Part 3
Onder het volk waren de Rossen gezien en geëerbiedigd om hun helder verstand, hun meerdere beschaving, die hen ver boven de overige bevolking verhief, ondanks hun nederig bedrijf; ze hadden hun vrouwen gezocht uit de meisjes van de streek, maar toch hadden zij hun eigenaardige zelfstandigheid bewaard. Groot geslacht van kern-gezonde, rustige, eerlijke menschen, verknocht aan elkaar met een zeldzaam sterken band, de ouders en kinderen, de broeders en zusters; zich getroostend, met hun stroeve zwijgzame naturen, elke opoffering, waar ’t gold het welzijn, het geluk van een der hunnen.
Er was één Ross geweest, die het oude bedrijf niet wilde uitoefenen, die niet blijven kon in het stille dorp, temidden der zijnen... dat was de oudste zoon van Tine Ross.
Lang, làng was ’t geleden, dat hij haar toevertrouwde zijn brandend verlangen; wèg te gaan uit het dorp—en de mooie dingen leeren maken in marmer, waarvan hij droomde, maar die hier zijn ongeoefende hand niet wrochten zou.
Lang geleden—toen zij zichzelf had overwonnen, en haar eigen nederige wenschen ten onder bracht voor zijn geluk...
En de avond, toen zij hem zeide, dat hij voortaan gaan zou waarheen hij begeerde, en hem zag, zooals zij hem later altijd was blijven zien: zijn jong gezicht naar haar toegewend, met den gloed der ondergaande zon in zijn blijde oogen, als verloren in een heerlijk visioen.
En hoè lang geleden de dag, toen hij was heengetrokken uit de oude smidse... toen voor ’t laatst zij hem had zien gaan langs den landweg op den zonnigen voorjaarsdag...
Jaren en jaren waren gegaan—de jaren, dat zij haar man verloor, haar twee andere zonen en alleen opvoedde hun kinderen; Hester en Maarten.
De jaren nu—dat de beide kinderen volwassen waren, en haar zorgen niet meer behoefden,—nu zij een oude vrouw was, en alleen maar wachtte.
Daar waren niet velen meer in het dorp, die nog dachten aan Berend Ross.
Maar zij wachtte hem.
Zij wachtte hem altijd, gedurende de lange, donkere nachten, en heldere zonnedagen; als zij zat, de handen gevouwen in den schoot, de oogen ziende over de verre heide als in rustig wijs weten; oogen, die zagen, verder dan al het andere, die den indruk gaven, alsof zij al het tegenwoordige ver van zich hielden....
Zij wachtte hem altijd, trouw, onwrikbaar in haar geloof dat hij eenmaal terugkomen zou.
Dat wisten de menschen niet.
Daar was geen onder die allen, een woord van medelijden fluisterend, als zij haar zoo zagen, die ten volle begreep, wàt haar leven was.
Van altijd nieuwe hoop—en altijd weer teleurstelling—en hoop opnieuw.
Een jaar is lang.
Als de dorpers het Nieuwe Jaar vierden, spraken zij van al wat was gedaan en geleden in het Oude—maar geen besefte, wat het jaar was geweest voor eene, die niets meer in dit leven kon doen—dan wachten....
Een jaar is lang.
Als de lente komt, dan is er een belofte in de zoelere luchten; dan beven de knoppen onder de nadering van lenteadem, die hen wekt....
Dan zal hij komen.
Hij zal komen, als nog de avond guur en de lucht koud is, maar als reeds de knoppen van den kastanjeboom zwellen.
Dàn zal hij komen in het lange, heldere licht van den vroegzomeravond.
Maar de hagels snerpen, de wind giert over de vlakte, en de landweg is eenzaam en verlaten.
Nu niet—nu de lucht grijs is en de knoppen zich weer hebben gesloten....
Hij komt nu niet.... Want de trilling van belofte, die door de luchten ging, is verstijfd, en het hart met zijn warm verlangen sluit zich huiverend.
Maar het zal zòmer worden.
Als de vlier geurt, en het blijde koren is rijp, als de knapen en meisjes zingend loopen op den landweg—hand aan hand in den warmen avond—dán zal hij komen.
— — — — — — — — — — — — — —
De vlier bloeit niet meer, en het koren ligt gemaaid; de lindebloesem stuift over den weg, en over de hei begint te komen een paarse gloed....
Daar zijn toch zoovelen op den landweg... maar niet de gestalte van den man, die den weg zoekt naar zijn moeders woning.
Neen niet—nu niet—niet in den gloeienden zomer, die scheurt den harden grond, en blaakt in onafgebroken zonnehitte over de hei.
Als het hèrfst is! als de koele luchten jagen over de hei, als de avonden lang, maar de dagen nog helder en schoon zijn.
Dan zal hij komen mijn zoon.
— — — — — — — — — — — — — —
De heide wordt bruin al, en wèl zijn de avonden lang, maar de dagen niet meer helder en schoon; de herfstregens vallen, en door de grauwe luchten vliegen de trekvogels naar warme landen.
En de boomen worden kaal; en op de eerste sneeuw loopen krassend de bonte kraaien, die eens het kind deden schaterlachen van pret...
Maar hij, de man ziet het niet, want hij is niet gekomen.
Maar de winter is dáár! De winter, bar en doodsch en grijs en dor; die in ieder hart het verlangen wekt naar een thuis.
Nu zal hij komen, mijn zoon, kind van mijn hart; als de sneeuwstormen woeden, en de ijzige noordenwind giert...
Dàn zal hij komen!
Hij zal moeite hebben het pad te houden, want de storm heeft de sneeuw op hoopen gejaagd, en den weg versperd: maar hij kent den weg, hij weifelt niet, de sneeuwstorm kan hem niet tegenhouden, want ik weet, mijn kind is een krachtig man, en het verlangen in hem zal sterker zijn dan weer of wind!
— — — — — — — — — — — — — —
Nu is de winter gekomen, de stille, witte winter, die doodsch en koud ligt over het land...
Nu komt hij, en rust in het oude kamertje, op den ouden stoel...
Hebben de stormen geen mensch ontmoet op den eenzamen weg?
— — — — — — — — — — — — — —
De stormen hebben zich gelegd, maar hij is niet gekomen.
Het vuur heeft geknetterd in de stilte van den winteravond, waar alles wacht—wacht...
Maar hij is niet gekomen.
Het vreemde land is ver, en nòg is niet sterk genoeg de stem, die eens hem naar huis zal drijven.
Want sterker dan weer en wind, sterker dan verlangen naar roem, sterker dan bitterheid van ervaren leed—is het verlangen dat stom spreekt in oude oogen, die zwijgend staren den ganschen nacht, en zich niet sluiten kunnen.
Sterker dan alles zal dit tot hem spreken.
III.
De dag was heet en lang geweest, en onder de linden rustte het volk, in den stillen, warmen avond.
Eli Bag was daar, en zat bij de anderen.
En de oude Adam Feke was gekomen en zat temidden van hen.
De jongeren waren bij elkaar geschoold; daar was Maarten Ross, en zijn luide, goedmoedige lach klonk telkens op; en de drie zonen van Wirs, allen klein en uitgedroogd, met de taaie spieren en gele gelaatskleur van hun vader.
Georg en Geert Foks, Georg de grootste en knapste jongen van het dorp, en Geert, die nog maar zestien jaar was, en werken kon als een man...
En Loes, en Brandt en zoovele anderen...
En zij praatten zacht onder elkaar, opdat Eli het niet zou hooren, dat Eli morgen zou spreken over het werk in de groote schuur van Gerke.
„’t Is noodig, want er zijn veel ontevreden!”
„Ja—en is het ook niet waar? Wij hebben andere zomers het dubbele verdiend, als we gingen maaien over de grens.”
„Ja dikwijls, maar Eli betaalt winter en zomer door,—ze zeggen, hij wil van den winter het loon verhoogen, als wij aan ’t werk blijven...”
„Dan zal hij veel moeten beloven.”
„Ja—hij heeft geld van de Kloeve.”
„Loes zegt: het gewas op de Kloeve staat slecht; hij is bang, dat Eli het betalen niet zal kunnen volhouden.”
„Ja maar Loes is ontevreden—en Baats en Laret...”
„Laret zegt: het is nutteloos werk en Eli is een gek!”
„Laat Laret maar oppassen, Eli kan hem met één hand neerslaan als een hond!”
„Ja, Eli staat voor niets, hij is niet bang....”
„Laret heeft ongelijk, het werk wordt goed betaald...”
„En Eli werkt op tegen den sterkste van ons....”
„Dat’s waar... maar... is Eli daar nog?”
„Ik weet niet, het wordt zoo donker. Hester, jij hebt scherpe oogen... is Eli daar?”
Hester Ross gaf geen antwoord.
Waar was de tijd—niet meer te herinneren—dat zij in het duister niet de gestalte zou herkennen van Eli Bag uit velen; dat zij niet herkennen zou zijn stem uit een rumoer van zoovele stemmen; niet voelen zijn aanraking te midden van velen om haar?
Had zij ooit geleefd vóór den dag dat Eli terugkwam in het dorp? op den helderen voorjaarsdag, toen zij voor ’t eerst sinds hun kinderjaren bewust hem had gezien.
Niemand wist, wat sinds dien haar leven bezield had; hoe zij slechts had geleefd in hèm; hoe haar dagen waren één groot verlangen hem te zien, te hooren het geluid van zijn stem.
Niemand wist dit.
Zij leefde voort als vroeger, groote vrouw, met haar stil, zacht, donker gelaat, karig met haar woorden tegen vreemden, zich maar hechtend aan heel enkelen, aan haar grootmoeder, aan Maarten...
Hester zat stil, verzonken in eigen gedachten.
De duisternis viel snel nu; een enkele maal fladderde een vleermuis....
Georg Foks, ongeduldig door het zwijgen rondom, keerde zich driftig om.
„Het wordt hier vervelend! Hè! Adam! Adam! Kóm, speel eens wat!”
„Ja Adam, kom!”
Adam schrikte op.
„Wat nou—” weerde hij af.
Maar al de jongeren nu drongen aan:
„Toe Eli, zeg Adam eens, dat hij spelen moet!”
Eli lachte.
De oude zag op; in Eli’s gezicht zag hij altijd terug de tijden, toen Jelle Bag met het kind dagenlang doorbracht in zijn hut...
De jongens drongen:
„Kom Adam, speel dan!”
Maar hij hoorde hen niet; hij zat een poos doodstil, verzonken in zijn gedachten, die van Jelle Bag terùggingen nog... toen hij woonde in Boge... Dat deed de stille zomeravond.
Georg Foks haalde lachend zijn schouders op:
„D’r is niets aan te doen.”
Maar Adam, met denzelfden starren blik, begon nu zacht te spelen. Het was niet de oude wijs; het waren snelle hartstochtelijke tonen, die elkaar opvolgden, verdrongen als in bevende gejaagdheid: het was het sidderend verlangen, dat steeg en zich verhief, dat uitjubelde eindelijk in zegevierenden, hel-blijen toon...
De jubel eindigde plotseling in schrillen val...
Een oogenblik zweeg de fluit, toen begon hetzelfde motief, langzamer, doffer, in stijgenden hartstocht zwellend dan...
Hester was bevend opgestaan: als een wanhopig verlangen, dat vroeg, dat eischte, trilden de hooge tonen der fluit...
Nu zonk het langzaam, verhief zich dan plotseling weer tot zijn vroegere hoogte, om dadelijk weer te zinken...
Het waren dezelfde tonen, maar laag, mat, loom, moeielijk zich opheffend,—slepend nu—weenend in trage, zware melancholie...
De oude wijze, de oude klacht...
— — — — — — — — — — — — — —
Achter Adam, in de schaduw, stond Eli Bag; in den donkeren, stillen avond kwam over hem de onmetelijke droefgeestigheid van die tonen, en wekte scherp in hem een bitterheid over den tijd, dien hij hier had gewerkt en gesloofd... het leek nu alsof elke illusie een dwaasheid was.
Hij zag onwillekeurig naar den kant, waar Hester Ross zat,—een zware rimpel groefde zich in zijn voorhoofd.
Zij was kind uit het volk, dat hij wilde helpen en opheffen, en dat zijn beste bedoelingen wantrouwde. De blijde dagen, toen hij vast geloofde dat Hester hem liefhad, schenen hem op dit oogenblik waanzin,—waaròm had hij dat ooit gedacht?
De fluit kláágde...
„Was ’t dan nooit waar geweest, dwaasheid evenals al het andere? het licht in haar oogen als hij plotseling voor haar stond, de trilling in haar stem als zij tot hem sprak...?”
Eli richtte zich driftig op, zijn mond trok in strakke lijn.
„Vanavond hier—in die duisternis en stilte—met die fluit—was er nièts—nièts...”
De fluit klaagde—brak plotseling af dan.
Adam zat stil—verloren.
En de menschen zwegen.
Eindelijk sprong Georg Foks op:
„Hè Adam! is dat nou wat vroolijks.”
De oude schudde grimmig het hoofd, en stond op; zonder een woord liep hij den weg op, naar zijn hut.
Eli wàs al heengegaan.
De maan kwam langzaam op; het was de heel rustige, koele avond, die zonk over het land, over de gedachten, de woorden der menschen, gesproken in den helderen dag.
En plotseling, niemand wist waarom, noemde één den naam van Berend Ross.
De molenaar Bels vertelde van den vriendelijken, stillen jongen; samen hadden zij op de schoolbank gezeten, hij wist nòg de plek waar Berend den paardekop sneed in het hout...
De menschen luisterden, knikten... daar werd menige herinnering wakker nu.
De oude Jonas West had hem vaak als kind op zijn knie gehad, en voor hem gezongen—wat ook weer?—„De jonge soldaat”... en hij zong met zijn oude gebarsten stem het liedje, dat eens den knaap deed opspringen van vreugd.
In de schaduw der laatste linde zat Jane Hal; zij dacht, wat zij lang vergeten had: aan den knappen jongen Berend Ross, met wien ze danste op het zomerfeest, met wien ze wandelde op den weg in den zomeravond.
Ze zag het nu alles weer.
Haar blikken zwierven naar de plek, waar haar man en flinke jongens bij elkaar zaten.
En ze glimlachte—een langzamen, rustigen glimlach.
Want het was làng geleden.
Maar Berend Ross wist van dit alles niets.
Hij hoorde niet de verhalen uit zijn jeugd van zijn ouden schoolkameraad; hij hoorde niet het liedje, dat als kind hem verblijdde; hij zag niet den glimlach van de vrouw, die als meisje hem liefhad.
Niets van dit alles kwam tot hem...
Niets?...
Het is zonderling, dat een mensch, ver van alles, wat hem ééns na aan het hart lag, plotseling kan herleven in de herinnering van hen, die hem schijnbaar vergaten; door een toevallig iets—een geluid, een klank—een kleur in den zomeravond...
En daar is niemand, die zeggen zal of niet de bewustheid ervan komt tot den eenzame.
Niemand, die weet, wat juist op dat oogenblik zijn naam deed noemen door hen, die hem als kind hebben lief gehad.
Niemand, die zeggen zal, hoever de macht reikt, die doet spreken de ziel tot de ziel.
Langzaam gingen de menschen naar huis.
Maarten Ross en Hester liepen zwijgend den weg af naar de smidse, zooals zij dikwijls samen gingen, rustig vertrouwd in elkanders bijzijn.
Van kind af samen opgevoed, waren zij sterk aan elkander gehecht; oppervlakkig verschillend. Maarten met zijn zonnige, blijde natuur, levend in vroolijkheid; Hester stroever, ernstiger, moeilijker te naderen, onverschillig voor vreemden, maar onder haar stroefheid was zij volkomen vrouw; zij kon zich geven met een groote liefde, zonder twijfel, zonder vragen waarom en hoe, zich geven met volkomen opoffering van zichzelf; haar verstand zei daarin niets, zij redeneerde niet, overwoog niet, zij volgde slechts datgene wat haar leven beheerschte: haar intuïtie van teedere vrouw.
Maar diep in hun wezen waren zij aan elkaar gelijk, beiden met dezelfde aanhankelijkheid, met die innige wijsheid van liefdewetten, die hun was ingeboren.
Dicht bij het kleine raam begon Maarten den grooten waakhond aan te roepen, die blaffend uit zijn hok schoot.
„Grootmoeder weet het al,” zei Hester, wijzend naar de stille schim op ’t gordijn, die zich niet bewoog.
Het was het leed van altijd keerende teleurstelling, dat zij trachtten haar te besparen; leed, waarvan zij den omvang wisten.
Want zij zagen, als ’s avonds een verre stap aanklonk op den weg, haar oud gezicht zich opheffen en vol hoop opluisteren—dan verdoffen weer in moede teleurstelling.
Altijd een vreemde stap, en die ééne nooit.
Zij zou hem herkennen—altijd!
Want de stap van een voet raakt vergeten, waar zoo lang die voet den drempel niet betreden heeft; maar in het huis, waar eens de rappe voeten van den spelenden knaap draafden over den vloer—dáár wordt nooit de eigenaardigheid van dien stap vergeten.
En de klank van een stem wordt vaak vreemd aan een vriendenoor; maar in de kamer, waar de kinderstem heeft gestameld en gejuicht,—dáár kan nooit zijn klank verloren gaan.
En voor de menschen wischt zich uit menige trek in het gelaat van een, die lang reeds verre was,—maar daar, waar het zachte, vertrouwelijke lamplicht heeft geglansd in de blijde oogen van den zorgeloozen knaap, waar het zijn gelaat heeft beschenen, als hij moegespeeld zijn hoofd legde op de oude tafel, en rustig insliep—dáár kan nooit een trek van dat gelaat verloren gaan.
IV.
De zon rees blij over den nieuwen dag: Zondag!
Het volk ging op naar de schuur van Gerke, om te luisteren naar Eli Bags woord: en de mannen, de vrouwen drongen op, en vulden de schuur en wachtten tot Eli zou komen.
Langs den achterweg kwam Eli.
Nu, in de blijde zonnigheid van den morgen, zonk geheel weg zijn melancholie van den vorigen avond.
Hij zag rond; heel in de verte, waar een dun rookwolkje recht steeg boven de hei, lag de hut van Adam Feke—en rondom lag het land in den wazigen, witten vrede van den laten dauw. Hij zag dit alles, langzaam genietend, en de zonnevreugd viel vol in zijn hart.
Hij had nu geheel vergeten, wat hem den vorigen avond bijna te zwaar leek om voort te sleepen: zijn moeielijk volgehouden strijd, waarin hij het werk voortdreef met de uiterste inspanning van zijn wil; het was nu, alsof er nooit tegenspoed had bestaan; hij had vergeten, dat hij moedeloos was geweest, en bitter, en vertoornd. Hij wist nu alleen, dat hij moed had voor alles, dat hij verlàngde naar het werk, dat alles gòed was zoo.
— — — — — — — — — — — — — —
Toen hij stond en neerzag op al die gezichten, die zich naar hem ophieven, zocht hij, onbewust bijna, Hester, en het was een plotselinge openbaring van vreugd, haar te zien, vlak tegenover hem, haar ernstige oogen in gretige verwachting op hem gericht.
Toen sprak hij:
„Ik heb allen gevraagd hier te komen, omdat ik weet, dat er veel ontevredenen zijn, en ik moet met jullie spreken.
„Ik weet, dat er maar weinigen bereid zijn te doen wat ik vroeg: den heelen zomer hier aan het werk te blijven; ik weet, dat jullie van plan bent het werk neer te leggen tot den winter, en bij vreemde boeren te gaan, zooals je ’t vorige jaar gedaan hebt.
„Ik heb gezegd: ik zal een vast loon uitbetalen, zomer èn winter. Maar jullie zegt: we kunnen het dubbele verdienen bij Brogs en over de grens.
„Dat is zeker waar.
„Maar ik ben gekomen met een ander doel, dan jullie je voor oogen stelt. Zoo dikwijls heb ik er al op gewezen, maar niemand heeft het begrepen; daarom wil ik het vandaag nog eens geheel en duidelijk trachten uit te leggen.
„Toen ik hierheen kwam, heb ik zoo goed gevoeld, waartoe dit werk leiden moèst, en niemand zal mij dat geloof ontnemen.
„Het is waar, het loon is minder, dan jullie in den zomer kunt verdienen; maar het is voldoende om van te leven hier.
„Ik spreek niet eens daarvan, dat nu in den winter ook verdiend wordt en de vorige jaren niet; ik wou op iets anders wijzen.
„Als de zware, ik wéét het wèl, de zeer zware arbeid van dit diepspitten is gedaan, als de jonge boomen geplant zijn, dan zal jullie vragen: Wat hebben we nu? Die grond geeft ons niet te eten, waarvoor hebben we dat moordend werk gedaan, we moeten nog even hard tobben als vroeger!
„En daar zullen velen zijn, verouderd, gebukt door den ongewonen arbeid; arbeid, die ieder heeft teleurgesteld...”
Eli wachtte even: vele mannen zaten met ongeduldig norsch gelaat; maar ’t kon hem nu niet hinderen, hij leefde òver hen heen in zijn heerlijk visioen: de arbeid geslaagd.
Langzaam begon hij weer te spreken.
„Ik zal jullie zeggen waar al die arbeid gebleven is.
„De jaren, dertig jaar misschien wel, zijn gegaan; de meesten van jullie zijn oud, velen afgeleefd; jullie kinderen zijn opgegroeid, mannen en vrouwen.
„Nu draagt die arbeid vruchten.
„Het bosch wordt gekapt, en de grond, waarop jaren en jaren de bladeren gevallen zijn, en rottend hebben gelegen in winter en zomer,—die grond is vruchtbaar geworden. Die grond kan nu worden bebouwd; het is het eigendom, dat jullie door tallooze moeiten aan je kinderen hebt nagelaten; en zij zullen het eeren en liefhebben, want hun ouders hebben er de kracht van hun leven aan geofferd.
„Als er een is, die voor vele jaren hier was, en hij komt na zooveel tijd terug, dan zal hij rondzien en vragen:
„Ik heb hier niets dan dorre hei gekend, waar wat bouwvallige hutten stonden verspreid. Nu zijn er hoeven, en het land is bebouwd; daar zijn tevreden, welvarende mannen en vrouwen, ik zie het koren wuiven en hoor de blijde muziek van het oogstfeest...”
„Zie—dat is dan jullie arbeid!”
Eli zweeg.
Er was een geluid, het geluid van honderd stemmen, onzeker eerst, weifelend, die aanzwollen dan, en woelden luidruchtig dooreen. Maar Eli hoorde het niet; hij zàg hen niet, hij stond daar, stralend, en zàg—veel verder dan zij—de verwezenlijking van zijn heerlijk ideaal...
Hester streek over haar voorhoofd, gloeiend van trotsche ontroering:
„Zagen zij allen wel, hoe hoog hij boven hen stond? Beter, wijzer dan een van hen? Zagen zij het wel, dat zij nièts waren bij hem??”
Eli sprak weer; er was een verandering in zijn trekken, in zijn stem: een groote zachtheid.
„Denk dááraan! Denk vooruit, leef vooruit, denk niet aan jezelf! Kùnnen jullie niet denken aan den grooten arbeid alleen, en wat die geven zal?
„Want de kinderen zullen alleen kunnen oogsten, wat de vaderen hebben gezaaid.”
O! de herinnering aan zijn ongelukkige, altijd eenzame kindsheid! Geen van allen, die luisterden naar zijn woorden, kon beseffen, hoeveel zwaarder dan voor hen, het leven was voor Eli Bag; die de zwakheden in zich had van een heel voorgeslacht; die met zijn waarlijk goede impulsies en teer voelen zooveel hooger stond dan zij, en toch op een oogenblik geheel kon zwichten voor zijn lagere driften; die tegelijk had de liefde en toewijding van een apostel, en de hardheid van een absoluten meester; die onberaden het scherpste woord kon uitspreken, en weken lijden onder de herinnering eraan; die ’s morgens kon hebben de naïeve blijheid van een kind en ’s avonds de moeheid van een afgeleefde; Eli Bag, zóó overheerschend door zijn sterk sprekende karaktertrekken, en tegelijk zóó eenzaam daardoor.
Zij waren gekomen om een hooger loon van hem te eischen, en als hij het niet inwilligde, hem te zeggen, dat zij heengingen, tòch naar vreemde boeren, dat hij hen door niets kon tegenhouden.
Zij zeiden niets.
„Als er een is onder jullie, die geen vertrouwen meer in mij heeft, laat hij het dan nu zeggen; ik kan hem ’t geloof niet geven, maar laat hij dan heengaan; want ik wil alleen werken met hen, die blij kunnen arbeiden, met geloof en hoop in den goeden uitslag. Ik vráág niemand te blijven, maar van hen, die willen voortgaan, verwacht, eisch ik ook al hun kracht en lust.”
Eli zweeg nu, en zag rond.
Loes stond op.
„Als we ons verbinden hier te blijven—dat’s goed en wel; maar als Eli eens om ’t een of ander de onderneming moest opgeven—dan trekken wij aan ’t kortste end—dan hebben wij geen geld voor den eersten tijd... wat dàn...?”
Een geroes van stemmen ging om...
„Dat’s waar—ja zeker—laat hij een bepaling maken dat hij drie maanden zal uitbetalen, als hij laat ophouden...”
„Als de vorst invalt, kan er óók niet gewerkt.”
„Die tijden zijn gerekend onder ’t werk...”
Ze zwegen weer en zagen naar Eli; hij zag bleek, een harde trek was om zijn mond.
„Als ik ’t werk doe ophouden, zal ik drie maanden uitbetalen—dat beloof ik,” zei hij stroef.
De oude Brandt knikte verheugd. „Zóó is ’t goed—zoo is ’t goed...”
Er was een oogenblik stilte. Toen sprong Georg Foks op van zijn plaats, en drong door het volk tot Eli, en greep Eli’s hand in zijn groote vuist.
„Ik blijf, Eli, daar kan je zeker van zijn ... èn Geert.”
De jonge Wirsen, de oude Brandt en Baats, en Loes en zoovele anderen drongen nu op; en hun forsche handen sloten zich om Eli’s hand, en allen zeiden zij hem uit volle tevredenheid weer op dit oogenblik:
„We blijven Eli... we blijven...”
Toen zij eindelijk langzaam heengingen, zag Eli tegen den muur Jonas Laret staan, en plotseling wist hij dat Laret de eenige was, die niet met de anderen bij hem gekomen was.