Part 2
Toen hij ouder werd, opende zich zijn begrip voor de daad van zijn moeder; hij zag toen plotseling volkomen haar schuld aan hem en zijn vader. De leefwijze van zijn vader mocht zijn leven verduisterd hebben, hij had nooit een wrok tegen hem gevoeld; maar te sterk was de herinnering aan zijn kindersmart door de schuld van zijn moeder, dan dat hij dit ooit kon vergeten. Nooit maakte hij er tegen haar eenige toespeling op, maar hij trok het op als een muur tusschen hen, dien ze nu nooit meer kon doen vallen. En in dien tijd begon ze meer en meer te haken naar zijn liefde; ze had zich niet voor hem kunnen opofferen, toen hij hulpeloos en afhankelijk was, nu voelde ze bitter, dat hij ver van haar bleef.
Eli was toen achttien jaar; zijn schooltijd was voorbij en hij leefde een poos ledig, doelloos, niet wetend wat nu te beginnen; in dien tijd was er iets, dat mèt het plotseling herleven van de herinnering aan zijn vader, zich vast en scherp in zijn gedachten drong: het volkomen begrip van de vreeselijke kwaal, die zijn ondergang was geweest, en zijn huis had verwoest; en tegelijk met dit de angst, dat hij ook eens zóó zou worden. Het was een zonderlinge, haast intuïtieve angst voor iets, wat toch absoluut niet bij hem bestond; het was als een angst voor iets, waaraan hij voelde niet te kunnen ontkomen.
Het werd gedurende de paar jaar, die hij rondliep, zonder afleiding voor zijn gedachten, een kwelling, die hem niet losliet, die hem thuis ongedurig en veeleischend maakte, en onder zijn vrienden beurtelings opvliegend en uitgelaten vroolijk.
Het was in dien tijd van onzekerheid en onvoldaanheid zijn ongeluk, dat niemand hem trachtte paal en perk te stellen; zijn moeder willigde zijn geringste gril in, om hem maar tevreden te stellen; zijn vrienden ontzagen hem, verdroegen van hem meer dan van een ander; en er was niemand die hem vermocht te leiden in een goede richting, terwijl hij voortdurend onbevredigd en ongelukkig zocht. Hij wilde niet blijven in Brogs, de Kloeve trok hem niet, hij verlangde iets—iets dat hem bevredigen zou, zijn leegte vullen, iets dat hij lief kon hebben en waarvoor hij werken zou...
Hij had veel behouden van zijn karakter als kind; de groote gevoeligheid voor invloeden van buitenaf, wat was geworden: een onberekenbaar veranderlijke stemming, wisselend met het uur, den invloed ondergaand van een geluid, een kleur, een wolk voor de zon, een klank in een stem. Als kind had hij gehunkerd naar liefde, blindelings gevolgd dengene, dien hij liefhad: het was geworden: het onbevredigd verlangen naar één groote liefde.
De liefde van zijn moeder sprak niet tot hem, de genegenheid van zijn vrienden voldeed hem niet. En in dien tijd begonnen in het rusteloos groot verlangen zich deze twee dingen te vereenigen: zijn angst te worden als zijn vader, en onmiddellijk daarop volgend—„als ik iets had, waaraan ik me geheel kon geven, dan zou ik niet bang meer behoeven te zijn.”
Een enkele keer kwam hij weer in Lode, hier trok het hem; als hij door het dorp liep of bij Adam Feke of een der anderen zat, had hij een gevoel, alsof hij hier thuis hoorde.
Adam woonde nog altijd in zijn hut; hij was niet veel veranderd of ouder geworden en zijn liefde voor Eli was dezelfde gebleven. Zij waren samen als oude vrienden, wanneer Eli bij hem zat, als zoovele jaren geleden, en luisterde naar wat de oude vertelde. Er was één punt, dat Adam nooit aanroerde—Maria Bag; een enkele maal als Eli den naam van zijn moeder noemde, zag Adam op, alsof hij iets wilde zeggen; dan met een barschen trek op zijn verweerd gelaat zweeg hij.
„De Kloeve”, de eens zoo rijke bezitting der Bags, was in den laatsten tijd van Jelle’s leven herhaaldelijk bezwaard; bovendien verwaarloosd door slecht beheer; en Maria Bag had het bestuur over dit goed dat Eli’s eigendom was, zorgeloos overgelaten aan opzichters. Eli begon nu weer belang te stellen in de Kloeve en dikwijls bleef hij een poos in Lode om het van daaruit gemakkelijker te bereiken.
Maar zijn leven bleef leeg. Eindelijk hield hij het niet meer uit in Brogs en in een wanhopige bui ging hij op reis. Een heelen tijd zwierf hij, toen bleef hij een paar jaar in Vels, het afgelegen verre dorp op de grenzen met zijn uitgestrekte heivelden en sombere dennenwouden. Hij bleef hier bij een neef van zijn vader, een Bag, die tot groote welvaart gekomen was. Het was een oude, kleine man, met een schranderen witten kop, begaafd met een scherp verstand en taai geduld.
Bij hem bleef en werkte Eli drie jaar; onder hem leerde hij het bearbeiden van den grond, zag hij, hoe woeste heigrond was herschapen in bosch en vruchtbaar bouwland; het was het werk van meer dan een menschenleven. De vader van Marten Bag was het begonnen maar alleen Martens scherpe oogen zagen nu de vruchten van hun zwaren, dikwijls schijnbaar hopeloozen arbeid. Hier voelde Eli zich gelukkiger; hij had nog niet gevonden wat hij zocht, maar Marten Bag had een grooten invloed ten goede op hem; van hem leerde hij het nut van geregelden, harden arbeid—hij hoorde hem verhalen, hoe de vaders der thans zoo welvarende boeren arme stumperds waren geweest, die ’s zomers gingen werken over de grens om een karig loon te verdienen; en nu waren hun kinderen gezeten boeren, eigenaars van den grond.
In dien tijd, op een avond, terwijl hij zat naast Marten en uitzag over de hei, kwam plotseling de gedachte aan Lode in hem. Hij zag het, zooals hij het na zijn terugkeer uit Brogs gezien had, in al zijn armoede en ledigheid; de mannen verrichtend den weinigen veldarbeid, de rest van den dag verdroomend in luiheid en tevreden berusting; de vrouwen en kinderen bleek, hongerig, verarmd, zich schikkend in dat leven, omdat het nu eenmaal zoo was, en geen mogelijkheid bestond eraan te ontkomen.
Hij zag nu weer de tijden, als zijn vader de spijzen uitdeelde, als de boeren om den wagen drongen, en met hongerige handen grepen naar hun deel. Het was het volk, dat zijn vader, zijn voorouders hadden liefgehad, maar nooit verder hadden gebracht; dat hij liefhad met een overgeleverde gehechtheid van eeuwen; en voor ’t eerst overdacht hij dit alles met een geheel nieuwe, zachte aandoening, een verlangen,—vaag nog, om zich aan hen te geven. Hij dacht het uit, toen hij dien nacht wakker lag, en de dagen daarna, overdacht hij met een nieuw opgewekten moed, die hem ontrukte aan zijn oude grieven. Nog sprak hij er niet van tegen Marten Bag, maar langzaam rijpte het plan in hem.
Het volk van Lode zou niet langer voortleven in luiheid, armoede en ledige onwetendheid; hij zou gaan te midden van hen en met hen arbeiden; hij zou hen leeren den grond te ontginnen, te bevruchten; het zou een heerlijk en groot werk zijn.
Het was een groot, zacht verlangen, vreemd en nieuw in zijn vurige, heftige natuur, altijd lijdend onder eigen leed; voor ’t eerst voelde hij de vreugde iets te kùnnen doen voor anderen. Toen hij alles geheel voor zichzelf had uitgedacht, vertelde hij zijn plan aan Marten.
De oude liet hem stil uitspreken; een enkele maal knikkend met den kleinen, snuggeren kop, volgde hij Eli’s plan nauwkeurig, met een inwendige vreugd zich daarin denkend, wat hém, den ouden werker, den jongen zich na deed voelen. Hij zag zich zelf weer jong, voelde weer den ouden prikkel van moeielijken, maar eindelijk loonenden arbeid, en gretig viel hij aan op het plan, maakte er zich van meester, alsof het ’t zijne was.
Marten Bag kende den grond in Lode, het was dezelfde harde grondsoort als in Vels, die den arbeid, vooral den voorbereidenden, zeer zwaar maakte, en eerst na jaren en jaren loonde,—en hij hield Eli al de bezwaren ervan voor, maar Eli, eenmaal gewonnen, was niet meer af te schrikken. Met niet te schokken vertrouwen hield hij het plan voor oogen, dat helder en vast nu in zijn geest stond.
De hei bij Lode was waardeloos woest sinds eeuwen; hij zou het volk den grond leeren bearbeiden, en hun daarvoor winter en zomer een vast loon uitbetalen; dit zou hij kunnen doen met de opbrengst van „de Kloeve”. Op den omgewerkten grond zouden boomen worden geplant en na jaren weer gekapt; dàn zou ’t land worden tot vruchtbaar bouwland, en eerst de kinderen zouden de vruchten plukken van dien arbeid. Een half jaar bleef hij nog bij den ouden man, aan wien hij zich was gaan hechten als zelden te voren aan iemand; en in dien tijd verlieten hem nooit een oogenblik de moed en lust voor ’t groote werk, dat hij zou gaan aanvangen, het nam al zijn gedachten en verdreef zijn melancholie; in later tijd leken hem de jaren, die hij bij Marten Bag had doorgebracht, de gelukkigste van zijn leven.
In ’t voorjaar keerde hij naar Brogs terug; het eerste wat hij deed, was naar Lode gaan, naar Adam Feke, en hem zijn plan vertellen. De oude man luisterde zwijgend; er was groote zorg in zijn gelaat, toen hij eindelijk het hoofd ophief en Eli aanzag. Tot Marten Bag had het wèrk gesproken, maar hij had niet ingezien, wat Adam wist, sinds Eli’s prilste jeugd; Adam had hem lief met al zijn deugden en gebreken, onvoorwaardelijk, maar tevens kende hij hem, zooals Eli niet zichzelven kende; hij wist, dat in Eli al de gebreken waren van zijn vaderen, maar in dezen was de kracht geweest die te beheerschen waar het noodig bleek voor hun eigen heil, of ze te laten uitwoeden, al naar zij dat verkozen; het egoïsme, dat geen wroeging kende en geen ontzien van anderen, dat niets hoogers en beters in het leven verlangde.
Maar in Eli was dit niet; in Eli, met zijn heel gevoelige natuur, zijn eeuwig wisselende stemming, veranderlijk als de lucht, waaronder hij was geboren, was dat sterk verlangen naar iets hoogers, beters, en niet de kracht dat verlangen naar wijsheid te besturen.
En Adam, terwijl hij dit overdacht, wist ook, dat als hij trachtte Eli van dit plan af te brengen, dit gelijk stond met hem weer opnieuw doelloos en ongelukkig te laten voortleven.
Hij zei alleen:
„’t Zal moeielijk zijn, Eli, héél zwaar!”
Eli begreep dit toen niet; maar in later jaren, toen elke teleurstelling om het werk zwaar in zijn ziel zonk, had hij begrepen, hoe Adam dit alles ten volle had ingezien. Het geheel was een groot waagstuk, maar ook dàt zag hij toen niet in; het eenig gevoel, dat hem bezielde, was ’t verlangen aan het werk te beginnen, het ideaal te verwezenlijken van geluk door arbeid, dat hij zich nu eenmaal had voorgesteld.
Bij een ander zou dat verlangen nooit zóó sterk zijn geweest; maar in hem was de groote rusteloosheid van geest, het onmiddellijk-zich-ongelukkig-voelen, wanneer hij niet werken, zwoegen mòest, met inspanning van al zijn krachten. Het was die prikkel, die hem voortjoeg, om zijn plan te volvoeren; de gedachte: „Als ik maar eenmaal dat werk heb, in die omgeving, als ik arbeiden kan, en me heelemaal geven aan anderen, dàn zal ik dat ellendige gevoel van angst en onbevredigdheid verliezen, en voorgoed kunnen overwinnen... Lode is voor mij het beloofde land; daar wacht ik alles van.”
Hij dacht er nooit aan, dat alles zou kunnen mislukken; het kwam niet bij hem op, dat iets zoù kunnen mislukken dat hij aanvatte met àl zijn kracht, àl zijn goeden wil.
Voor Maria Bag was dit een slag; het was de vernietiging van haar hoop, dat Eli bij haar zou blijven in Brogs en een steun voor haar zijn in haar verlaten ouderdom—en tegelijk de groote bitterheid, die zelfs háár niet fijngevoelige natuur ondervond: het bewustzijn, dat zij hem niet binden kon, dat hij geen oogenblik met iets als smart eraan dacht van haar te moeten scheiden, dat in zijn nieuw leven geen plaats, geen gedachte was voor haar.
En tòch begreep zij niet, dat zij zelf die tegenstrijdige hardheid in hem gebracht had; zij ondervond het alleen, in een zwak besef er niets aan te kunnen doen.
Eli merkte in deze dagen plotseling op, dat zij oud was geworden; het kinderlijke in haar gezicht, dat zij zoo lang had behouden, was weggevallen; zij was een oude vrouw. Dit wekte medegevoel in hem; intuïtief begreep hij, hoe deze daad van hem een eindpaal zette aan al haar wenschen, en hij dacht in verzacht, droef medelijden, hoe zij zich altijd had tevredengesteld met het kleine beetje vriendelijkheid van zijn kant, dat een vreemde haar even goed had kunnen geven, en het maakte hem hartelijker, liefderijker voor haar dan ooit te voren.
Er was nog iets, dat hem trof; in al dien tijd had zij nooit getracht hem van zijn plan af te houden, of een beroep op hem te doen om harentwil; en hij begreep het droeve van haar bewustheid; dat wat zij hem vroeg, vergeefs zou zijn.
Maar toen hij eenmaal van haar weg was sleet dat zachtere gevoel, waarin hij zich had voorgenomen haar dikwijls te bezoeken, weer uit. Eenmaal weg, in zijn nieuwe omgeving, voelde hij dit niet meer.
Zoo was Eli Bag tot het volk van Lode gegaan, en had tot hen gesproken zijn woorden van frisschen, blijden levensmoed.
Als om een wonder had het volk zich om hem verdrongen, zonderling aangetrokken tot dien zoon van Jelle Bag, tot die lange, teere gestalte, dien bleeken, scherp gesneden kop, met smallen, vastgesloten mond, en stralende, grijze oogen, en zij luisterden naar zijn luide, heldere stem, die tot hen sprak van iets, zoo vreemd, en zoo heerlijk, dat het een sprookje leek; en zij zeiden tot elkaar, de mannen, de vrouwen:
„Heb je ’t al gehoord wat hij zegt, ga mee luisteren! hij wil ons leeren den heigrond bearbeiden, en ons daarvoor een vast loon betalen... Hij zegt, we zullen niet meer gaan werken bij vreemde boeren. We zullen werken voor ons zelf en onze kinderen... onze kinderen zullen welvarend zijn... dáárvoor alleen moeten we voortaan werken.”
En ze luisterden—begrepen niet...
Eli Bag, die teruggekomen was en hun dat beloofde... Maar ze hingen hem aan, met de snelle overgave van hun kinderlijke natuur, licht gehoorzamend aan dien vreemden dwang; ze gelóófden hem, om zijn stem, zijn gelaat, stralend van zonnigen moed en zij zeiden: ze zouden doen, zooals hij hen wilde leiden, naïef geloovend in een plotselingen, algeheelen omkeer ten goede in hun leven, niet denkend aan tegenslag of teleurstelling.
Het was alles in ’t begin geweest als een heerlijk nieuw leven... Maar in de lange, heete zomerdagen was de zware arbeid, het zware diepspitten in den harden grond tegengevallen aan deze menschen, elke groote inspanning ontwend, ontbloot van alle volharding en arbeidskracht.
Zij konden nooit samen gaan, Eli en dit volk; zij wilden dàdelijk resultaten zien, en verloren hun geloof in hem, toen dat niet gebeurde; zij konden zijn hoog ideaal niet vatten, en hij kon niet begrijpen of verschoonen hun willooze apathie, erfenis van eeuwen.
Het werd wrevel, ongeloof eerst; verzet later, en weigeringen om voort te gaan, toen de zomer kwam, en zij konden gaan maaien voor een hooger loon. Eli moest ze laten gaan en toen—hoewel ze langzamerhand één voor één in den herfst terugkwamen om ’t werk te hervatten—was voor ’t eerst zijn blijde illusie gevallen; hij zag, dat hij alleen stond met zijn mooi ideaal—maar hij blééf tot zichzelf zeggen: ééns zouden zij inzien dat het tot hun heil was geweest, hun kinderen zouden de vruchten plukken.
Dit zeide hij tot Adam, tot zichzelf in moedelooze uren. Adam schudde het hoofd, maar zei niet veel; hij was plotseling oud geworden, en kwam zelden meer onder de menschen; maar urenlang zagen de boeren hem rondzwerven met den ouden Wolf, zijn hond.
De stemming onder het volk ging altijd op en neer; zij konden dagenlang werken zonder een klacht, goedsmoeds, vroolijk zelfs. En Eli, altijd voelend onder den indruk van het oogenblik, wist dan niet meer van zorg of toorn; dan dacht hij, dat hij het eindelijk gewonnen had...
Dan opeens, door een kleinigheid meestal, barstte de wrevel uit, en keerde zich tegen hem, en het werk.
En Eli wist: tusschen hem en het volk was niet de band, die bestaan had tijdens zijn voorvaders; dàt was de vrijwillige gehechtheid en wederzijdsch hulpbetoon, maar feitelijk raakten hun belangen elkaar niet. Wat het volk aan hèm bond, was een overwicht van ontzag, van bijna-vergoding bij oogenblikken, maar nooit waarlijk van liefde; tegen hem smeulde de wrok over den inbreuk, dien hij had gemaakt op al het oude; over het nieuwe werk, dat nooit had bestaan, dat zij niet gewenscht hadden, dat zij hadden aangevangen toegevend een oogenblik in gedachtenlooze overgave aan zijn sterken invloed,—het werk, waartoe hij hen dreef.
Zoo was het, toen Eli twee jaar in Lode was teruggekeerd.
HET BELOOFDE LAND.
I.
Het dorp.
Eenzaam, onbeschut in de donkere norschheid van de verre heide; de kleine hoeven, verspreid in de zon, en een enkele plek schaduw, waar in den zomer de loome geur van den lindenbloesem bleef hangen onder de zware boomen.
Op de warme zomeravonden, als de roode zon was gezonken in den nevel, zat het volk bijeen, en praatte na den langen werkdag.
Het was een stil, gesloten volk, langzaam en moeielijk zich gevend, met een vijandig wantrouwen tegen alles wat inbrak op hunne oude gewoonten, moeielijk te leiden voor een vreemde. De mannen stoer en sterk, met stugge, zongebrande trekken, de vrouwen mager, maar forsch van bouw, met zware heupen en sterke schouders... En in hun gelaat zagen de oogen met stugge onderworpenheid, gewend aan de verre vlakte, waarover ze hadden zien lostrekken de hagelbuien uit loodpaarse luchten, die in één uur konden vernielen het weinig gewas in hun kleine tuintjes, schrale vrucht van veel arbeid; die eindelooze vlakte, de hei, die open en effen daar lag, die niets kon verbergen, waarboven de heete zon stond te branden in trillende lucht.
Bij dit volk, moeielijk zich onderwerpend aan vreemden dwang, spoedig vertoornd in licht beleedigd zelfgevoel, had zich alles van oude tijden bewaard; het waren de oude geslachten, die voor eeuwen in het dorp hadden gewoond, de oude gebruiken en gewoonten, niet te vervangen door nieuwe. Het was het volk, dat eenmaal Jelle Bag en zijn voorouders aanhing, hen vreezend, hen toornend, maar altijd aan hen verknocht.
Daar waren de tijden, toen hongersnood en ziekte het dorp teisterden, tot in de arme boerenhoeven geen kinderstem meer werd gehoord, en de beroofde moeders weeklagend liepen op den verlaten landweg.
Dat scheen nu heel lang geleden.
Ook lang geleden de tijd, toen Eli Bag terugkwam uit het verre land, en zich vestigde in het dorp; toen zijn gelaat was dat van een vreemdeling temidden van hen, en zijn stem een onbekende klank.
Lang geleden, dat hij den grooten arbeid begon, de ontginning der hei, waartoe hij hen opzweepte met zijn onbegrepen overmacht van mensch alleen, tegen hen allen...
En de jaren waren gegaan, en de arbeid was hard en zwaar geweest, en gering slechts de belooning.
Geen onder het volk van Lode had begrepen, welke de macht was van dezen man, die het oude, vurige bloed der Bags in zich had: het ontembare heerscherstemperament, den roekeloozen overmoed. Zij allen wisten als gisteren den dag, toen hij was gekomen als een wervelwind, en hen opjoeg uit hun ledigheid en droomerijen... Zij waren hem gevolgd, weinigen uitgezonderd, en onder hem hadden zij den strijd aangevangen tegen hun ouden vijand, de hei.
In den vollen zomer trilde de hitte meedoogenloos over de vlakte en deed den grond barsten; die zomerhitte, die hun lichamen teisterde en den arbeid verzwaarde; den grooten arbeid, die hun het geregeld bestaan bracht, en hen ontrukte aan hun armoede; het monster, dat elk belang in zich verzwolg, waarvoor alles moest wijken. Het was als een levend wezen, dat zij bekampten, dat zij beurtelings zegenden en vervloekten, dat hun allen het geregeld bestaan gaf, maar veel dat hun lief was, had vernield. En om dit laatste was diep in hen een haat, een stille, bijna onbewuste haat, die tijdenlang kon ondergaan en zwijgen, en plotseling weer uitbarsten; haat tegen dien arbeid als iets nieuws, dat ingebroken was op al het oude, die het oude, gemoedelijke leven had verstoord.
En toch kwamen zij er nooit toe, het werk neer te leggen, ronduit te weigeren... er was, iets sterker dan zij, dat hen dwong in zedelijk overwicht: Eli Bag.
Hij stond er boven.
In dit, in den dagelijkschen strijd schéén hij gebleven: onwrikbaar, ongeschokt, met een moed en volharding, die nooit verslapten. Daar waren de dagen geweest, dat zij hem haatten, de dagen dat zij hem verwenschten, maar altijd hadden ze hem gehoorzaamd. En zij zelf begrepen niet, wat hen tot hem deed terugkomen, altijd weer; het was het zonderling tegenstrijdige in dezen Bag met zijn sterke heerschzucht; bij oogenblikken een zachtheid als die van een vrouw, oogenblikken, waarin hij hen weer aan zich bond, waarin zij zich aan hem overgaven als aan een die was hooger en beter dan zij allen.
Daar was menige man en vrouw, wien een groot leed voor ’t eerst dragelijk had geschenen, toen Eli Bag zijn hand op de hunne legde, en zwijgend zat bij hun droefheid, waar anderen hadden gesproken....
En het waren zulke herinneringen, die hen aan hem hechtten. De uren waren gekomen, dat als hij stond temidden van hen, en zijn stem overdonderde toornig hun grieven—als hij zwoegde, harder dan een van hen, onvermoeid in de moordende zon—dat zij dachten aan die andere tijden, toen zij hem zoo geheel anders hadden gezien, en fluisterden tot elkaar:
„Wat is hij, een engel of een duivel...?”
II.
Als de avond stil was en schoon, kwam het volk bijeen onder de linden; daar praatten en lachten en joelden de jongeren: maar dikwijls ook, als ze vermoeid waren en afgemat na den langen, heeten dag, zaten ze maar stil, en luisterden naar wat de ouden vertelden.
Daar was de oude Wirs; hij was een kleine, uitgedroogde man met scherpe trekken, en hij kon vertellen met drukke gebaren en heftige stem van den tijd, toen de vreeselijke ziekte woedde over het dorp, en de doodsklok bijna voortdurend luidde.
Soms was daar ook, maar zeer zelden, Adam Feke, die ver op de hei woonde in zijn eenzame hut... Op de lange zomerdagen zagen de boeren hem rondzwerven over de hei, of stilzitten voor de deur van zijn hut, spelend op zijn fluit... altijd dezelfde melancholieke wijs, klacht van stil geleden smart. En de dorpers fluisterden—van wat zóó lang geleden was—wat sommigen hun vaders en moeders hadden hooren vertellen—maar niemand wist het rechte... het was lang geleden en vergeten...
Maar soms in den donkeren avond kon op den wind aanzweven over de stille vlakte de toon van de oude fluit, als een klagende stem van droefenis nóóit vergeten...
Daar was Jonas West, die altijd over zichzelf praatte; hij was soldaat geweest, en had meegevochten in den grooten oorlog, en hij vertelde van de landen, die hij had gezien, van de lange marschen, die hij had meegemaakt, in sneeuw en kou, terwijl de soldaten op den weg neervielen, stervend van uitputting...
Daar was ook Baats, die ééns zoo sterk was, dat niemand hem aandurfde, en de jongeren luisterden met goedige toegevendheid naar den machteloozen, suffen, ouden man, snoevend op zijn kracht...
Maar de jonge Georg Foks sprong ongeduldig op, want hij wist, dat hij veel sterker was dan eenmaal Baats...
Een enkelen schoonen avond kwam Tine Ross uit de smidse, en zat bij hen.
Zij was de oudste van het dorp, de grootmoeder van Maarten Ross, den vroolijken, grooten smid: ’s avonds stonden de jonge meisjes en knapen voor de smidse, en zagen toe, hoe de vonken spatten, en het harde ijzer gewillig zich boog onder de sterke vuisten van Maarten Ross.
Zoolang de Rossen hadden gewoond in het dorp waren zij smeden geweest, stoer en forsch, met den grooten kop en zware kaken, en eigenaardig vooruitspringenden voorhoofdsbouw, waaronder helder uitzagen de rustige blauwe oogen; hadden hun vuisten de zware hamers gezwaaid, en op het aambeeld doen neerdreunen als een polsslag van leven in het stille dorp.