H. van Brakel, Ing. B.O.W.

Part 9

Chapter 94,198 wordsPublic domain

Van Brakel in doodsangst, dat zijn vrouw het zou hooren, trachtte Geerling te kalmeeren, wat hem eerst met moeite en al zoete broodjes bakkend gelukte. Maar inwendig was hij woedend. Zoo’n aap, zoo’n uitgemergelde kwajongen, dien hij kon maken en breken, stond daar tegen hem op te spelen en aan te gaan! O, als hij niet bang was geweest voor Lucie, hij zou dat kereltje mores hebben geleerd.

Nog opgewonden ging Geerling naar zijn kamer, waar het weder emballeeren zijner talrijke bibelots hem ruimschoots gelegenheid gaf te bedaren. Toen hij klaar was, nam hij een bad, kleedde zich keurig netjes en ging naar binnen, waar Lucie met haar naaister linnengoed zat te herstellen.

„Ik wenschte u wel even alleen te spreken, mevrouw,” zei hij bedaard en beleefd.

Zij zond de meid weg.

„U hebt me gisteravond aangezegd, dat ik zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen moest zoeken, en u ziet dat ik aan uw verlangen dadelijk heb voldaan.”

„Dat is maar goed ook,” zei ze snibbig. „Hoe eer hoe beter.”

„Ik begrijp wat de reden is van de beleedigende manier, waarop mij door u de deur wordt gewezen.”

„Ja, dàt geloof ik wel.”

„En ik ben alleen hier gekomen om u te zeggen, dat uw man reeds lang bij mevrouw Du Roy aan huis kwam, voordat ik het wist, en dat ik hem meermalen heb aangeraden, zijn omgang met die vrouw te staken en er niet meer aan huis te komen.”

Zij stond op en glimlachte met minachting.

„Juist, ik begrijp dat. ’t Was anders niet noodig mij met zulke leugenachtige praatjes lastig te vallen. Ik ben te goed op de hoogte.”

„Mevrouw Van Brakel, ik geef u mijn woord van eer....”

„Ik dank u, meneer Geerling; ik heb uw verzekeringen of eerewoorden niet noodig; ik weet er alles van. Als u mij niets meer te zeggen hebt, dan groet ik u, en ik hoop u nimmer weer te ontmoeten.”

Zij was in zulk een opgewonden toestand geraakt, dat het onmogelijk scheen haar tot een andere opinie te brengen.

Hij haalde de schouders op, maakte even een buiging en ging heen.

Het werden moeilijke dagen om te doorleven.

Lucie zag er slecht uit, al hield ze zich goed. Zij trachtte haar leed te verzetten met werken en veel drukte en beweging te maken in huis. Het gelukte haar een beetje. Maar somtijds viel ze op een stoel neer in haar kamer en keek er versuft rond. Dan scheen het haar, alsof het een droom was; alsof het niet mogelijk was, dat haar vreedzaam en rustig huiselijk geluk in zulk een peilloos ravijn te pletter was gevallen.

Van Brakel zag ze haast niet. Als ze geld moest hebben, liet ze ’t hem vragen, en dan gaf hij het. Ze ontving het met een rilling van afgrijzen. Wie weet hoe hij aan dat geld kwam! O, als zij geen kinderen had gehad! Hij vermeed haar. ’s Morgens heel vroeg ontbeet hij, en dan zorgde zij, dat alles klaar stond, maar zelve verscheen ze niet in de achtergalerij; daar kwam ze eerst, als zij de bendy hoorde wegrijden; ’s middags rijsttafelde zij met de kinderen zeer vroeg, en hij kwam eerst tegen twee uren uit de sociëteit met een soms veel te zware lading bitter in de maag; hij dronk zijn thee in de logeerkamer en zij achter. In den vooravond ging hij uit en alleen ’s avonds te acht uren ontmoetten ze elkaar aan tafel.

Zij zag hem niet aan, en als hij een enkele maal trachtte een woord in het midden te brengen, gaf zij geen antwoord; zoo bemerkte ze ook niet, dat hij er hoe langer hoe gemeener begon uit te zien, dat zijn gezicht meer opgeblazen was dan anders en zijn oogen steeds rooder en gezwollener waren, door het dagelijksch misbruik van spiritualiën, dat al ’s morgens begon en meestal eerst des nachts eindigde. Hij bespeurde wel, dat ze vermagerde en bleeker was dan ooit. En dat deed hem zielsleed, zóó dat hij meermalen zijn uiterste best moest doen om niet te schreien. Hij was zichzelven niet meer, dan alleen bij het spel. Een „fijntje” om een gulden het fiche met een oploopenden pot of een poeterpartijtje, dan wel een partij biljart om een ringit de carambole—dàt was met een brendy-soda, nog het eenige, dat hem kon ontrukken aan den invloed van het beroerde leven, en daarom zocht hij er meer dan ooit zijn troost bij.

Of daar iets kwaads in stak? Het idee kwam zelfs niet bij hem op. Integendeel, hij vond het onder alle omstandigheden bijna het eenige, wat een mensch had.

Lucie had een briefje gekregen van mevrouw Willert. „Het” was in orde; de overplaatsing was telegraphisch bericht geworden; zij moest maar dadelijk haar voorbereidende maatregelen nemen. Nu het zoover was, zag ze er toch tegen op, en terwijl ze met den brief in de hand voor zich uitstaarde, drong al de soesah en de moeilijkheid dier verre overplaatsing naar een standplaats in het binnenland, zich aan haar geest op; ze had daar eigenlijk geen lust in; een gevoel van moedeloosheid en melancholie overviel haar, en zuchtend keek ze droomerig naar de haar omringende omgeving; die was niet opwekkend; de ondergaande zon was achter een dikke laag loodgrijze wolken gezonken, die rustig aan den horizon lag en waartegen de kampong aan de overzijde van den weg grauw en prozaïsch zijn breedgebladerde pisangboomen afteekende; maar uit den dikken wolkenrand schoot een breede roode lichtstroom, die in het zenith tot het teederste rose vervloeide, en waarvan de weerschijn in het zuiden en noorden vreemde lauwe kleuren tooverde, purper en violetachtig; de smalle sikkel der opkomende maan kwam in die kleurenvermenging uit met een ziekelijk bleekgroen tintje. En dit melancholische namiddagtafereel, snel wisselend met afnemende lichtsterkte, werkte niet mede om de arme Lucie de toekomst met meer hoop en opgewektheid te gemoet te doen zien.

Met een diepen zucht trachtte zij die neerslachtigheid af te schudden. Komaan, het moest; het was ’t beste. En toen ze zich dat eenmaal goed in het hoofd had geprent, zette zij haar bedienden aan het werk, en liet de kisten en koffers voor den dag halen, die met stof en spinrag overdekt in de bijgebouwen in een rommelkamer stonden.

Het viel Van Brakel op, dien avond, dat er leege kisten stonden bij de achtergalerij. Wat zou er nog meer gebeuren? Zou zij heengaan en hem in den steek laten? Maar dàt zou hij in geen geval toestaan. Doch wat zou hij vragen?

Onder het eten verwonderde het haar zeer, dat hij niets zei; ze verkeerde in de vaste vooronderstelling, dat zijn overplaatsing hem bekend was, en haar verbazing steeg ten top, toen hij haperend vroeg:

„Moet er iets gebeuren met die koffers?”

„Ja, ze zijn schoongemaakt.”

„Anders niet?”

„Voor het moment niet.”

Het was niet de manier om verder te komen, maar hij durfde niet meer vragen, want de antwoorden klonken allesbehalve aanmoedigend. En wat zou hij ook zeggen? Hoe moest hij tot een nadere verklaring komen? Hoe anders dan door zich tot het diepste te vernederen, en zonder in staat te zijn beterschap te belooven. Het kon tot niets leiden. Hij zou tot alles in staat zijn geweest; op zijn knieën had hij haar willen smeeken, weer voor hem te zijn, wat ze altijd voor hem was geweest; hij had haar bij al wat hem dierbaar was kunnen bezweren, dat hij nooit een andere vrouw had liefgehad dan haar; dat zij nog de eenige was en dat altijd zou blijven.

Wat zou het baten?

Het zou alleen teweegbrengen, dat hij haar opnieuw beloog en bedroog, want hij kon immers van mevrouw Du Roy niet af!

Van Brakel was onrustig en zenuwachtig; hij vertrouwde de aanwezigheid niet dier leege koffers. Den volgenden morgen stond hij ze al vroeg te bekijken; de deksels stonden open, en de witte voering, met breede blauwe strepen, die er zoo fonkelnieuw uitzag, en de nog zoo zindelijke, haast ongebruikte riemen en grijze banden met roode streepjes, zagen er reislustig en vroolijk uit. Ze brachten hem den tijd in herinnering, toen hij met zijn jonge vrouw van Batavia kwam. Welke heerlijke dagen! Toen homberde hij nog niet elken avond in de sociëteit; dat was later gekomen. Toen speelde hij nog enkel maar met Lucie.

Den geheelen dag waren hem die koffers niet uit de gedachte, en ’t werd er niet beter op, toen hij, ’s middags thuis komende, zag dat er twee gesloten waren. Hij voelde er aan en tilde er een op aan den eenen kant; de koffer was zwaar gepakt. De bediende zei, dat mevrouw er witte barang in had gedaan; goed dus van het huishouden. Het duurde langer dan gewoonlijk dien dag vóór hij in zijn kamer zijn dutje kon pakken. Eerst tegen vier uren sliep hij in en wel zoo, dat het reeds donker was toen hij ontwaakte. Haastig baadde en kleedde hij zich; het was toch reeds te laat om nog te wandelen. Daarom liet hij maar licht maken in de voorgalerij, en nam de courant, welke hij het eerst opensloeg om even de telegrammen in te zien.

„Overgeplaatst: Van Brakel, ingenieur bij de Burgerlijke Openbare Werken....”

Hij keek als geloofde hij zijn eigen oogen niet, en las en herlas het bericht; hij ijlde met de courant naar achter.

„Wil je dat eens even zien?”

Zij nam het blad papier, sloeg er een blik op, maakte een onverschillige beweging met hoofd en schouders, en lei het neer, zonder een woord te spreken. Maar Van Brakel barstte los. Hij had in den laatsten tijd zoowat onder ieders plak gezeten en zich in alle opzichten moeten ontzien; hij vreesde zijn vrouw, hij vreesde mevrouw Du Roy, hij vreesde Willert en Geerling,—en dat alles zat hem vreeselijk dwars in de maag; maar zóó zijn eigen overplaatsing in een courant te lezen, zonder dat hij er iets hoegenaamd van wist, dàt was te erg. Als ambtenaar had hij in geen geval zulk een bejegening verdiend; integendeel, hij had altijd zijn plicht gedaan, en nooit was er eenige aanmerking op zijn dienst te maken geweest. En dan zóó behandeld te worden! Hij vloekte en tierde als een bezetene. Alles wat hij had moeten verkroppen, gaf zich op een geweldige wijze lucht.

Hij had nog in stilte gehoopt, dat ze hem met een enkel woord zou gelijk geven; dat ze evenals vroeger zou toegeven, dat hij een miskend man was; maar het gebeurde niet, en toen zij bleef zwijgen, liep hij kwaad weg, zeggende dat hij niet bleef eten, dat hij wel ergens anders eten zou. Nu had hij geen rust; hij moest naar mevrouw Du Roy; die zou ten minste zijn verontwaardiging wel deelen. Het was te bar van Lucie, vond hij, in het overstelpend gevoel van het ongelijk hem aangedaan; nu, ze moest het dan ook maar zelf weten. En snel voortgaande, bij zichzelven toornige woorden mompelend tegen zijn hoofdingenieur, dien gemeenen vent, stond hij plotseling stil. Die koffers, voor den dag gehaald, schoongemaakt en reeds gedeeltelijk gepakt, maakten hem nu althans zooveel duidelijk, dat zij het had geweten; daarom was ze ook zoo volkomen onverschillig geweest, toen hij haar het bericht had laten lezen onder de telegrammen.

Hij stormde bij mevrouw Du Roy het huis binnen.

„Heb je het gezien?”

„Neen, wat dan?” vroeg ze schijnbaar zeer verbaasd.

„Hier,” zei hij, haar courant van de tafel nemend en met zijn vuist op de noodlottige plaats slaande, bijwijze van aanwijzing: „hier!”

Zij keek met Indische kalmte naar het bericht en toen naar zijn woedend gezicht.

„Dat hadt ge me wel wat eer kunnen zeggen.”

Hij ving opnieuw aan met zijn gemoed uit te storten in heftige bewoordingen; hij, hijzelf had het ’t eerst vernomen uit de courant.

„Och, kom!” zei ze sarcastisch.

„Je gelooft het niet! Dat kan ik me begrijpen; het is ook haast ongelooflijk, dat iemand van mijn positie zóó wordt behandeld als een kwajongen. En dat koopje heeft niemand anders me geleverd dan mijn vrouw: de koffers stonden al gepakt.”

„Ei, ei! En zou jij nu denken, mijnheer de ingenieur, dat je slim genoeg waart om mij te foppen? Het is waarachtig anders niet onaardig verzonnen! Heeft nu je vrouw het gedaan, die lieve, brave vrouw, over wie ik nooit iets mocht zeggen! Heeft dat die nette vrouw van je gedaan, die je met uitgerafelde boordjes en kapotte overhemden liet loopen? Och kom, is dat beste, goeie mensch zoo slecht geworden? En wou je mij dat mopje op de mouw spelden? Wel, Van Brakel, je bent toch niet zoo dom als je er uit ziet, hoor! Het tegendeel is waar, je bent nog veel dommer.”

„Ik geloof, dat je krankzinnig wordt!” riep hij woedend.

„Dat zou je wel willen, hè? Dan was je meteen op ’n gemakkelijke manier van me af. Neen man, ik ben niet gek. Ik heb al lang gezien, waar je op uit waart. En nu heeft je vrouw het gedaan, nietwaar? en jij wist volstrekt van niets! Wel het is niet kwaad verzonnen, maar als je mij wilt bedriegen, moet je vroeger opstaan; ik ben zoo’n domme gans niet als zekere mevrouw Van Brakel. Als je dat soms hebt voorondersteld, heb je het mis gehad.”

„Maar dat is geheel een mal à propos, dat.....”

„Dat.... dat.... weet je wat, meneer Van Brakel, dáár is mijn deur, en voor het oogenblik heb je niet anders te doen, dan te zorgen, dat je er zoo spoedig mogelijk uit komt.”

Het hielp Van Brakel niet of hij bij hoog of laag bezwoer, dat zij het mis had; zij wilde naar geen reden luisteren en hield met nijdigheid en smaad vol, dat het een gemeene streek van hem was.

„Maar je bent nog niet van mij af,” voer zij voort. „Dáár,” riep ze met uitgestrekten arm naar de openstaande deur harer kamer wijzend, „dáár liggen je schuldbekentenissen. Heb je geld om me te betalen, wat je me schuldig bent?”

Mistroostig haalde hij de schouders op.

„Neen, hè! Natuurlijk! Zoo’n kale rot! Kom, maak maar dat je weg komt. Tjies!”

Hij sprak geen woord meer en ging; hij was in zijn doen en laten te veel „meneer” geweest voor een mevrouw Du Roy, en dat was in liefde zoowel als in haat, iets dat ze altijd tegen hem had gehad. Hij stond haar reeds lang niet meer aan, en ze had deze gelegenheid met beide handen aangegrepen. Zij begreep heel goed, dat het waar was en dat de overplaatsing door zijn vrouw was bewerkt; maar de gelegenheid was te schoon om in onmin te raken, dan dat ze die ongebruikt kon laten voorbijgaan; zij kon nu handelend optreden om zooveel mogelijk haar geld en de rente binnen te krijgen. En ze was van hem af, wat ook dringend noodzakelijk was, daar ze in den laatsten tijd al een paar malen bezoek had gehad van een onderofficier, die haar veel beter aanstond; die een beetje ruw was in zijn praten en in zijn manieren, wat zij heerlijk vond; die haar grappen vertelde om te gillen van het lachen; die veel opgewekter was en die bovendien een verandering opleverde in het menu. En vooral naar dat laatste gevoelde zij steeds een onweerstaanbaar, ziekelijk verlangen.

Toen Van Brakel vertrokken was, kleedde zij zich snel en liep naar de woning harer zuster, waar ze alleen Ceciel aantrof.

„Ziezoo,” zei ze, „dat is uit.”

Het meisje zei niets, en vroeg niets.

„Die kerel verveelde me al lang. Foei, wat een naar sujet is dat.”

„Ik heb zijn overplaatsing gelezen.”

„Het komt net goed. Ik had er anders toch een einde aan gemaakt.”

„’t Zou beter zijn geweest er nooit mee te beginnen.”

„Zeg, zanik niet asjeblieft! Je weet heel goed dat je ook niet altijd....”

„Bent u hier gekomen om ruzie te maken?”

„Wel neen,” zei mevrouw Du Roy, die een beetje bang was voor den vinnigen toon en de pasklare antwoorden van haar nichtje. „Wel neen, dat weet je wel beter, Ciel. Maar als ik Van Brakel niet had gekend, hadt jij dien Geerling niet zoo netjes aan den haak kunnen slaan, zie je. Is dat waar of niet?”

„Laat het zijn.”

„Het is nu maar zaak te zien, dat ik mijn geld terugkrijg.”

„Ik geloof niet dat daarvan veel zal terecht komen.”

„Dat denk je maar.”

„Nu, wat wilt u doen?”

„Vooreerst begin ik met beslag te doen leggen op het vendu-accept.”

„En dan?”

„Daarna leg ik beslag op zijn traktement.”

„Doet u dat allemaal zelf?”

„Neen, daar bemoeit zich mijn advocaat mee. Ik heb er geen omkijken naar.”

„Zoo.”

„En ik ga er dadelijk werk van maken. Anders visch ik nog achter het net. Adieu!”

Ceciel liet het handwerkje rusten, waaraan zij bezig was, en dacht na; zij dacht over dat beslag leggen op het vendu-accept. En de menschen moesten een verre reis doen en in een vreemde plaats zich opnieuw inrichten met hun huisgezin. Voor Van Brakel kwam het er niet op aan; dien man mocht ze niet, maar het was toch erg, vond ze, voor de arme vrouw; zij had Lucie slechts enkele malen gezien, maar ze voelde sympathie voor haar. Zou er niets aan te doen zijn?

Zij zou het eens aan Geerling vragen.

Een tien minuten later kreeg deze een kort briefje:

„Beste Jules! Kan je niet even bij ons komen? Ik wou je graag spreken.

Je Ciel.”

Hij was er in een wip, en zij vertelde hem de plannen, die mevrouw Du Roy smeedde tegen de Van Brakels. Vrij kalm hoorde hij het aan.

„Ik heb het wel gedacht. Als je in zulke handen valt...”

„Maar is er niets tegen te doen?”

„Heel moeilijk.”

„Weet je niemand, die bijvoorbeeld hun goed ondershands zou willen koopen?”

Hij lachte om het naïeve idee.

„Neen, hoe zou ik dat weten? Maar.... zou je zoo heel graag willen, dat haar plan met dat accept mislukte?”

Zij knikte toestemmend.

„Welnu, laat het dan maar aan mij over; dan zal het gebeuren, al zou ik ’t zelf opkoopen.”

Ceciel deed wat ze anders nooit deed: ze sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem, dat hij schitterde van vreugde. Nu zou hij in staat zijn geweest zich voor haar te ruïneeren.

„Ik zal er dadelijk werk van maken, weet je,” zei hij heengaande. „Ik heb wel kasian met mevrouw Van Brakel al heeft ze me heel onaangenaam en onrechtvaardig bejegend.”

Onder de bekoring der mooie oogen van Ceciel had Geerling iets beloofd, dat hem zeer moeilijk viel na te komen. Op ’t kantoor zat hij den volgenden dag er over te denken. Hij zou het doen, dat stond vast, maar hoe? Hij was wel geen koopman in zijn hart, maar hij had toch eenig verstand van zaken, en daarom zag hij ook wel in hoe de opkoop het voordeeligst kon geschieden. Aan de kas durfde hij het geld niet vragen. Er was met de laatste mail een brief gekomen van zijn vader, waarin pertinent geweigerd werd toestemming te geven tot het huwelijk; waarschijnlijk stonden daar nog andere instructiën ook in, want men had hem vrij duidelijk te kennen gegeven, dat hij wat goedkooper moest leven. Een weigerend antwoord wilde hij niet ontvangen, en dus zou hij aan die deur niet kloppen.

Een akelig kantoor toch! Vuil en vies! Aan den eenen kant die smerige monstertafel met een rooden lap bedekt alsof het een stuk van een kermiskraam was, en aan de andere zijde de stopfleschjes met koffie met etiquetten er op; voor de rest een half vergaan schutsel, oude lessenaars en stoelen, alles verwaarloosd en krukkig. Wat deed hij toch in zoo’n hok? Waarom dwarsboomde hem zijn vader? Hadden ze allen geen geld genoeg? En dat was niet zoo maar een idee,—maar ’t was hoogst reëel. Afgescheiden van de zaak, hadden de Geerlings een groot persoonlijk vermogen.

Hij nam zijn hoed en ging naar het kantoor van den Waterstaat. Dat was daar heel anders: alles was even keurig en net en goed onderhouden; de muren waren verblindend wit, op de zoldering en de deuren glinsterde de grijze verf alsof ze er zoo pas was opgesmeerd; tafels, lessenaars en stoelen blonken den binnentredende tegen van het politoer. En te midden van dat kantoor troonde Van Brakel, die heel verwonderd was over het bezoek.

Geerling keek eens rond, en toen hij zag dat er niemand anders was, zei hij tegen Van Brakel, net alsof er niets tusschen hen was voorgevallen:

„Zeg, ik kom je kwaad nieuws brengen.”

„Ik zou wel eens willen weten,” antwoordde Van Brakel diep neerslachtig, „wie mij goed nieuws brengen zou.”

„Ze wil beslag leggen op de opbrengst van je vendutie.”

„’t Kan me niet....” begon Van Brakel in arren moede te roepen, maar hij bedacht zich. Het was, integendeel, verschrikkelijk, want hij had dat geld dringend noodig.

Hij zuchtte luid.

„Wil ik je wat zeggen, Geerling? Ik wou dat ik dood was!”

„Ja, dat is nog zoo kwaad niet.”

Het viel Van Brakel niet mee. Metterdaad bleef hij heel graag leven, en hij vond zichzelven een noodig en nuttig lid der maatschappij; hij zei het zoo uit behoefte aan eenig medegevoel; maar dàt kwam faliekant uit.

„Ik weet waarachtig niet, wat ik doen moet.”

„Wel, daarover kom ik je juist spreken; je moet den boel ondershands verkoopen.”

„Aan wien?”

„Dat weet ik nog niet. Aan een commissionnair bij voorbeeld.”

„Maar dan krijg ik er niets voor.”

„Neen dat zal wel; ten minste niet veel. Er zit niets anders op.”

„Laat ik me er nog eens op bedenken.”

„Ga je gang. Als je wilt, zullen we samen er een zoeken.”

„Heel graag,” verzekerde Van Brakel, die wel deze plotselinge bereidwilligheid volstrekt niet begreep, maar er toch graag gebruik van maakte, omdat hij wist hoe weinig slag hijzelf had van dergelijke dingen.

Hij pikirde er over tot den volgenden dag, maar ’t hielp niet, en ten slotte gelukte het hem zijn inboedel door de hulp van Geerling te verkoopen aan een commissionnair, die er ruim de helft voor gaf van wat het vermoedelijk op vendutie zou hebben opgebracht, en die contant betaalde.

Daartoe waren ze thuis geweest; Lucie begreep wel, dat het ’t verkoopen van het goed betrof, maar meer ook niet en zoolang de drie mannen in huis waren, bleef zij onzichtbaar in de bijgebouwen.

„Ziezoo,” zei Geerling tevreden, „dat is afgedaan. Je bent eigenlijk nog zoo kwaad niet af. Het is zuivere winst, want moeder Du Roy betaal je toch haar duiten niet terug.”

„Natuurlijk doe ik dat wel.”

„Dan ben je ’n uil, mon cher.”

„Ik heb schuldbekentenissen geteekend.”

„Welnu? Je zegt maar, dat je de bedragen hebt voldaan par des services rendus. Adieu!”

Van Brakel slikte het; hij was reeds aan slikken gewoon; de moeilijkheden, waarin hij altijd zat, hadden de scherpe kantjes afgesleten; hij was niet gevoelig meer. En hij tastte met welbehagen naar het pakje bankbiljetten in zijn zak; dat was op zichzelf iets, waarin hij geluk vond. Als hij maar weer wat gereed geld in handen had, was hij een geheel ander mensch; dan scheen hem het leven veel lichter, al maakte datzelfde geld, zooals nu, het ook eigenlijk veel zwaarder.

„Wel?” vroeg Ceciel toen Geerling binnenkwam.

„Het is al in orde.”

„Dat is vlug! Heeft het je veel geld gekost?”

„Och,” zei hij aarzelend, „niet erg.”

„Toe, zeg eens, hoeveel wel?”

Geerling kon zich niet goed houden; hij trok zijn mond samen en barstte daarna in een schaterlach uit.

„Een kwartje voor een dos-à-dos.”

„Och!” zei ze ongeloovig.

Het was, vond ze, toen hij haar alles had verteld, heel verstandig van hem, en zij bewonderde zijn slimheid. Maar in haar hart was ze wel een beetje teleurgesteld.

Doch deze teleurstelling zou weldra vergeten zijn, uitgewischt door grooter gebeurtenissen, waarbij zijzelve voor eenigen tijd door iedereen besproken werd.

Juist op den dag van het vertrek der Van Brakels werd Geerling op ’t kantoor aangezegd, dat hij op last zijns vaders onverwijld naar Nederland moest terugkeeren.

Toen hij het Ceciel kwam vertellen, werd zij zoo wit als haar kleedje, wat hij vol vreugde opmerkte en uitlegde als een bewijs van liefde voor zijn persoon. Zij was er werkelijk hevig door verschrikt, want zij zag haar ideaal om een fatsoenlijk huwelijk te doen, in het niet zinken. Als hij in Holland was, zou het wezen: uit het oog uit het hart, en, bewerkt door zijn familie, zou hij haar spoedig vergeten voor andere meisjes in Holland.

„Dus ga je heen?” zei ze droevig.

„Neen, dat doe ik niet, Ceciel; dat weet je wel!”

„Maar je papa verlangt het immers?”

„O ja, papa verlangt het niet alleen, hij gelast het. Papa ziet in zijn zoons niet anders dan ondergeschikte beambten, die men maar te bevelen heeft; die op zijn aanwijzingen leven, trouwen, komen en gaan. Ik bedank er voor. Nog ’n goed halfjaar en ik ben meerderjarig. Dien korten tijd laat ik me niet op zulk een manier behandelen.”

„Je moet niet weerspannig zijn om mij, Jules; ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat je ongenoegen zoudt hebben met je familie om mijnentwil.”

„Lieve Ceciel, maak je daarvan geen gewetenszaak.”

„Dat moet ik wel doen. Wat zullen je ouders van ons denken!”

„Het kan me niet schelen.”

„Alle schuld zal op mij worden geworpen.”

„Ceciel, wil je me weg hebben?”