Het beloofde land

Part 12

Chapter 123,840 wordsPublic domain

Plotseling, iemands tegenwoordigheid voelend, keek ze om; het licht van ’t vuur viel op Eli’s bleek, mager gezicht en schitterende oogen.

Met een kreet sprong ze op, alsof ze op hem wilde toesnellen, maar ze bleef staan en zag naar hem met een vreesachtigen blik.

„Moeder,” zei Eli—„ik ben het.”

Toen liep ze naar hem toe, en sloeg haar armen om hem heen, en kuste hem hartstochtelijk.

„In zóó lang niet—zóó lang...” stamelde ze snikkend.

Hij hield haar stil vast, in een vreemde, hemzelf onbegrijpelijke ontroering; maar hij voelde zich zwak en duizelig—en haar loslatend, zocht hij een stoel.

Zij zaten nu tegenover elkaar en zwegen; maar er was geen verlegenheid in hun zwijgen; zij zagen elkaar aan, en dachten scherp en snel.

Er was iets in haar, dat hem ontroerd had van het eerste oogenblik af, toen hij hier binnenkwam, dat brak het vijandig koud gevoel, waarmee hij altijd aan haar gedacht had; terwijl hij hier zat en haar aanzag begreep hij op eenmaal:

Haar totale eenzaamheid,—de troostelooze onverschilligheid in die kamer, zóó ongezellig en leeg, alsof geen vrouw haar bewoonde, waar blijkbaar nooit eenige moeite werd gedaan om haar gezellig te maken; hij zag zijn moeder vervallen, oud, het vroegere kindergezicht gerimpeld, verlept, met zoekende, rustelooze oogen en gemelijken mond; hij zag haar verwaarloosde kleeding, slordig, alsof elke zorg aan zichzelf of haar omgeving besteed haar te véél was.

Hij zag haar: verlaten, doelloos schepsel zonder een enkele liefhebberij, hakend naar iets wat haar in haar verveling kon verstrooien.

Zóó wist Eli haar, terwijl zij tegenover hem zat en weende met korte, zenuwachtige snikjes,—en voor ’t eerst voelde hij, dat hij ook schuld had aan háár, begreep hij den plicht, waarvan Adam Feke had gesproken.

Zij was diep ongelukkig, even ongelukkig als hijzelf, door haar aanleg, haar zwakheid, haar onbevredigd verlangen.

Eindelijk sprak zij weer.

„Eli—hoe lang blijf je? Je ziet er zoo slecht uit, kind,—blijf nu hier, dan zal ik voor je zorgen en je oppassen,—je hebt ’t noodig—en ik ook.”

Hij zweeg; nu hij haar hoorde spreken, met die groote klacht in haar stem, voèlde hij verwantschap met haar; hij voelde nu weer hoe ver hij stond van Hester, van allen daar en hoe hij in waarheid was: kind van deze vrouw, met dezelfde bijna misdadige zwakheid van ’t oogenblik, en het diepe lijden erna,—hetzelfde kwellende gevoel van eenzaamheid.

En tòch kon ook zij dit niet van hem wegnemen, zij kon hem niets vergoeden ook, hij moest toch weer van haar weg, haar liefde kon nu niets meer voor hem zijn.

Altijd hetzelfde...

Hij leunde plotseling terug, krimpend onder een hevige hoestbui; de pijn in zijn borst maakte hem wee en flauw, rillend bij de hitte van het vuur.

Zij zag het. Het volgend oogenblik lag zij naast hem op haar knieën.

„Eli, kind, je bent ziek! waar ben je geweest?—och, wat was je in een tijd niet hier!—ik weet niets meer van je—die jaren waren zoo làng...”

Hij antwoordde niet, er kwam een gedachte, brandend in zijn ziek brein, die hem opjoeg in koortsigen angst.

„Ik word ziek, ik word ziek—àls ik ’t nu niet meer kan.”

Uitgeput leunde hij in zijn stoel, trachtend zijn benauwdheid te boven te komen.

Het duurde lang, hij legde, terwijl hij daar worstelde, zijn heete hand op de hare als om steun.

Eindelijk kon hij weer spreken, zacht en heesch.

„Moeder—luister eens—ik moet ’t kort zeggen—ik heb daar—daar in Lode—de heiontginning begonnen,—ik heb ’t moeten opgeven,—de Kloeve heeft niet opgebracht,—ik had zelfs niet om den termijn uit te betalen,—ik ben in schuld bij ’t volk,—zóó kan ik niet iets nieuws beginnen, wil u me helpen...?”

Hij zat stil, in elkaar gedoken, uitgeput door de ellende, dit te moeten zeggen.

Haar gezicht verstrakte; ze had hem losgelaten en staarde voor zich uit, langzaam knikkend, als om het zichzelf duidelijk te maken.

„Hoeveel is het?” vroeg ze eindelijk.

Hij noemde de som.

Ze knikte weer,—toen stond ze langzaam op, en kreeg het geld uit de groote eikenhouten kast—en gaf het hem.

„Dank u,” zei hij, en nam het met bevende vingers,—„dank u.”

Ze stond nog vóór hem en zag hem aan, en haperend, langzaam, zei ze het zwaarste:

„Ben je daarvoor alléén gekomen—zou je—anders niet naar me toe gekomen zijn?”

Stom zag hij haar aan; hij begreep nu, dat Adams woorden voor deze vrouw geen waarheid konden zijn: zij kon niet dankbaar zijn, dat hij tot háár kwam in zijn grootsten nood, dàt kon zij niet voelen,—zij voelde het alleen als een vernedering.

Het licht, dat een oogenblik in haar ziel viel, was weer weg; en hij peilde haar diepe grief: haar zoon kwam slechts tot haar, omdat hij haar noodig had.

Hij begreep dit, want hijzelf had dit ook zoo gevoeld, langen tijd, en Adams woorden niet verstaan—tòt hij hier binnenkwam en haar zag...

Hij strekte zijn armen uit, en trok haar naar zich toe, in bijna liefde van medelijden.

Toen viel zij aan zijn borst, en weende uit haar armzalig leeg leven, zich aan hem vastklemmend in hopelooze verlatenheid.

— — — — — — — — — — — — — —

Het duurde lang eer zij ophield met schreien, en hij hield haar stil tegen zich aan;—voor ’t eerst was in hem een eerbied voor zijn moeder om haar ongeluk. Eindelijk werd ze kalm, en zette zich naast hem neer.

Hij nam haar hand.

„Ik wou, dat ik ook iets voor u doen kon, moeder,—u weet niet wat een groote weldaad u aan me gedaan hebt; als u me niet had kunnen helpen, had ik naar vreemden moeten gaan...”

Ze zag plotseling verheugd, met tranenschitterende oogen naar hem op.

„Ik had ’t gisteren geïnd, ik had ’t liggen—hadt je anders naar vreemden moeten gaan?”

„Ja—maar die zouden me misschien niet willen helpen.”

Ze knikte; langzaam begon het tot haar door te dringen, dat zij hem had geholpen—zij alleen had dat gedaan.

„Ik zal met Hester bij u komen, vóór we...”

„Ik weet bijna niets van Hester...”

De koorts brandde door zijn lichaam, maar hij hield zich op, en vertelde haar van Hester, van zijn werk, zijn strijd, zijn wanhoop—voor ’t eerst liet hij haar zien in zijn leven.

Ze luisterde stil, haar hand op zijn hand, altijd met die verheugd-dankbare schittering in haar schreiende oogen; ze begreep volstrekt niet den omvang van wat hij geleden had om dat werk, ze zag ook niet hoè ontzaglijk veel Hester van Eli moest houden, dàt waren voor háár woorden, klanken,—ze dacht alleen: hier zat hij nu bij haar, en hij vertelde haar alles, als andere zoons aan hun moeders...

En zij wist niet dat zij nu altijd hetzelfde leed, wat Eli als kind geleden had,—de voortdurende vergelijking met anderen.

Hij leunde uitgeput achterover.

„Ik ben ziek,”—hijgde hij,—„en ik moet morgen weer weg...”

„Niet als je ziek bent,—je moet hier bij me blijven,—ik zal je oppassen tot je weer heelemaal gezond bent,—mijn arme jongen,—je bent zoo mager geworden,—kijk je handen—maar je hebt nog altijd je mooie gezicht.—Blijf nou hier...”

„Nee moeder—ik moet naar Hester.”

Ze zag, hoe hij met moeite in zijn stoel zat.

„Ik zal hier een bed voor je maken—’t is hier warm—en ik zal bij je blijven.”

Hij knikte dankbaar, te ziek om nog iets te zeggen; hij voelde, dat hij hoe langer hoe erger werd.

— — — — — — — — — — — — — —

In den langen, donkeren nacht waakte zij bij hem; en zij dacht over alles, wat hij haar verteld had.

Die vrouw—Hester—waarvan hij zoo veel hield, die alles voor hem was,—en dat groote werk, waarvoor hij zoolang getobt had,—dat groote, heerlijke werk, zooals hij het noemde...

Dat leek haar alles zoo vreemd ver van haarzelf—het gaf haar een vaag zelfbesef, dat zij dat niet begrijpen kon; zij verlangde ook niet Hester te zien, of te leeren kennen—ze wilde alleen Eli hebben—zooals nu...

Eli was heel onrustig; telkens hoestte hij zich wakker en dan was zij altijd bij hem, gaf hem water, legde natte sponsen op zijn brandend hoofd.

Eerst tegen den morgen sliep hij even in.

Toen hij wakker werd, was het licht; hij lag daar en zei tot zichzelf: nu moet ik weg, moet ik naar huis, dáár kan ik ziek zijn—hier heb ik geen rust.

Langzaam en moeielijk kleedde hij zich aan; Maria stond er hulpeloos bij, zich weer overbodig voelend nu, nà den nacht, toen zij iets voor hem had kunnen zijn.

„Ga je toch weg?” vroeg ze zacht.

„Ja—maar ik kom terug.” Hij trachtte te lachen.

„Gauw?” drong ze, „gauw?”

„Ja—in ’t voorjaar—heusch.”

Zij ging met hem mee naar beneden.—Het grauwe ochtendlicht viel weifelend in de breede gang; hij zag het, in een wanhoop bijna, naar buiten te moeten.

„Morgen ben ik thuis,” zei hij hardop; en ondanks zijn dood-ziek gevoel kwam een blijde, zalige moed in hem; zij zouden nu werkelijk opnieuw beginnen.

Toen kuste hij haar vaarwel.

„Dank u, moeder,—zal u... als ik weg ben, moeder,—zal u er dan aan denken, dat u het is, die me geholpen heeft?”

Ze lachte tegen hem, en keek toen bezorgd naar buiten.

„Wat ’n weer!”

Maar hij, koortsig-tobberig, hield als een angstig kind vast aan dat ééne.

„Zàl u daar aan denken, moeder?”

„Ja—ja.”

Ze kuste hem weer en toen ging hij.

Eenmaal nog zag hij om en zóó zag hij haar voor ’t laatst: onbewegelijk in den donkeren, grauwen morgen, hem naziend met haar bleek, vervallen gelaat, waarover langzaam de tranen neervielen.

XXV.

Eli kwam langzaam vooruit.

De wind was gaan liggen, maar nu en dan vielen groote vlokken.

Hij liep moeielijk den gladden, dalenden weg; bij de kleine hoeve haalde hij zijn paard op, en reed nu verder.

In ’t begin was ’t hem een rust te zitten,—maar langzamerhand hinderde hem meer en meer het op-en-neer schokken, en hij moest telkens zijn paard laten stappen om het uit te houden.

„Zóó kom ik er nooit,” dacht hij dof...

Hij was veel zieker dan den vorigen dag,—zijn hoofd hamerde en belette hem geregeld te denken, in zijn borst piepte het met een zagende pijn. En toch voelde hij zich op dezen ellendigen tocht geen enkelen keer ongelukkig; als hij weer thuis was, zou alles geleden zijn.

De sneeuw begon dichter te vallen; rondom lag het land verlaten en wit. Hij had de dennenbosschen nog lang niet bereikt, als een zwarte streep lagen zij van verre...

Toen in die barre eenzaamheid begon een wilde angst hem voort te jagen.

„Als ik hier eens viel, en bleef liggen,—ik moet hard doorrijden, dat ik vannacht in Boge kom... God, als ik hier bleef liggen...”

Hij gaf zijn paard de sporen, en rende voort, met duizelende, verdwaasde oogen.

Hij dacht nu zonderling verwarde dingen, aan zijn moeder, aan Berend Ross, aan Fels en aan Hester...

Tot hij met een schok tot helderheid kwam:—„’t is onzin, ik kan niet meer denken—wat doe ik toch...”

Tegen donker zag hij een eenzame hoeve; Boge was nog ver, hij kon zelfs in de donkere lage lucht den toren niet zien.

„Daar maar heen,” en hij reed nu weer beschut tusschen de donkere dennenbosschen.

„Hier heb ik met Hester gezeten,” dacht hij verkeerd, en zocht om de plek te herkennen... „toèn was ’t toch niet zoo ver.”

Hij wist niet meer waar hij was; hij zag dennen en verwarde ze met de bosschen bij Lode; half bewusteloos reed hij aan op de hoeve.

Hij kon zich ook niet herinneren, wie er woonde; hij zag mannen buiten komen, die een lantaarn ophielden, en hij hoorde zijn naam noemen.

„’t Is Eli Bag!”

Hij verwonderde zich flauw; hij ondervond, hoe ze hem van ’t paard hielpen, en hem brachten in een weldadig warme kamer—en hij hoorde zeggen:

„Hij is ziek—hoe heeft hij nog gereden.”

Hij poogde ook niets uit te leggen; in zijn doffen, droomerigen toestand wist hij niet eens, wie om hem waren. Menschen hielpen hem uitkleeden, en spraken zacht,—een vrouwestem vroeg hem iets. Hij wist geen antwoord—begreep niet...

Zoo kwam hij in bed, en alleen een flauw gevoel van dankbaarheid kwam over hem, dat hij lag.

Om hem bleven de menschen nog; hij bekommerde zich niet om hen, niet om iets; na een poos zonk hij weg in droomen.

Het waren zonderlinge droomen; hij ging over wijde, wijde velden, en om hem was de blauwe damp van een koelen, rustigen herfstdag... wanneer was dat óók zoo geweest? De lucht ook was koel en blauw, maar de nevel voor hem was toch dicht,—en hij ging er door, langzaam, altijd maar verder over de velden... hij moest ergens naar toe,—waarheen—dat wist hij niet—maar ’t was iets goèds—iets goèds—en hij haastte niet—hij ging langzaam, langzaam door de blauwe nevels...

In den morgen gingen de droomen weg; wakker, lag hij dof te zien naar het donkere licht van den wintermorgen.

„Dat blauwe—dat was weg... nu wist hij het weer—hij moest verder;—hoe kwam hij hier...?”

Hij herinnerde zich flauw iets; tweemaal probeerde hij op te staan, en viel weer om.

„Ik moèt,” zei hij, terwijl ’t angstzweet hem uitbrak,—„ik wil naar Hester.”

Hij stond, en kleedde zich aan, zich overal aan vastgrijpend.

Zoo vonden de menschen hem.

Ze zagen hem verwonderd aan, en vroegen, of hij niet wilde blijven.

Hij zag nu: er was een vader, een stoere oude boer, en een stevige roode jongen; de moeder was klein en gerimpeld.

En hartelijk, met hun schaarsche woorden zeiden ze hem te blijven.

„Waarom blijf je niet hier? M’n zoon herkende je—je was heel ziek.”

Eli trachtte te blijven staan.

„Ik dank jullie—ik ben nou weer beter—ik moèt in Lode zijn.”

„’t Is onmogelijk,” zei de oude boer, „je kan geen uren achter elkaar op ’t paard zitten.”

„Vader, geef ’m den wagen,” zei de jongen.

„Zie je, wij kunnen je niet brengen, we moeten naar Brogs straks, maar den eenen wagen kan je krijgen.”

„Als de weg niet te slecht is...”

„Dat is ie niet—” zei de jongen,—„de sneeuw ligt niet hoog, ’t is alleen glad...”

„Vooruit dan maar,” en ze gingen den wagen inspannen.

Onderwijl bleef de oude vrouw bij Eli.

„Een heel eind nog in zoo’n weer,” en ze zag medelijdend naar Eli, die hijgend ineengedoken op zijn stoel zat.

„Ik ben gauw thuis,” zei Eli meer tot zichzelf dan tot haar... „bij Hester...”

„Hester Ross—ik dacht eigenlijk, dat ze je vrouw al was,—maar och, je leeft hier zoo afgezonderd.”

„Van ’t voorjaar.”

Hij glimlachte; een wonderlijke blijmoedigheid bezielde hem door zijn ellendigen, zieken toestand heen.

De vrouw zag hem oplettend aan, en dacht:

„Hij ziet er niet uit als een, die alles verloren heeft, en ook niet om de menschen te bedriegen,—maar ze vertellen zoo véél,—je moet eigenlijk van ’m houden als je ’m aanziet, ’t gaat me aan mijn ziel om ’m te laten gaan...”

„De wagen is er,” kwam de man zeggen.

Ze hielpen hem nu in den wagen, en dekten hem met een warm kleed en zeiden hem vaarwel met vriendelijke, korte woorden.

Eli dankte de goede menschen—den wagen zou hij terug laten brengen.

„Dàt komt terecht—goeie reis.”

Het was beter nu in den wagen; hij was meer beschut tegen den fellen, scherpen wind.

Hij zat, leunend tegen den zijkant, en hield het paard met slappe teugels.

Toen hij een half uur gereden had, werd hij weer veel erger; hij kon niet meer berekenen waar hij was,—hij liet ’t paard den rechten weg gaan, zonder éénig vermogen het te besturen.

Zoo reed hij langen tijd, zonder besef voort. Uren en uren.

Eéns zag hij op met loodzware oogen en onderscheidde flauw de eerste schaapskooien. Het paard stapte, brieschend, den kop gebogen tegen de jachtsneeuw.

Was hij nog ver?

Het leek late middag te zijn,—’t werd schemer. Had hij zóó lang gereden?

Hij wist niet hoe dicht hij nu bij Lode was, hij wist niets meer; dof staarde hij over het sneeuwveld zonder iets te herkennen.

Hij verlangde te liggen... moe liet hij zich op zij vallen, de teugels nog in de hand.

Het paard voelde den ruk—en stond nu stil.

Eli merkte het niet; de droomen van dien nacht kwamen terug... hij ging weer over de wijde velden in den blauwen nevel—langzaam en rustig... naar iets goèds—iets heerlijks...

— — — — — — — — — — — — — —

Hij kwam tot bewustzijn door iets donkers voor zijn oogen.

En voelde dat hij werd opgebeurd, van den wagen getild en weggedragen.

Moeielijk lichtte hij zijn hoofd op, om te zien.

Adam...

Met een snik van zich veilig voelen sloot hij de oogen.

Adam Feke droeg hem met sterke armen, met snelle, vaste schreden naar zijn hut; hij droeg Eli met lichte kracht, Eli, die zooveel grooter en zwaarder was dan hijzelf.

Zoo had hij ook eens Jelle Bag gedragen.

XXVI.

Eli lag nu in zware rust; hij wist de weldadige warmte van een vuur om zich—en Adams zorg—en voor ’t oogenblik niets meer.

Langzamerhand verwonderde hij zich over iets—hoe kwam Adam bij hem...?

„Hoe wist je...?” vroeg hij zwak.

Adam legde zijn hand op Eli’s hand.

„Ik wist het—’t werd me gezegd, Eli... ik zat hier in ’t vuur te kijken, en dacht aan je—en opeens zag ik den weg, ik zag den wagen en ’t paard stilstaan in de sneeuw en jou erin liggen...

„Toen ging ik aan de deur en wou uitzien—maar ik kon niks zien door de sneeuw—en ik wist dat je ’r zijn moest—want ’t was me gezegd—en toen liep ik den kant naar Boge en vond je... je was vlak bij...”

Eli luisterde zwak; er was nòg iets, dat hem verwonderde.

„Je droeg me,” zei hij met een glimlach.

„Ik droeg je—ik droèg je—ik weet niet hoe—ik weèt de dingen niet meer—’t gebeurt...”

„Ja—en alles is in orde Adam,—ik heb—en nou zal—en...”

Hij werd bewusteloos—een langen tijd lag hij, en mompelde onverstaanbare woorden...

Eéns deed hij zijn oogen wijd open.

„Hester,” zei hij... ’t Volgend oogenblik ijlde hij weer.

Adam zat bij hem, en legde versche sneeuw op zijn hoofd... En onderwijl dacht hij aan Hester, en zag uit, of er iemand langs kwam, om ’t haar te gaan zeggen.

Niemand kwam—de uren gingen.

Eli ijlde niet meer, hij lag stil.

Het sneeuwde ook niet meer; helder en wit lagen de velden.

Toen kwam van verre iemand aan; het was een herdersjongen.

Adam riep hem.

„Loop hard naar Hester Ross, Jozef, en zeg haar, dat Eli Bag hier is—hij is ziek.”

De jongen zette het op een draf.

En Adam zat weer naast Eli—en wachtte.

Soms kwam Eli even tot bewustzijn; in een van die oogenblikken zei Adam:

„Ik heb om Hester gestuurd.”

Eli knikte; de dolle koorts sloopte hem snel.

In zijn heldere oogenblikken was hij zich bewust, dat hij op iets wachtte... iets goeds—en hij ging weer over de wijde velden, in den koelen, blauwen herfstdag... Dan weer zag hij Adam zitten, klein, grauw.

Hij dacht éven, dat dit nòg eens zoo geweest was...

En wàt moest er komen—waar wachtte hij op...?

Hij gleed weer weg.

— — — — — — — — — — — — — —

Lang—héél lang.

Tot hij ééns zich bewust was, dat er iets bij hem was—iets liefs—goeds—waarvan hij de aanwezigheid voelde, zonder ’t besef te hebben om op te zien...

Een stem die fluisterde,—een hand op zijn machtelooze hand.

Het was er al làng...

Hij was weg, kwam weer bij—maar altijd blééf dat.

Eens was ’t een stem, luider, dringender!

„Lieveling—Eli...”

Hij zàg...

Dàt was het—Hester!

Er brandde een lamp achter hem; ’t was schemerachtig, gedempt licht—’t moest avond zijn.

„Hester,” fluisterde hij.

Zij schoof haar arm onder hem en kuste hem.

Hij glimlachte.

„Zie je wel—’t is goed dat ’k gegaan ben,—nou zou ’k te ziek zijn...”

Ze snikte het uit, en klemde hem aan zich in haar sterke jonge armen, en kuste zijn gelaat, haar nooit zoo dierbaar als nu in zijn hulpeloosheid,—en ze herhaalde in zichzelf wanhopig weer hetzelfde:

„Ik kàn ’m niet missen—’k kàn niet...”

Hij lag haar verwonderd aan te zien; „ze hoefde niet om hem te huilen, hij was nu niet ongelukkig meer...”

„Ik hèb ’t geld—’t is alles in orde...” Haar hoofd lag naast ’t zijne; hij voelde haar tranen langs zijn wang.

Hij begreep ’t niet—hij wilde wel een grap zeggen, om haar gerust te stellen—maar hij wist niets...

En hij gleed weer weg.

Hester en Adam waakten samen.

Eéns hief de oude man ’t hoofd op; in zijn vreemd, stil gezicht zagen strak de oogen.

„Het beste voor Eli—gaat nu gebeuren, Hester.”

Hester sprong op; bevend, haar handen op haar borst gedrukt, zag zij van Eli naar Adam.

„Adam!” hijgde ze; haar gezicht was wit en verwrongen.

Adam Feke zag haar aan; een wonderlijke rust scheen over hem gekomen.

„Weet je, wat hij eens zei—van ’t beloofde land, toen hij hier kwam?—dit is ’t voor hèm—dit ’t éénige—voor hèm...”

Maar zijn stem brak, zijn oogen werden dof; het gezicht in zijn handen verborgen, weende hij stil over Eli Bag.

Iemand kwam en vulde het vertrek met frissche sneeuwlucht.

’t Was Maarten.

Maar Hester zag hem niet.

Met strakke, wijde oogen zat ze gebogen over Eli.

En kon zèlfs niet weenen.

Tot middernacht zaten zij drieën en wachtten.

Toen kwam Eli tot bewustzijn.

Met iets van den ouden stralenden glans in zijn oogen, zag hij Hester aan.

„Heerlijk, dat je hier bent—ik heb me zoo gehaast thuis te komen,—ik heb aan Fels gedacht—jij...”

Zij zag hem veranderen; plotseling zag ze wreed-helder: het beste, dat gebeuren ging.

Adam zat onbewegelijk; zijn gezicht was gespannen, alsof hij aandachtig naar iets luisterde.

Toen kwam in Hester een begrip van wat ze nu doen moèst.

Eli lag te wachten,—hij verlangde van haar woorden van hoop, van blijde verwachting,—alles waarvan zij wist, dat het nooit komen zou.

En in haar wanhoop kòn zij het zeggen:

„Ik heb er ook zooveel aan gedacht, toen je weg was,—nu gebeurt ’t, Eli! nu zijn we zonder zorgen,—ik verlang er zoo naar om daar samen te zijn...”

Ze brak af.

Hij zag haar aan—en glimlachte, een helderen glimlach, als van een kind.

Zwak, ontoerekenbaar als een kind was hij door ’t leven gegaan,—en onwetend was over hem gebeurd het Wonder: voor ééns en altijd te hebben gewonnen het Hoogste, het Reinste—dat nooit kon vergaan—een absolute liefde.

En hij glimlachte...

De wijde, wijde velden—en het blauwe, rustige licht...

Hij lichtte zijn stervende handen op—en trok haar gelaat neer op ’t zijne.

En ging zoo heen.