H. van Brakel, Ing. B.O.W.

Part 11

Chapter 114,153 wordsPublic domain

Zij had met opzet de meiden uitgezonden met de kinderen, om rustig te kunnen nadenken over de manier om dat ellendige geld terug te geven; maar hoe krachtig ook haar argument was, dat het moest,—de wijze waarop het kon gebeuren bleef haar verborgen, en hoe zij dien ochtend ook peinsde en dacht, zij kwam er niet toe; ze hield ten slotte haar arm hoofd vast met beide handen en zuchtte diep en nog eens diep. Dat nare geld! En als nu papa Drütlich nog maar in goeden doen was, maar in zijn laatsten brief schreef hij op zijn eigenaardige kromme manier dat hij „ganz und gar durch die verdammte Kaffeelaus aufgefressen” was; dat hij zelfs voorzag spoedig genoodzaakt te zijn ’t vroeger zoo winstgevende land te verlaten. Lucie had het gelezen en er bij gehuild. ’t Lieve land! Haar geheele onbezorgde jeugd ging haar als een panorama langs de oogen. Wat was ze daar gelukkig geweest! Hoe velen hadden daar in het toen zoo gastvrije huis haars vaders volop genoten. Zij was er ontwikkeld tot een flinke, krachtige, jonge vrouw, die uren te paard reed zonder vermoeienis, die wandelingen berg-op deed als een tourist, die elken dag dook in het ijskoude water, dat hoog van de toppen der bergen kwam afstroomen en op het land door pantjoerans in een zwembad werd geleid. Het lieve land, met zijn prachtigen bloementuin, waar het geheele jaar door een rijkdom van de schoonste rozen prijkte, waar in een weelderigen moestuin Europeesche groenten welig tierden, waar de aardbezieplant zich thuis gevoelde als in het Westen en haar kruipende loten vrijpostig naar alle kanten uitzond. Dáár was altijd overvloed geweest; dáár was de goedang steeds wèl voorzien van spijzen en dranken; daar weidden de groote uit Holland aangevoerde lakensche koeien op de altijd groene heuvelen, want zelfs in ’t hart van den Oost-mousson viel er nu en dan een malsch buitje; dáár was het volk altijd rustig en vriendelijk, medegenietend als het deed in de welvaart, die de vrije koffieteelt er verspreidde. Zij zag nog het lachend en onbezorgd gezicht van haar vader, als hij zijn „afrekening” kreeg van ’t kantoor uit de stad, en als hij zoo met een enkel woord iets zei van „snijden doet men met een mes,” maar er dadelijk bijvoegde, dat het er minder op aan kwam, want er werd toch genoeg verdiend.

En nu moest papa van het land af, omdat een luis.... Ajakkes! Het was, vond ze, verschrikkelijk, dat zulk een nietig ongedierte zulke rampen kon teweegbrengen; het was meer dan erg! Waarom ook stelde het Gouvernement geen ambtenaren aan om die luizen te vangen! Die arme oudeheer! Wat moest hij beginnen? Als zij hem nu nog maar onder dak kon nemen, maar dat ging ook niet; ze zaten zelf in een logement en nog tot overmaat van ramp erg in schulden. Weder peinsde ze op een middel om die gemeene slet Du Roy dat geld terug te geven, doch altijd bleef dat middel ontbreken.

Eindelijk moedeloos en moede van het denken, bestelde zij een halve flesch portwijn in het hotel; zij zou zich anders nog suf pikiren, meende zij.

Van Brakel vond, toen hij ging kijken naar het metselen van de landhoofden, waaraan was begonnen, een pas aangekomen prauw en een reusachtig houtvlot, beide vastgemeerd.

Met den stroohoed in de hand en een allervriendelijkst gezicht trad de Chinees, die met de prauw was gekomen, op hem toe. Het was de leverancier van materialen voor de Gouvernementswerken. De man onderscheidde zich in niets van een anderen op Java geboren Chinees; slechts zag hij er netter en zindelijker uit dan anders meestal het geval is, en hij droeg een soliden gouden horlogeketting. Hij moest zorgen goede vrienden te blijven met den ingenieur, want die kon hem zooveel bevoordeelen en benadeelen als hij maar wilde, en de kongsi, waarin deze Chinees zat, wist reeds van een andere kongsi, die ook met leverantiën aan den lande belast was, dat de ingenieur Van Brakel een lastig man was, die soesah maakte en met wien weinig ving aan te vangen; ja, indien zijn kongsi te voren had geweten, dat hij, Van Brakel, met keuren der materialen ware belast, dan zou ze wellicht, althans zeker niet zoo laag, hebben ingeschreven.

„Wel, heb je nogal een goede reis gehad?” vroeg de ingenieur, terwijl hij van den hoogen oever den blik liet gaan over ’t vaartuig en het houtvlot.

„Het gaat wel, ingenieur; ’t vlot is gevaarlijk voor de prauw.”

„Dat dunkt me; er zit al aardig gang in de kali. Hoe is het hout?”

„Uitstekend, ingenieur. Ik hoop dat u het zult goedkeuren.”

„Hm! We zullen morgen eens kijken.”

Al pratende liepen zij den dijk op; Van Brakel moest naar het in aanbouw zijnde schoolgebouw; de Chinees liep maar mee. Hij praatte veel over al de roegie, welke hij bij deze leverantie nu weer zou hebben, en waardoor hij met een bankroet werd bedreigd, alles om den ingenieur gunstig te stemmen, maar dat lukte niet.

„Nu ja, man,” zei Van Brakel met een slim gezicht, „daar weten we alles van; jullie wordt allemaal rijk van de roegie, die je hebt in Indië, en wij, Europeanen, worden straatarm van de oentoeng! Neen, ouwe heer, die mopjes behoef je mij niet te vertellen hoor; jullie, Chineezen, kunnen verduiveld goed rekenen; beter dan wij. En als je inschrijft, dan weet je drommels goed wat je doet.”

„Soengoe mati.....”

„Psst!” floot Van Brakel hem in de rede: „laat ons er niet verder op doorgaan; ik kan er toch niets aan doen, en het kan me ook niets schelen.”

De Chinees vroeg hoe het den ingenieur beviel op diens nieuwe standplaats.

„Och, ’t plaatsje is zoo kwaad niet, en er is werk genoeg, dat is zeker. Het ligt niet aan het plaatsje....” eindigde hij zuchtend.

„Is u niet lekker, of de njonjah, of de kinderen?”

„Neen, wij zijn gezond.... Maar soesah, man, soesah! Denk je, dat jij die alleen hebt?”

Hij lachte, de leverancier der materialen van het Gouvernement. ’t Was hem alsof hij grond voelde. Doch hij schudde ongeloovig het hoofd; dat kon niet zijn; iemand als de ingenieur kon geen geldelijke soesah hebben, zooals hij, handelaar; de ingenieur had immers een vast inkomen, en indien hij ergens geld voor noodig had, dan had hij immers maar te spreken.

Van Brakel klemde de lippen stijf op één, alsof hij bang was, dat hij tegen wil en dank op die manier spreken zou; hij trok de wenkbrauwen samen, en zijn geheele wezen teekende verzet; onwillekeurig verhaastte hij zijn tred, als wilde hij iets ontloopen, en al voortgaande ranselde hij met zijn stok het gebladerte van den pagger, die langs den weg liep, alsof daarin iets moest doodgeslagen worden.

De grijze wolkenmassa verdeelde zich en de zon schoot gloeiende stralen op de vochtige aarde; de helle lichtstroom vroolijkte het landschap op en deed de schuimende rivier er veel vriendelijker uitzien.

Van Brakel’s verbeelding, zoo weinig als hij die had, begon te werken; hij zag de vreugde op ’t gezicht van Lucie, als hij haar kon zeggen, dat het hem was gelukt een middel te vinden om mevrouw Du Roy te betalen; hij stelde zich voor, hoe gelukkig haar dat zou maken en welke aangename dagen er dan voor hen beiden zouden volgen; hij drong dat alles in gedachten op den voorgrond, en de gemoedsbezwaren naar achteren.

De Chineesche aannemer had moeite om den ingenieur bij te houden, zulke groote stappen nam deze, en de man was verbaasd toen de ingenieur plotseling stil stond en hem bij een knoopje zijner kabaja vast hield.

„Heb je geld?” vroeg hij hem op den man af.

Met moeite verborg de aannemer de vreugde, die hem doorstroomde. Oentong, oentong! juichte het in zijn binnenste; de aanneming van anderhalven ton was gered!

„Ja, ingenieur. Hebt u wat noodig?”

„Wat? Neen niet wat, maar een heelen boel.”

Het gezicht van den Chinees betrok.

„Ik zal je een acceptatie er voor geven,” zei Van Brakel driftig; „ik wil het niet cadeau hebben.”

Met een gebaar alsof dàt de quaestie niet was, haalde de Chinees de schouders op, en het viel Van Brakel mee, toen de man volstrekt niet schrok van het bedrag.

„Ik kan het u niet in eens geven; ik heb zooveel contanten niet.”

„Dat hoeft ook niet.”

In stilte berekende de aannemer hoe lang de leverantie duren zou: zes maanden. „Ik kan het u geven in zessen; elke maand één zesde, te beginnen met vandaag.”

„Vandaag?”

„Ja ingenieur, laat ik het maar dadelijk afdoen.”

Al pratende, haalde hij een oude lederen portefeuille, dik van bankpapier, uit den zak.

„Ben je gek? Berg gauw weg! Hier op den publieken weg?”

„Er is toch niemand.”

„Nu, spoedig dan.... Dank je wel, hoor!... Natuurlijk zal ik je helpen.”

„Anders is niets noodig. Als de ingenieur maar een beetje wil helpen. Daar heeft niemand last van, en wij allebei hebben er genoegen van.”

De aannemer boog en stak hem de hand toe.

„Wat is het? Keer je terug?”

„Ja, ingenieur. Ik zal vast laten beginnen met lossen. Mijn mandoor zocht koelies en het is nu droog weer.”

„Goeden dag, dan.”

Langzaam wandelde hij voort, met het hoofd eenigszins gebogen. De Chinees liep vlug en verheugd terug, overtuigd, dat hij uitstekende zaken had gemaakt, en dat elk gevaar voor een ongunstig resultaat der leverantie, waarvoor zijn kongsi zoo bevreesd was geweest, nu bezworen was. Van Brakel was het, als drukte hem een zware last. Zijn ongerepte goede trouw als ambtenaar, zijn onkreukbare eerlijkheid als dienaar van het Gouvernement, die zijn trots waren en die hem sterk maakten tegen alle verwijten van superieuren, waren thans bezweken. Hij voelde dat hij geen achting meer had voor zichzelven; dat geen sophismen en geen cynische redeneeringen, geen vergoelijkingen of wereldwijsheid hem het idee van eer kon teruggeven, welke hij daareven van zich had afgeslingerd om een handvol geld.

Van het werk zag hij niet veel; het ging hem dien dag alles machinaal af; zijn gedachten waren er niet bij; hij had haast om thuis te komen.

Lucie zat bij ’t portfleschje; zij had hem nog in lang niet verwacht.

„Hoe jij zoo vroeg?”

„Ik heb goede tijding.”

„Heb je...?”

„Ja.”

Van Brakel nam een stoel, ging aan den anderen kant van de tafel zitten en zond zijn bediende naar binnen om een bittertje. Zij vroeg niets en hij zei niets; ze zag wel aan zijn gezicht, dat er iets was, dat hem geweldig hinderde, en ze begreep wel half en half wat het was.

„Heb je het van een Chinees?”

Hij knikte toestemmend.

„Van den aannemer?” vroeg ze fluisterend, en toen hij weer knikte, zei ze snel en angstig:

„Wees vooral voorzichtig, Herman, en zorg, dat jij hem en niet hij jou aan het lijntje krijgt. Sta hem niet te veel toe.”

Verrast keek hij haar aan. Het bleek uit haar woorden, dat ze alles reeds overdacht had, en het idee zich te laten „smeren” reeds met al zijn gevolgen bij haar was overwogen en gerijpt.

Maar hij bleef zwijgen, en dat hinderde haar en maakte haar boos. Daar zat hij nu te kijken, gelijk een uil in doodsnood! En wat had hij niet gedaan, vroeger, om aan geld te komen bij mevrouw Du Roy? Dat was, meende zij, dan toch heel wat anders. Toen had hij haar verraderlijk bedrogen; toen had hij zijn huwelijkstrouw geschonden, en hij had er, voor zoover zij zich herinnerde, altijd een vroolijk gezicht bij weten te trekken. Nu, nu hij deed wat zoo velen deden, zonder dat iemand er persoonlijk nadeel of verdriet van had, zat hij voor zich uit te kijken, met een gezicht alsof hij een moord had gedaan.

Zij zei het hem in korte, afgebroken phrasen, zachtjes, opdat niemand het zou kunnen hooren. Maar hij schudde droevig het hoofd en zuchtte opnieuw.

„Ik heb ook een moord gedaan.”

„Je bent gek..... Je hebt al heel fraaie ideeën..... Mij heb je niet ontzien..... Nu er niets slechts is gebeurd, stel je je aan..... Iedereen doet het hier in Indië..... Ze hebben gelijk ook..... Als de een ’t niet doet, doet het de ander..... Ik wed dat Willert.....”

Hij schudde het hoofd weder.

„Neen, Willert niet; dáárop zou ik durven zweren..... Enfin, laat ons er niet meer over praten..... Neem me niet kwalijk, Lucie..... ’t werd me een moment te machtig..... ik ben er heel blij om en je hebt gelijk.”

„Waarachtig, heb ik. Wil je nog een bittertje?”

Hij dronk er nog een, en zij, om hem „gezelschap” te houden, dronk nog wat port. Doch na de rijsttafel moest hij haar eerst het geld van den Chinees geven; zijzelve zou het zenden aan dien advocaat, dat stond beter. Als die man zag, dat zijzelve het geld zond, kon hij Van Brakel niet verdenken van hetgeen hij om dat geld had gedaan.

En toen dit was afgeloopen, was de zaak in orde, zóó goed, dat ze beiden weldra zeer gerust insliepen en niet wakker werden voordat de zon ten ondergang neigde, terwijl de meiden reeds weer met de kinderen uit waren gegaan.

’s Avonds echter kreeg Van Brakel het weer te kwaad. In de donkere slaapkamer lei hij lang wakker. Lucie sliep rustig; haar regelmatige ademhaling bewees het. Hem maalden allerlei dingen door het hoofd; de traditie der eerlijke Nederlandsche Van Brakels zat hem in den weg. Welk een klank had die naam altijd gehad! Nog hoorde hij zijn ouden vader, die zoo bang was toen hij, Herman, naar Indië zou gaan. De goede trouw, de onkreukbare eerlijkheid, waarmee in geen enkel opzicht viel te transigeeren, was hun erfdeel geweest van vader op zoon; het waren denkbeelden, overgegaan als eigenschappen: „Nooit geld nemen, dat u niet toekomt,” was een familie-spreuk, die van ziel tot ziel overging, als lichamelijke hoedanigheden van lichaam tot lichaam.

Hij was er ontrouw aan geworden; hij was de eerste, die stelen ging, of aan stelen meehielp,—dat was hetzelfde. Zijn zenuwen werkten abnormaal, toen hij er een tijd lang aan had gedacht. Het was alsof zijn vader en zijn broers vóór hem stonden in de volle eigenwaarde hunner burgerdeugd, en hem met minachting bejegenden en uitwierpen als een rot lid.

Hij kon het in bed niet uithouden. Zacht schoof hij er uit naar buiten. Het was pas elf uren, en er was nog leven in het logement. In de achtergalerij verschenen een paar breedgeschouderde mannenfiguren. Van Brakel stond op en ging naar hen toe.

„Bonsoir!”

„Zoo, Van Brakel, ben je nog op?”

„Ja. Hoe kom jullie zoo hier?”

„Wel, we moeten morgenochtend met den controleur een stuk grond gaan kijken, dat we in erfpacht vroegen.”

„Ah, zoo.”

„Je gaat toch niet naar bed, zeg!”

„Ik had er wel plan op.”

„Kom, ben je gek: laat ons hier een speeltafeltje zetten, en dan maken we nog een prettig partijtje.”

Er werd vrij hoog gespeeld en tot laat in den nacht. Het resultaat was, dat Van Brakel opstond, stil in zijn kamer ging, zachtjes den sleutel wegnam onder het hoofdkussen van Lucie, de kast opende en uit een chub-trommeltje tweehonderd gulden nam; tweehonderd gulden, een deel van ’t bedrag, door hem van den Chineeschen aannemer ontvangen. Daarna ging hij terug en betaalde zijn medespelers.

Zij lachten. Licht, zeiden ze, dat zij er hun reisgeld uitklopten. En Van Brakel lachte ook. Hij zou hun wel krijgen, een ander maal; hij had dien avond weer gruwelijk déveine gehad; geen enkel spel; en als hij eens uit wanhoop een sans prendre waagde, dan zat alles op één hand tegen en was het: codille, ma fille! Maar het was niets; als zij weer kwamen, zou hij bloedig revanche nemen. De planters zaten nog een oogenblik te praten in hun kamer—daar was er in ’t logementje slechts één voor hen beiden disponibel—toen Van Brakel reeds naar bed was, waar hij dadelijk insliep.

„’t Is een van de aardigste kerels, dien ik ken onder de ambtenaren,” zei de een.

„Ja, ’n joviale vent; een prettig hombreur.”

„Nietwaar? Hij chicaneert niet, en zit niet te mopperen of na te spelen.”

„Neen, en hij heeft toch van avond allerberoerdste spellen gehad.”

„Dat heeft hij.”

Des morgens, toen Lucie hem wekte, vertelde hij het haar. Hij dacht, dat ze het zou opvatten als een gewone zaak; ’t was immers het spel!

Maar zij verbleekte en riep woedend:

„Heb je tweehonderd gulden van dat geld genomen?”

„’t Was om mijn speelbeer te betalen. Het is immers niets, ik win het toch weer terug.”

Zij zat op den rand van het bed, met de handen saamgevouwen in den schoot, en ze keek met verslagenheid voor zich uit. Voor het eerst begreep ze, dat het spel een ongeluk kon wezen, zelfs waar het niet werkte als een verscheurend dier, maar knagend, als een worm. Zij had niets aan, dan haar sarong en haar koetang; en dat stond haar goed; hoe minder ze aan had, des te beter was ze, als welgevormde, goed ontwikkelde vrouw, gekleed. Van Brakel vond dat ook, en hij glimlachte met welgevallen. Zijn Lucie zag er toch maar goed uit, zooals ze daar zat; ’t was een lief gezicht, die zacht golvende lijnen van hals, schouders en armen, door de fluweelen blanke huid afgeteekend tegen de neteldoeksche klamboe. Het deed hem weer aan. Hij had bij haar al zijn vroegere viriliteit teruggevonden; er ging voor hem, dacht hij, toch niets boven zijn eigen vrouw. Buiten de deur vond men het ware niet, dat had hij aan mevrouw Du Roy gezien; men zocht ten slotte wat men toch niet vinden kon.

En in de overstelping van zijn gevoel, niet meer denkend aan het speelgeld, dat hij immers toch zou terugwinnen, wilde hij haar naar zich toe trekken, maar zij weerde hem af.

„Het is schande, Herman, dat je van dat geld hebt genomen!”

„Ik had op ’t moment geen ander.”

„Dat is het eenige excuus; maar nu zorg je ook, dat het vóór hedenmiddag er weer is, hoor!”

Hij trok een leelijk gezicht.

„Dan moet ik het uit de kas nemen.”

„Nu, dat is goed.”

„Ja maar.... als dan de maand om is, heb ik niet genoeg om ’t logement te betalen.”

Zij zuchtte en streek haar hand langs haar voorhoofd.

„In Gods naam, Herman, maar dit geld moet er zijn.”

„Nu, maak je maar niet boos, kind; ik zal het van middag meebrengen. Straks ga ik even bij den architect aan om het te halen.”

De architect keek zeer verwonderd, toen de ingenieur tweehonderd gulden voor zich uit de kas nam. Hij was een bejaard man en zeer geacht bij zijn chefs. Men had hem nooit ingenieur kunnen maken, omdat hij daartoe te weinig elementaire ontwikkeling bezat, maar aan practische bekwaamheid ontbrak het hem niet, en al stond hij in rang onder Van Brakel, dan had hij toch een grooter inkomen.

Met Willert was hij samen als opzichter in dienst getreden, en met den hem sedert zoo ver voorbij gestreefden oud-collega hield hij nog steeds een vriendschappelijke briefwisseling, die ook wel eens dienstzaken betrof. Hij was de man, die „een oogje” moest houden op het doen en laten van Van Brakel en hij wist ook, waarom de hoofdingenieur dat noodig achtte. Dat dit een zeker minder loffelijke spionnage was, zag hij volstrekt niet in; hij meende met Willert, dat diens verantwoordelijkheid tegenover „dan lande” medebracht, dat hij zóó en niet anders handelde.

De architect had van den steiger van het in aanbouw zijnde schoollokaal gezien dat er iets bijzonders was verhandeld tusschen Van Brakel en den Chineeschen aannemer. De afstand was te groot geweest om iets te onderscheiden, maar hij had hen samen zien oploopen langs de rivier, zien stil staan en gebaren maken, en dat had hem lont doen ruiken.

Dienzelfden avond had hij Willert geschreven en juist was hij bezig de enveloppe van den brief te verzegelen, toen Van Brakel om dat geld kwam. Toen de ingenieur weg was, verscheurde de architect zijn brief; hij moest zich vergist hebben; als Van Brakel knoeide met dien rijken Chinees, zou hij geen voorschot behoeven te nemen op zijn traktement.

Jules Geerling zat in een kleine pendoppo genoeglijk een sigaret te rooken en een glas champagne te drinken. Hij strekte de beenen met welbehagen uit over de uitgeslagen armen van een luierdstoel, en glimlachte bij zichzelven om het prettig idee, dat ze nu allen gefopt waren. Het was zoo gemakkelijk geweest! Een vriend..... nu ja, een kennis, iemand, die hij zag te hooi en te gras, met wien hij nu en dan een praatje maakte of in de sociëteit een partij biljart speelde, had hem in de gelegenheid gesteld zich zoo geheimzinnig weg te goochelen naar dit dicht in het lommer verborgen optrekje, geen tien minuten rijdens van de stad. Het was er zoo lekker, als hij niet dacht, dat het in de laaglanden van Java wezen kon. Slechts tot in het oneindige onderbroken zonnestraaltjes bereikten flauw lichtend de open ruimte onder het dicht gebladerte; het bleef er zoo heerlijk koel, dat men eerst in den namiddag eenigen last kreeg van de warmte; en even ter zijde van het kleine erf ruischte de kali, zacht en gezellig; haast geen ander geluid liet zich hooren; het was, dacht de Amsterdamsche koopmanszoon, alsof ’t hier altijd Zondag was. Nu en dan sloop onder de boomen een inlandsche bediende door of ving een kip haar reproduceerend werk met gekakel aan. Toch zou hij het in die stilte niet hebben uitgehouden, zonder het heerlijk denkbeeld, dat hij bezig was zijn eigen zin te doen à la barbe zijner familie, en dat hij het deed voor Ceciel.

Zij was hem komen opzoeken, en ze had hem dien brief gebracht, vol van oude bekende praatjes over den „ouden heer,” en zijn, Jules, duren plicht om altijd naar de pijpen van dien ouden heer te dansen; maar tot zijn verwondering vond hij geen enkele zinspeling op „die meid.”

Ceciel moest hem het bezoek haarfijn vertellen, en hij gierde het uit en draaide met zijn lichaam van pleizier, toen hij hoorde hoe zij den chef van zijn kantoor de waarheid had gezegd. Zij moest het woord voor woord herhalen, en daarbij keek hij haar voortdurend aan, vol bewondering voor die kalme, welbespraakte schoonheid met albasten gelaat en de groote, donkere oogen. Met belangstelling vernam hij ook, dat zij hevige standjes had gehad met mevrouw Du Roy, die woedend was geweest toen Ceciel haar lachend vertelde, waarom de vendutie van Van Brakel niet was doorgegaan en tante dus geen beslag kon leggen op het vendu-accept.

Mevrouw Du Roy was kwaad weggeloopen, maar toen ze hoorde van de geheimzinnige verdwijning van Geerling, hield ze het niet langer uit, sloeg een sjaaltje om de schouders en ijlde naar het huis van haar zuster.

„Zeg, Ciel, zeg, waar is-t-ie?”

Zij dacht voor ’t minst, dat hij zich onder het ledikant van haar nichtje verborgen hield.

„Ik kan het u niet zeggen.”

Mevrouw Du Roy werd bleek van drift; haar oogen fonkelden.

„Het staat je nogal mooi, Ciel, mij zóó te behandelen.”

„Ik weet niet eens, dat ik u behandel.”

„Ja, je bent vinnig genoeg. Maar ik heb je altijd goed behandeld, zie je, van dat je een klein kind waart, en nu doe je alsof ik een vreemde ben. Ciel, dat is niet goed van je, hoor! Het is gemeen en leelijk.”

Het meisje glimlachte. Wat moest ze het mensch antwoorden? Het was waar, dat tante Du Roy altijd erg royaal tegenover haar was geweest, maar ’t had ook slechts weinig gescheeld of de omstandigheid, dat deze luxurieuze vrouw haar tante was, zou haar, Ceciel, een plaats hebben bezorgd in den kapperswinkel der heilige Catherina. Aan den anderen kant echter woog de toekomstige erfenis.

„Wat wilt u dan?” vroeg ze. „Hier is Geerling niet, dat spreekt vanzelf.”

„Kom, kom! Waarom zou hij niet hier wezen? Hij kan immers nergens beter zijn. Toe, Ciel, zeg me nu eens waar hij is. Laat me eens kijken waar je hem verstopt hebt! Ik zal het waarachtig aan niemand zeggen!”

Haar heele wezen lachte toen ze sprak. Zij vond het nu toch zoo’n heerlijk idee een jongen man te verbergen in een vrouwen- of meisjeskamer! Wat haar betrof,—zij had er met het grootste genoegen een dozijn verstopt, als het noodig was geweest.

„Hij is heusch niet hier, tante; geloof me dan toch,” hield Ceciel vol, zich halfdood ergerend.

„Hè, wees toch niet zoo flauw! Wat komt het er nu opaan? Je behoeft voor mij immers zoo kinderachtig niet te wezen. Je weet heel goed, dat ik je graag alles gun. Toe Ceciel, laat me nu eens zien waar hij zit.”

Het meisje zuchtte. ’t Was onmogelijk, dat zag ze wel, haar tante te overtuigen....

„Nu, kom dan maar mee.”

Mevrouw Du Roy volgde Ceciel in haar kamer. Zij liep zachtjes op haar teenen en vol nieuwsgierigheid met vooruitgestoken hoofd.

Het zag er lief en comfortabel uit. Ceciel ging zitten, nam uit een la van haar toilet een sleutelbosje en wierp het op de tafel.