H. van Brakel, Ing. B.O.W.

Part 10

Chapter 103,968 wordsPublic domain

Zij wendde het hoofd af en scheen met haar zakdoek een traan weg te vegen. Hij nam een harer mooie handen en kuste die.

„Ik ga niet weg. Eenmaal heb ik het gezegd, en ik blijf er bij. Laat mij maar begaan, Ceciel. Over een klein jaar zijn wij getrouwd, en dan komt naderhand alles vanzelf terecht.”

„Maar als je vader nu wil dat je terugkomt?”

„Dan wil ik niet.”

„Ja maar....”

„Laat mij stil begaan. Het is enkel ’n quaestie van eenig duur geld. Ze zullen me willen dwingen met de dubbeltjes. Ik moet eerst zien, dat ik genoeg bijeenkrijg om tot mijn verjaardag te leven; daarna zeg ik, dat ik er den brui van geef terug te gaan.”

Geerling had het oog op een Chinees; Ceciel dacht aan haar tante Du Roy, maar zij wilde dien naam niet noemen. Toch zei ze:

„Laat dàt de moeilijkheid niet wezen. Als het daarom te doen was....”

„Ei, ei! Zou jij me dan kunnen helpen?” vroeg hij aangenaam verrast door het denkbeeld, dat zij toch ook „iets” had.

„Misschien,” antwoordde ze met een slim glimlachje.

Doch hij zou die hulp niet hebben aangenomen, en hij kreeg ook spoediger het geld dan hij had gedacht; zijn naam was goed, en ’t was zoo bekend dat hij een rijk erfzoontje was!

Op ’t kantoor ging het minder gemakkelijk toe.

„Apropos,” zei hij tegen den chef, zijn bloedverwant: „je hebt me gisteren verteld, dat papa mij zoo spoedig mogelijk naar Holland terug wil hebben.”

„Ja, ik ben al bezig passage te bespreken.”

„Doe dat niet; het is noodelooze moeite.”

„Hè?”

„Ik ga niet.”

„Je moet!”

„Ik ga niet, zeg ik.”

„En ik zeg, dat je moet. Het is de uitdrukkelijke wil van den ouden heer, en daarom moet je gaan!”

Maar Jules Geerling schudde het hoofd.

„De uitdrukkelijke wil van den jongen heer is, dat hij hier blijft en dat doet hij ook.”

De ander zat een oogenblik verstomd; hij kon zich nauwelijks in het geval denken; de wil van „den ouden heer” gold daar altijd voor wet op ’t kantoor. Niemand dacht er ooit aan om als „de oude heer” iets gelastte, dat niet te doen. Niettemin gebeurde dat nu, en het teekende op het gezicht van den chef verbazing, ergernis, medelijden,—alles te gelijk.

„Hoor eens, ik geef je nog heden den tijd om na te denken. Morgenochtend telegrapheer ik naar Holland.”

„Ik zou maar dadelijk telegrapheeren; tijd tot nadenken heb ik wezenlijk niet noodig.”

„Maar hoe is het in Godsnaam mogelijk, dat je zoo roekeloos kunt zijn?”

„Ik ben dat volstrekt niet. Alleen laat ik me niet langer behandelen als een kleine jongen, waarmede men doet, wat men wil.”

„Nonsens,” zei de ander, die zich boos begon te maken: „het is alleen om die meid.”

Jules ging vlak voor hem staan en keek hem in de oogen, haast neus tegen neus.

„Welke meid?” schreeuwde hij met opgeheven vuist.

Doodsbleek ging de chef zitten. Hij kon toch, meende hij, ten overstaan van het personeel moeilijk met den opgewonden kwajongen een robbertje gaan kloppen.

„Het is goed,” zei hij koel en uit de hoogte. „Je kunt nu wel naar huis gaan; ik weet wat me te doen staat.”

„Ik ook, en ik wil je groeten,” antwoordde Geerling brutaal, terwijl hij zijn hoed nam en ’t kantoor verliet.

Den volgenden morgen verscheen hij niet, en hij zond ook geen boodschap; de dag ging voorbij en de daaropvolgende ook; de oude heer had in antwoord op het telegram geseind dat Jules moest komen; blijkbaar kon hijzelf zich ook van een besliste weigering geen denkbeeld vormen; dàt was zoo iets ongehoords!

Een beetje ongerust over dat stilzwijgend wegblijven, zond de chef van ’t kantoor een bediende naar het logement; deze kwam terug met de boodschap, dat meneer Geerling reeds een paar dagen te voren was vertrokken, zonder eenig adres achter te laten. Hierover nog meer verontrust, werd onderzocht in alle logementen en commensalenhuizen, doch tevergeefs: niemand wist waar Geerling was; niemand had hem gezien.

Daar waren de poppen aan het dansen! In minder dan geen tijd wist heel de stad, dat de jonge Geerling spoorloos was verdwenen.

En de geheele geschiedenis kwam over de tong; hier zus, dáár zoo, maar altijd meer in het nadeel der betrokkenen dan de werkelijkheid was.

De woede van den chef van Geerling’s kantoor keerde zich geheel tegen „die meid”, en hij hield zich overtuigd dat de weerspannige zich bij haar in huis ophield. In een booze bui ging hij naar haar huis, stormde binnen en zag niemand, dan een baboe, die op den grond zat te naaien; het was juist de tijd, waarop de familie rijsttafelde. Hij kreeg een goed idee en gaf de meid een wenk.

„Toean Geerling ada di sini, ja?”

„Tida, toean,” zei ze, „tida ada.”

Nu ja, dacht hij, dat lesje was haar voorgezegd, en korte metten makend, nam hij uit zijn portemonnaie een bankbiljet, dat hij haar voor hield.

„Brapa itoe?”

De knappe, jonge baboe glimlachte en keek hem vriendelijk aan; zij dacht aan iets anders, en zei gemaakt verlegen, haar heupen en schouders heen en weer bewegend en haar hoofd neigend, op een zangerig toontje:

„Barangkali, sepoeloe roepia, toean.”

Maar toen ze hoorde, wat meneer wenschte, was het uit. Ze moest zeggen dat die jongeheer, die zoo perliep was op de nonna, daar aan huis was, en hij was er niet, zoodat er ook geen de minste kans was om de tien gulden te verdienen. Niet minder teleurgesteld stak de bezoeker het geld weer bij zich, toen de portière, dicht gedaan om de warmte buiten te houden, ter zijde werd geschoven en Ceciel, die binnenkwam, verbaasd bleef staan; ze wist wie die bezoeker was, en wat hij kwam doen, begreep ze.

Hij stond verbluft; hij had „die meid” nog nooit gezien; nu hij haar zag, maakte ze dien diepen indruk op hem, welken de onverwachte verschijning van een wezenlijk mooie jonge vrouw altijd maakt op een man; een indruk, die hem dadelijk stemt tot zekere hoffelijkheid, door de instinctmatige neiging van het eene individu om zich tegenover een ander fraai exemplaar van zijn gunstigste zijde te doen zien.

„Wien heb ik het genoegen....?” vroeg ze kalm en duidelijk.

Hij stelde zich voor, zij bood hem een stoel en vroeg, wat de reden was van zijn bezoek. Hij vond, dat het moeilijk was te vragen of Geerling ook dáár aan huis was; hij, altijd druk met zijn zaken, had Ceciel vroeger nooit gezien, maar hij vond haar zeer ladylike in houding en manieren; hij had verwacht zoo’n eenvoudig nonnaatje te zullen zien, dat niet uit haar Hollandsch kon komen en niet zou weten wat te zeggen; niettemin moest hij den knoop doorhakken.

„Zie eens, juffrouw,” ving hij aan op den toon van iemand, die zijn besluit heeft genomen en het vasthoudt met beide handen, „u kent sedert eenigen tijd den jongen Geerling, nietwaar? Hij wil u trouwen en de oudelui zijn daartegen.”

Zij knikte toestemmend, heel langzaam.

„Ik weet het; ik zal u verdere moeite besparen; hij is bij zijn verlangen gebleven, heeft geweigerd naar Europa te gaan en is nu zoek.”

„Juist. Doe u mij nu genoegen, en zeg me waar hij is.”

„Waarom zou ik u een genoegen doen?”

Hij bleef het antwoord een oogenblik schuldig; het was waar, waarom zou zij dat doen?

„Ter wille van zijn ouders dan.”

Zij glimlachte.

„Ik zal u iets zeggen,” antwoordde ze zeer bedaard, maar met een nadruk, die hem verstomd deed staan. „Toen Jules’ ouders hun toestemming tot ons huwelijk weigerden heb ik er op aangedrongen, dat hij zich zou onderwerpen, want ik wilde niet dat hij voor mij in onmin raakte met zijn ouders. Hij heeft niet naar mij willen luisteren. Kunt u dat begrijpen?”

Of hij het begreep? In zichzelven had hij Jules reeds van alle schuld vrijgepleit; zooals hij daar tegenover haar zat, brandde in zijn geest een wierookvat van bewondering voor zooveel charmes. ’t Was maar goed, dat zijn vrouw niets wist van dit bezoek en die bewondering!

Ja, begrijpen deed hij sekuur.

„Welnu, dan zult u ook wel begrijpen, dat ik u niet zeggen kan, waar hij is. Ik besef ongeveer de reden, die zijn ouders tot weigeren hebben genoopt, en dat u daarin ook uw aandeel hebt gehad.”

’t Was niet te ontkennen; hij beet zich op de onderlip. Diantre, die jonge dame sloeg spijkers met koppen! Tien tegen één dat ze beter was in zaken dan Geerling.

„Het is waar, dat iemand in mijn familie een hier beruchten naam heeft. Mijn schuld is dat niet; maar hoezeer u, meneer, noch wie ook, mij persoonlijk iets ten laste kunt leggen, en evenmin mijn ouders, ontziet men zich niet allerlei kwaad van ons te spreken.”

Hij deed er het zwijgen toe.

„En dáárom,” ging zij voort, „moet ik u een genoegen doen, of anders den ouders van Geerling! Omdat u allen er behagen in hebt gevonden mij te benadeelen in mijn eer en mijn goeden naam, beide zoo ongerept als ik hoop dat de uwe is, moet ik meegaand zijn en een handje helpen om te beletten, dat een huwelijk tot stand komt tusschen mij en Jules, van wien ik heel veel houd.”

De bewondering harer schoonheid had plaats gemaakt voor het gevoel, dat hij een tamelijk gek figuur sloeg met zijn verzoek om informaties.

Hij stond op.

„Ja, ziet u, ik kan er niets meer aan doen. Dus u wilt mij niet zeggen, waar hij is?”

„Op dit oogenblik niet. Maar als u hem iets hebt te schrijven, zal ik zorgen, dat hij die brieven krijgt, indien u mij die zelf wilt ter hand stellen.”

„Als u zoo goed wilt wezen; het zullen er niet veel zijn. Mag ik u er morgenochtend een brengen, vóór ik naar ’t kantoor ga?”

„Het is goed.”

En hij ging terug naar zijn kantoor, met twee overtuigingen: de eene, dat die akelige jongen een geweldige boffer was; de andere, dat zijn Amsterdamsche schoonzusters en aangetrouwde nichtjes geen van allen zoo presentabel waren als diezelfde Ceciel.

’t Was winderig, dat wil niet zeggen dat het woei; aan land toch zou men er niets van bemerkt hebben, maar op de kustboot, die kwart geladen en ongeballast door de lichte deining voer, leek het heel wat; de boot slingerde een beetje en deze beweging herinnerde zoo levendig aan een wezenlijke zeereis, dat de dames onpasselijk en „bootziek” werden. Daarbij kwam de warme vetlucht en de bouffées, die uit de buurt van het ruim, de keuken, de latrines en de dierenhokken nu en dan oversloegen naar achteren, en niet rechtstreeks aan Rimmel of Pinaud herinnerden....

Van Brakel wist daar niets van. Hij at en dronk precies alsof hij thuis was, en hij maakte boven aan dek een „fijn” partijtje met een particulier en een inspecteerend ambtenaar, die zijn halven diensttijd op en neer varende sleet tot heil van „den lande.” Het noodlot vervolgde hem weder: zijn guigne was in vollen gang, en reeds in de eerste twee dagen slonk het beetje geld, dat hij voor zijn inboedel had gekregen, tot op de helft. Maar hij voelde nog bankpapier in zijn portefeuille en zoolang dàt maar het geval was, treurde hij niet.

Doodmoe van al de drukte aan het „opbreken” verbonden, was de arme Lucie bovendien nog erg „bootziek,” en hetzelfde deed zich bij haar kinderen voor, tot zelfs bij de baboe. In haar hut, de grootste aan boord, heerschte een hoogst ongezellige wanorde; de koffers stonden open; vuil en schoon goed lag dooreen. De lucht van half opgegeten manga’s, zóó maar onder de couchettes neergegooid, vermengde zich met andere nog minder aromatische geuren, voortkomend uit de „bootziekte” en de ineengerolde en in een hoek gestopte ontredderde broekjes en baatjes der kleinen; het was een onhoudbare atmosfeer. En Lucie lag krijtwit en levenszat te kijken naar het ronde poortje, dat haast regelmatig wel een meter, dacht ze, naar beneden ging, en dan weer een meter naar boven..... naar beneden..... naar boven; het was om er slaperig van te worden en om te vomeeren; en daar dit laatste niet meer ging faute de combattants, gelukte het eerste en sliep ze in, wat gelukkig de kinderen telkens van vermoeienis en akeligheid ook deden.

Zij was dan ook geen „lieve verschijning” toen ze aan den wal stapte op de plaats, van waar zij nog zeventig palen per reiswagen het binnenland in moest. De magang van Van Brakel wist geen raad van de drukte. In Indië geboren, had Lucie, schoon van Europeesche ouders, enkele echt Indische eigenaardigheden, en daartoe behoorde, als ze op reis ging, een ware zondvloed van pakjes en boenkoessans; behalve het groote aantal koffers, waren er allerlei blikken en kartonnen doozen en doosjes, trommeltjes, in doeken en oude sarongs geknoopte pakken en pakjes, groote en kleine krandjangs, ja zelfs in pisangbladeren gepakte zaken,—kortom de arme magang had geen handen genoeg om te dragen en geen oogen genoeg om te waken dat de koelies niets wegdroegen.

Met een kind op den arm en een aan de hand, stapte Lucie over de plank aan wal, gevolgd door de baboe, die er ook een droeg en onder haar arm een groot pak, terwijl Van Brakel, ook belast en beladen, den trein sloot.

Het was onder dat alles voor Lucie onmogelijk geweest niet met haar man in gesprek te komen; daar zij van lieverlede er aan gewoon was geraakt, was de eerst stroeve toon geweken, en thans spraken ze heel gewoon weer met elkaar, ofschoon nog van de oude verhouding geen quaestie was.

Toen de familie in het logement haar intrek nam en een paar ruime kamers kreeg, was ieder voor zich in zijn schik. Tot zelfs de tweelingen gaven luidruchtige bewijzen hunner tevredenheid en kraaiden van pleizier, dat iemand hooren en zien verging.

Doch de vreugde duurde niet langer dan een etmaal. Toen stonden twee oude, op allerlei manieren opgelapte, maar zeker nooit schoon gemaakte rijtuigen voor de deur van het hotel, elk bespannen met vier paarden. In het ééne ging Van Brakel met de oudste kinderen en zijn magang op den bok, in het tweede Lucie met de tweelingen en de baboe en voorts de ontelbare pakjes, nog vermeerderd met eet- en drinkwaren voor „onderweg.”

En voort ging het, hobbel je niet, zoo heb je niet; nu eens in goeden gang, dan weer wanhopig langzaam een hoogte opgetrokken door karbouwen; hier in een razende vaart, zoodat alles rammelde en rinkelde of de oude kast zou uitéénvliegen, terwijl de losse rolsteenen onder de wielen uitschietend met geraas naar weerszijden van den weg sprongen,—dáár minuten onbeweeglijk stil staande, omdat een der paarden verkoos zich dwars in het gareel te zetten en door geen slagen, duwen of schreeuwen van zijn plaats was te krijgen.

Zoo ging het voort den ganschen dag, door dorre bosschen van djati langs nederige desa’s en rijk bloeiende sawa’s, over bergglooiingen met een heerlijk uitzicht op het omliggend landschap, en langs uitgegraven wegen tusschen hooge wanden van aarde en steen met woekerplanten deels bedekt.

Het was avond bij hun aankomst op Van Brakel’s nieuwe standplaats. Lucie was als geledebraakt. Zulk een vreeselijke reis had ze nog nooit gemaakt. Ze wist zich naderhand niet meer met juistheid te herinneren, hoe ze het kleine logement binnen en in haar bed was geraakt; maar het gebeurde heel gauw zonder dat er eerst gegeten of gedronken werd, en zij sliep een loodzwaren slaap.

Van Brakel trof het dadelijk naar zijn zin. Terwijl zijn vrouw en kinderen sliepen, ging hij baden, kleedde zich en deed zich te goed, terwijl het hem zelfs gelukte een partijtje te vinden, waarbij hij tot twee uren in den nacht stand hield. Wat hem ook in den steek liet, zijn krachtige constitutie bleef hem getrouw!

Zij zouden geen eigen woning huren en meubelen, maar, ten minste voorloopig, blijven wonen in het logement, dat wel niet groot was, maar waarin ze toch twee vrij goede kamers konden krijgen, tegen niet al te hoogen prijs.

Er viel overigens voor Van Brakel nogal wat te doen.

Het plaatsje was in zijn opkomst en breidde zich uit. Er moest een school gebouwd worden, een nieuw kantoor voor den assistent-resident factotum, en over de kali moest een nieuwe brug worden gelegd.

Hij had het druk, en aan zijn ijver ontbrak niets, dat zag iedereen duidelijk, terwijl zijn ondergeschikten de overtuiging kregen, dat zij „achterna-gereden” werden door iemand, die zijn en hun zaken kende.

Aan den eenen kant voelde hij zijn ambtelijk gewicht meer, en was zijn zelfstandigheid grooter. En wat overigens „het leven” betreft, dat was voor hem vrij wel ’t zelfde gebleven. Er was ook een sociëteit, al was het zonder steenen muren en marmeren vloeren. Maar homberen kon men er uitstekend en daar er zeer dikwijls landheeren kwamen, was er plenty gelegenheid voor „fijntjes,” welke gelegenheden Van Brakel niet gaarne had verzuimd.

Voor Lucie vlood het leven eentonig heen. Bij gemis aan huishoudelijke bezigheden, zat ze den halven dag te lezen, en werd ze verbazend dik en vet.

Op een ochtend kwam de post wat later dan gewoonlijk aan. Van Brakel was reeds naar zijn kantoor. Zij keek de adressen eens na: een paar dienstbrieven en een particulieren, met het naamstempel van een advocaat buitenop.

Wat zou dat zijn? Vroeger had ze er niet aan gedacht zijn brieven te openen; de inhoud interesseerde haar niet. Nu, bij den velen ledigen tijd, dien ze had, en de onaangename verhouding tot Herman, was ze nieuwsgieriger geworden. Waarom zou ze dien brief ook niet kunnen openen? Eigenlijk waren het toch even goed haar zaken als de zijne!

En zij voegde de daad bij de gedachte.

Onder het lezen drukte haar gezicht de grootste verbazing uit. Wat was dat? Een aanmaning tot terugbetaling van door mevrouw Du Roy geleende gelden met de rente en de rente van de rente? Nu begreep zij er in het geheel niets meer van. Hoe ze ook pikirde, het gelukte haar niet dáár een touw aan vast te maken.

Den geheelen ochtend was die brief haar niet uit de gedachte; het maakte haar zoo zenuwachtig, dat ze moeite had om de komst van Van Brakel af te wachten.

Met vragenden blik legde zij hem den brief van den advocaat voor, die zeer onaangenaam gesteld was, waarin een korte termijn van betaling was gesteld en waarbij gedreigd werd met een nieuwe aanvraag om beslag op zijn traktement.

„Kun je me ook zeggen, wat dat beduidt?” vroeg ze met iets crimineels in haar stem.

Op het eerste gezicht van den geopenden brief was hij bleek geworden. Niet, dat het hem onverwacht op het lijf viel,—hij had wel begrepen dat t’ avond of morgen zoo iets hem boven het hoofd hing; dan er waren een paar weken overheengegaan, en hij, die zich zoo licht wiegde in een rustige rust, dacht er in de laatste dagen volstrekt niet meer aan.

Hij streek met zijn zakdoek over het voorhoofd,—zijn gewoon manuaal als hij in ’t nauw zat—en stond een oogenblik besluiteloos.

„Wat zal ik je zeggen!”

„Van Brakel, ik verzoek je me de waarheid te zeggen. Ik ben eenmaal belogen en bedrogen, dat weet ik; maar ik wil het niet langer zijn!”

Het was zoo gemakkelijk niet en hij was ook de man niet voor het ontwerpen eener eenigszins romantische conceptie; er een geschikte novelle van te maken was zijn werk evenmin, en hij biechtte als iemand, die niet geheel op de hoogte is van de geboden en dus niet precies weet, waar het zwaartepunt ligt zijner overtredingen; maar hij deed het eerlijk, zonder achterhoudendheid, en wanneer hij liet uitkomen, dat hij ondanks alles geen oogenblik had opgehouden veel te houden van Lucie, terwijl de andere hem onverschillig was, dan behoorde er luttele menschenkennis toe om den indruk te krijgen, dat wat hij zei de waarheid was.

Hij voelde dat het hem opluchtte, alsof hem een pak van het hart werd genomen.

Lucie zat er bij met een strak gelaat. Och, ze wist wel dat hij niet loog, en ze wilde het hem wel vergeven, maar zij behoorde tot die vrouwen, die niets willen missen en niets gunnen aan een ander, ook niet als ze er zelf hoegenaamd geen genoegen van beleven.

„Wil je het vergeven en vergeten, Lucie?” vroeg hij, erg onderdanig.

„Ik weet het nog niet; ik wil er mijn best toe doen; maar eerst moet dat wijf haar geld hebben; vóór dien tijd heb ik rust noch duur. Al moesten we er ons laatste stuk kleeren voor verkoopen, ze moet en ze zal het geld hebben, dat zwijn!”

Dáárin stemde hij toe. Wel wist hij niet op welke wijze de goocheltoer te verrichten, zelfs niet als ’t laatste stuk kleeren er aan te pas kwam, doch zóó slim was hij wel, dat hij haar niet tegensprak, maar in alles gelijk gaf. Zij kon zich er op verlaten, dat hij het middel zou vinden, dat bezwoer hij bij kris en kras; als zij maar weer wel met hem wilde zijn, gelijk voorheen, dan zou die ongelukkige zaak spoedig uit de wereld komen; daartoe wilde hij alles doen, alles.

Hij kuste haar; zij liet hem begaan, nog bezig met haar eigen gedachten en vóór hem pleitend tegen zichzelve. Alles bijeengenomen, was hij toch nog veel beter dan menigeen; bovendien, alle mannen deden wel eens iets wat niet goed was, en hij was bij slot van rekening er ook maar „ingeloopen”, zonder booze voornemens; zij had wel eens meer gehoord en gelezen van dat soort vrouwen, die knappe, jonge mannen verleiden.... Zuchtend gaf zij hem zijn kus terug.

Dat bracht hem in verrukking en noopte hem nogmaals, zooveel zij gedoogde, te trachten zijn achterstand aan betuigingen van liefde bij te werken.

Prettiger gestemd dan in maanden ’t geval was, ging hij den volgenden morgen naar de werken, die onder zijn toezicht werden uitgevoerd, en waartegenover hij meende geheel de handen vrij te hebben, en baas en meester te zijn.

O, als hij had geweten!

Geweten, dat hij door een oud ambtenaar, die wel onder zijn bevelen stond, maar toch een goede positie bekleedde, zeer nauwlettend werd bespionneerd in al zijn doen en laten! Dat deed hem de hoofdingenieur Willert, en die meende, dat hij daartoe zedelijk verplicht was! Van Brakel was een speler; Van Brakel zat diep in schulden; Van Brakel had niet alleen geldelijke verantwoordelijkheid, maar hij kon gemakkelijk knoeien ten nadeele van „den lande,”—zoo’n man mocht niet zonder scherpe contrôle zijn, en wanneer hij die niet officiëel over hem kon uitoefenen, dan moest het maar officieus wezen.

Als hij, Willert, daartoe zijn maatregelen niet nam, dan achtte hij zich zedelijk niet verantwoord tegenover de Regeering.

Lucie liep, toen haar man weg was, ongeduldig en zenuwachtig het galerijtje op en neer. Hun kamers waren in de bijgebouwen; langs een slordig schoongemaakte goot, die voor het roodsteenen galerijtje liep, stond een rij boompjes geplant, de afgevallene bladeren lagen in die goot te rotten; er heerschte altijd een zoetachtige, vochtige humuslucht, en het was, nu de invallende Westmousson zware plasregens omlaagzond, erg vochtig. Maar dat deed geen kwaad. ’t Plaatsje lag vrij hoog; ’t was er koel, en de vochtigheid was niet zoo kwaadaardig als in de heete kustplaatsen, waar zij miasmen kweekt bij milliarden.

Maar ’t was toch onaangenaam. Alles voelde klam aan; ’t was of de tafels en stoelen in ’t galerijtje het koude zweet uitbrak; men kon er met den vinger figuren op strepen; de kussens in de bedden schenen door lijken te zijn beslapen, zoo kil waren ze. Druilig en laag hing de lucht, en daar de weinige gasten, die vast in het kleine logement woonden, naar hun bezigheden waren gegaan, hoorde men in het huis en op het erf niets, dan de doffe slagen van het eentonige toemboequen, nu en dan afgewisseld door ’t schreeuwen van een aap of ’t schel geroep van een papegaai.