Part 13
Het scheen dat de hoofdingenieur Willert den ingenieur Van Brakel niet noodig had, althans men hoorde niets meer van hem, en zag alleen des middags zijn gesloten reiswagen weder naar de kustplaats vertrekken. Zelf had Willert het onaangenaam gevonden, dien maatregel te nemen; maar na rijp beraad had hij het toch ’t beste geacht. Indien waar was, wat hem ondershands werd bericht, dat Van Brakel knoeide met den aannemer, en materiëel goedkeurde, dat bepaald afgekeurd moest worden, dan zou hij, Willert, indien zij samen er heen gingen, daarover onaangename aanmerkingen moeten maken, die noodwendig tot dadelijke standjes hadden geleid, want hij wist hoe brutaal en recalcitrant Van Brakel altijd in ’t bijzonder tegen hem was geweest. Wat zou dat teweegbrengen? Het zou gehoord worden door ondergeschikten, en dus zeer schadelijk zijn voor het ambtelijk prestige; het zou, en dat woog bij Willert het zwaarst, op hemzelven een indruk maken, die wellicht van invloed kon zijn op het door hem uit te brengen rapport.
Nauwelijks had hij het aangevoerde en deels reeds verwerkte materiaal gezien of het was voor zijn practischen blik zonneklaar, dat wat de architect hem geschreven had, niets was dan de zuivere waarheid; stil en alleen ging hij rond, noteerend in zijn zakboekje; nu en dan vroeg hij iets aan een opzichter, maar dan kreeg hij zonderlinge antwoorden; ontwijkende antwoorden, die hem deden zien, dat die menschen het alles reeds lang hadden bespeurd, maar te veel hielden van hun chef om iets ten zijnen nadeele te willen zeggen. Willert ging in de loods, nam er inzage van de boeken, de staten en lijsten; noteerde er nog eenige cijfers uit, en na de werken op die wijze te hebben nagegaan, vertrok hij. Toen hij zijn ouden vriend, den architect, de hand gaf, wisselden zij een blik, die voor hen voldoende was en mondelinge toelichting overbodig maakte.
Van Brakel ging zijn gewonen gang, en deed op het werk alsof er niets was voorgevallen; hij wist thans, dat hij bespionneerd was en ook door wien. Niemand had het hem behoeven te zeggen; hij begreep dat het geen mensch anders wezen kon dan de architect, en toen hij in de loods de plaats voorbijging, waar de rustige, bejaarde man met ijzige nauwgezetheid zijn werk deed, wierp de ingenieur hem een blik toe, waarin hij meende al den haat te concentreeren, welken hij gevoelde voor Willert en wat hij nu noemde, diens satelliet.
Er kwam na eenige dagen een uitvoerig, geheim schrijven, dat Van Brakel per keerende post moest beantwoorden. Hij deed het en was in zijn brief scherp en brutaal, stoffende op zijn beproefde eerlijkheid als ambtenaar, op zijn goede trouw en zijn dienstijver, hatelijk zinspelend op afgunst en kleingeestigheid, die een fatsoenlijk man ten gronde wilden richten. Hij wist niet, dat men wist wat men wist. ’t Was hem onbekend, dat er buiten hem en Lucie nog anderen waren, op de hoogte van haar aanzienlijke geldverzendingen elke maand; het was haar schuld; zij had het zich op een goeden dag uit den mond laten vallen, tegen de vrouw van den logementhouder, die het verteld had aan de vrouw van den postcommies, die het verteld had aan haar man, die het zijn vriend den architect had medegedeeld, die het gerapporteerd had aan den hoofdingenieur Willert, die het in stilte had onderzocht en thans volkomen op de hoogte was.
Er kwam een nieuw schrijven met bepaalde vraagpunten ter beantwoording, en daarin werd hem duidelijk, dat Willert alles wist. Hij antwoordde met groote brutaliteit; hij ontzegde iedereen het recht zich met zijn particuliere aangelegenheden in te laten; hij weigerde vragen van dien aard te beantwoorden, omdat men niet bevoegd was hem die te stellen, enzoovoort. Het was een antwoord vol exceptiën, maar dat niets zakelijks inhield.
En nu leefden zij in afwachting, maar dat duurde slechts eenige dagen. Toen kwam een besluit en te gelijk een plaatsvervanger. Van Brakel was geschorst in zijn betrekking, totdat nader over hem zou worden beschikt. En alsof alle rampen te gelijk moesten komen, schreef de oude heer Drütlich dat de geldschieter hem van zijn land had afgezet, en hij, ten einde raad, voorloopig zijn intrek kwam nemen bij zijn „geliebten Eidam”, een uitdrukking, die de oude heer altijd gebruikte als hij in een humoristische bui was.
„Heb je het gehoord van den smeerlap?” riep mevrouw Du Roy bij Ceciel binnenstuivend.
Zij werd er niet mooier op; haar onderofficier deed haar aftakelen; zij had als laatste souvenir aan zijn beminnelijkheid, een blauw oog, dat ze vruchteloos onder een laag bedak trachtte te verbergen.
Ceciel kneep de lippen samen. Hoe meer zij zich familiaar maakte met het denkbeeld, dat zij mevrouw Geerling zou wezen, des te erger stuitten haar de ruwe woorden en het losbandig gedrag harer tante tegen de borst; als zij niet vast had geweten, dat mevrouw Du Roy veel geld had en een deel daarvan aan haar, Ceciel, zou komen bij erflating, ze zou het onhebbelijke schepsel reeds lang voor goed het huis hebben ontzegd.
„Wat is er dan gebeurd?” vroeg ze.
„Van Brakel is geschorst.”
„Kasian!”
„Wat kasian! Ben je gek, Ciel? Hij heeft zijn verdiend loon, de smeerlap. Heb kasian met mij; ik schiet er een deel van mijn arme duiten bij in, die ik heb geleend.”
„Dat is wel mogelijk, maar toch spijt het me voor de arme menschen...”
„Maar kind, ben je heelemaal krankzinnig? Spijt het je voor dat wijf, die pauwin, die te trotsch was om iemand aan te zien?”
„Alsof ze geen reden had om u niet aan te zien!”
„Nu ja,” zei mevrouw Du Roy met een lach vol zelfvoldoening. „Mij spijt het alleen om mijn geld; de rest kan me niets schelen. Voor mijn part sterven die lammenadige Van Brakel en zijn wijf van honger in de goot.”
„Waarom is hij geschorst?”
„Wel begrijp je dat niet?”
„Neen, hoe zou ik dat kunnen begrijpen?”
„Wel, waar denk je dan, dat hij het geld vandaan haalde, om mij elke maand af te betalen?”
Ontsteld keek Ceciel haar aan.
Mevrouw Du Roy lachte luid om zooveel onnoozelheid.
„Hoe je dat zou kunnen begrijpen? Wel, het is duidelijk: hij heeft het gestolen van het gouvernement.”
Een oogenblik stond Ceciel als verstomd. Toen overviel haar een storm van drift, die haar anders zoo koel verstand niet in staat was te bedaren. Het kwam in haar op met onweerstaanbaren drang; het „iets”, dat ze in haar karakter had geërfd van den ouden zeeman, haar vader, baande zich met geweld een weg, door alle barricaden van overleg en berekening. Zij stond voor haar tante als een beeldschoone, maar woeste furie, met wijd geopende oogen en een dreigende houding.
„De deur uit, gemeene slet!” gilde ze, en toen mevrouw Du Roy daaraan niet in de volgende seconde voldeed, greep ze haar bij den arm en duwde haar met zulk een geweld de kamer uit, en de binnengalerij in, dat haar schenen in hoogst pijnlijke aanraking kwamen met de uitstekende punten van de sleden der wipstoelen. En ook daar hield zij zich niet op. Een oogenblik later stond mevrouw Du Roy in de buitengalerij als een steenen beeld, terwijl met een luiden slag de deur van haars zusters huis voor haar neus werd dichtgesmeten.
Zulk eene bejegening was echter niet geschikt om van mevrouw Du Roy ontslagen te raken. Zij ging woedend naast het huis om naar achter, waar haar zuster, die van het standje niets had gehoord, hoogst gemoedelijk stond uit te rekenen hoe het komen kon, dat haar kokki vijf centen minder van den pasar had teruggebracht, dan ze aan ingekochte waren kon verantwoorden. De arme mama kreeg de volle laag, en wel zoo erg, dat haar man, die in de achtergalerij stond, zijn gewone kalmte en goedaardigheid verloor, tot ieders verbazing en ontsteltenis mevrouw Du Roy bij den arm vatte en haar onder het uiten van eenige zonderlinge zeetermen hoogst onzacht heen en weer schudde. Nu ontstond een verschrikkelijke huilpartij, waarvoor Ceciels vader dadelijk de vlag streek en op de vlucht ging, evenals de bedak op het gezicht van mevrouw Du Roy; er werden, onder een zee van tranen, verklaringen gegeven, en beiden gingen het huis binnen, naar Ceciel’s kamer.
Maar Ceciel was niet te spreken; zij had de deur van haar kamer met den sleutel gesloten en wilde mevrouw Du Roy niet te woord staan; geen smeeken of dreigen mocht baten. Eindelijk begon mevrouw Du Roy haar luid uit te schelden door het sleutelgat, wat Ceciel’s moeder niet kon verdragen. De twee zusters, reeds half verzoend, kregen het weer danig aan den stok en zouden elkaar in de kondé hebben gevlogen, zoo het departement van marine er zich niet weer mee had bemoeid, op welks aanblik mevrouw Du Roy bleek en scheldende het huis uitvloog, de deur hard achter haar dicht trekkend.
Hoogst opgewonden liep ze naar haar woning. Het zou lang duren voordat ze tegen die ondankbare beesten weer een woord sprak! Welk een gemeene behandeling! Altijd hielp zij hen, dan met dit, dan met dat; laatst had ze Ceciel nog haar prachtigen waaier geleend. Dat was waar ook; dien moet ze dadelijk terughebben en nauwelijks met de voeten in haar voorgalerij, liep ze weer terug.
Intusschen was de tegenpartij tot bedaren gekomen. Ceciel had met haar ouders gesproken. Het kon niet op die manier; ze hadden tante Du Roy te hard noodig; en toen deze het huis binnenstormde, vond zij de familie vrij rustig.
„Mijn waaier! Ik moet dadelijk mijn waaier hebben.”
„Wel,” zei Ceciel heel kalm, „ik zal dadelijk uw waaier halen. Ga zoolang zitten.”
„Ik wil niet zitten bij jullie.”
„Dan moet u maar blijven staan. Ik kan er niets aan doen.”
Met zwoegenden boezem stapte mevrouw Du Roy op en neer, terwijl de vergulde hakjes van haar sloffen bij elken stap kort en droog door de galerij klonken.
Daar haar zuster noch haar zwager een woord zeiden, heerschte er een stilte, die haar nog zenuwachtiger maakte. Zij hield het geen twee minuten vol, maar barstte nogmaals uit in jammerklachten en geween, en toen Ceciel met den waaier uit haar kamer kwam, vond zij haar vader niet meer—die was opnieuw voor het gejammer gevlucht—, terwijl haar moeder en haar tante onder een zee van tranen, elkaar verweten, hoe gemeen zij elkaar behandelden.
’t Mooie meisje zuchtte; dàt was dan toch, vond ze, om naar van te worden. Er moest een einde aan komen. Zoo graag zou ze gezien hebben, dat het nu voor goed uit was geweest met de relatie met tante Du Roy! Nu dat onmogelijk was voor haar ouders, moest er maar zoo gauw mogelijk een eind aan den twist komen.
Met een leuk gezicht, waarop alleen een spotachtig trekje om den mond te zien was, ging ze recht op mevrouw Du Roy toe en reikte haar de hand.
„Wees niet boos, ja, tante? Ik vraag excuus.”
Mevrouw Du Roy straalde van genoegen, maar ze begon toch met een lange redevoering, waaraan echter Ceciel een einde maakte door met een boos gezicht te zeggen:
„Kom, laat het nu uit zijn; ik heb immers excuus gevraagd.”
De vrede was nu hersteld; tante Du Roy bleef rijsttafelen; ze liet zelfs heel veel lekkers halen van haar huis. Nu en dan werd er nog even nagehuild; dat waren de zenuwen; intusschen beloofde mevrouw Du Roy aan Ceciel een gouden ketting; als ze trouwen ging met Geerling kreeg ze een paarlen collier en een wit satijnen kleed cadeau; alvast mocht ze den waaier behouden. „Ceciel,” zei ze, „wist niet hoeveel haar tante van haar hield,” enzoovoort.
Ceciel hield zich goed en toonde zich maar dankbaar bij voorbaat. Als het, dacht ze, maar eerst zóó ver was, dat het huwelijk zoo goed als gesloten was, in welke japon kon haar niet schelen en de ketting was haar ook onverschillig; zooveel was wel zeker, dat ze dan de giften van tante Du Roy zou weigeren, en haar betoel de deur wijzen; dan zou ze de oude lui wel zelf te hulp komen, als die nu en dan iets noodig hadden.
Toen Geerling ’s avonds kwam, vertelde zij hem op haar eigenaardige komieke manier de huilpartij van dien middag; hij gierde van het lachen, vooral om de tegenstellingen, die Ceciel met de grootste kalmte tot haar recht liet komen.
„Je begrijpt,” zei ze, „dat ik niets wil hebben van al haar moois.”
„Och, waarom niet,” zei Jules, „als zij het geven wil, laat ze het dan maar doen. Als wij in Europa zijn, zal niemand vragen of er ook iets is dat van mevrouw Du Roy in Indië afkomstig is.”
Geerling was niet verrast, toen hij des avonds een brief vond op zijn kamer, een brief van het kantoor.
Het was een lang epistel, dat, hoezeer het een goede tijding behelsde, hem onaangenaam trof. Er schemerde eigenlijk in door, dat hij zich gedroeg als een kwajongen, niet doordrongen van het besef, wat hij zijn naam, zijn ouders en zijn verdere betrekkingen verschuldigd was; er stond vrij duidelijk, dat hij bleek volstrekt niet op de hoogte te zijn zijner eigen positie, en dat hij een schande was voor de firma; maar niettemin moest er een einde aan komen aan den tegenwoordigen toestand. Hij werd uitgenoodigd weer als gewoonlijk op ’t kantoor te komen; er zou net worden gedaan alsof er niets was gebeurd. Maar hij moest zijn tegenwoordig verblijf verlaten en weer zijn intrek nemen in het hotel.
Ofschoon het reeds tamelijk laat was, en hij geen voertuig beschikbaar had, keerde hij toch weer naar Ceciel terug. Het huis was gesloten; de luiken waren dicht, en het was zeer donker; de honden blaften hem aan en maakten een geweldig leven; met zijn stok tastend vond hij den weg tot voor het venster van Ceciel’s kamer, maar het venster was gesloten, met een store en bovendien aan den benedenkant door een chassinet, tegen het inkijken.
Hij greep het vensterkozijn, zette de punt van zijn laars op den richel langs den muur, en trachtte door de latjes van de store te kijken. Nu, dat ging gemakkelijk genoeg, maar er was niets te zien, want Ceciel sliep en het ledikant werd door een schutsel gemaskeerd. Toch stond hij een oogenblik in die lastige houding en snoof met welbehagen het lichte odeurtje op, dat door de opening tot hem kwam.
„Ciel!” riep hij zacht. Ontwakend maar zonder te weten wat er aan de hand was en wie haar riep, antwoordde zij werktuiglijk: „Ja- a.”
Hij lachte, riep nogmaals, en nu hoorde ze dat het Jules was. Haastig trok ze een kabaja aan en kwam te voorschijn. Natuurlijk dacht ze aan iets anders.
„Wat is het, wat kom je doen?” zei ze zacht door de store heen.
Hij schoof haar den brief toe.
„Lees dat eens; dat vond ik daareven op mijn tafel.”
„Wacht, ik kom bij je.”
Ceciel riep haar moeder, en liet deze de deur openen; zij vertrouwde ’t spel nog niet. Toen hij binnen was, las ze den brief overluid.
„Wat zeg je er van?”
„Wel, ik vind het uitmuntend; het kan niet beter.”
„Zou het geen foppage zijn?”
„Neen, dat is het niet, Jules. Ze hebben ten deele gelijk. Maar ze doen het zoomin om jou, als om mij; het is hun eigen ijdelheid.”
„Precies! Dat heb ik ook ingezien.”
„Speculeer daar een beetje op, en als ze met praatjes beginnen, dreig hen dan met een groot schandaal; je ziet nu waarvoor ze bang zijn.”
Hij grinnikte.
„Je bent een slimmerd, hoor. Laat ik je een zoen geven.”
Lachend liet ze hem begaan.
„Ik ben blij, dat je het nog bent komen zeggen, Jules. Het is heel aardig van je.”
Hij had graag nog een beetje gebleven, nu hij er toch weer terug was, maar zij zond hem spoedig naar huis; hij wist nu immers dat hij bespied werd, en dat kon thans ook wel ’t geval wezen.
Den volgenden ochtend nam Jules Geerling zijn intrek in een logement, waar hij met groote nieuwsgierigheid door iedereen werd bekeken; hetzelfde gebeurde hem toen hij op ’t kantoor zijn plaats aan zijn lessenaar weer innam. Niemand, echter, zeide iets; hij kreeg weer het weinige, dat hij gewoon was te doen, voor zijn aandeel, en alles ging precies als voor zijn escapade.
Het stelde hem gerust, maar Ceciel niet. Zij had liever gewild, dat er nog verder over was gesproken en hoe Geerling ook trachtte haar te kalmeeren, het baatte niet.
Toch ging de eene week vóór, de andere na, in rustige rust voorbij; hij was overdag op ’t kantoor, en meestal zat hij des avonds bij zijn meisje. Hij wandelde openlijk met haar langs den weg, en dan zag ze er zoo keurig netjes uit en was ze zulk een lieve verschijning, dat eigenlijk niemand het hem kwalijk kon nemen.
Het was op een Zaterdag, dat hij ’s middags uit den toko-wagen stapte, die hem naar het logement reed. In de voorgalerij zat een nieuwe gast in slaapbroek en kabaja; men kon het hem aanzien, dat hij pas uit Europa kwam, en daarbij in de open lucht leefde, zoo blozend en kerngezond zag hij er uit.
„Zoo, meneer Geerling,” riep hij lachend. „Hoe gaat het?”
„Wel, dag commandant, hoe maakt u het?”
Zij wisselden een hartelijken handdruk; het was de gezagvoerder van den stoomer, waarmee Geerling was uitgekomen. Jules nam een stoel en informeerde naar mede-passagiers, en de gezagvoerder, die geheele tot den dag bijgehouden registers van den burgerlijken stand in het hoofd scheen te hebben, wist precies te vertellen, wat er met dezen en genen was voorgevallen.
„Wanneer gaat u weer terug?” was de gewone slot-vraag van den oud-passagier.
„Ik weet het nog niet. Apropos, komt u niet eens ’n kijkje nemen aan boord?”
„Welzeker, heel graag.”
„Nu, ga dan morgen met me mee; morgenochtend om ’n uur of acht.”
Het jonge mensch trok een bedenkelijk gezicht.
„Acht uren is nog vroeg. Het is Zaterdag-avond en ’t wordt allicht een uur of twee vóór ik naar bed ga.”
„Doe dan als ik en blijf thuis.”
„Het is hier zoo gloeiend vervelend in het hotel.”
„Weet je wat, laat ons samen naar de sociëteit gaan, tot twaalf uren een partij biljart spelen en dan naar kooi.”
Nu, dat vond Geerling goed. Hij ging alleen naar de sociëteit Zaterdagsavonds omdat het een soort gewoonte was, en hij bleef er zitten en dronk er cognacjes uit verveling, meestal tot laat in den nacht.
Dien avond amuseerde hij zich. De kapitein was een vroolijk en opgeruimd man, met zooveel vrienden en kennissen, dat hij onder het maken van elke partij biljart wel vijf en twintig handdrukken moest uitdeelen. Maar hij dronk matig, en zij gingen in de meest normale stemming naar het hotel terug.
’s Morgens vóór zessen werd Geerling al gewekt door den kapitein, en klokke zeven zaten ze aan het ontbijt in de lange achtergalerij; de kapitein was bijzonder opgewekt.
„Je moet maar niet veel eten,” zei hij. „Ik heb bij mij vrij wat beter ontbijt. Bewaar je honger voor aan boord.”
„Dat is waar ook,” antwoordde Geerling, een ei van twijfelachtigen geur ter zijde leggend. „We moesten maar dadelijk gaan.”
Doch de kapitein moest nog even naar achteren om af te rekenen met den hotelhouder, en schoon Geerling altijd had gehoord, dat de gezagvoerders van mailbooten met Indische logementhouders weinig hebben af te rekenen, duurde het toch geruimen tijd, en kwamen ze in druk gesprek naar voren.
„Het heeft ’n beetje lang geduurd, hè?”
„Ja, nogal.”
„Ik had nog een paar commissies voor hem.”
Zij stapten in het rijtuig, reden naar den Boom en gingen met de sloep van den gezagvoerder naar de reede, waar de stoomer ver buiten lag.
Er waren weinig passagiers aan boord, en er zouden er van hier ook maar twee gaan; de rest zou te Batavia komen. De kapitein ging even heen om het een en ander te regelen, maar hij kwam gauw terug, nam Geerling mede naar zijn hut, en liet een flesch champagne opentrekken.
De lucht was een beetje wazig; de stralen van de ochtendzon vielen er nog maar flauwtjes door; het zeewater kabbelde in groenblauwe korte golfjes tegen de verschansing; door de ramen van de bovendekshut, waarvoor, half dicht geschoven, groen saaien gordijntjes aan koperen roeden fladderden, had men aan den eenen kant het uitzicht op de rijk bezoomde kust en het zacht oploopend gebergte met een achtergrond van blauwe massa’s, welker flauwe lijnen de effen lucht braken; aan den anderen kant de horizon. Het was er erg gezellig, en het eenige, wat Geerling hinderde, was het geratel van de stoomlier, die de colli’s optrok uit de prauwen langszij en ze met donderend geweld neersmakte bij de stuwers in het ruim.
De commandant had zijn armen gelegd op de kleine mahoniehouten tafel, en in zijn dikke, harige hand, wiegde hij zachtjes het glas lichtgele champagne, dat met een laagje teeder helderwit schuim bedekt en met de omhoogrijzende luchtbelletjes, er uitlokkend uitzag; hij keek Geerling aan, die met kleine teugen zijn glas ledigde, en een spottende glimlach trok de hoeken van zijn breeden mond omlaag.
„En nu gaan we samen weer eens een reisje maken.”
Geerling keek even op; hij lachte.
„Nog niet. Het volgende jaar, dat beloof ik u. En dan ga ik niet alleen mee; dan doe ik mijn huwelijksreis met deze boot.”
„Het is mogelijk, als ge vóór dien tijd in Indië terug zijt.”
„Terug zijt?”
„Welzeker. We gaan nu samen naar Amsterdam. Dat is zoo afgesproken.”
„Hoe flauw,” lachte Geerling, maar in zijn binnenste kwam een onaangenaam gevoel op.
De kapitein schudde het hoofd.
„Noem het niet flauw, meneer Geerling,” zei hij zeer ernstig. „Het is de uitdrukkelijke wil van uw vader. Ik heb alle stukken bij me en kan u door den sterken arm laten dwingen. Maar u zult mij daartoe niet noodzaken, daar bent u veel te verstandig voor. Bedenk dat alles geschiedt in uw wezenlijk belang. Ik heb den ouden heer herhaaldelijk gesproken, en hij heeft heel veel verdriet om u gehad; men kan het hem aanzien. Ik vertrouw dan ook dat u mij niet zult noodzaken tot het nemen van onaangename maatregelen. U is mijn passagier tegen wil en dank; ik begrijp dat u dit hard op het lijf valt; maar onderwerp u aan wat u toch niet kunt veranderen, en vergeet niet, dat ik mijn plicht als gezagvoerder zou moeten doen, als gij hier iets deedt, wat ik niet zou kunnen toestaan.”
Jules Geerling zat als versuft te kijken; dat het ernst was betwijfelde hij niet, en dat zijn vader hem kon dwingen zoolang hij minderjarig was wist hij ook. Hij luisterde niet naar de geheele tjerita van den commandant en diens bedekte dreigementen.
„Ik heb geen stuk goed,” riep hij eensklaps.
„Maak u daarover niet ongerust. Er is voor gezorgd.”
„Hoe kon ik ook zoo dom zijn. Het is een geregeld komplot.”
„In uw eigen belang.”
„Daarover heeft een ander niet te oordeelen. Ik ben oud en wijs genoeg om het zelf te doen, als niet een stomme wet...”
„Maak u niet driftig. Er is toch niets aan te veranderen. De oude heer heeft groot gelijk. Het zou zonde wezen als uws vaders zoon, die zoo’n groot fortuin heeft te wachten, zich verslingerde aan........”
„Geen woord daarover asjeblieft, commandant. Het meisje, dat mijn vrouw zal worden, verstaat u? is fatsoenlijker dan zij, die brutaal genoeg zijn om kwaad van haar te spreken.”
De kapitein beet zich op de lippen, hij had hem met liefde een „oorpeuter” gegeven, dat hij door het raampje over de reeling naar de haaien vloog; maar hij had den ouden heer beloofd zich niet boos te maken en met tact en beleid het verloren schaap thuis te brengen.
„Uw vader, meneer Geerling.....”
Voor de tweede maal viel Geerling hem woedend in de rede, terwijl hij met zijn glas zoo hard op het tafeltje sloeg dat de kelk van den voet vloog.
„Zij is fatsoenlijker dan mijn vader ook. Zij zou zulke gemeene streken niet uithalen, als papa tegen mij doet; daar ben ik zeker van. Maar het is goed! Ik weet dat ik geleverd ben en er niets tegen kan doen, en ik zal me onderwerpen.... Heel goed!.... Ik zweer niettemin, dat zij mijn vrouw zal zijn binnen het jaar.... Nu zal ik meegaan, maar ik ga terug.... zoo gauw als ik kan, terug.”
„Nu, dat is best,” zei de kapitein goedaardig. „Als je maar eerst in Amsterdam bent.... en dan ’n reisje naar Weenen of Parijs.... kom, ik zou me er maar overheenzetten.... Ik heb in mijn jeugd ook wel eens ’n grap gehad. Il faut que jeunesse passé,—maar men moet het niet te ver drijven.”
„Het is geen grap; het is....”
„Neen, dat weet ik wel; het is ernst; doch dat gaat immers wel over; laat ik je nu maar eerst uw hut wijzen; het is een mooie, ruime, met twee couchettes; een voor het breken.”
Terwijl de kapitein zoo voortpraatte, bracht hij Geerling naar beneden en sloot hem, voor hij zich er tegen kon verzetten, in zijn hut op.