Het beloofde land

Part 5

Chapter 54,184 wordsPublic domain

Zij zaten stil tegenover elkaar. De oude Tine Ross zag naar Berend waar hij zat als in moede berusting...

Hij had niet geklaagd tegen haar, maar zij had vaag gevoeld, dat hij veel had gezwegen. En haar scherp moedergevoel zeide haar wat het voor hèm moest zijn terug te keeren zonder te hebben volbracht; wat hij moest hebben gestreden, eer hij terugkwam en rustig kon spreken over het verachte handwerk, dat hij zou verrichten om gèld.

Moeder—ik weet nu, er is iets, sterker dan al het andere.

Eéns de klank van een oude, dierbare stem—niet verdoofd door zooveel honderden luider stemmen.

Eéns de rustige, nooit veranderde liefde in zachte, oude oogen—niet verduisterd door zooveel schitterender beelden in later tijd.

Moeder! Wat mij deed verlangen, toen ik niet wist dat ik nog verlangen kòn.

Moeder! Wat mij geen rust liet, eer ik zou voelen uw hand op mijn moede oogen.

En uw goede stem—en uw dierbaar gezicht als een aanraking van troost in mijn droef hart.

Moeder! Tot ik wist, dat ik teruggaan zòu.

Dat dit het éénige was...

VIII.

Dikwijls in den vroegen morgen zag Eli Berend Ross voorbij zijn huis gaan, met langzame, vaste schreden den kant op naar Brogs, tot waar de weg zich in tweeën splitst; daar lag de woning van Geert Dule, het kleine mannetje met slimme bewegelijke oogen als van een aap, dat hem zijn werk afkocht, om het zelf weer in de stad te verkoopen.

Geregeld deed hij den tocht, keerde in den namiddag terug met vermoeide voeten, het geduldige, moedige gelaat opgeheven naar de strakke lucht.

En Eli, als hij hem zoo zag gaan, dacht na over dien man en zijn grooten arbeid, waarmede hij hoopte te verkrijgen voor den zoon, wat hemzelf levenslang was ontzegd; en hij zag tegelijk duidelijk en helder hoe dit was in al de Rossen, in verschillenden vorm, maar bij allen hetzelfde: geheel zich kunnen geven met een taaie, geduldige volharding aan één enkel iets, zonder een oogenblik aarzelen het zich gestelde doel volgend, zonder klagen wanneer zij erdoor moesten lijden.

Dit was geweest in Tine; in zwijgende berusting had zij haar groote wacht uitgeleden; het was in Berend, die in zijn grijsheid kracht vond voor het eenmaal verachte werk zijner jeugd. En Hester had die taaie volharding bezeten in haar lang onuitgesproken liefde voor hem...

O! zij was geboren uit dat ijzeren geslacht van krachtige gezonde menschen, voor wie afwijking van plicht, of van het eens gestelde doel een onmogelijkheid was, met den geduldigen, rustigen moed van den waarlijk sterke.

En langzaam was weer in Eli een twijfel gestegen aan den voortduur van zijn geluk; hij wist, dat Hester hem zag zooals zij zelf was—uit haar eigen forsche natuur, dat zij hem niet inderdaad kènde, niet zijn wankel karakter, zijn overgevoelige ziel. En hij vreesde, dat zij heel moeilijk zou kunnen begrijpen zijn ware natuur, schuilend onder zijn opgezweepte wilskracht, met zijn eeuwigen strijd tegen zijn zwakheden, zijn lagere driften—de feilen van een heel geslacht rustend op zijn schouders.

In die mismoedige buien kwam terug het oude gevoel, een tijdlang verloren in zijn liefde; dat hij niets had in ’t verleden, niet in zijn kindsheid, niet in zijn jongelingsjaren, niet van zijn vader, niet van zijn moeder, waarop hij steunen kon, waaraan hij zich kon vasthouden.

Hij had ’t gevoel, alsof hij geheel los van alles, door ’t leven zwierf, of er niets bestond of bestaan had, dat werkelijk met hem verbonden was; of hij een éénling was, afgescheiden van menschen.

Zèlfs van Hester...

Er waren dagen, dat die gewaarwording heel zwak was; dat hij zelf niet begrijpen kon, hoe hij er soms onder kon lijden.

Maar de dagen kwàmen, dat hij er zóó onder gebukt ging, dat het hem ziek maakte en ongeschikt voor elken arbeid, elke inspanning; en dan kwam tegelijk terug de vrees, die hij eens gehoopt had hier te zullen overwinnen, de oude vrees: te worden als zijn vader.

De oude vrees, die nooit was weggegaan, en hem niet losliet.

En het was erger geworden.

Het was—wat hijzelf nog niet begreep—niet meer de vage vrees, maar de aanvechting zelf, het was het verlangen naar drinken zelf, dat onbewust nog tot hem sprak, dat zich aan hem opdrong in vernederende kwelling.

Het gebrek, dat zijn voorvaders allen in meer of mindere mate hadden bezeten, was voor hen geweest een tijdverdrijf; maar Eli had bij hun gebreken niet hun grove natuur; hij zag als een afschuw het geestelijk lager en lager zinken, en hij streed als een wanhopige. Uiterlijk zoowel als innerlijk geleek hij op zijn grootvader Eli Bag; in dien zonderling was ook dat zoeken geweest naar iets beters—dien had het in de eenzaamheid gedreven.

Eli voelde zelf, het zou minder erg geweest zijn, als hij er met iemand over had kunnen spreken, maar van allen stond hij daarin te ver af.

Het verst van Hester.

Hij besefte, hoe de gedachte aan zoo iets niet bij haar kon opkomen; en hij dacht bitter dat de vrouw, die hem zóó liefhad, die hem dacht te kennen, hem zóó ver stond, dat hij zelfs niet waagde haar zijn lasten te klagen.

„Waarom dacht zij hem zoo groot! Het ware beter geweest, als ze hem had liefgehad in weten van duizend feiten en tekortkomingen: dan had hij rustig kunnen zijn.”

Daar was nog iets anders.

De Kloeve.

In langen tijd was hij er niet geweest, maar de opzichters waren gekomen, en hadden gesproken van ziekte in het graan, van den slechten oogst die te wachten stond.

Den volgenden morgen reed hij erheen.

Hij draafde op den open weg, met de heide aan de eene, de donkere dennenbosschen aan de andere zij. De lucht was frisch en aan den horizont trok langzaam de witte nevel op.

Herfstnevel al.

De herfst, die zachtkens kwam in teere witte nevels, en koelere luchten, en onmerkbaar in de nog warme dagen den zomer verdrong. En de hei donkerde paars, zoo ver het oog reikte, een weelde van gloed tegen het dennengroen.

Maar in Eli, terwijl hij voortreed en dacht aan de Kloeve, was een groote zorg.

De Kloeve, die de laatste jaren van slechte oogsten maar weinig had opgebracht: de Kloeve, die hem dit jaar schadeloos moest stellen, wilde hij den arbeid voortzetten.

„Niet kunnen voortzetten!”

De gedachte joeg plotseling het bloed naar zijn hoofd. Hoe kwam het, dat hij nooit te voren in ernst hieraan had gedacht.

Het was zijn onberedeneerde natuur; hij kon zich toeleggen met allen ijver, heel zijn wilskracht op één ding, en onderwijl tien meer noodige verwaarloozen.

En hij had de Kloeve verwaarloosd; hij hield niet van het goed; zijn lust, zijn kracht gaf hij aan ’t werk in Lode, maar de Kloeve liet hij over aan opzichters.

Hij hield zijn paard in, reed langzaam voort; voor ’t eerst stond het hem helder voor, dat de opbrengst van de Kloeve over zijn werk zou beslissen. Niet hijzelf, niet de arbeiders, maar dàt!

In Lode niet kunnen voortbetalen den winter, dat beteekende: nu dadelijk het werk te moeten staken—en het volk raden zich te verhuren bij vreemde boeren.

Den arbeid doen ophouden....

De arbeid, dien hij gezworen had te voleinden—dien hij lièf had.

— — — — — — — — — — — — — —

Toen hij terugreed in de late middagzon, wist hij het.

Niemand had ’t hem hoeven te zeggen, hij had ’t gezien met eigen oogen—daar was niets van den oogst te wachten.

Eli reed langzaam, in zijn bleek gelaat staarden de oogen dof, zonder te zien.

Een moede afmatting was nu in hem, de terugslag van zijn plotseling opbruisende woede, toen de opzichters daarginds hem den stand van zaken hadden duidelijk gemaakt...

Zij hadden hem aangezien, in stille vrees, toen hij daar stond en zweeg in machtelooze drift—en hadden gesproken van een deel, dat nog terecht kon komen—misschien,—het stuk bezuiden Boge, daar was de ziekte nog niet in het graan.

Eli had niets geantwoord, niets gevraagd,—zij waren hem gevolgd, en hadden toegezien hoe hij rondliep langs de vernielde akkers; hij had toèn geleken op Jelle Bag in zijn jeugd, als hij in zijn buien van woedende drift rondliep, en zijn onderhoorigen deed sidderen door zijn zwijgen.

En eindelijk was hij weggegaan. Hij wist het nu.

De arbeid, die moest ophouden...

Hij zou geen geld hebben om het beloofde loon te betalen—niemand zou geld willen geven op de reeds zoo bezwaarde Kloeve! Het loon niet betalen! Er was een tijd geweest, dat hij dit lichter zou geteld hebben—toen had hij durven hopen, dat zij vertrouwen genoeg in hem hadden om ’t werk te hervatten, zoodra hij weer kon.

Hij wist nu, dat het prompt betaalde loon het eenige was wat hen bond; liefde voor ’t werk had hij niet in hen vermogen te wekken—dat wist hij sinds dien Zondag, nu twee maanden geleden al.

Hij keek uit naar de kant van Lode, waar zijn arbeid was, zijn geluk en zijn trots. Nu voelde hij eerst hoe hij eraan gehecht was, hoe hij liever tegenwerking wilde verdragen, dan zijn mooien droom te moeten opgeven.

Misschien zou hij ’t nu nooit voleinden. Hij zat stil, dieper gebogen dan te voren.

Het was voor Eli erger dan het voor menig ander zou geweest zijn; het was, behalve de overheerschende smart om den arbeid, zijn diep gekrenkte trots, die niet dragen kon, dat al zijn werken, zijn willen, zijn eerlijk pogen van wat waarlijk was een groote en goede daad, tot niets werden gemaakt door een blind noodlot.

Was ’t een mensch geweest, die hem in den weg trad! Maar dit! Dat hij moest dulden.

Hij kòn niet—hij zòu niet!

Was hij een dwaas, dat hij zonder strijd zich zou overgeven? Was dan niets waard zijn eerlijke arbeid, zijn streven, dat allen tegenspoed had getrotseerd?

Hij gaf ’t niet op; de arbeid zou voortgaan.

Geld was er nu nog—en in ’t najaar, dan zoù er geld zijn ergens van—hij zou opnemen of wat dan ook.

Maar hij zou volhouden.

Hij bewees het volk geen dienst met hen heen te laten gaan bij vreemde boeren.

Hij deed ’t niet—het moest maar gaan zooals ’t ging—tegen dien tijd zou hij weten te handelen.

IX.

Het werk ging voort.

En de zomer—de warme nazomerdagen, matter in volsten bloei, rijper neigend naar den herfst die komen ging.

Het scheen alles hetzelfde.

Maar de vlier bloeide niet meer voor het raam van de werkplaats van Berend Ross.

De dikke, witte bloemtrossen spraken niet langer van jonge, blijde lente—van zomerschoon dat nog te wachten stond.

Maar Berend Ross zag ’t niet, hij dacht er niet aan.

Hij arbeidde voort, onafgebroken, zwijgend, verfijnend de kleine houten kunstvoorwerpen in grillige fantasie; en terwijl hij uitzag over de hei, zag hij alleen de toekomst van zijn zoon...

Er was geen twijfel in hem, geen vrees; nederig geduldig had hij de rest van zijn leven geofferd aan zijn zoon; voor hem moest hij werken, dat was zijn plicht.

Want in hèm was de goddelijke gave...

En ook Tine Ross deerde het niet, dat de zomer zou vergaan.

Haar zoon was teruggekeerd; nu kon zij hem geven wat hij ontbeerd had, haar zorg en liefde—nu zou zij ééns gelukkig kunnen sterven met haar hoofd aan zijn borst.

Het deerde haar niet, dat hij den geheelen dag werkte, zwijgend, in gedachten verloren, en als vergeten wat om hem was.

En soms niet hoorde, wat zij tot hem sprak...

Dat was niets.

En Maarten stond in de smidse, en werkte, dat het een lust was. Hèm kon de diepe teleurstelling om zijn liefde niet bitter maken of mismoedig; hij had Hester liefgehad—zóó—zonder zich rekenschap te geven—omdat hij nu eenmaal niet anders kòn—omdat dit zoo zonnig en vol in zijn blij hart was gevallen. En hij had gejuicht om die liefde, in onbezorgde blijdschap, zooals de vogel zijn lied uitjubelt in de lente...

Nu droeg hij zijn smart om haar stil en gelaten; inderdaad was zijn frissche leefkracht, zijn diep-blijde levensvreugde zoo overvloeiend in hem, dat die, evenmin als bij Berend, makkelijk kon ondergaan in teleurstelling of droefheid. En terwijl hij werkte met onvermoeiden ijver, met alleen een zachter uitdrukking in zijn vroolijke oogen, overdacht hij het op zijn rustige, gezonde wijze: „dat hij dit nu eenmaal dragen mòest, en voor Hester kòn hij het dragen, omdat het was voor háár geluk—en zijn liefde voor Hester kon niemand hem toch afnemen...”

Maar voor ’t eerst wás Hester niet meer volkomen gelukkig; er was een schaduw, die kwam uit het dorp tot haar, die zij verborg, verzweeg tegen grootmoeder, tegen Maarten...

Het kwam tot haar uit de hutten—het kwam, zij wist soms zelf nauwelijks hoe—maar zij wist, dat het bestond.

Het bestond—de angst, het wantrouwen om de Kloeve.

Wanneer de vrouwen ’s middags in de schaduw van hun huisjes zaten, zeiden zij over, wat zij hoorden van hun mannen.

„De oogst op de Kloeve was slecht—het wàs waar...

„en als de Kloeve niet opbrengt, waar moet Eli dan voor den winter het geld vandaan halen...?

„als Eli geen geld heeft om te blijven betalen—wat dàn?

„hij heeft onze mannen ervan afgehouden om te gaan werken bij vreemde boeren.

„dan hadden wij geld kunnen overhouden voor den winter.

„nu hebben we niets.

„als dat waar is—zal Eli ervoor boeten, dat hij ons zoo bedrogen heeft...

„hij bedriegt ons nòg! Waarom zegt hij niet eerlijk, dat hij niet heeft, dan konden de mannen nòg gaan...

„maar—misschien is ’t niet waar, hééft hij wel geld.

„ja—als dàt waar was...”

Hester wist dit; zij voelde het, meer dan hijzelf, hoe het stille wantrouwen steeg; zij zag, als zij buiten kwam, Larets kwaadaardigen kop tusschen het volk, den wrevel rondom zaaiend,—Laret, met zijn scherpe tong,—die was een der hunnen.

Maar Eli was een vreemdeling geworden. Zij zagen in hem niet meer den zoon van Jelle Bag.

In dit volk was wat Eli niet kon begrijpen: het doel, het ideaal waarvoor zij werkten was hun te ver, ze konden het niet zien, zooals Eli het zag; zij waren er niet rijp voor, en Eli was niet de man, om er hen rijp voor te maken.

En hij zag den ouden onwil weer terugkomen, hij zag ’t op de donkere gezichten als hij hen aandreef, hoorde het in een norsch antwoord. En het maakte hem prikkelbaar, onredelijk dikwijls, als hij den arbeid niet genoeg gevorderd vond.

Hester voelde, dat hij eronder leed—maar niet volkomen hòe zwaar—want zij kòn zich niet geheel indenken in zijn liefde voor het werk.

Dit wist Eli—en het deed hem zwijgen tegen haar.

Maar dit was Hesters grootste leed niet; zij kon hem altijd verontschuldigen, honderd redenen vinden, waarom hij er niet tegen haar over sprak; het erge was, dat zij in haar omgeving, onder het volk, het vertrouwen in Eli weer verminderen zag, en in de verontwaardiging harer diepe liefde, die àlles van hem geloofde, alles van hem hoopte, wachtte zij met smartelijk ongeduld, dat hij zich verdedigen zou tegen al die stille beschuldigingen, bewijzen dat hij waarlijk zeker was.

Bij dit alles dacht zij veel minder om het volk dan om Eli; haar angst, dat de betaling niet zou geschieden, was om Eli, niet om het volk; en zij voelde elk woord van wantrouwen tegen Eli als een scherpe beleediging, waar zij niet twijfelen kon.

De lange Augustusavonden kwamen.

Hester en Eli zaten nu zelden meer bij de anderen; er was een onrust in Eli, die hem dreef alleen te zijn met Hester: dan wandelden zij samen den stillen, donkeren weg, als in den eersten tijd van hun liefde.

Ze liepen tot het kleine dennenbosch en gingen daar zitten.

Dit was van een groote, nooit te vergeten bekoring; onder de zoele donkere lucht lag de hei verstorven en alom was de stille eenzaamheid.

En altijd, hier alleen met Hester, viel van Eli af de beklemming, de gejaagdheid die des daags hem overheerschte.

Dan sprak hij tot haar van hun toekomst, van het werk—vertelde haar hoe alles ging—hoe het vorderde...

Dan vergat hij, dat hij het misschien nooit zou voleinden.

„Als we eenmaal samen oud zijn, lieveling, en we kunnen dàn zeggen: dàt is ons werk—dat hebben wij gedaan—Hester!”

Hij klemde haar in zijn armen en kuste haar in een gevoel van teedere dankbaarheid—en zei haar zóó, hoe groot haar aandeel zou zijn in dien levensarbeid.

Dan weer zwegen zij een lange poos—wijd om hen was de melancholieke vrede van het duistere avond-land.

Er was geen geluid, geen schaduw, geen kleur.

Een enkelen keer brak een dor takje.

Daar was alleen de wind—zóó zacht, dat zij hem niet voelden.

Maar boven hun hoofd gleed hij door de kruinen der pijnen—en suisde zijn eeuwig lied.

Zij hoorden het nauwelijks, zij wisten van geen wereld of menschen...

Soms luisterden beiden op. In al die stilte dreunde van verre de dorpsklok de uren tot hen door; en zij luisterden, vreemd geheimzinnig aangegrepen, naar dien verren toon—die waarschuwde den tijd—den tijd—die verging...

Deze avonden waren van een grooten, zaligen vrede; ze waren later een herinnering van innigheid en geluk, temidden van dezen tijd vol zorg.

Soms ook gingen ze niet zitten, liepen door naar de hut van Adam Feke.

Zij deden zoo op een avond dat een vrij hevige wind na zonsondergang kwam opzetten, en plotseling deed denken aan herfst, aan kou...

Eli duwde de deur van de hut open, en Wolf, Adams groote hond sprong blaffend naar buiten, met zijn forsche voorpooten op Eli’s schouders en likte zijn gezicht.

Maar binnen voor het gedoofde vuur zat Adam—en bleef zitten en zag niet op.

Een oogenblik stonden Hester en Eli stil, half bevreesd.

Toen loeide plotseling een hevigen windvlaag aan over de vlakte, dat de deur ratelend wijd opensloeg.

Adam zag op; zijn oogen zagen scherp uit over hen heen, zijn lichaam boog als luisterend naar één kant.

„Hoor...” zei hij.

Maar er was niets.

Na een poos zag hij op, zag hen.

„Hé Adam!” riep Eli, met een poging tot scherts.

„Jullie...?” zei Adam langzaam en hij zag Eli en Hester aan als een pas ontwaakte.

„Er kwam iemand...” begon hij vaag.

„Dat waren wij, Adam! Je hebt geslapen, houd je maar niet groot!”

Hij knikte rustig, niet op hun woorden lettend.

„Als je oud bent—dan droom je soms—het kwam van den wind—die kan wonderlijke dingen zeggen, vooral ’s nachts. Jullie zijn jòng—hoóren den wind niet, begrijpen niet... ik hóór hem ...”

Hij sprak alsof hij alleen was—tòch hen aanziende.

„Ik droomde—ik hoorde den wind en ik zag alles van vroeger, van Geert—van ... ja àlles...”

De smart trok over zijn gelaat, hij maakte een vage handbeweging.

Eli zat stil, hij wist Adams geschiedenis. Adam had hem die eens zelf verteld.

„Toen zag ik mijzelf en Geert—ik zag hem komen—ik hoorde zijn stap—dien ken ik—en hij stond in de deur—en zag me aan—en zei woorden—die ik niet begreep; ik joeg hem niet weg, zooals ik altijd gedacht had dat ik zou doen... en hij lag hier en sliep op mijn bed,—maar de woorden, die hij zei, die verstond ik niet...”

„Adam—is Geert niet al lang dood?” vroeg Eli zacht.

Adam schudde het hoofd.

„Dat zeiden ze—het is niet waar,—ik weet nu dat hij ééns komen zal.”

Hij zweeg weer.

Eli en Hester zaten stil, vreemd-beklemd in die halfdonkere hut.

„Ik wou je iets zeggen, Adam,” begon Eli plotseling.—„Jozef Laret is weggegaan—ze zeggen voor goed—en Bas Vorst werkt nu in zijn plaats;—als ik hem voor goed kwijt was, zou het volk beter te leiden zijn.”

Adams oogen flikkerden scherp op; hij was terug in het dagelijksch leven.

„Is hij weg? Maar je bent hem niet kwijt...”

„Jawel—hij hindert me niet meer in ’t werk...”

„Hij is je vijand...” zei Adam met dezelfde scherpe oogflikkering—„hij laat niet af van je, al is hij uit je oogen.”

„Wat kan hij doen—wat zou hij me kunnen doen voor werkelijk kwaad!”

„Hij kan je honderd dingen doen die je niet voorziet—hij is een vijand die niet loslaat.”

Eli haalde zijn schouders op—en begon verder te vertellen van het werk.

Hester was heel stil. Adam luisterde; een enkele maal zag hij lang Hester aan, zag haar bezorgd, bleek, naar Eli gekeerd gelaat.

Eindelijk stonden zij op om heen te gaan.

Adam bleef aan de deur en zag hen na—waar zij gingen,—twee lange gestalten, de armen om elkaar geslagen, kampend tegen den nu hevigen wind.

„Zij heeft kracht,” mompelde hij halfluid,—„wàt ’n kràcht van liefde.”

Hij zag op in de donkere lucht; om hem was de groote donkere verlatenheid van de hei.

Maar hij kende die eenzaamheid—hij verstond haar.

De hond likte zijn handen en jankte zachtjes.

Toen ging hij terug in zijn hut.

Ik heb geleefd, de dagen en nachten door—met dat ééne—

Mijn Haat.

Ik heb gewacht de jaren en jaren—op dat ééne—

Mijn Wraak.

Ik heb gewacht en gehoopt.—Niet als een angstige moeder met bevend verlangen wacht op haar kind.

Niet als de jonge man met vreugd-kloppend hart wacht op zijn liefste...

Ik heb gewacht als een hongerige—gehongerd, gesmacht heb ik naar de ure, dat ik weten zou:

Hoe hij geboet heeft voor zijn misdaad aan mij, zijn broeder.

Dat ik weten zou, hoe mijn vloek zich vervulde aan hem:

„Hij zal niet rusten, eer hij zijn schuld aan mij zal hebben betaald.”

Ik zal niet stérven kunnen, eer ik wéét, dat het zich heeft vervuld.

Ik—wacht op een teeken...

Er zijn zoovele jaren gegaan,—ik ben oud.

De lange zomeravonden vlamde de hemel bij ondergaande zon; als dan langzaam de gloed bleekte—en de sterren kwamen in stillen, ernstigen avond,—heb ik lang gezeten en dat alles aangezien, en ’t is geweest, of ook mijn vlammende haat is ondergegaan.

Ik heb de donkere nachten vaak wakker gelegen—en hoorde den wind, die fluisterde en suiselde langs het venster—en ’t is geweest, of hij iets gestild heeft in mijn onrustig hart.

De lange winterdagen heeft de witte sneeuw het land bedekt heinde en ver.

En ’t is geweest of zij met haar kouden, blanken vrede iets koelde van mijn brandenden haat.

Heden is ’t gebeurd—het teeken, maar het is anders dan ik eens had gedacht.

Hij is gekomen in mijn droom—en zei woorden, die ik niet verstond—en ik liet hem binnen.

Er was niets in mij dan vrede.

Zijn oogen heb ik gezien, lang en ernstig in de mijne starend—en toen haatte ik niet meer.

Er was iets anders in dan vroeger—iets dat mij pijn deed...

Heeft ook hij moeten wachten? Waarom verstond ik de woorden niet?

Ik zag zijn lippen bewegen—en hoorde de klanken—en verstònd hem niet.

Zal ik het ééns kunnen verstaan? Heb ik nog niet lang genoeg geleefd?

Mijn God, is ’t dàt?

Moet zóó het begrijpen in mij komen?

En de vrede...?

X.

Over de hei trilde de lucht van hitte.

Het waren nog de echte Augustusdagen, als elken morgen de zon feller stak, de lucht droger en heeter scheen.

De mannen werkten.

Met gebogen rug, en afgemat lichaam, met bleek-bezweete gezichten en doffe, bloeddoorloopen oogen, onder de kwelling van die moordende zon zonder eenige beschutting.

En ze werkten zwijgend, loom, met een wrokkenden wrevel tegen dengeen, die hen dreef.

Want zij waren als kinderen, naïef aangetrokken door alles wat nieuw was, onmiddellijk teleurgesteld, ontmoedigd, vertoornd, als het niet aan hun verwachtingen voldeed. In de eeuwen was dit volk ontwend aan de werkelijkheid, ongeschikt voor plotseling zwaren arbeid; en zij verlangden terug met hevig verlangen, als naar iets goeds dat zij verlaten hadden, naar den tijd toen zij leefden zonder dezen arbeid.

Daar waren in hun herinnering de dagen, dat zij heentrokken, gezamenlijk in troepjes, naar Brogs, en verder, om te maaien; de lange blijde wegen, die zij te zamen gingen, vroolijk zingend en schertsend...

De dagen als zij terugkeerden, met vreugd verwelkomd door vrouwen en kinderen—als er feest was en overvloed van geld.

En er was geen zorg, geen wrevel tegen den dag die komen zou.

En dagen dan thuis, verdroomend in ledigheid meest, maar die waren geluk—stil, klein-rustig geluk met vrouwen en kinderen, elkaar vertellend van alles wat hun was gebeurd daarginds; loomprettig luisterend naar de verhalen der ouden, de oude sagen en legenden, die ze al van buiten kenden, maar toch altijd weer aanhoorden, als kinderen onder dezelfde bekoring...

Maar dat alles wàs nu niet meer—iets liefs, het oude leven was hun ontstolen—zij verlangden niet meer vooruit te komen...

Eli zag het.

Hijzelf leed onder die hitte, die zijn zenuwen afmatte, maar met een starre volharding, een ijzeren zelfdwang arbeidde hij voort met hen; want hij wist dat dit het eenige was, wat hen nog gehoorzamen deed, de eerbied voor zijn arbeidskracht, die niet verflauwde in hitte of kou.