Part 12
„Ziedaar tante, daar hebt u al mijn sleutels; zoek nu zelve maar overal of u Geerling vinden kunt. Anders gelooft u me toch niet.”
De uitdrukking van zelfvoldoening op ’t gezicht der tante viel als het ware, en werd gevolgd door een van teleurstelling.
„Maar ben je hem dan kwijt, Ciel? Waar is hij dan?”
„Hij is bij een vriend van hem buiten de stad. Ik zal u wel zeggen bij wien, als gij mij ernstig belooft het niemand te vertellen.”
Ja, dat bezwoer mevrouw Du Roy, en toen gaf Ceciel haar een verkeerd adres op, wel wetend dat zij toch den mond niet kon houden.
Met het grootste vermaak en de levendigste belangstelling had Geerling het aangehoord. Het wond hem op, en daar zij alleen thuis was, geneerde hij zich niet en omhelsde Ceciel, die zich dit met blijkbaar genoegen liet welgevallen, zóó zelfs dat Geerling, door de omstandigheden en de omgeving in verzoeking gebracht, zich vrijheden wilde veroorloven, die als preliminairen haar gevaarlijke zijde hadden. Zij had dat kunnen verwachten, en ze had dat ook wel een beetje verwacht, maar in het volle besef, dat zijzelve een niet te verrassen schildwacht was voor de benting harer deugd, deerde haar dat niet; een klein maar beslist gebaar, een blik en een glimlach, dacht ze, zouden Jules altijd terughouden.
Maar dien ochtend was er meer noodig. Het scheen dat de weelderige natuur, die hem daar in dien pondok omringde, en die in kleuren en geuren het lied zong der vermenigvuldiging, zeer op zijn zinnen werkte. Hij kuste haar niet langer met de reserve van een ernstig galant, maar met een hartstocht, die haar direct deed gevoelen hoeveel water hij noodig had in den wijn zijner liefde; hij kuste haar, waar hij kon; zij weerde hem af, eerst zachtjes, maar dat scheen het kwaad te verergeren; hij keek haar aan met kleine oogen en met den dommen beotischen glimlach der opgewekte drift op het gezicht.
Zij vond hem leelijk zoo, en dat gaf haar meer kracht, wat dan ook zeer noodig was, zóó zelfs, dat het lieflijk samenzijn haast ontaardde in een worsteling, waarin hij, Jules Geerling, geen overwinnaar bleef, en slechts een paar knoopen van het kleedje van Ceciel het moesten ontgelden. Trouwens hij had, dit schoot hem daar plotseling te binnen, als overwinnaar een zonderling figuur gemaakt, want zonder dat hij het zoo dadelijk had bespeurd, was, bij den krachtigen tegenstand dien hij ontmoette, en die decentralisatie van kracht eischte zijnerzijds, de woede geweken, en eigenlijk was hij niet eens ontevreden over het resultaat.
Ceciel was verontwaardigd, of scheen het althans.
„Het is schandelijk, Jules.....”
„Wees niet boos, Ciel.”
„Het is dubbel schandelijk tegenover mij. Hoe ik je vertrouwd heb, bleek uit mijn komen hier, bij je..... alleen.”
„Ja zeker. Toe, Ciel, neem het mij niet kwalijk. Wees niet zoo boos.”
„Niet boos zijn.....”
„Neen,” viel hij haar in de rede, „toe vergeef het me; ik kon er waarachtig niets aan doen. Maar het zal nooit weer gebeuren, dat verzeker ik je.”
Zij ging zitten in een theatrale houding en drukte haar zakdoek voor de oogen. Hij liet zich neder op zijn eene knie naast haar en greep haar hand.
„Lieve engel, wees nu niet bedroefd. Ik bezweer je, het zal nooit weer gebeuren.”
Het was of zij snikte, en toen hij dat hoorde, zwoer hij nog meer en vroeg haar zóó dringend excuus, dat zij hem weder in genade aannam onder belofte van beterschap.
Een koeltje ritselde door de bladen en streek langs de donzige krulletjes in haar hals; zij sloeg langzaam den blik in het rond. O, als Geerling eens de man was geweest naar haar hart! Een zucht vloog dien onbekende te gemoet. Het was toch beter zóó, dacht ze; men hield er zijn verstand bij!
Maar Jules kon dáár niet blijven. Die omgeving werkte bij het luie leven, dat hij leidde, blijkbaar te veel op zijn gemoed, en daardoor ontstond een ander gevaar, dat begreep ze. De bewoner zelf hield daar een inlandsche huishoudster; niets waarborgde Ceciel, dat op een goeden dag Geerling niet door dat verderfelijke voorbeeld zou worden aangespoord tot navolging, en dat was het grootst denkbare gevaar voor haar trouwplannen. Er blonk iets in haar mooie oogen, toen zij dacht aan die helsche bruine vrouwen, wier gemakkelijke levensopvatting zooveel Europeesche meisjes in Indië doemt tot de zuurbier-toekomst. Ze had ze kunnen vermoorden, als ze dat ongestraft had mogen doen; ze haatte die schepsels met een onverzoenlijken haat; zij waren het die de Indische meisjes beroofden van haar toekomstige echtgenooten; die den gloed der jongelingen verteerden tot de asch van cynisme en geblaseerdheid; zij waren de kanker der Europeesche samenleving met haar huwelijks-surrogaat „buiten bezwaar.”
Ceciel had haar altijd verafschuwd, en nu vreesde zij haar mogelijken invloed op Jules.
„Je kunt hier niet blijven wonen.”
„Hè, waarom niet? Het is hier lekker.”
„Toch blijf je hier niet wonen, Jules.”
„Maar lieve Ceciel, wat moet ik dan?”
Ja, dàt wist ze op het oogenblik niet; maar de vrees voor de inlandsche huishoudster was zóó sterk, dat haar gewoon helder oordeel er onder leed, en als zij op dat oogenblik van twee kwaden het minst slechte had moeten kiezen, dan had ze nog liever haar principes over den pagger gegooid en Geerling „geborgen” à la madame Du Roy, dan hem hier voortdurend te laten wonen, alleen onder hetzelfde dak met een inlandsche njai.
„Ik zal je schrijven,” zei ze na een oogenblik. „Hier kan je niet blijven.....”
„En in het publiek kan ik onmogelijk allen braveeren en zeggen, dat ik mij slechts aan dwang zal onderwerpen. Daarbij: de oude heer is tot alles in staat, ook tot dwang.”
„Neen, neen; dat moet ook niet. Ik ben het op ’t moment nog niet met mijzelve eens; wacht maar tot je een brief van me krijgt.”
De brief kwam des middags en beviel hem maar half. Zij had een paar kamers voor hem gehuurd aan den anderen kant der stad; de menschen zouden het stil houden; de lust kwam bij hem op zich te verzetten, maar daarvan zag hij af, naar hij meende uit liefde en uit vrije beweging, maar metterdaad omdat hij niet durfde.
Zij kwam werkelijk met een grooten gesloten huurwagen geheel alleen, en hij vertrok naar zijn onbekende woning, waarvan Ceciel het adres opgaf aan zijn bediende, die met de koffers volgen zou.
Het was ten slotte een gekke expeditie, meende Geerling, en lachend zei hij:
„Het is alsof ik geschaakt word.”
Zij lachte mee, maar voelde dadelijk dat er in die uitdrukking iets lag, dat niet goed was.
„Hoe flauw! Het heeft er meer van alsof ik word geschaakt.”
„Ik wou dat het waar was.”
„Ei, en waarom? Is het niet beter zóó?”
„O ja; alleen vind ik het vervelend, dat het zoo lang moet duren.”
„Klaag je nu al?”
„Je moet denken, dat het mijn gewoonte niet is schuilevinkje te spelen. Voor een week of wat gaat het; maar het aardige is er gauw af. En nu nog maanden....”
„Ik wist niet, dat je zoo weinig voor me over hadt,” zei Ceciel met een zucht.
„Och, lieve, dat weet je immers wel beter, maar ik mag toch wel zeggen, dat het vervelend is.”
Het gesprek viel haar niet mede. Zou ze haar doel voorbijgestreefd hebben? Wat zou hij zeggen van dat nieuwe kwartier? Toen ze het erf opreden, bespiedde zij zijn gezicht.
„Dat ziet er zoo kwaad niet uit van buiten,” riep hij over het lederen kleed kijkend, dat gesloten was om hem te maskeeren.
„O, het is een zeer lief huis,” antwoordde Ceciel blijde: „het zijn ook zeer nette kamers en goede, vriendelijke menschen.”
Het was een huis met een bovenverdieping; zindelijk, goed onderhouden en eenvoudig Indisch, maar behoorlijk gemeubeld. Zij gingen een trap op, waaraan geen Indische oude dame zich zou gewaagd hebben, en kwamen op een groot naakt portaal met een bruin geverfden houten vloer, een groenen zolder en verblindend witte muren; hun schreden klonken luid en hol.
„Dat portaal is vervloekt ongezellig,” meende Jules.
„Ze moeten er een mat leggen en gordijntjes hangen voor de ramen, en wat schilderijen aan de muren.”
„Juist.”
„Weet je wat? Ik zal het zelf wel doen; ik kom hier elken dag een uurtje meubileeren.”
„Heerlijk! Maar zal je ma het willen hebben?”
„Nu, ik denk het wel. Ik zal maar beginnen met het te doen, zonder het te vragen.”
De kamers bevielen hem uitstekend, het was er veel zindelijker en netter dan in den pondok. Maar plotseling stond hij stil voor het venster en mompelde een vloek; de ramen zagen uit op het kerkhof. Groote zwarte letters op witten grond staarden hem in de halve duisternis van het wijkend daglicht spookachtig uit de verte aan: Memento Mori!
„Je moet me niet kwalijk nemen, lieve Ciel, maar ik kan hier onmogelijk wonen.”
„Waarom niet?”
Hij wees met uitgestrekten arm naar het reusachtig frontespies.
„Dat wil ik niet den heelen dag voor mijn neus zien; ik moet er niets van hebben.”
„Kom, wees toch niet kinderachtig.”
„En dan de miasmen?”
„Die komen zoo hoog niet; daar zal je hier geen last van hebben.”
„En het lijken-luchtje? Ik ruik het al,” zei hij met kluchtige vrees de lucht opsnuivend. „Had me in Godsnaam maar daar buiten gelaten. Wat hadt je toch tegen dien pondok?”
„Dat zal ik je bij gelegenheid wel eens zeggen.”
„Nu, maar ik ga dadelijk weer met je mee; ik logeer nog liever in het eerste logement het beste, dan hier in het gezicht van dat kerkhof.”
„Dus je wilt naar Europa gaan?”
„Maar Ciel!”
„Kan ik het anders uitleggen? Hoe kan nu een man zoo’n afgrijzen hebben van een begraafplaats!”
„Ja, ik kan het niet helpen, maar ik vind het beroerd.”
Zij praatten er over, maar kwamen tot geen resultaat; eindelijk riepen zij de vrouw des huizes, een eerzame Indo-Europeesche, en deze loste het geschil op door aan Geerling de twee kamers af te staan, aan den anderen kant van het huis; die hadden het uitzicht op den publieken weg, en dat beviel hem beter, althans hij nam er genoegen mee.
Toen Ceciel heenging, zag ze in de voorgalerij een baboe met een kind op den arm; het was een jonge mooie Javaansche vrouw. Driftig schokschouderde ze. Wat waren die dames toch dwaas, zulk volk in haar huis te halen. Alsof het voor een cent te vertrouwen was, dat inlandsche vee!
„Wel, hoe bevalt het hem?” vroeg haar moeder, over haar bril heenkijkend. De oude vrouw zelve had dit asyl voor den zich schuil houdenden Geerling gevonden.
Ceciel lachte.
„Hij heeft zoo het land aan dat kerkhof.”
„Dat dacht ik wel. Nu, ik zou je ook danken.”
„Ja, ik kan hem ook geen ongelijk geven; maar hij moet er maar aan gewennen, ma.”
„Weet je waar het nu veel van heeft, Ciel?”
„Nu?”
„Alsof wij hem gevangenhouden.”
„Wat zou het, ma? Als ik het betoel kon doen, geloof me, ik deed het.”
Zij lachten beiden en keken elkaar veelbeteekenend aan.
„Ik wist niet, dat je zóó verliefd waart.”
„Toch ben ik dat, maatje. Jules is voor mij als geknipt; maar eerst moeten we terdege getrouwd zijn.”
Ceciel ondervond, dat zoo Geerling de tijd lang scheen, die nog vóór zijn meerderjarigheid moest verloopen, zijzelve niet minder daartegen opzag. Zij had zich geheel met het denkbeeld mevrouw Geerling te worden vereenzelvigd, en zij kon het niet meer loslaten; het zou verpletterend zijn. ’t Was niet het sexueel verkeer, dat haar aantrok. Zij zou een goede vrouw zijn ook in dat opzicht; maar al was zij een fatsoenlijk meisje, onschuldig in den zin van onwetend was ze niet; de aantrekkelijkheid van het geheimzinnige, van het onbekende bestond niet voor haar. Dáár wist ze alles van, en in dàt opzicht zou een huwelijk slechts het amen zijn, dat noch onverwacht zou komen noch verrassend, en waarvan ze niet meer verwachtte, dan het zou blijken waard te zijn.
Wat haar aantrok, was het leven in Europa in den gegoeden fashionabelen stand. Zij was maar weinig uit geweest in Indië; de middelen haars vaders veroorloofden het niet, en zij had er ook weinig genoegen in. Wat was het eigenlijk?
Maar zij kon uren aan uren zich half blind zitten staren op de platen der Europeesche illustraties, als die het leven en bedrijf weergaven in de groote steden. Zoo’n fraaie coupé met een paar mooie paarden er voor en een correcten Europeeschen koetsier in nette livrei,—dat was wat anders dan het geuren in Indië met een halfsleten „wagen” en een toegetakelden aap op den bok; die reusachtige balzalen met tallooze kroonlampen en gebeeldhouwde zolderingen; die rijk getoiletteerde menigte,—welk een verschil met de povere imitaties hier! die ruime straten vol opgewekte menschen, drentelend op de geplaveide trottoirs langs de spiegelruiten, waarachter zooveel schoons in oneindige afwisseling was tentoongesteld:—daarheen vloog haar verlangen, en zuchtend keek ze naar den saaien, eentonigen weg, waarop wat half gekleede inlanders hun vuile voeten bewogen.
Zij had zich in het Europa harer droomen zoo vastgewerkt, dat zij er niet meer uit kon komen. Naarmate de kans om tot een huwelijk met Geerling te geraken grooter en grooter werd, was het verlangen dat leven mede te genieten krachtiger geworden; thans was het onoverwinnelijk; zij zou en zij moest hem hebben, en niets zou haar daarin kunnen tegenhouden, zoolang hijzelf maar wilde. En sedert Geerling nu de onmisbare voorwaarde was geworden voor haar levensgeluk, ijsde zij bij het denkbeeld, dat hij haar op de eene of andere wijze kon ontgaan; al was ze doodelijk van hem geweest, dan nog had de gedachte, „dat er toch wel eens niets van komen kon,” haar niet pijnlijker kunnen aandoen; het ontnam haar soms de gewone helderheid van geest; het maakte haar zenuwachtig; geen offer, dat ze niet had gebracht voor de zekerheid binnen vier en twintig uren zijn vrouw te worden.
Toen ze uitging om inkoopen te doen voor het meubileeren van ’t portaal van Jules, vroeg haar moeder:
„Ben je nu van plan daar dikwijls heen te gaan?”
„Zeker; als ik tijd heb elken dag. Hij verveelt zich anders dood de arme jongen.”
„En dan ben je daar boven met hem alleen?”
„Nu, wat zou dat?” vroeg Ceciel glimlachend; ze wist heel goed wat haar moeder bedoelde.
„Omdat het veel te gevaarlijk is..... Ja, Ceciel, je moet nu niet zoo den neus optrekken voor hetgeen ik zeg. Je zoudt de eerste niet zijn, noch de laatste, die te veel zelfvertrouwen toonde te hebben.”
„Dat weet ik niet; ik geloof dat die anderen nooit aan zelfvertrouwen hebben geleden, maar dicht bij het vuur gingen om zich te branden.”
„Het is heel scherp en hard, Ceciel. Pas zelf maar op. Die staat, zie toe.....”
Ceciel stopte haar ooren dicht en liep heen. Welk een mensch was toch haar goede moeder! Dat werkte met bijbelteksten! Die menschen uit den vroegeren tijd waren toch allen eender! Bijbelteksten op de tong en dwaasheden in het hart; heel sterk in praatjes, maar kwam het op daden aan, dan zonken ze voor elken schakel. Goddank, zij stoorde er zich niet aan; zij zou haar deugd niet richten naar huichelachtige femelarij; zij zou doen wat haar verstand haar zei, en aan haar verstand wilde zij haar deugd ondergeschikt maken. Zij was in dat opzicht haar eigen meesteres en geheel zonder contrôle, want haar moeder had reeds lang geen gezag meer over haar, en die goede onverschillige papa moest men met zulke dingen niet aankomen, want dan mopperde hij en zei, dat hij het „verdomde” om als schildwacht te dienen; dat Ciel maar zelve moest weten wat ze deed, want ze was oud en wijs genoeg.
Zij kocht de matten met opzet wat groot; dan hield het pasklaar maken nog een beetje aan; dat was weer tijd gewonnen. Ze kocht een paar nieuwe Fransche romans en nog een en ander, waarmede zij dacht dat ze hem genoegen zou doen.
Toen ze het erf opreed met een wagen vol goed, stond hij voor het venster en zag haar aankomen. Verheugd liep hij naar beneden haar te gemoet.
„Dat is lief van je, Ciel. Ik had niet gedacht, dat je al zoo spoedig die moeite zoudt doen.”
Zij kusten elkaar.
„Ik moet je hier toch in dit graf ’t leven ’n beetje aangenaam maken. Kom, help me maar eens uitpakken.”
Zij maakten een gezellige drukte van aanbelang; alle bedienden van den hospes kwamen er aan te pas.
Toen alles boven was, en zij samen aan het arrangeeren waren, beviel het Geerling hoe langer hoe meer.
„Het is net,” zei hij, „alsof we aan het meubileeren van ons huis beginnen, vindt je niet?”
„Hm, hm!” zei ze met eenigszins afgewend gelaat om den spottenden glimlach te verbergen, want ze dacht:
„Het verschil zal je wel gewaarworden in je beurs als het zóó ver is.”
Ze wist het zóó geruimen tijd hem naar den zin te maken; zij kwam elken ochtend een paar uren en bracht hem telkens iets nieuws mee, hetzij op zijn verzoek en voor zijn geld, dan wel als een verrassing van haar kant. Maar zij voelde, dat aan dit leven spoedig een einde moest komen. Zij was zeker niet op hem verliefd, maar ze dacht toch op minder hooghartige wijze over de eenvoudige raadgeving harer moeder. Het was gelukkig dat Jules voor eens en voor goed was afgebluft, want onder dit vrij en ongehinderd samenzijn elken dag, waren er tot haar verbazing en vrees oogenblikken geweest, die hoogst gevaarlijk hadden kunnen worden. Hij klaagde erg over zijn vervelende avonden; daar hij nu toch zich reeds geruimen tijd had schuil gehouden en niemand meer ernstige pogingen deed om hem te ontdekken, sprak zij met hem af, dat hij voortaan maar liever des avonds bij haar aan huis zou komen. Nu en dan wat vroeg; dan kon hij blijven eten. Zag men hem, in Godsnaam!
Van Brakel had zelden zoo’n kalmen tijd gesleten, als de laatste maanden. Hij ontving geregeld het geld van den Chinees en droeg het af bij Lucie, die het op haar beurt aan den advocaat zond.—Wel was hij achteruitgegaan in zijn gewonen doen, en zat hij vrij dik in de schulden in het kleine plaatsje, maar dat hinderde nog niet. De aannemer, vond hij, maakte geen misbruik. Het geleverde materiaal was draaglijk goed en de hoeveelheid kon ook zooveel niet schelen; het is zeker, dat hij het vroeger zou hebben afgekeurd, en hij toen bij nameting zou hebben gezien, hoeveel er ontbrak dat als aanwezig zwart op wit stond vermeld. Maar eenmaal aan het knoeien, vond hij het al heel wel, dat hij niet meer dan één oog behoefde dicht te doen. Het zou, meende hij, alles kalmpjes afloopen; het werk zou klaar komen op tijd, en dan was hij gereed om naar elders te verhuizen, want voor gewoon onderhoud had men daar geen ingenieur noodig.
Zoo vlood het leven zonder veel zorgen voort; hij maakte druk partijtjes, dronk een stevig glas, smulde met zijn vrouw binnenskamers, als het eten in het logement niet lekker genoeg was, en zij, veel geld uitgevend om de kinderen op te voeden in vetmesterij en veelvraterij, nam er ook terdege het hare van. Ze werden zeer dik. Niet zoo, dat zij het alleen opmerkten, maar het trok de aandacht, en de ingezetenen van het plaatsje zeiden lachend, dat de lucht daar dien ingenieur en zijn vrouw en kroost goed deden.
Ze hadden de gewoonte ’s morgens heel vroeg den grooten weg langs het logement een eindje op en neer te wandelen. Lucie eenigszins waggelend, door het overwicht harer dikke schouders en armen, die uit de kabaja schenen te willen barsten, maar matblank van gelaatskleur: hij met een rood verbrand gezicht, omlijst door zijn blonden krullebol en in de verte glinsterend door den gouden bril, dien hij op den neus droeg; in zijn wijde kabaja met een groot overslag zonder knoopen, en in zijn ook zeer wijde katoenen slaapbroek met roode streepjes, scheen hij nog veel breeder en zwaarder dan zijn vrouw. Zoo wandelden ze hoogst gemoedelijk weder langs den weg, toen een reiswagen, dien ze uit de verte hadden zien aankomen, plotseling dicht bij hen stilstond. Een heer met een zwarten ronden hoed op, een zwart jasje aan en een reistaschje aan een lederen riem over den schouder stapte uit. Van Brakel verschoot van kleur; hij kreeg een gevoel alsof een zware last op zijn borst werd gelegd.
Het was de hoofdingenieur Willert.
„Dag mevrouw Van Brakel,” zei hij vriendelijk, „hoe gaat het?”
„Dank u meneer Willert; hoe maakt het uw vrouw?”
„Uitmuntend, dank u. Zij laat u groeten.”
Daarop wendde hij zich half tot Van Brakel. „Excuseer mevrouw!.... Van Brakel, ik wou je wel even spreken....” en zonder meer nam hij hem mede een eindje ter zijde.
„Ik kom het werk eens inspecteeren.”
„Wel, dat doet me genoegen.”
„Zoo. Je behoeft je geen moeite te geven vandaag. Blijf maar thuis; als ik je noodig heb, kom ik wel even aan of ik zend een boodschap. Adieu.”
Willert stapte weer in zijn rijtuig, na voor Lucie den hoed te hebben afgenomen.
Toen het rijtuig verder reed en Lucie haar man aanzag, schrikte zij van zijn ontsteld gezicht.
„Wat is het, Herman?” vroeg ze angstig.
„Het is.... dat er iets broeit.... dat de bom barst.... dat.... God weet het!”
Zijn stem had geen klank; elk woord kostte hem moeite.
Zij keerden terug naar het hotel. Lucie sprak voortdurend en eenigszins zenuwachtig. Wat kon het wezen? Men kon hem immers niets bewijzen. Het eenige was, dat hij misschien een aanmerking zou krijgen, en wat kon hem dàt schelen. Al werd hij overgeplaatst, dat toch wel het ergste zou wezen, dan was het immers nog zoo verschrikkelijk niet. Maar daarvoor was zij niets bang. Gut neen; Willert was zoo vriendelijk...
„Tegen jou, ja,” viel Van Brakel, die gezwegen had, haar in den woordenvloed. „Tegen jou, maar niet tegen mij. Hij was juist zoo vriendelijk tegen jou om mij te negeeren. Mij heeft hij niet de hand gereikt.”
„Dat kan toevallig wezen.”
Maar hij liet zich in dat opzicht niet bepraten.
„Dat is niet toevallig onder mannen, die elkaar kennen en die elkaar in zoo langen tijd niet hebben gezien.”
„Ga je nu niet naar het werk?”
„Wel neen,” barstte hij los in een vlaag van woede. „Je hebt het immers gehoord: als hij me noodig heeft, zal hij me wel laten roepen.”
„Maar dat is infaam! Op zoo’n manier kan hij wel alles van je zeggen.”
„Natuurlijk. Dáárom is het hem te doen; dáárvoor heeft hij me immers al sedert jaren gezocht.”
Zij zetten elkaar op tegen Willert. Een handeling als de zijne was schandelijk. Op zulk een wijze als een bom uit de lucht te vallen en dan alleen naar het werk te gaan, natuurlijk om achter den rug van Van Brakel te konkelen met ondergeschikten,—nu dat kon men alleen verwachten van zoo’n ex-werkbaas; een welopgevoed man zou zoo iets niet kunnen doen.—En naarmate zij meer doordrongen geraakten van de overtuiging, dat de wijze van doen des heeren Willert unfair, ja gemeen was, schenen zij Van Brakels schuld uit het oog te verliezen; zij drongen die al pratend op den achtergrond; de leugen overtoog hun geest als een lijkwâ, en ze eindigden met zichzelven en elkaar diets te maken dat er tegenover Van Brakel een groote onbillijkheid stond begaan te worden; dat hij onrechtvaardig werd bejegend en volkomen onverdiend werd verdacht.
Aan de rijsttafel in het hotel spraken zij er luide en met verontwaardiging over. Lucie het ergst. Zij ging nog gemakkelijker op in den leugen dan haar man.
Er zaten maar enkele gasten aan tafel, en die hoorden het aan met meer geveinsde dan werkelijk gevoelde verontwaardiging; ze gaven toe, dat het een gemeene behandeling was.
„En dat tegenover iemand als Van Brakel,” zei Lucie met vuur. „Juist hij heeft zich nooit met iets ingelaten, en is altijd even streng en even eerlijk geweest tegenover de Chineezen. Maar het is hier een troep! Wie niet meeknoeit, wordt gehaat en verdacht gemaakt.”
Toen ze zóó vergat, hoe ze aan het geld kwam voor mevrouw Du Roy, schrikte Van Brakel en keek haar een oogenblik met verbazing aan. Hij voelde niet, wat er gaande was in den geest dier anders zoo eenvoudige, gemoedelijke vrouw; hij begreep niet, dat tegenover het gevaar, hetwelk haar man en kinderen dreigend naderde, de gewone levens-moraal voor haar in het niet zonk; dat in haar ziel de tijgerin ontwaakte, die haar hol met klauw en tanden tegen aanranding verdedigde. En voor haar, als vrouw in de Europeesche samenleving, stelde het woord den klauw en tanden voor; dat woord was haar eenig weermiddel, en dat gebruikte ze onverschillig of het was om te liegen of om de waarheid te spreken,—als het maar strekken kon tot verdediging van hen, die ze liefhad.