Het beloofde land

Part 4

Chapter 44,142 wordsPublic domain

Een oogenblik zagen zij beiden elkaar aan; las Eli den haat in ’t gezicht van den ander, de wrok tegen den jongere, die sterker dan hij het volk beheerschte door den invloed van het nieuwe; het nieuwe, dat hij háátte! Als hij het volk de oude hei zag bearbeiden, als hij de aardkluiten zag vliegen, dan weende hij haast van smart en spijt; dan zag hij al ’t oude waaraan hij verknocht was, waarin hij wortelde, vernietigd. En het was hem een grief te meer, dat Eli geen acht op hem sloeg, alsof hij zelfs zijn vijandschap niet telde.

Maar op dit oogenblik voelde Eli het; in al die toewijding viel scherp die ééne haat, en terwijl hij ook Laret eindelijk langzaam zag heengaan, zich voegend bij de laatsten, dacht hij, zijn blijde vreugd gezonken, hoe hij dien invloed toch nooit kon te niet doen, omdat die wortelde in het volk zelf, dat die toch altijd weer zou opstaan; dat in al die toewijding van daareven dat andere een oogenblik was overheerscht, maar niet vernietigd.

— — — — — — — — — — — — — —

Toen Eli opschrikte uit zijn gedachten, zag hij plotseling Hester.

Was zij teruggekomen... had hij haar niet gezien?

Zij stond waar zij gezeten had, toen hij sprak... en wachtte tot hij komen zou.

Hij liep langzaam de ruimte door naar haar toe, en zwijgend stak hij zijn hand naar haar uit, nog half terug in zijn gedachten, half in de blijdschap haar nog te zien.

„Hester—ben jij hier nog!”

Zij antwoordde niet; zij leunde terug tegen den houten wand, en zag hem aan, haar hand in zijn hand, haar wangen donker gekleurd; en voor ’t eerst wist Eli zeker, dat zij hem liefhad.

Het gaf hem een schok, een plotselinge zonderlinge gewaarwording. Het trok hem neer met geweld uit zijn visioen, en dwòng hem te dènken aan die groote donkere vrouw, die daar voor hem stond, en wachtte tot hij komen zou. En hij voèlde nu, hoe zij hem liefhad; hij zag het in de beving om haar mond, hij hoorde het in haar stem, toen zij zacht zijn naam zeide:

„Eli...!”

Het was als een zucht, een sidderende zucht van groot verlangen.

En hij zweeg; hij dacht aan den vorigen avond, toen dit hem onbereikbaar had geleken; hij begreep dit nu niet meer; hij zag nu wéér al de keeren dat hij in de smidse was geweest, en haar gelaat had zien opstralen bij zijn komst... en tegelijk wist hij ook, wat hem altijd weerhouden had ’t haar te zeggen; het weerhield hem ook nu, en deed hem zich ongelukkig machteloos voelen: de angst zich te binden, angst op zich te nemen, wat hij niet zeker was te zullen vervullen.

De opwinding van dien morgen was voorbij: hij was uit dat geestesleven gerukt in de werkelijkheid, en deze kon hem nooit voldoen; en plotseling gedrukt, moedeloos nu, in die eenzaamheid om hen beiden, mèt de zekerheid van haar liefde, was ’t eenige, wat hij zich gedreven voelde te zeggen tot haar: niet zijn liefde, niet zijn verlangen naar een woord van liefde van hààr, maar vragen van hààr bemoediging voor datgene, waarvan hij, toen hij stond tegenover zoovelen, zoo zéker was geweest.

„Hester, het is zóó zwaar dat vechten tegen twijfel en wantrouwen; vandaag zijn zij tot alles bereid, en morgen gooien zij ’t werk neer; dàt—er is niets zoo moeielijk als om altijd-weifelenden òp te houden.”

Hester zag hem aan; dit was de bittere terugslag van haar blijde hoop, nu zij, zoo trotsch, in haar hoogste liefdevoelen was gekomen tot hèm; en hij sprak tot haar van zichzélf, van zijn wèrk!

Een oogenblik verhief zich haar toorn in stommen, beleedigden trots... toèn zag zij zijn gelaat, bleek, veranderd, slap, zonder dien blijden glans nu weer—en plotseling voelde zij pijnlijk dat dit bij hem nooit anders zijn kon; dat liefdeleven met hèm nooit kon zijn het stralende, ál-verheugende dat zij ééns hoopte dat komen zou van hèm.

In dit oogenblik begreep zij haar liefde voor het leven, zij voèlde het met scherp, zuiver voelen voor het schepsel, dat zij liefhad; dat liefde bij hem beteekende: aan die ééne, die hèm ware liefde gaf, ten offer te brengen zijn gevoelige trots, aan haar alléén te willen geven zijn ziel van leed, zijn zwakheid, waar hij voor allen sterk wilde zijn; van háár willen hebben: sterking en liefde, en troost.

En haar eerste smart om zichzelf ging onder in een alles vervullende teederheid voor hem; en uit dat nieuwe gevoel, den weemoed om haar liefde, waarvan zij nu wist, dat die altijd meer zou geven dan ontvangen, sprak zij tot hem de woorden van teederheid en geloof; en zij gaf hem den naam, waarmee ze hem in haar hart altijd genoemd had, dien zij zeide nu, rustig, zonder valsche schaamte, in het recht van haar groote en goede liefde:

„Lief, ik heb altijd geweten, hoeveel je kon; ik geloof vàst in je, Eli, ik weet zoo zeker dat het werk zal gelukken: ik kèn je, beter dan jijzelf, omdat ik zoo veel van je hou!”

Haar woorden kwamen tot Eli als iets geheel nieuws en goeds. Hij sloeg zijn armen om haar heen, en zei zacht:

„Hester,... hou je zóóveel van mij?”

Dàt was zijn stem, met een klank dien zij nooit te voren erin had gehoord, waarnaar zij gesmacht had,—die haar het leed deed vergeten waaraan ze een oogenblik te voren zich had onderworpen; en zij sloeg haar armen om zijn hals, en hing aan hem met haar lenig, krachtig lichaam, en trok zijn gelaat naar zich toe, en kuste het, kuste het weer met hartstochtelijke, nooit verzadigde teederheid.

„Eli, zèg ’t, zèg ’t ééns, zèg dat je van me hòudt—meer dan van een ander—alleen maar méér dan van een ander... Eli, zoen me nòg eens, nòg—ééns...”

Hij hield haar aan zijn borst, en kuste haar gezicht, haar oogen, haar haar, haar bevenden mond—en hij zei het eenige woord, dat hij zeggen kòn.

„Ik hou van je—ik hou van je...”

„Grootmoeder, luister—de avond is zoo helder en zacht...

Grootmoeder, luister,—ik heb mijn liefste gevonden...

Grootmoeder, kunt ge slapen en droomen terwijl ik u dat zeg?

Grootmoeder, denk: hij is mijn liefste!...

Kunt ge niet meer voelen met uw oud hart wat liefde is?

Is liefde smàrt—zègt ge dat?

Maar mijn liefste is de beste, de grootste van allen—als een eik staat hij uit boven het volk...

Grootmoeder, wat zegt ge? dat liefde smàrt is?

Ik tèl het niet! Ik heb jaren de smart van verlangen naar hem gevoeld—nu is dat voorbij.

Grootmoeder! wat is de ondergaande zon rustig over het land... Wat zeidet ge? Dat een leven làng is, zóó vele jaren?

Ja, zoovele jaren van gelùk—van vreugde om hèm—en ik wil niet meer denken aan wat vroeger was... Hij heeft mij in zijn armen gekneld, en mijn mond gekust, dat ik dacht te stèrven van zaligheid...

Wat zegt ge, grootmoeder,—dat liefde smàrt is?

Ik zal het toch nooit gelooven.

Ik heb het wel gedacht de vele malen, als ik hem wìst zoo ver van mij, maar nu—nu is hij niet ver meer! Nu behoort hij mij, nu kan mij geen leed meer geworden van hem. En alle andere leed is licht—ik tèl het niet.

Want hij is mijn liefste!

Waarom zegt ge niets meer, grootmoeder?

Ge weet wel, ik zou het toch niet gelooven.

Grootmoeder zie, de zon is te laag gezonken—ginds achter den boschheuvel. Wij kunnen ze niet meer zien... Maar de lucht is nog rood—ik zie den gloed op uw gezicht...

Nu gaat het weg.

Het wordt snel donker nu...

Was dat een vleermuis? Neen, niet dáár grootmoeder! ge ziet hem niet! waarom is het altijd alsof ge naar iets anders ziet dan wij... iets, dat ònze oogen niet bereiken kunnen.

Grootmoeder, wat is het, dat ge ziet?...

Het wordt nu zoo donker en stil—ik zou wel kunnen schreien...

En het was toch heden de blijde dag van mijn leven... het is, alsof ik ’t verder van mij voel gaan... maar morgen zal mijn geluksvreugd weer rijzen, héérlijker dan de gouden zon!

Wat is de avond donker—er is geen maan—en geen enkele ster...

Grootmoeder luister, zou ooit mijn geluk vàn mij kunnen gaan—zou mijn blijde ziel ooit kunnen worden donker en stil...?

Wat zegt ge, grootmoeder? Uw stem is zoo zacht... „Het zal alles komen, zooals het komen moèst,” zeidet ge dàt?

En liefde is smàrt? Ach, ik weet het wel, ik geloof het wel...

Grootmoeder—oude grootmoeder, kus mij—het is zoo koud en zoo eenzaam—ik heb uw kus zoo noodig...

Ach grootmoeder, wat zegt ge toch? Zeg het niet meer, zeg het niet meer! Ik heb hem zóó lief—voor altijd, zelfs als alles donker geworden is... grootmoeder!”

— — — — — — — — — — — — — —

V.

De dag lag laag en grijs over het land.

Het volk, opgewekt door het koelere weer, werkte vlugger en krachtiger dan de laatste dagen. De jongens Wirs en Baats waren onuitputtelijk in kwinkslagen en grappen en hun schaterlach klonk telkens over de hei.

Het was de stemming, die Eli zoo graag om zich voelde, die hij noodig had als een levensbehoefte; hij kòn niet leven in gedruktheid en vijandelijkheid. Maar dezen morgen kon hun vroolijkheid zijn eigen stemming niet verdrijven. Zwijgend stootte hij telkens weer de spade in den harden bodem, met zoo’n kracht, dat de aardkluiten opsprongen; maar hij dacht geen oogenblik aan wat hij deed, zijn gedachten waren diep in zichzelf gekeerd.

De dagen na dien Zondag waren voor Eli onafgebroken geluk geweest, er was niets dat hem kwelde, of zijn stemming verstoorde, hij dacht alleen: Hester, die hem liefhad,—Hester, zijn vrouw. Maar zelfs in die dagen voelde hij hoe verschillend zij was van hem; als hij haar sprak van het werk, van zijn illusies erover, dan begreep hij instinctmatig, ziende haar open, luisterend gezicht, dat zij absoluut vrouw was, in haar onbegrensde toewijding aan het schepsel dat zij liefhad, maar nooit, zooals hij, haar liefde kon geven aan zoovelen; zij dàcht niet, als hij sprak, aan het volk; zij zag alleen hèm. En over zijn verwondering heen, dat iemand zóó voelen kon, was heviger gelaaid de warme blijdschap: dat zij hèm zoo liefhad, dat die liefde hém behoorde...

Waarom had hij dat tevreden geluk niet kunnen houden? Waarom moest altijd elk gevoel weer verdrongen worden door een nieuw?

Dat geluk lag alweer achter hem.

En nu kwamen erger terug de weifelingen, de angst, waarmee hem zijns ondanks vervulde die alles gevende, alles verwachtende liefde,—angst, dat hij daaraan niet zou kunnen voldoen.

Hij had nooit sterk ’t besef van verantwoordelijkheid gehad, dat voelde hij nu; nu ondervond hij het, en het was hem bijna ondragelijk...

Hij wierp zijn spade neer, en stond een oogenblik, het hoofd in den nek, als in benauwdheid te staren naar de grijze lucht.

„Was hij geen dwàas? Was er reden zoo te tobben? Kon hij dan niet genieten wat er te genieten viel! Moest hij dan altijd zichzelf elke vreugd vergallen!

„Hij wou niet—hij woù niet.”

Als een jongen liep hij om zes uur naar de smidse. Hester wachtte hem binnen...

Later gingen ze samen voor ’t huis, waar de oude vrouw zat; Maarten was naar de stad.

De zon ging nevelig onder; er was een stille, grijze vrede rondom over het land; alleen de krekels sjirpten schel in het gras, over hun hoofd vloog een zwaluw met snelle wendingen.

Dat was alles.

Toen voelde Eli, terwijl hij zat met Hesters hand in de zijne, die groote, alomme rust in zich zinken; zijn twijfel van dien middag verdween. Hij dacht, terwijl hij uitzag over het stille land, hoe Hester bij zijn komst haar armen om zijn hals had geslagen, en hij had gebeefd onder de hartstochtelijke kracht van haar omhelzing.

En in die herinnering zat hij roerloos, zonder spreken; voelend weer alsof iets wonder-blijs, geheimzinnig moois over hem gebeurde, en hij onderging dat gevoel in bijna-eerbied; hij zàg alleen Hester aan, en sprak niet, vreezend het weer te verliezen...

De heele maand Juni was warm en mooi; Juli kwam.

En al dien tijd was Eli gelukkig.

Het volk was tevreden, bijna allen waren in Lode gebleven en hadden geregeld gewerkt.

’s Avonds was Eli altijd bij de Rossen: voor hem was de dagelijksche omgang met deze menschen van grooten invloed; misschien de grootste invloed, die hem ooit voor een tijd had kunnen beheerschen.

Tine Ross hield van hem, omdat ze hem gekend had van klein kind af, omdat ze tegen hem spreken kon over Berend; ze zei nooit veel, maar met een enkel woord sprak ze soms tegen hem haar verlangen uit, voelend dat hij dit begreep.

Eli hield van haar en van Maarten, om de groote rust, die van hen uitging.

Maarten!

Eli kon denken met een bijna pijnlijke verwondering over die forsche natuur, altijd volkomen in evenwicht, het leven nemend zooals het was, blijmoedig gerust; bedaard en tevreden-vroolijk deed hij zijn werk, dreef hij het fijne smeedwerk, dat in Brogs en verder door de winkeliers werd gekocht.

En niemand wist het geheim, dat hij stil en trouw in zijn hart besloot: de groote illusie van zijn leven, die gebroken was—Hester, die Eli liefhad, Eli!

Zij had ’t hem gezegd, denzelfden avond nog, zooals zij gewoon was àlles aan hem te vertellen, altijd verlangend naar zijn medevoelen.

Maarten had een poos niets gezegd, hij stond voor ’t raam en zag uit, zonder iets te zien...

„Eli—Eli! En wat hij altijd gedacht had, zóó zeker, dat ’t hem natuurlijk toescheen—dat was niets dan verbeelding geweest...”

En in de eenvoudige goedheid van zijn hart vroeg hij zichzelf af met smartelijke verwondering: „Hoe komt ’t dat ’k daar nooit aan gedacht heb—ik dacht altijd, dat zij ’t zelfde wou als ik...” Eindelijk zei hij:

„Waarom—heb je me dat nooit gezegd...?”

„Wat?”

„Dat—van Eli...”

Ze zag hem lang aan.

„Ik weet niet—dat weet ik zelf niet.”

Hij zweeg weer—toen zei hij haperend:

„Zal je mij—al is Eli er nu—toch ’t zelfde blijven beschouwen—ik bedoel net als vroeger...”

Ze kreeg tranen in haar oogen; snel stond ze op en kuste hem.

„Natuurlijk—dat kàn immers niet veranderen—jij en grootmoeder...”

Dàt was ’t—hij en grootmoeder—dat was ’t zelfde—het andere was voor Eli...

Hij kuste haar niet terug, dat kòn hij nu niet meer; een oogenblik hield hij haar vast—toen ging hij weer aan zijn werk.

De avonden waren van een groote bekoring. Dikwijls bleven Hester en Eli samen thuis, en zaten uit te zien over het vredige landschap. Maar ook dikwijls joeg Eli’s onrust hen op; hij had dagen dat hij Hester geheel voor zich wilde hebben, jaloersch op ieder die haar een oogenblik van hem wegnam.

Dan liepen ze samen den weg op naar Boge, een heel eind ver, doorwandelend onvermoeid, tot zij eindelijk verwonderd stilstonden en rondzagen; en zij zeiden tot elkaar: „Zóó ver al—ik had er niets van gemerkt...” En ze lachten met een stil, zalig lachje, en langzamer nog liepen zij den langen weg terug—elkaar zeggend met zachte, afgebroken woorden hun liefde...

Soms stonden ze stil; dan nam Eli Hester in zijn armen, en klemde haar aan zijn borst en kuste haar gelaat met lange, gretige kussen...

Eindelijk gingen zij weer voort, zwijgend nog langen tijd... bevend, overweldigd door de herinnering aan dat oogenblik...

Zoo gingen de dagen, de een na den ander; en over hun geluk straalde de volle warme zomer.

De zomer met vreugdige gouden zonneschittering aan strakblauwen hemel; één juichend feesttij—weer elke dag, die aanbrak...

En in de kleine tuintjes van het volk bloeide nog laat dezen zomer de vlier; de wind voerde den zoeten geur ver over de heide....

Maar ’s avonds was de hei van een wondere schoonheid, als een tooverland onder vlammende luchten.

Adam Feke zat voor zijn deur en zag uit in al die heerlijkheid. Dan speelde hij niet; hij zat daar stil tot de roode gloed was verstorven—en de avondster kwam...

Eli had hem van zijn liefde verteld.

Hij had alleen gezegd: „Dat is goed—dat is goèd...”

Sinds kwamen Hester en Eli dikwijls samen.

En Adam, als hij haar zag met Eli, dacht: „Zij is sterk—zij heeft wat Eli mist... het is heèl goed...”

De zomer ging voort.

Tine Ross zag Hesters geluk; en zij sprak nu niet meer tot háár van haar eigen smart en vreeze...

Zij zweeg—en zag elken avond weer rijzen over een vergeefs verbeiden dag.

En zij wist niet, hoe dichtbij het was.

Want eer de heistruiken aan den rand van den weg zich paars gingen kleuren—kwam Berend Ross terug in het dorp.

VI.

Hoort!

De oude zwerver, die eens wegtrok uit het stille dorp.

Hoort!

Hoe hij verhalen zal! Van de verre landen, waarheen hij is getogen, waar hij geleefd heeft het leven van vreemde volken, en zijn mond heeft gesproken taal van een onbekenden klank.

Waar zengende lucht zijn gelaat heeft gebrand—waar zijn oogen hebben gevlamd en zijn ziel heeft gejuicht bij het zien van veel dat zóó schoon was.

Hoort!

Hoe hij verhalen zal! Tot de ouden van dagen een bitter gemis voelen, als zij denken aan hun eigen eentonig vergaan leven; en de jongeren opspringen, en uitzien met gretig verlangen over de verre vlakte.

Hoort!

Want schooner dan iéts hier, schooner dan de verre, strenge heide, die bloedrood ligt in de ondergaande zon—zijn ginds de bergen, de reuzen, die heffen hun kruin tot de wolken...

Schooner dan de vrede van het oude dorp, waar loom en zwaar de geur van den lindebloesem hangt over den stillen hof—waar ’s avonds de menschen zitten en elkaar vertellen de oude dierbare verhalen...

Schooner dan dat alles zijn de vroolijke, lichte steden, waar het geraas der machines den klank van een menschenstem verdooft—waar ’s avonds de hemel rood ziet van den vonkengloed der fabriekspijpen, alsof een groote luchtbrand woedde over de woelende stad.

Hoort dan!

Maar Berend Ross, de moede, spreekt niet.

In de kleine kamer zit hij—en rust voor ’t eerst—en ziet uit, met oogen, zwaar van de jaren, door het kleine raam, waar hij als knaap door keek met onrustig verlangen.

Want daar is veel wat hem kan doen vertellen—maar nog meer wat hem zwijgen doet.

De herinnering aan al dat verre schoon, dat eens onweerstaanbaar hem tot zich trok. Niemand weet hoé zijn vurige ziel heeft genoten en gejuicht bij dat heerlijke, dat hij reeds waande zijn deel.

En niemand weet, hoe bitter de eerste teleurstelling is gevallen in die zonnige ziel, en hoe zwaar de harde zorgen zijn gezonken in zijn groot blij hart.

Niemand weet dit; want Berend Ross zwijgt.

Enkelen trachten hem aan ’t praten te krijgen—beginnen zelf, hoe heerlijk toch dat alles moet geweest zijn, waarnaar zij zoo verlangen.

Berend Ross glimlacht; een langzamen, melancholieken glimlach, die doet denken aan veel ongeweende tranen.

Hij denkt, hoe hij—eindelijk vermoeid van alles—terugzag een oud visioen, bijna vreemd van oudheid maar zóó goed en zóó rustig.

En terug ging.

Maar dit weten zij niet, de ouden die betreuren, de jongen die verlangen...

Wat zij hebben, kunnen zij blind niet waardeeren—en wat zij verlangen, zullen zij nooit bezitten.

— — — — — — — — — — — — — —

Berend Ross legde zijn forsche hand op de kleine gerimpelde van zijn moeder—en zag haar aan.

En hij wist, dat één ding nooit was veranderd voor hem.

Dat zij geduldig, berustend op hem gewacht had, zonder wankelen, zonder twijfel.

Dat hòe hij ook zou zijn teruggekomen, zij hem met onveranderde liefde tot zich had genomen...

Het was alles zoo goed hier ... zoo rustig ... zoo van heel lang geleden.

De lamp brandde flauw—het oude licht, dat scheen op haar kalm gezicht en op het zijne.

Buiten lag de hei—koud—donker.

Als toen hij een knaap was...

VII.

Langzamerhand, in de morgenuren, als zij beiden alleen waren, vertelde hij haar alles.

Als zij daar zat tegenover hem, en hem zag veranderd, verouderd, en toch dezelfde, kwam de bewustheid van het wonderbaarlijke, dat hij werkelijk wàs teruggekomen, over haar; en zij luisterde naar wat hij vertelde, als betooverd haar eenvoudige verbeelding, gespannen door al dat vreemde, waarvan hij sprak.

Langzamerhand zei hij haar alles—kwamen de woorden, de gedachten, die hij altijd teruggedrongen had, die hij had leeren zwijgen.

Zij kwamen nu—en meer en meer herleefde in hem de herinnering.

Hij sprak van den eersten tijd, die heerlijke jonge jaren van zwerven hier en daar, moeielijk levend van het weinige dat hij verdiende.

Maar altijd gelukkig.

En daarna de jaren van onafgebroken, ingespannen arbeid, toen hij nog alles hoopte van dien arbeid, droomde van de heerlijke scheppingen in marmer, die ééns zijn hand wrochten zou.

Tòen was hij gelukkig; hij wist het nu weer hòe gelukkig! Hij zag terug—dingen làng vergeten, die opdaagden nu,—tot hem spraken met zoete herinnering...

Maar langzaam was teleurstelling gekomen—het bitter begrijpen, dat hij nooit zou kunnen waarnaar hij streefde—niet met al zijn arbeidskracht...

Maar hij had het niet kunnen opgeven óók; tòch was nooit één oogenblik de gedachte in hem geweest, terug te keeren naar ’t kalme leven op ’t oude dorp; nooit had hij iets anders gedacht zelfs in zijn grootsten tegenspoed, dan dat hij voortwerken mòest en zòu.

En de jaren kwamen, dat hij wanhopig streed met zijn moed, zijn werkkracht, zijn schoonheidsgevoel tegen zijn eigen kùnnen; maar hij kon nooit bereiken het eenige waarnaar hij streefde; een waarlijk groot werk.

Het leek alles nu zoo ver—niet meer alsof het een heel menschenleven geweest was...

Niemand onder degenen, die daarginds zijn werk eerbiedigden, omdat het sprak van eeuwig onbevredigd, altijd hooger smachtend kunstgevoel,—die medelijdend aanzagen den vroeg grijzen werker, voortzwoegend zonder omzien, zonder weifelen, in enorme volharding en arbeidskracht,—kon ten volle begrijpen de smart, geleden onder dien arbeid, terwijl hij jongeren zich zag voorbijstreven, en meesterwerk zag van tijdgenooten; zij kònden niet begrijpen dien strijd van hèm, den sterke, die zich niet neerleggen kòn—en dùlden zijn onmacht...

De jaren van tegenspoed hadden zijn illusies verstoven, en zijn hoop telkens en telkens tot niets gemaakt, maar zijn forsche moed was niet verslagen; de levensblijheid was in hem gedood, maar de levenskracht scheen onverwoestbaar in hem.

Want niets had ooit kunnen verslaan die eene groote liefde in hem—de liefde voor zijn kunst, die zijn leven gericht, zijn leven beheerscht had; hij had zijn werk lief als een levend wezen, want ’t had al zijn illusies gedragen, hij had er voor gezwoegd en geleden, het was als een dierbaar kind, dat hem nooit anders dan smart had gegeven, en dat hij temeer liefhad om de opofferingen, die hij er zich voor had getroost.

En in die liefde was de eeuwige bron van smart: dat hij nooit zijn werk kon volmaken, dat hij het altijd wilde opvoeren tot ongeëvenaarde schoonheid—en altijd moest eindigen met het te verkleinen.

Hij had zijn vrouw en zijn zoon liefgehad, maar dat was niet de gouden liefde voor zijn kunst, die onveranderd zijn grootste toewijding bezat; zijn vrouw en zijn zoon had hij lief als een mensch, maar zijn kunst had hij lief als een god.

Vertrouwend als een kind, aanbiddend, had hij altijd dat ééne gevolgd, dat voor hem uitstraalde boven al het andere. Rein van elke gedachte aan zichzelf, had hij zich gegeven zonder ooit te klagen of te wankelen, en onwetend had hij zijn vrouw laten deelen in die opoffering, niet eens vermoedend zelfs, dat zij iets anders zou kunnen verlangen of noodig hebben.

Dit wist hij nòg niet—en hij zou ’t nooit begrijpen.

En hij sprak van zijn jonge, vroeg gestorven vrouw—van de smart om haar dood...

Maar van de smart om zijn kunst sprak hij niet—die kon niet verdragen het medelijden der menschen.

Toen was er iets anders gekomen in zijn leven, zijn zoon.

In hèm was de gave—de gróóte gave, die de vader zag en voelde—en hij wachtte van hèm wat hijzelf niet had kunnen volbrengen.

En, in zijn geest van taaien werker, had zich het plan vastgezet: voortaan te moeten arbeiden voor zijn zoon; de jongen moest geen geldzorg hebben, hij moest alleen en onbezorgd kunnen leven voor zijn kunst; hij zou voor zijn kind effenen, wat voor hem niemand had kunnen doen. En hij gaf zichzelf volkomen aan dat kind, omdat hij in hem zag het goddelijk genie; hij gaf ootmoedig en berustend, in eerbiedige bereidwilligheid zijn eigen dierbaren arbeid; voortaan zou hij slechts arbeiden voor geld, alleen zich toeleggen op het houtsnijwerk, dat de menschen zoo graag duur betalen. Werk om geld alleen...

Maar zijn zoon zou het hoogste bereiken...

Toen was hij op eenmaal zeer moede geweest—daar in dat vreemde land.

En hij was teruggekomen.

— — — — — — — — — — — — — —