oogen en pijn in ’t hart, de anderen alleen de herinnering meenemend in hun zielen.
En weer anderen gaan langs met vroolijken lach en luide woorden—vervuld van eigen verlangen.
Zij hebben niets bemerkt—het heeft hen nog niet aangeraakt.
En zij gaan allen voort—voort.
Zoekende...
De ouden, de jongen—de sterken, de zwakken—de vroolijken de moedeloozen.
En zij weten niet dat aan de meesten de belofte zich zal hebben vervuld—éér zij zijn aangekomen.
XXII.
Stil ging de grijze winter voort in die dagen.
De sneeuw was gedeeltelijk gedooid in vuil grauw; ’s nachts huilde de wind over de vlakte, en zweepte den regen half bevroren tegen het venster.
Eén enkele dag brak ’s middags laat de lucht; dan gloorde de ondergaande zon mat en droef als een paars roode bal laag aan den horizon, en gaf zelfs geen herinnering aan licht en warmte; op de doodsche hei tripten krassend de hongerige kraaien om Adam Feke’s hut; het was een koude barre winter.
Maar in de smidse vlamde het vroolijke vuur hoog, en Maarten Ross zwaaide den hamer. En uit het dorp kwamen de kinderen en warmden zich daar en zagen toe met verlangende, bewonderende oogen.
Onder hen was ’t zoontje van Laret.
„Vader zegt, ik mag niet meer komen...”
„Waarom niet?”
„Vader zegt, bij Ross houden ze het met Eli Bag, en die heeft ons bedrogen...”
„Eli nam mij vroeger soms mee op z’n paard.”
„Mij zoo dikwijls...”
Maarten smeedde voort, en luisterde naar ’t gepraat der kinderen.
Eindelijk werd het er te vol; dan schoof hij ze met één hand naar buiten.
„Véél te veel,—” zei hij lachend, „morgen komt er weer een dag.” Maar ’t kleine Marietje Brandt zette hij even op zijn schouder, en liet haar kijken door ’t hooge raampje boven de deur.
Dat was iederen dag zoo; telkens een ander, die door ’t kleine hooge raampje mocht kijken; en ze wachtten altijd weer in gespannen verwachting, wie het zijn zou.
Daarna draafden ze joelend en schreeuwend weg.
Maarten lachte met hen; in zijn werk herademde hij. In hem lag het diep-blijde, het kerngezonde, dat altijd wilde zingen in volle levensvreugd; zijn smart kon groot en echt zijn, maar zijn frissche leefkracht kon er niet lang gebukt onder liggen en barstte altijd weer uit.
Binnen misten zij allen Berend, en zijn rustige, geduldige goedmoedigheid, zich meer uitend in zijn heele persoonlijkheid dan in zijn karige woorden.
De oude vrouw zat aan ’t raam, zooals zij de jaren gezeten had, toen zij hem wachtte.
Nu was er geen wachten meer.
In haar gelaat groefden zich de smartlijnen dieper; haar oogen dwaalden over de verre vlakte, blind starend, geheel gekeerd in haar eigen gedachten.
En in haar zonderling diep, stroef hart zonk haar smart om Berend neer in een wijde berusting; en in nieuw leven trilde een oneindige teederheid voor de andere kinderen van haar geslacht.
Evenals dien eenen avond voelde zij nu, met vastberaden sterken moed, dat zij nog leven moest,—zij was nog noodig.
— — — — — — — — — — — — — —
Den vierden dag na Berends dood kwam Eli op een ongewoon vroeg uur bij Hester. Vandaag zou hij haar zijn plannen zeggen; hij had het nu geheel uitgedacht—en hij was rustiger dan lang te voren; maar eenmaal vast besloten, kón hij nu ook geen dag meer wachten met het uit te voeren, verlangde hij met het oude, brandende ongeduld te kunnen gaan.
Er was nòg iets dat hem dreef: hij was bang ziek te worden en niet meer te kunnen gaan; na Berends dood, toen hij na den schrik den heelen nacht òp was geweest en eerst tegen den morgen in een fellen oostenwind naar huis gekeerd was, had hij zich plotseling ziek gevoeld. Het was erger dan het voortdurende koortsgevoel en hoesten der laatste weken, het was een algemeene zwakte, een vreemde lichtheid in zijn hoofd, die hem deed duizelen als hij lang stond. Daarom verhaastte hij zijn tocht.
Toen hij bij Hester binnenkwam vond hij haar alleen stil zitten vóór de tafel,—en opeens, nu hij zoo onverwacht voor haar stond, dacht hij, pijnlijk getroffen: zoo had hij haar vroeger nooit gezien, zoo werkeloos doelloos bijna.
Opeens zag zij hem; ze sprong op en sloeg haar armen om zijn hals, en klemde zich aan hem vast, alsof ze hem niet missen kon... en hij voelde ’t nu, hoe ze altijd om hem had geleden den laatsten tijd—en sterker werd zijn verlangen dit alles anders te doen worden.
Zij hield hem nog altijd vast, en zag hem angstig, onderzoekend aan.
„Er is toch niets, Eli?”
Hij ging zitten, en trok haar naast zich, haar kussend met iets van zijn vroegere onstuimigheid.
„Alles zal in orde komen, liefje, ik zal het kunnen betalen...”
Haar gelaat lichtte op; en voor ’t eerst zag hij, dat het zóó altijd vroeger was, en hoe bleek en strak den laatsten tijd; en in een groote droefheid om haar kuste hij haar weer, teeder nu en eerbiedig.
„Hoe dan, Eli?”
Hij wachtte even; hij kon het zichzelf moeielijk hooren zeggen.
„Ik zal naar Brogs gaan en het aan mijn moeder vragen,—ik heb er lang genoeg over gedacht, ’t is het eenige,—zij zal mij helpen,—maar ’t kostte me veel, eer ik er toe besloten was.”
Dit begreep zij; zij dacht, dat dit misschien het bitterste was waartoe hij moest komen.—Was voor hèm, die het zóó moeilijk dragen kon, juist het zwaarste weggelegd!
Zij trok zijn hoofd aan haar borst—dat altijd even dierbaar gelaat, dat zij had willen bewaren voor elke schaduw van smart,—en zei hem zachte liefdewoorden, liefdenamen...
„’t Moèt!” zei hij.
„Ja... en je moet denken, dat is dan ook het laatste, dàn is alles geleden,—zóó kan je het hier niet laten, dat kunnen we immers geen van beiden op den duur uithouden.”
„Nee—nee—natuurlijk niet—en wàt zou ik moeten doen hier?—je weet niet, hoe ik snak om weg te komen! maar als ik nu ging, zou ’t zijn of... o! als ik daarmee klaar ben, met ’t geld, dan gaan we weg...”
Ze schrikte op—„wèg?”
„Ja—met jou—zonder jou kan ik niets meer—we moeten samen opnieuw iets beginnen, als man en vrouw;—ik zal vragen aan Marten Bag in Fels, die zal me verder kunnen helpen... maar hièr vandaan.”
Ze snikte het plotseling uit.
„O Eli, àrme schat, en je bent van alles hier zoo gaan houden—van het werk—en dat moet je nu allemaal achterlaten...”
Hij schudde het hoofd, opziend met vreemd-onverschillige oogen—en lachte kort.
„Och—dàt lijkt me alles al zóó lang geleden,—ik weet niet eens goed meer hoe ’t was.”
Hij zweeg even, toen sprak hij voort, heesch, met bevende gejaagdheid, de woorden waarachter zijn smart weende.
„Ik heb er ééns alles voor willen geven—àlles—ik heb weken en maanden aan niets anders gedacht, dan hoè ik ’t zou kunnen behouden,—dat is nu óók weg,—nu moeten we weer aan ons zelf denken... misschien, als ik ’t nog iets langer had kunnen volhouden, als ik eerder aan mijn moeder gevraagd had,—maar nu kòn ik niet langer,—en nu moet ’t maar heelemaal uit zijn ook.—Wat ben ik hier geworden?—ik kàn hier niet langer blijven,—ik kan ’t land niet meer zièn,—ik kan de menschen hun stemmen niet hoòren,—er is niets meer voor me dan weggaan.—Ergens anders zal ik mezelf er weer bovenop werken, als ik dit niet meer zie... wij samen, hè vrouw?”
Hester was heel bleek; maar ze kuste hem en zei angstig:
„Ja Eli.”
Hij greep haar wild in zijn armen, en klemde haar hartstochtelijk aan zich; voor ’t eerst voelde hij weer hoop en vreugd.
Hij wist: Hesters „Ja” hield in elke belofte, elke opoffering, die hij van haar zou eischen, en de oude trots om haar liefde herleefde in hem.
„Hester wij samen weg, en dáár weer werken; misschien in Fels. Ik ben vroeger in Fels zoo gelukkig geweest...”
Hij verlangde nu naar Fels, zooals hij vroeger in Fels naar Lode verlangd had; hij zag vóór zich: geluk, als hij maar hier vandaan was!
En hij wist niet wat hij van Hester vroeg.
Hij, eenzame, had altijd het gemis aan een thuis, aan familieleven gevoeld; maar hij kènde ook niet het bezit ervan. Hij kon niet weten wat het voor Hester beteekende, heen te gaan van àlles wat haar lief was geweest van klein kind af; hij wist niet, hoe zij gebonden was aan al de oude herinneringen, de oude omgeving, de menschen, die altijd om haar waren geweest; zij moest alles verliezen wat tot nog toe één met haar leven was geweest.
Maar zij had niet geaarzeld.
Zij wist nu eenmaal: met honderd smarten had zij zich aan hem verbonden; sinds zij hem had gekend was zij geen meester meer van haar leven; haar liefde voor hem was de macht, die al het andere overheerschte.
En tot hèm sprak niet haar smart, tot hèm sprak alleen haar groote liefde en teederheid; zij zeide tot hem de woorden van hoop, zoo vast en zonnig, alsof nog nooit haar vertrouwen was teleurgesteld, geen enkele illusie nog vernietigd was.
„We zullen daar samen opnieuw beginnen, alsof dat het allereerste is wat we ondernemen... In Fels, Eli? is het erg ver! lijkt het een beetje op hier?—Maar dat is ook niets—ik denk, als we daar lang zijn, lange jaren man en vrouw,—dan zal dit een nare droom lijken... we zijn nog jòng!”
„Ja,” glimlachte hij.
„Ik denk, dat dit ons dan niet eens meer erg lijkt,—’t is ook eigenlijk maar den laatsten tijd,—maar we zijn hier toch ook wel heerlijk gelukkig geweest—in ’t begin—als ’t maar weer zomer wordt.”
„Als ’t zomer is zijn we daar...”
Zij zag plotseling, toen hij zich omkeerde naar ’t licht, hoe slecht hij er uitzag.
„Ben je goed?” vroeg ze bang.
„Nee—daarom ga ik gauw; als er iets in den weg kwam, en ik moest ’t uitstellen, dat zou ik niet meer uithouden.—Ik weet ’t wel, ik heb te veel van mijn lichaam gevergd... dáár—met jou altijd bij mij, zal ik ook beter kunnen leven;—jij zal altijd op me moeten passen, Hester...” Hij zei het met een pijnlijken lach.
„Nee—ik weet zeker, als je daar bent, en je bent gelukkig, zonder zorgen, dan zal je—dàt niet meer doen, dan heb je ’t niet meer noodig.”
„Geloof je dat zéker—of zeg je ’t maar om mij?”
„Nee,” zei ze moedig, „dat denk ik zéker, ik ben er geen oogenblik bang voor.”
Hij hield haar stil in zijn armen, en zij bleven zwijgend zitten, maar hun gedachten dreven naar hetzelfde:
„Of dit dan ten slotte het eind zou zijn, de rust en het geluk,—dàt het Beloofde Land, waarvoor hij zoo lang had gestreden... ééns zou het toch beter worden!”
Toen hij dien middag heenging wist alleen Hester het nog maar; grootmoeder was met Maarten naar Boge.
Zij stonden op den drempel uit te zien, of de wagen al terugkwam, maar toen zij hem in de verte zagen zei Eli:
„Nu ga ik weg, jij moet ’t hun maar zeggen.”
Hij kuste haar; zij merkte op, hoe zijn gezicht brandde en zijn oogen schitterden, en haar angst kwam weer boven.
„Je bent ziek!”
Hij lachte. „Mijn hoofd brandt altijd... over een dag of vier ben ik weer thuis, dan is alles in orde.”
Zij wist niet wat het was, maar zijn plotseling vast, vroolijk vertrouwen joeg haar angst aan.
„Ik ga nog een eindje mee.”
Hij lachte weer; maar toen ’t begon te sneeuwen bracht hij haar terug.
„Ga maar binnen, het is te koud.”
Ze bleef hem aanzien...
„Blijf nog maar hier...”
„Je wil me niet laten weggaan,” riep hij uit, „ben je bang voor de groote reis?”
Ze trachtte mee te lachen, maar ’t ging niet.
Hij kuste haar weer—toen ging hij eindelijk.
Bij de kromming van den weg keerde hij zich om en wuifde tegen haar, met zijn oude, zonnige vroolijkheid; toen zag ze plotseling helder voor zich: zijn gezicht, veranderd, met scherpe lijnen en uitstekende jukbeenderen—en de groote, schitterende, zieke oogen,—zij hoorde zijn stem met een vreemden, gebarsten klank...
En plotseling ontzonk haar de moed; het was, of zij nu opeens de zwaarte van al ’t leed, dat geweest was, en nog komen moest niet meer torsen kon. En zij bleef staan waar ze stond, ongevoelig voor den scherpen wind, die haar in ’t gezicht sneed, starend met blinde, traanlooze oogen.
„’t Is zoo veel—zoo veel,” kreunde zij onbewust hardop.
„Hester! Hester!”
Ze zag op als uit een droom.—Maarten sprong van den wagen, en hielp Tine eruit.
„Ging Eli daar niet?”
Ze knikte stom, en ging met hen naar binnen; ze ging voor ’t raam staan en zag uit; en hoorde de beide anderen in de kamer komen en stilstaan.
Toen zei zij het:
„Eli gaat morgen naar Brogs,—het geld halen,—we gaan allebei weg, later naar Fels—ik ook—ik ga hier vandaan—en hij is ziek—ik zie ’t...”
Haar stem zei de woorden machinaal—afgebroken.
Maarten kwam naast haar staan, maar hij zei niets,—hij kon haar niet helpen.
Stom staarde hij uit over het wijde, barre land.
„Ging ze wèg? Zou hij haar niet meer zien,—haar nooit meer kunnen helpen met iets?—ze zou niet meer zitten hier op haar oude plaats...”
Hij hief zijn hand op, met een dwalende beweging.
Maar zij zag niet op; ze wist, dat hij daar naast haar stond, en haar aanzag... toen hoorde ze hem langzaam de kamer uitgaan.
Maar Tine Ross ging naar haar kleindochter.
„Kom bij me zitten, laten we er samen over praten,” zei ze met trillende lippen.
Toen sloeg Hester haar armen vast om haar heen, en drukte het oude hoofd aan haar borst—en schreide lang en hevig.
XXIII.
’s Avonds ging Eli nog naar Adam; hij wilde hem zeggen, dat hij naar Brogs ging.
Had Adam zijn stap gehoord? Hij stond aan zijn deur en wachtte hem op.
„Wou je naar mij gaan?—ik kwam je zeggen, dat ik morgen naar Brogs ga.”
Adam zag hem aan; zijn oogen lichtten zonderling in zijn bewegelijk gezicht; Eli’s woorden scheen hij niet te hooren, want met zachte stem zei hij:
„Eli—vanmorgen is het wonder gebeurd—toen—toen is hij gekomen...”
Eli deed een stap terug; Adams gezicht zei hem wie.
„Geert?!”
Adam knikte.
„Vanmorgen. Hij kwam van ver, zijn voeten waren doorgeloopen. Ik wist wel, dat hij éénmaal hier komen zou,—en ’t is mijn àngst geweest, dat ik er dan niet meer zou zijn.”
„En?”
„Nou is hij er.”
„Ja—ik zag ’m opeens, zooals ik ’m gezien had op dien avond in Augustus;—hij stond voor me—en hij zei... dat zij nu gestorven was, Eli, en hij kwam met ’n boodschap...”
„Wat was dat?”
Adams trekken werden heel zacht.
„Dat hij haar al dien tijd gelukkig heeft gemaakt... dat was ’t eenige waarmee hij bij mij kon terugkomen, en daarmee heeft hij zijn schuld aan me afgedaan,—want ik heb ’r altijd liefgehad, Eli,—dat kan je misschien niet gelooven, maar ’t is zoo—tòt nu—en nu nòg...
„Dat waren de woorden die ik in mijn droom niet verstond;—ik heb dat eerst langzaam moeten leeren,—’t ging moeielijk,—ik heb er m’n heele leven over moeten doen...
„Maar nou is ’t goed; als hij morgen weer weggaat...”
Hij brak af; achter hem zag Eli een anderen ouden man; hij was forscher dan Adam en leek jonger, met vuriger oogen en ongeduldig-bewegelijken mond.
„Kent hij mij?” vroeg hij, en wees op Eli.
„Het is Eli Bag,” zei Adam.
Geert Feke zag Eli aan met zijn wonderlijke, sterke oogen; een donkere kleur steeg langzaam op in zijn brons gezicht, en langzaam stak hij zijn hand uit naar Eli.
„Hij zegt, hij houdt van je of je zijn zoon was.”
Meer zei hij niet; het was een onuitgesproken dank aan Eli, dat hij nog eenig geluk en liefde had gebracht in het leven, door hem vernield.
Eli keek van hem naar Adam, die daar stond, zoo rustig en stil, alsof nu niets hem meer deren kon; en in hartelijke liefde sloeg hij zijn arm om Adams tengere gestalte, en nam hem mee naar buiten.
Een poos stonden zij stil zoo; eindelijk zei Adam:
„Het is goed, dat je gaat—alles zal nou voor je in orde komen.”
Eli rilde in den kouden wind, een scherpe hoest doorschokte zijn borst.
„Dat zei Hester ook—en ik geloof het ook.”
Toen hij een paar stappen ver was, riep Adam hem terug.
„Groet Maria Bag van mij,” zei hij.
Dit was voor den eersten en laatsten keer.
In den vroegen wintermorgen reed Eli heen.
Er was dien nacht een weinig sneeuw gevallen, die de velden even bedekte; doodsch en bar lag het wijde land.
Hij was te paard, vreezend, als de wegen slechter werden, met den wagen niet voort te kunnen.
Bij de kromming van den weg naar Boge stond Maarten Ross.
„Goede reis,” zei hij, „ik heb je plannen gehoord, ik hoop, dat alles goed komt.”
Er was iets in Eli, dat hem een oogenblik de hand deed vasthouden, die trouw en zwaar zich om de zijne sloot.
„Dank je,” zei hij onzeker—„en zeg Hester nog eens goeden dag.”
Toen reed hij voort.
Bij ’t eind van den dwarsweg hield hij nogmaals stil, en zag om.
Maarten Ross liep daar nog op den weg; en in grooten winterrust lag het dorp.
Hij zag rechts; daar was de hut van Adam. Wat bekend leken al die dingen en tòch vreemd.
Hij zag alles in grooten weemoed, alsof hij nu ging om nooit terug te keeren; en dat gevoel deed hem weifelen op de plek, en staren met gretige, droevige oogen—alsof hij niet weg kòn.
„Maar vier, hoogstens vijf dagen,” zei hij tot zichzelf.
Zijn moed kwam terug; als hij hier wéér kwam was de zorg voorbij!
En hij reed voort.
XXIV.
Hij reed voort, twee dagen lang, langs de doodsche sneeuwwegen; soms waren aan den kant de sombere dennenbosschen, dan weer lag de hei als een onafzienbaar sneeuwveld. Het was maar zeer zelden dat hij een mensch ontmoette in die eenzaamheid.
Maar het kon zijn moed niet neerslaan; wat deed hem ’t weer als alles in orde kwam!
Hij overnachtte in een hoeve, halverwege Brogs, en trok den volgenden dag vroeg weer verder.
Maar tegen den middag begon hij zich ziek te voelen; het weer was ruw, de snerpende oostenwind sneed hem in ’t gezicht, en in zijn borst stak het pijnlijk; het oude koortsgevoel van de laatste weken kwam erger terug.
„Het is goed, dat ik gegaan ben,” dacht hij, rillend in de ijzige kou, die, door niets tegengehouden, aanblies over de sneeuwvlakte,—„als ik nu ziek word, heb ik tenminste rust.”
En hij was niet moedeloos; hij dacht aan Hester, en aan Fels; hij dacht zelfs met dankbaarheid eraan terug, dat Maarten nog gekomen was, om hem goedendag te zeggen.
Hij zag ook met zonderlinge helderheid, hoe hun leven daar in Fels zou zijn, en hij stelde zich hun huis voor in allerlei kleine bizonderheden.
De schemering viel vroeg in; juist toen, aan het eind van dien tweeden dag, zag hij over de boomen de torens van Brogs, dat op een hoogte lag.
Een smal, stijgend pad leidde erheen, glibberig, onbegaanbaar bijna van ijzel en modder; hij gaf zijn paard in een kleine hoeve, en ging te voet verder.
Hij kwam maar langzaam vooruit; telkens stond hij stil in den scherpen wind,—en vóór hem was de doodsche, stijgende weg, grijsglimmend van nattige, half gesmolten en weer bevroren vuile sneeuw, met de kale boomen aan weerszijden.
Een paar keer, in de beschutting van wat kreupelhout, ging hij zitten; hij had het bestuur over zijn voeten verloren, het zweet liep van vermoeidheid langs zijn gezicht; maar de wind was zóó ijzig, dat hij na een oogenblik weer overeind tobde en verder ging.
Het was volkomen avond toen hij in de donkere straten van Brogs kwam, het bouwvallige stadje met zijn onregelmatige huizenrijen, en sombere, hooge torens.
Het was hier veel minder koud; hij kwam bij, en liep vlugger voort; en vreemd bekend en toch van zóó lang geleden, leken hem de straten; hij was hier ’t laatst geweest vóór hij naar Lode ging.
Zoo vond hij zijn moeders huis.
Een oude meid deed open; hij liep dadelijk door naar boven, de bekende trap en gang uit zijn jongenstijd. Even dacht hij: „hier was ik toch gelukkig.”
Hij klopte. Er kwam geen antwoord. Toen deed hij langzaam de deur open, en een oogenblik stil op den drempel, zag hij rond.
In de kamer, waar geen licht op was, zat de vrouw van Jelle Bag bij het vuur.
Zij zat stil, voorovergebogen; er was iets in haar zitten zoo, dat hem even aan Hester deed denken.