Het beloofde land

Part 1

Chapter 14,098 wordsPublic domain

INA BOUDIER-BAKKER

HET BELOOFDE LAND

VIERDE DRUK

AMSTERDAM P. N. VAN KAMPEN & ZOON

PROLOOG

Aan den rand van de hei lag het Heihuis; gebeukt door de rukwinden, die aanloeiden over de verre heivelden, gegeeseld door sneeuw en hagel, gezengd door de brandende zon, die gloeiend de hitte deed opslaan van den gebarsten grond.

Sinds overoude tijden had het Heihuis daar gestaan in de norsche eenzaamheid van de verre hei, en van vader op zoon hadden de Bags het bewoond.

Het was een geslacht, afgescheiden van de overige bevolking; afstammend van eenmaal beruchte vrijbuiters, had zich in hen bewaard het oude, vurige bloed; waren de Bags kernachtiger, slechter, krachtiger, sluwer, grooter, zelfs in hun ondeugden; edelmoediger, fierder.... de Bags, forsch van lichaam, met den eigenaardig scherp gesneden roofdierkop, en zware bewegelijk kaak.

Zwervers waren zij eenmaal, en onrustig, ongedurig waren zij gebleven, zelfs toen zij reeds grondbezit hadden in het dorp en te Boge; te ongedurig om lang te blijven op één plaats, verdwenen ze soms tijden lang, huis en hof overlatende aan onderhoorigen.

Hun vrouwen zochten ze op hun zwerftochten in verre streken; altijd had een vreemde vrouw, langer en forscher van bouw dan de vrouwen uit het dorp, als meesteres geleefd op het Heihuis.

Het was het eigenaardige van hun geslacht, dat zij zich zoo weinig hadden vertakt; bijna altijd was de eenige zoon meester gebleven op het Heihuis.

Van oudsher had een band bestaan tusschen de Bags en de boeren; dat volk, apathisch, lui, ledig den tijd slijtende in armoede, maar aanhangende met blinde trouw dengene, aan wien ze zich eens hadden gehecht; het was een trouw, overgeleverd van geslacht op geslacht; het was het onwillekeurig eischen van diensten soms, en het even onwillekeurig gehoorzamen daaraan.

De oude Martin Bag, de grootvader van Jelle Bag, legde, door in zijn ouderdom te huwen met de dochter van een rijken boer uit Boge, den grondslag tot ’t landbezit van zijn geslacht. Sinds dien behoorde de uitgestrekte „Kloeve” aan de Bags.

Er was één Bag geweest, verschillend van de overigen; deze Eli, de zoon van Martin, stond als een geheel aparte figuur tusschen zijn geslacht. Als de dorpers hem zagen gaan, lang, bleek, met wél den eigenaardigen Bagkop, maar zonder het kenmerkend scherpe, bijna wreede, verzonken in zijn droomerijen, met de vreemde, starende oogen, ontweken ze hem schuw; hem vreezend in hun duister bijgeloof, om zijn volkomen eenzaam bestaan; waar hij leefde, geheel verzonken in zijn arbeid, het navorschen van natuureigenschappen met zonderling onbeholpen werktuigen.

Zijn zoon was Jelle Bag. Misschien was nooit een Bag geboren, met de oude natuur zijner vaderen krachtiger in zich.

Hij breidde de „Kloeve” uit en beheerde den allereersten tijd het goed scherpzinnig en nauwkeurig. Evenals al de Bags laat getrouwd, vierde hij in zijn jonge jaren al zijn dolle lusten bot, maar de boeren hielden van hem, ontzagen en vreesden hem, een vrees om al de geruchten die van hem gingen, waarvan niemand het ware wist; en ze hingen hem aan, om zijn groote, bijna kinderlijke vroolijkheid en ruwe goedhartigheid.

De vrouw van Jelle Bag kwam zelden in het dorp; zij was een kleine vrouw, met een kinderlijk gezicht, stil en teruggetrokken; bij de boeren kwam zij nooit, zooals Jelle. Die was bij hun feesten, zat bij hen, en praatte en dronk met de mannen, en schertste zijn ruwe scherts met de vrouwen; en zij hadden hem lief! Als hij aankwam, liepen ze aan hun deur, en riepen hem vroolijke groeten toe, en hij schreeuwde terug met zijn luide, lachende stem, die ver in ’t rond klonk. In de tijden van strenge vorst, als ellende en gebrek het dorp teisterden, liet Jelle Bag groote hoeveelheden levensmiddelen komen uit de stad. En het was een van de eerste en sterkste indrukken, die de kleine Eli, hun zoon, behield van zijn vader: zooals hij eens was komen aanrennen met zijn wagen, zijn reuzengestalte rechtop, schreeuwend en lachend met zijn door veel dronkenschap gevlekt rood gelaat; en de mannen juichten en lachten; en de vrouwen trokken angstig hun kinderen uit den weg voor zijn woeste vaart, en de honden blaften en sprongen tegen den wagen op. En midden in het dorp, in al dat rumoer, hield hij stil, en zijn frissche stem overklonk alle geluid, terwijl allen om hem heen drongen en hij tusschen hen staande, de spijzen uitdeelde aan ieder met een goedhartig woord en ruwe grappen.

Eli vergat dit nooit, het was het prachtige, het grootsche, dat hij behield in zijn kinderverbeelding, en zoo bleef hij zijn vader zien in een glorie. Maar Maria Bag zag men bij die gelegenheden nooit.

Zij was het kind van rijke pachters bij Brogs; zonder liefde was zij de vrouw geworden van Jelle, omdat het haar in Brogs verveelde; uit een soort vreesachtig ontzag had zij zich aangetrokken gevoeld tot dezen man, die haar waarlijk lief had met al de ongedurige heftigheid van zijn natuur, al den hartstocht van zijn wenschen en begeeren. Maar eenmaal in het eenzame Heihuis, waar zij zich ongelukkig voelde, met een man die haar angst en wrevel tegelijk gaf, berouwde haar iederen dag meer haar huwelijk; en niet kunnende waardeeren zijn groote liefde voor haar, trok zij zich van hem terug, stootte hem af met scherpe, bitse woorden.

Jelle Bag was niet heel fijngevoelig; als ze hem buitengewoon ergerde voer hij driftig tegen haar uit, tot zij bevend van angst en toorn wegliep; dan gaf hij zich over aan drinkgelag, om zoo gauw mogelijk zijn ergernis te vergeten.

Maar bij Marie steeg de wrevel tegen haar man: zij had niet in zich wat de vorige vrouwen der Bags hun booze luimen had doen verdragen; een groote liefde, en dit was, wat Jelle Bag noodig had.

Toen het kind, Eli, opgroeide, werd Jelle voor een poos kalmer; hij hechtte zich sterk aan zijn zoon, en trok hem geheel tot zich; hij begon hem mee te nemen op zijn tochten te paard, en overnachtte dan dikwijls in een verre hoeve.

Dikwijls ook nam Jelle hem mee naar de hut van Adam Feke, midden op de hei; en Eli zag altijd met verwondering naar dien kleinen grijzen man, die uren lang met zijn vader kon praten. Als hij alleen was met Adam, speelde deze voor hem op zijn fluit, maar als Jelle kwam, hield hij op, want Jelle zei lachend, dat hij die fluit niet hóóren kon. Dan liet Adam het, want Eli bemerkte toen al, dat Adam nooit iets weigerde aan zijn vader.

Het was een sterke vriendschap van de twee mannen, sinds hun kinderjaren; een gehechtheid van den ouderen Adam aan Jelle, dien hij bewonderde als zijn meerdere in kracht, en liefhad met een fijngevoelige toegevendheid om zijn onbesuisde goedhartigheid, zijn weinig verstandelijk doorzicht bij zijn groot kinderlijk hart.

Het was een vriendschap, nooit veranderd of verminderd; toegenomen nog in de jaren toen Jelle al lang meester was op het Heihuis en Adam woonde in zijn eenzame hut op de hei.

De ouderen in het dorp herinnerden zich den tijd, toen Adam Feke en zijn broeder Geert smids waren in Boge; dat hun werk, vooral dat van Adam, al het werk in den omtrek overtrof. En zij wisten te vertellen dat Adam Annelies Bruis liefhad sinds zij kinderen waren, en in dien zomer, dien iedereen zich herinnerde, toen de hitte zoo groot was, dat alle gewas verschroeide, zou Annelies de vrouw worden van Adam Feke.

Het ware van wat toen gebeurd was, wist alleen Jelle Bag. In die dagen zat Adam veel in zijn werkplaats; nog laat in den nacht zag men zijn licht branden. En terwijl zijn hart was vervuld van Annelies, legde hij die liefde in zijn werk; en hij zocht en zocht altijd weer naar een wijze van bewerken, die aan het blanke staal een eigenaardigen glans zou geven; hij zag in zijn geest de voorwerpen, die hij maken zou, en het zou alles spreken van zijne liefde voor Annelies.

Maar in dien tijd, als Adam arbeidde, was Geert bij Annelies, en langzaam ontstal hij Adam haar liefde. Adam wist niets—hij arbeidde. En eindelijk vond hij het; maar nòg zei hij het niet aan Annelies; hij wilde haar verrassen, tot haar gaan en zeggen, dat zij het was, die dit in hem had gewrocht.

Toen onverwachts op een avond liep hij uit zijn werkplaats, met het eerste, pas voltooide stuk werk, naar haar huis, waar hij haar dacht, op hem wachtende—en vond hen beiden, Geert en Annelies.

Adam sprak niet; hij stond daar lang en stom, en zag hen aan met scherpe oogen; en hij deed niet wat het allereerste oogenblik in hem opbruiste: op zijn broeder aanvliegen en hem wegschoppen uit dat huis, waar men hem laag had beroofd van alles—hij bedacht, dat zij niets meer van hem was nu—en hij zweeg en zag hen aan, terwijl alles in hem stierf.

Eindelijk keerde hij zich om, en ging terug naar zijn werkplaats.... en zat daar den ganschen nacht, en alleen de oude trouwe dingen van werk zagen zijn smart.

Den volgenden dag waren Geert en Annelies weg; Adam sloot de smidse en ging wonen in de eenzame hut, midden op de hei, ver van de menschen. Zijn werk raakte hij niet meer aan. Annelies was de ziel geweest van alles, zijn werk, zijn leven—en zij had alles in hem gedood. En hij leefde voort, een vroeg oude man, stil, verloren. De boeren waren gewend hem te zien rondzwerven, uren ver over de hei, of te hooren den klagenden toon van zijn fluit. Bijna nooit kwam iemand in zijn hut, alleen aan Jelle Bag had hij zich vaster gehecht, als ’t eenige wezen, dat hij liefhad, en dikwijls, als heftige woorden waren gevallen op het Heihuis, ging Jelle Bag naar de hut van Adam Feke, en bleef daar verscheidene dagen.

Maria scheen hieraan gewend. Heel in ’t begin zag men haar soms op den weg staan en uitzien, als Jelle met het kind weg was; later nooit meer. Maar dikwijls, als Jelle Bag thuis was, reed zij in den wagen naar Brogs, en bleef langer dan een week weg.

Eli bleef teer en fijngebouwd. Als Jelle voorbijstoof met het kind voor hem op ’t paard, deed het denken aan een klein wit vogeltje tegen zijn breede borst.

Eéns ging een gerucht door het dorp, dat Maria Bag van haar man was weggevlucht—het kind had zij achtergelaten, uit angst, dat Jelle anders haar schuilplaats zou opsporen... De oude Rosa vertelde het, bleek en bang, vreezend den terugkeer van haar meester... Maar laat in den avond hoorde het volk op den weg een dollen hoefslag en aan hun deuren gesneld, zagen zij Jelle Bag voorbijstuiven op zijn groote zwarte merrie. Hij leek dronken, en hing diep over den hals van het paard, dat hij onophoudelijk spoorde; en bij het even-lichtschijnsel van een lantaarn, zagen zij zijn gelaat verwrongen, met strakke oogen staren in den duisteren avond.

Den volgenden dag vonden boeren hem op den weg bij Boge, bewusteloos, met een wond aan het hoofd. Blijkbaar was hij in zijn blinde drift van ’t paard geslagen. Ze namen hem op en gingen Adam Feke waarschuwen, die het dichtst bij woonde; en de mannen zagen met verbazing, hoe de tengere, schijnbaar krachtelooze man, de reuzengestalte van Jelle Bag op zijn armen beurde, en naar zijn hut droeg.

Toen hij genezen was, woonde hij weer in ’t Heihuis, alleen nu met Rosa, die voor ’t kind zorgde, en een knecht.

Hij kwam toen zeer zelden meer in het dorp; als hij er kwam, zat hij ineengezakt op zijn stoel, naar alles vragend, vrijgevig, goedhartig als altijd, langzamerhand zelfs terugvindend zijn vroegere, ruwe scherts, maar een wrak van wat hij ééns geweest was;—zich mateloos overgevend nu aan zijn oude kwaal, dronkenschap, leek hij met zijn waggelenden gang, gebogen rug, en een uitdrukking van zorg op zijn rood, gevlekt gelaat, een oude man.

Voor den kleinen Eli kwam nu de tijd, die een grooten invloed had op zijn karakter voor heel zijn leven. In het sombere Heihuis, met zijn bijna altijd dronken vader, begonnen in dien tijd dingen zich voor ’t eerst helder af te teekenen in zijn kinderbegrip. Al het vroegere, de tijd toen zijn moeder nog op het Heihuis was, en een zekere beschaving en weelde daar heerschten, de heerlijke lange tochten met zijn vroolijken vader te paard, bleef hem bij als iets moois; hij was toen nog te klein om de dagelijksche twisten van zijn ouders op te merken, of er onder te lijden.

Het werd nu iets anders. Tusschen dagenlange verwaarloozing kwam soms bij zijn vader de plotselinge behoefte op, hem te liefkoozen, hem bij zich te hebben. En Eli behield deze oogenblikken altijd in zijn herinnering; hij zag zijn vader de kamer uitkomen en om hem roepen; als Eli dan gauw kwam aanloopen, tilde hij hem op, en nam hem mee naar zijn kamer, zette hem op zijn schoot, en vertroetelde en kuste hem; zoo’n heelen dag dan hield hij hem bij zich, vertelde hem de eene geschiedenis na de andere, voortdurend drinkend, tot hij eindelijk dronken insliep.

Dan sloop Eli weg; hij was nooit bang voor zijn vader, want Jelle Bag zou hèm zelfs in zijn buien van dronkemanswaanzin altijd ontzien; en hij bleef van hem houden, als ’t eenige wezen dat er wàs om lief te hebben.

Zijn grootste vreugd was Adam Feke; als hij kwam op ’t Heihuis, speelde hij met Eli, vertelde hem verhaaltjes, leerde hem knutselen, en nam hem soms voor een paar dagen mee naar zijn hut. Toen reeds viel het Eli op als iets buitengewoons, hoe groot de liefde en eerbied waren, waarmee Adam zijn vader altijd bejegende of van hem sprak.

In dien tijd begon het kind zijn moeder te missen; de herinnering aan haar was te flauw, dan dat hij naar haar kon verlangen om haarzelfs wil; maar hij zag, dat andere kinderen een moeder hadden, die voor hen zorgde; Rosa zorgde voor hèm, maar hij voelde instinctmatig, dat dit iets anders was.

Hij werd een heel gevoelig, teer kind, lastig, in zichzelf gekeerd, heerschzuchtig, door Rosa toegegeven in al zijn grillen; uiterst kwetsbaar, met een voor zijn leeftijd zeer scherpe opmerkingsgave; een kind geschapen om gekoesterd te worden, met een groot verlangen naar liefde-geven en liefde-ontvangen. Een onvriendelijk woord van iemand kon hem dagen lang die persoon doen ontwijken, en het duurde heel lang eer hij het vergat.

Naarmate hij ouder werd waren de dronken vlagen van Jelle Bag voor Eli een grooter pijniging. Niet, dat hij in zijn kinderbegrip dronkenschap iets slechts of verachtelijks kon vinden, maar het woeste getier, de ruwe woorden, de afwezigheid dàn van alle goedhartigheid, die anders Jelle Bag bléven kenmerken, waren hem een hel van ellende. En in de goede tijden kon hij den schrik van die buien niet meer vergeten.

Eli begon toen meer aan zijn moeder te denken; hij vroeg herhaaldelijk aan Rosa, waar zijn moeder was, waarom zij was heengegaan. En de dwaze oude vrouw, eindelijk zwichtend voor zijn dwingen, vertelde hem, dat zijn moeder hem verlaten had, en nu ver weg woonde.

Eli zat een poos doodstil, met groote starende oogen—en toen Rosa verschrikt zweeg, en hem wilde liefkoozen, sloeg hij haar van zich af, en liep weg, en ontweek haar de eerste dagen.

Het was voor hem een openbaring van schaamte en vernedering; hij kon niet inzien de schuld, de lage daad van zijn moeder; maar plotseling zag hij:

„Alle kinderen, die hij kende, hadden hun moeder kunnen houden, hun moeder hièld van hen, wou niét van hen weg; maar hij was zeker een te akelig, klein vervelend kind, waar zijn moeder niet van houden kòn—en daarom was zij weggegaan.”

En in dien tijd kwam een groote bitterheid in zijn karakter door de vraag, waarmee hij zichzelf afkwelde:

„Waaròm hij dan niet was als andere kinderen—waarom dan zooveel naarder?”

De oude Rosa begreep niet, wat ze aan hem misdaan had, maar hij vergaf ’t haar nooit, dat zij dat ongelukkige gevoel over hem gebracht had, door ’t hem te vertellen.

Het maakte hem schuw, bang zich te vertoonen, en een kwetsend woord te hooren of een verwijt; hij speelde weinig meer met de andere jongens, maar zocht altijd zijn vader, in een hunkerend verlangen naar teederheid. En tot Jelle Bag spràk dat bleeke, trotsche kindergezicht, dat zoo verlangend hem kon aanzien, en hij deed meer zijn best zich in te houden als Eli bij hem was.

Er was één mensch, dien Eli zijn vertrouwen gedeeltelijk schonk: Adam Feke.

Eens toen hij in Adams hut zat, vroeg hij plotseling:

„Adam, waarom ben ik niet zooals de andere kinderen?”

De oude zag verbaasd op.

„Wat praat je toch, Eli?”

De jongen lag languit op den grond, krassend met een spijker over de steenen, en met een donkeren blos zei hij zonder op te zien, haperend:

„Hoe of ’t toch komt, dat moeder niet van mij hield, en niet bij mij blijven kon...?”

Adam begreep het plotseling; met een trek van smart en toorn op zijn gelaat, tilde hij den knaap op en trok hem op zijn knie.

„Jij bent niets minder dan anderen, je bent ’n echte Bag, maar je moet liever nooit meer over je moeder denken—wees alleen maar blij, dat je je vader hebt en die houdt van je, en ik ook, en alle menschen...”

Eli vergat dit óók nooit. Waarom moest hij maar niet meer aan zijn moeder denken...? Maar hij geloofde Adam onvoorwaardelijk, en hij deed zijn best te denken, zooals Adam zei.

Adam was hem ook ’n raadsel. Waarom leefde hij zoo ver van de andere menschen, en waarom speelde hij zoo uren lang op zijn fluit? Maar hij speelde niet zooals Hent en Renier; Eli voelde het als iets heel vreemds, het was een toon, dien hij, toen hij ver weg was, nooit kon vergeten, die hem als kind, als hij alleen bij Adam zat in zijn eenzame hut, en niets zag dan de verre vlakte, waarover tegen den avond langzaam de nevels aanzweefden, bijna angstig maakte.

Op een heeten zomerdag stierf Jelle Bag plotseling. Eli was toen twaalf jaar. Hij herinnerde het zich later alles nauwkeurig; hij had den heelen morgen over de hei gezworven, en toen hij op den weg naar het Heihuis kwam, vloog Rosa hem schreiend tegemoet, en zeide hem, dat zijn vader heel ziek was.

En Eli kwam van den zonnigen weg buiten in het donkere vertrek. Hij zag zijn vader liggen, roerloos en bleek, en Adam Feke, die op zijn knieën voor hem lag; de eene hand van den doode rustte op Adams arm.

Van wat toen gebeurde, had hij geen duidelijke herinnering; hij wist alleen dat Adam hem had opgenomen en weggedragen, en later bij hem zat en zacht tegen hem sprak.

De droefheid van Eli was groot en bitter, hij voelde zich verlaten als Adam er niet was, en volgde hem als een schaduw. In die dagen kwamen de dorpelingen allen van Lode, en wilde nog eens voor ’t laatst Jelle Bag zien; en de mannen en vrouwen, die daar stil en eerbiedig binnenslopen, een wijle stonden, en dan weer zacht heengingen, zagen medelijdend naar den teeren knaap, die zoo alleen bleef in ’t Heihuis.

Maar den tweeden dag, na Jelle’s dood, gebeurde voor Eli iets wonderlijks.

Hij hoorde een wagen stilhouden, en toen hij in de gang kwam, zag hij een vrouw het huis binnengaan. Deze vrouw was klein en jong; zij kleurde toen zij den knaap voor zich zag, en kuste hem toen zacht. Hetzelfde oogenblik kwam Adam Feke buiten, hij bleef staan, verbaasd en toornig; zij sprak een paar woorden, die Eli niet verstond, en Adam antwoordde kort, daarna gingen zij samen binnen.

Met een kloppend hart bleef Eli luisteren; hij hoorde nu Adams stem hard en scherp, zooals hij die nog nooit gehoord had, en de hare zacht-bevend; eindelijk hoorde hij hen gaan naar de kamer waar Jelle lag, en stil sloop hij naar binnen.

Hij zag toen zijn moeder, bleek, midden in ’t vertrek, en Adam stond naast de baar; zijn grijs hoofd was gebogen, en zijn hand lag op ’t voorhoofd van den doode, als om hem voor iets te beschermen. En Eli verwonderde zich, waarom zijn moeder niet evenals Adam bij zijn dooden vader ging, en alleen maar uit de verte schuw naar hem keek.

Eindelijk zei Adam:

„Je moeder is gekomen, om je mee te nemen, Eli.”

In den knaap sprong één oogenblik het geluk op, dàt zijn moeder was gekomen om hem te halen, dàt ze nu zouden zien, Rosa en iedereen, dat hij niet minder was dan een ander kind—en ademloos vroeg hij:

„Ga ik, Adam?”

De oude man knikte zwijgend.

Maar in Eli’s gevoelige kinderziel brandde zich vast Adams droevig gezicht; hij dacht plotseling, hoe hij weg zou moeten van Adam, van zijn vader, van alles hier, en tegelijk kwam met heftigen wrok boven: „dat zijn moeder maar altijd was weggebleven, en nu hem wel weghalen kon,”—en snikkend vloog hij naar Adam, en klemde zich aan hem vast, klemde zich vast aan zijn dooden vader, roepend:

„Dat hij niet weg wilde—dat hij niet ging....”

Dit was misschien het eerste bittere oogenblik voor Maria Bag, toen zij den knaap zich van haar zag afkeeren, en zich vastklemmen aan alles, wat haar vijandig tegenover had gestaan.

Maar twee dagen later ging zij met Eli heen; Adam Feke had zijn eigen droefheid tot zwijgen gebracht, en Eli’s welzijn inziend, hem overreed met zijn moeder mee te gaan. En terwijl hij sprak van al het nieuwe, dat hij zien zou, het groote huis waarin hij ging wonen, zag hij langzamerhand in het kind het verdriet verminderen, en het verlangen naar al dat onbekende stijgen.

Het afscheid was een laatste groote droefheid voor Eli. Adam stond naast den wagen, en hield den jongen in zijn armen, terwijl Eli snikkend aan zijn hals hing.

Toen plotseling zette Adam hem neer, en zonder Maria Bag te groeten of aan te zien, keerde hij zich om, en liep snel den weg af. En zoo behield Eli hem langen tijd in zijn herinnering; zijn kleine, tengere gestalte haastig voortloopend, terwijl zijn lange grijze haren wijd uitwoeien in den wind.

Het werd toen voor Eli een geheel nieuw leven.

Hij kwam erin, schuw, vreemd, wantrouwend, ongelukkig; hij ging nu op de school in Brogs met andere jongens van zijn leeftijd; maar slechts heel langzaam en moeielijk liet de herinnering aan zijn vroeger leven hem los. Het terug-verlangen naar Adam, naar zijn vader, maakte hem lang norsch, gesloten, vreemd tegen zijn nieuwe omgeving. Er was iets anders in zijn karakter gekomen; vroeger opende zijn hart zich voor elke vriendelijkheid, nu lieten de liefkoozingen van zijn moeder hem koel. Het bleef het na-voelen, het wrevelig niet-begrijpen, waarom zijn moeder hem vroeger zoolang had verlaten; maar hij zei het haar nooit.

Voor Maria bracht deze tijd de groote teleurstelling van haar egoïste hoop: dat dit kind haar nu liefhebben zou.

Langzamerhand won zij hem wel, sleet zijn terughouding uit door het nieuwe leven, waarvan hij, toen hij zich eenmaal moeielijk eraan gewend had, genieten ging.

Hij vond toen den omgang met andere jongens van zijn leeftijd heerlijk. Gezien onder zijn vrienden en op school door zijn eigenaardige persoonlijkheid, met zijn groot overwicht op anderen, altijd een der eersten bij hun spelen, met veel spierkracht, schoon feitelijk nooit van een sterk gestel, was dit voor hem een waarlijk gelukkige tijd. Maar hij zocht zijn plezier altijd buitenshuis, hij zou nooit verlangen eens bij zijn moeder te zitten en met haar te praten; thuis was hij een schijnbaar onverschillige jongen, zijn wil doordrijvend; zij hem zwak toegevend in al zijn grillen, zonder hem ooit geheel te kunnen winnen.

In dien tijd had zij hem kunnen winnen door groote vastheid van karakter, door hem te dwingen haar hoog te houden, tegen haar op te zien; maar zij kon geen eerbied in hem wekken, en dat was voor zijn natuur noodig, wilde hij iemand liefhebben. Ze liefkoosde hem, gaf hem zijn zin, en verlangde van hem liefkoozingen, en leefde overigens haar eigen leven. En ze voelde niet, dat ze hierin te kort schoot; in haar zwakke natuur kon nooit een groot gevoel leven, ze verlangde lief te hebben, maar ze kon zich er niet voor opofferen; ze besefte niet, waar ze in gebreke bleef, maar ondervond pas de gevolgen, en was dàn ongelukkig. En zoo bleef er altijd iets tusschen hen; zij irriteerde hem, niettegenstaande hij te goedhartig was, om geen spijt te voelen, als hij een enkelen keer haar onvriendelijk behandelde.