H. van Brakel, Ing. B.O.W.

Part 14

Chapter 144,105 wordsPublic domain

„Maak je maar niet ongerust,” riep de kapitein zachtjes buiten de deur. „Het is maar een veiligheidsmaatregel op verzoek van den ouden heer; als we onder stoom zijn, maak ik de kast weer open.”

Verslagen zat Geerling op de bank tegenover de twee slaapsteden boven elkaar. Dáár was hij nu zoo gruwelijk ingeloopen! Aan den wal zou hij zich niet zoo machteloos hebben gevoeld; maar wat in ’s Hemels naam moest hij hier op dit schip beginnen; hier, waar de kapitein baas was en deze bovendien de „noodige documenten” bezat om hem rechtens te dwingen!

Zijn hiel sloeg ergens tegen en onwillekeurig zag hij naar beneden. Twee keurig nette hutkoffers keken onder de bank uit. Hij had nog geen lust ze te bezien. Wat kon het hem schelen!

Angstvallig luisterde hij toe. Het waren de bekende geluiden aan boord: Het afstooten der prauwen, het geroep der inlandsche matrozen; dan de schorre fluit van het kleine bootje, dat terrugging naar den wal en waarmee hij van plan was geweest ook terug te gaan, en eindelijk het langzaam aanvangend zuchten der machine, het gevoel van trilling en beweging,—men was onder stoom.

Daar ging hij! Elke wenteling van de schroef bracht hem verder af van Ceciel. Terwijl zij argeloos in haar lieve kamer zat, niet beter wetend of hij zou als gewoonlijk des avonds bij haar komen, werd hij weggevoerd als een slaaf, en elk oogenblik vergrootte de afstand tusschen hen... tch!... tch!... zoo gleed de zuigerstang zacht in de metalen... tch!... tch!... heen en weer... overbrenging van beweegkracht... verwonnen weerstandsvermogen ... drang tot verplaatsing... verder, altijd verder van wat hem dierbaar was, voerde hem die fraai opgetuigde doodkist zijner illusiën!

Geerling hoorde dat het slot van de deur werd omgedraaid; hij stond op, ging het salon binnen, schoof alleen de portière dicht en liep de trap op naar boven. Daar was de kust nog. Bleek en met moeite zijn tranen weerhoudend, leunde hij over de reeling. Zooals hij daar stond met het nauwsluitend flanellen ochtendjasje, de gele pantalon collant, de lage schoentjes met strikken, waarboven de gestreepte zijden sokjes zich vertoonden, den kleinen Engelschen stroohoed met het breede gewaterde lint er om, leek hij meer een excentriek toerist, dan een eerzaam Nederlandsch mailreiziger.

De wind woei hem luw in ’t aangezicht en speelde met het lorgnet, dat aan een zwart lintje om zijn hals hing. Op de brug stond de breede gestalte van den kapitein nog in de blauwe jas met gouden biezen op de omslagen der mouwen en de pet met grooten bol en dito versiersels om den rand; hij zag in de verte zijn passagier „tegen wil en dank” en hij grinnikte van pleizier. Maar toch, als de oude heer Geerling niet zulk een goede klant geweest was voor stukgoed bij de uitreis en producten bij de thuisreis, zou hij zulk een commissie niet voor hem hebben verricht.

Geerling stond er, en kwam niet van zijn plaats. Niemand kende hem, zelfs niet de gelijk met hem geëmbarqueerde passagiers, die uit het binnenland kwamen. Op het ruime dek was het stil. Een paar dames in sarong en kabaja zaten te praten op een bank; op den grond meer vooruit, lag een inlandsche min met een Europeesche zuigeling; beiden sliepen rustig; de meid heel ongegeneerd met haar baatje open. Enkele heeren lagen in luierdstoelen boeken en couranten te lezen; matrozen klommen en klouterden op hun bloote voeten, touwtjes vast makend hier en los makend ginds, en uit den kap van het salon klonk het gerammel van borden en tafelgerei, dat de bedienden maakten bij het dekken.

Slechts één passagier stapte onverpoosd het dek op en neer; het was een klein manneke van echt semitisch type, doch zeer fatsoenlijk van uiterlijk; een profusie van dik zwart haar groeide op zijn hoofd, zijn gezicht en zijn hals, en maakte hem met zijn korte, breede gestalte tot een ware antipode van den slanken, blonden Geerling, wiens kneveltje maar niet groeien wilde, alle potjes en doosjes ten spijt.

Eindelijk kwam hij dicht bij Geerling staan en leunde ook over de reeling; hij zag het bleeke gelaat van het jongmensch en de tranen in diens oogen.

„Doet het u zoo aan, Indië te verlaten?”

De onverwachte vraag deed Geerling schrikken.

Hij richtte zich op en keek zijn mede-passagier verwonderd aan.

„Laat ons eens kennis maken,” zeide deze. „Ik ben Mr. Van Vliet, advocaat en procureur.”

„Mijn naam is Jules Geerling.”

„Van de Amsterdamsche familie Geerling?”

„Juist.”

„O, dan ken ik uw papa zeer goed...” Natuurlijk, dacht Jules, wie ter wereld zou den ouden heer niet kennen!

Mr. Van Vliet was zeer vriendelijk; hij had grooten eerbied voor le roi-million, en de eenige zoon van zoo’n koning was de eerste de beste niet. Zij spraken verder; de advocaat het meest, Jules slechts met enkele woorden. Zijn gedachten waren bij Ceciel; waar zouden ze anders zijn? Hij luisterde maar half; de kustlijn werd flauwer; de eentonige taal der machine en het werken van de schroef spraken luider tot hem, dan het onverschillige woord van den advocaat, en plotseling stampte hij met een vloek op den grond, wendde het hoofd af en streek zijn fijnen zakdoek met het mooie blauwe randje langs de oogen.

Zijn medepassagier keek hem nu op zijn beurt verbaasd aan. Wat zou dat jonge mensch mankeeren? dacht hij. Maar als welopgevoed man vroeg hij niets, keerde zich om en begon zijn wandeling van voren naar achter opnieuw.

Na de rijsttafel zat de heer Van Vliet in nachtbroek en kabaja nog een oogenblik uit te waaien vóór hij zijn siësta zou nemen, toen Geerling driftig naar boven kwam en op zenuwachtigen toon verzocht hem alleen te mogen spreken.

„Ik kom u raadplegen als advocaat,” voegde hij er bij, toen ze samen heel op het achterdek zaten, achter het kompas, zoodat niemand hen zien of hooren kon.

De advocaat trok een lang gezicht.

„Om u de waarheid te zeggen ben ik hier niet voor zaken.”

„Toch moet ik uw bijstand inroepen in een gewichtige zaak, waarbij ik rechtskundige hulp noodig heb.”

„Mijn waarde heer, ik begrijp u niet. Ik ben hier aan boord voor mijn genoegen.”

„U kunt mij toch wel een rechtskundig advies geven.”

„Dat is de vraag.”

„Ik verzeker u, dat u het doen kunt.”

Wat moest de advocaat zeggen? Hij bedacht een list. Een koopmanszoon zou er niet inloopen, wanneer het de dubbeltjes gold, meende hij.

„Nu,” zei hij, schouderophalend, „ik wil u aanhooren en u antwoorden, als u begint met mij tweehonderd gulden te betalen.”

Hij doet het toch niet, meende hij.

Maar „de oude heer” had een fout begaan. In zijn medelijden met den zoon, die op zulk een wijze naar het moederland moest worden teruggezonden, had hij een welgevulde portefeuille met Hollandsch bankpapier in een der hutkoffers gedaan; hij kan het wel wisselen bij den administrateur, had de oude heer gedacht; Jules had dat geld gevonden en toen Mr. Van Vliet het cijfer noemde, snelde hij naar zijn hut en kwam direct weer met het geld terug.

De advocaat was er een beetje verlegen mee. Hij had wel willen zeggen, dat hij het zóó niet had bedoeld, maar dat ging toch niet. Aan den anderen kant was het wel aardig den eersten dag den besten een vierde van de passage terug te verdienen.

Hij streek de bankbiljetten glad en stak ze in den zak van zijn kabaja, zuchtte en zei, de handen samenvouwend over zijn buik:

„Ga nu uw gang maar.”

En Geerling deed zijn verhaal. Was Ceciel in gewone omstandigheden voor hem de verpersoonlijkte deugd en wijsheid, thans in den dichterlijken glans van de gebeurtenissen en der gedwongen afwezigheid, werd zij meer dan een engel. Doch naar die ontboezemingen luisterde de heer Van Vliet niet; hij had alleen ooren voor hetgeen het optreden van den gezagvoerder, diens verklaringen en bedreigingen betrof, en met de grootste oplettendheid luisterend, vroeg hij intusschen allerlei inlichtingen, welke Geerling hem gaf, zoo goed en zoo kwaad hij kon.

„Het is goed,” zei hij, toen Geerling uitgepraat was. „Ge houdt u maar kalm en zegt niets hoegenaamd. Ga naar uw hut en wacht daar tot ik u kom waarschuwen.”

„Maar.... wat wilt u doen?”

„Wel niets. Ik zeg u: laat het maar verder aan mij over. Ge hebt de zaak in mijn handen gesteld, ik zal verder ook wel handelen zooals behoort.”

Een uurtje later zocht Mr. Van Vliet den commandant op in diens hut.

„Apropos,” zei hij. „dat is een gekke geschiedenis met dien jongen Geerling.”

De gezagvoerder lachte.

„Ja. Och, ik bemoeide me met zulke zaken anders liever niet. Maar ik kon het zijn papa moeilijk weigeren.”

„Nu, dat zou ik toch maar gedaan hebben.”

„Och, waarom? Over ’n week of vijf zit hij kalm bij zijn oudelui en dan is die dwaasheid achter den rug.”

„Daar ben ik zoo zeker nog niet van.”

„Kom, kom, bij jongelui gaat zoo’n liefde zoo diep niet.”

„Ge begrijpt me verkeerd. Die liefde laat ik op haar plaats. Ik bedoel dat het nog zoo zeker niet is, dat de jonge Geerling over vijf weken te Amsterdam is.”

„Nu... tenzij hij overboord springt!”

„Ook zonder dat is het zeer onzeker.”

„Hoe meent u dat?”

„Mag ik vragen, van welke volmachten en andere stukken u in deze zaak de houder zijt?”

„Hoezoo?”

„Wel, de jonge meneer Geerling heeft zijn zaak in mijn handen gesteld en ik heb op mij genomen, die voor hem te onderzoeken en te behandelen.”

„Hoor eens, meneer Van Vliet,” zei de gezagvoerder boos, „ik raad u aan, u niet in te laten met mijn zaken hier aan boord.”

„Ik laat me niet in met uw zaken, maar met die van den heer Geerling junior, en zulks op zijn verzoek; en dáárom verzoek ik u mij de documenten en stukken te toonen, waarvan u de houder zijt.”

„Ik heb niets met u te maken, meneer.”

„Maar ik wel met u, commandant, en als u weigeren blijft, zal ik zoo vrij wezen, als we op de reede komen van Tegal of anders te Batavia, even aan den wal te gaan en een aanklacht tegen u in te dienen wegens onwettige gevangenhouding.”

„Het is op verzoek zijns vaders en hij is minderjarig.”

„Hebt u een verklaring van den vader en een rechterlijke toestemming op diens verzoek, dan zal ik mijn cliënt—ofschoon het toch nog volstrekt niet in orde is—in gemoede aanraden zich te onderwerpen.”

„Neen,” zei de commandant. „Het is alles mondeling en ondershands geschied.”

„Dan hebt ge een heel gevaarlijke taak op u genomen, die, al laat u hem dadelijk vrij, u nog te staan kan komen op twee jaren gevangenisstraf.”

Het zweet parelde den gezagvoerder op het voorhoofd.

„Dat is ’n mooi gevalletje,” bromde hij.

„Het beste is.... Waar komen we op de reede?”

„Te Tegal om suiker in te nemen.”

„Het beste is, dat u dan Geerling stil naar den wal laat gaan en u houdt alsof ge er niets van ziet. Geloof me, u komt anders in groote moeilijkheden. Dergelijke onwettige inbreuken op de persoonlijke vrijheid worden zeer hoog opgenomen.”

„’t Is beroerd, meneer,” zei de commandant, inwendig verheugd, dat er op die wijze een eind aan was te maken; „maar als het niet anders is, ga dan uw gang maar.”

„Geloof me, commandant, het is ’t beste. En neem het mij niet kwalijk. Ik mocht hem mijn bijstand niet onthouden. Als u een schip in nood ziet, dan moet u ook helpen. Wat voor u een schip is, is voor mij een mensch in maatschappelijke moeilijkheid.”

Toen hij op die wijze getracht had den gezagvoerder zijn persoonlijke tusschenkomst te verklaren, ging de kleine advocaat de kajuitstrap af naar de hut van Geerling en klopte aan.

„Wel?” vroeg deze in groote spanning.

„Maak u maar klaar om te Tegal aan den wal te gaan.”

„Wat? Hebt ge hem...”

„Vraag nu niets, en zeg niets. Houd u gereed, neem den eersten den besten tambangan en vertrek... tenzij...”

„Tenzij wat, meneer?”

„Tenzij u verkiest vrijwillig mee te gaan naar Amsterdam.”

„Ik zou je danken!”

„Bedenk u nog. Ik heb mijn plicht gedaan. Doe gij nu den uwen. Wat hier gebeurd is, had plaats met de beste bedoeling. Gij moet uw ouders eeren; gij zijt hun gehoorzaamheid verschuldigd.”

„Ik zal er niet over denken, meneer Van Vliet; ik ben dol blij met den goeden uitslag, en ik ga strakjes aan wal, zoo waar tweemaal twee vier is; ik eer mijn ouders, maar ik ben nu twee en twintig jaar niets geweest dan een gewillig werktuig in de hand van papa. Het is, vind ik, genoeg. Hoe heerlijk! Ik zou kunnen dansen van de jool! Wat moet die commandant een leelijk bakkes hebben getrokken! Hoe hebt u hem à faire genomen?”

Mr. Van Vliet schudde het hoofd.

„Laat dat nu maar voor hetgeen het is. Gij hebt uw zin.”

„Dat heb ik en dat is verrukkelijk. Hoe laat zou ik weg kunnen?”

„Over een uur of wat.”

„Zou het telegraafkantoor nog open wezen?”

„Misschien wel.”

„U begrijpt dat ik haar dadelijk telegrapheer.”

„Dus ge blijft bij uw plan om niet mee te gaan naar Amsterdam?”

„Hè? Naar Amsterdam? Merci!”

En nu ving Mr. Van Vliet aan met een schets van het leven in Europa, zooals hij zich dat herinnerde uit zijn studententijd en zooals het zich gedurende zijn verblijf in Indië had geïdealiseerd, totdat er niets was overgebleven dan het lachend beeld van genot en levensvreugd.

’t Verwonderde Ceciel eenigszins, dat ze dien Zondag niets hoorde of zag van Geerling. Anders kwam hij meest altijd ’s ochtends even aan en haalde haar af in den namiddag. Dien Zondag vernam ze niets. Wat zou hem schelen? dacht ze, toen de duisternis viel. Herhaaldelijk had ze al eens buiten den weg opgekeken, maar zonder resultaat.

Tegen zeven uren kwam tante Du Roy geheel onverwacht. Ceciel zag aan haar gezicht, dat er weer iets bijzonders was en ze schrikte.

„Weet je waar Geerling is?”

Ontkennend schudde ’t meisje het hoofd. Groote hemel, wat zou het nu weer zijn?

„Neen, dat dacht ik wel; zoo’n smeerlap!”

„Maar wat is er dan?” vroeg Ceciel nauw hoorbaar: haar mond en keel waren droog; zij kon de woorden haast niet uiten.

„Wel, hij is er van door, de gladakker. Hij heeft ’m van ochtend gesmeerd.”

„Hoe dan..... hoe dan?”

„Hoe? Wel vraag je dat nog, arme meid? Met ’n mailboot naar Holland.”

„Het is ’n leugen!”

„Waarachtig niet, Ciel. Ik weet het van een runner, die hemzelf met de boot heeft zien vertrekken. Ja, die totoks zijn gauwdieven, je kunt er niet één vertrouwen, ja!”

Het viel Ceciel zoo hard en onverwacht op het lijf, dat zij voor een oogenblik al haar geestkracht verloor. Zij ging op een stoel zitten en doodsbleek, tot zelfs op haar lippen, leunde zij met gesloten oogen achterover tegen de leuning.

Met groot misbaar vloog mevrouw Du Roy naar achter om eau-de-cologne, azijn en andere opwekkende middelen; de oudelui kwamen ook naar voren en het gaf een consternatie van belang. Maar Ceciel had zich dadelijk weer hersteld en wees met beslistheid alle hulp af.

„Ik heb het altijd wel gedacht.”

„Wat?” vroeg Ceciel droomerig.

„Wel, dat hij je zou laten zitten met je gebakken peren.”

„Peren?” vroeg Ceciel op denzelfden distracten toon. „Welke peren?”

„Nu, kom er maar gerust voor uit, hoor. Je bent de eerste niet en je zult de laatste ook niet wezen.”

„Lieve Hemel!” riep de moeder doodelijk verschrikt: „Ceciel, het is toch niet waar?”

Het departement van marine zei niets, maar stond er bij met gefronst voorhoofd en saamgeknepen mond, gereed om hoogst handtastelijk die „gebakken peren” af te straffen.

Ondanks den schok, dien haar zenuwen hadden gekregen, moest Ceciel lachen.

„Tante is gek, ma, en ik dacht dat u wijzer waart.”

Het departement van marine loosde een zucht van verlichting en liet alle plannen tegen de „gebakken peren” varen. Mevrouw Du Roy riep half teleurgesteld:

„Is het niet waar? Is het waarachtig niet waar?”

„Och, wel neen!”

„Nu, maar dan begrijp ik ook niet, waarom je er zoo’n drukte van maakt. Wat kan jou die kerel schelen? Voor hem een ander!”

Maar Ceciel luisterde niet. Zij dacht aan haar vervlogen illusiën. Zij zou nu wel gedoemd blijven haar geheele leven te slijten in dien kring; in dat vervelende huis en met die doodelijke omgeving. Al wat ze zich had voorgesteld van een opwekkend en verheffend leven in den fatsoenlijken stand, in nette Europeesche kringen, was vernietigd; weg, voor goed, en terwijl haar ouders en haar tante om het hardst op Geerling scholden, boog zij het hoofd en weende. Dadelijk huilde mevrouw Du Roy mede en haar moeder ook, terwijl de oude heer zich verwijderde.

En het werd een troosten en beloven zonder ophouden; vooral mevrouw Du Roy ging zich te buiten. Wat wilde Ceciel hebben? Geld? Goed? Zij kon het krijgen: zij kon alles krijgen, wat ze wilde, als ze maar niet bedroefd was om dien gemeenen totok, dien verrader, dien dit en dien dat.

Ceciel hief plotseling het hoofd op en droogde haar tranen.

„Het is niet waar,” zei ze. „Hij is niet weg; hij kan niet weg zijn!”

De oude dames zuchtten, keken elkaar aan en schudden het hoofd. Kasian! die arme meid; ze kon het nog niet gelooven.

Een oogenblik zaten ze stil tegenover elkaar, Ceciel nu en dan driftig het hoofd schuddend, als stil protest tegen het idee, dat Jules haar zou hebben bedrogen.

Er werd op de buitendeur geklopt; het mooie meisje sprong op en snelde er heen met een drift, die op woede geleek. Zij rukte een enveloppe uit de hand van den telegrambesteller en zonder zich te bemoeien met het potloodje of het reçu, dat de man haar ter teekening voorhield, ijlde zij naar de tafel, waarboven het licht hing, en scheurde wild het omslag open.

„Lieve! Hebben getracht me door list en geweld mee te voeren. Ben hier vrij gekomen. Vertrek dadelijk en reis door. Morgen bijzonderheden.

Jules.”

Zij las het haastig, eerst zacht, daarna hardop. Haar vader, die na het huilen teruggekomen was, klapte in de handen; zijzelve liep juichend naar haar kamer. Nooit was zij zekerder van haar zaak geweest dan nu! En haar moeder en tante, thans geheel van stemming veranderd ten opzichte van den jongen Geerling, wreekten zich op den ouden in de felste bewoordingen.

Den volgenden ochtend bracht een reiswagen Geerling in het hotel terug; de twee fraaie hutkoffers was hij zoo vrij geweest met den inhoud mee te nemen. Lachend ontving hem de logementhouder.

„Wel, hebt u ’n pleizierig reisje gemaakt?”

„Wist je er van?”

„Ja, de kapitein had er een woordje over losgelaten. Uw goed zou wel gehaald worden.”

„Da’s gemeen! Waarom hebt ge me daar niets van gezegd?”

De logementhouder haalde de schouders op met een bedenkelijk gezicht.

„Wat zal ik u zeggen? Ik bemoei me liever in het geheel niet met zulke zaken.”

„Ja,” zei Geerling, blij dat hij iemand had, op wien hij boos kon wezen, „dat is maar gekheid. Ge hadt mij moeten waarschuwen. Ik woon hier en als er zulke plannen tegen me worden gesmeed en het is u bekend, dan moet u me waarschuwen.”

Nogmaals trok de logementhouder de schouders op.

„Ik dacht wel,” zei hij ironisch, „dat ik ten slotte de schuld zou krijgen. Nu, ik heb een breeden rug, meneer Geerling.”

Jules ging naar zijn kamer; alles was er, zooals hij het had verlaten.

„Die meneer van uw kantoor is er geweest,” vervolgde de logementhouder, die mee was gegaan; „ik heb hem toen aangeraden liever nog een paar dagen te wachten. Het is maar goed, dat hij het gedaan heeft.”

Geerling baadde, kleedde zich netjes met het nieuwe goed uit Holland, liet het fraaiste rijtuig voorkomen en reed naar Ceciel. Veel pleizier had hij er niet van, want er waren geen wandelaars: daarvoor was het reeds te laat en te warm, en iedereen was naar zijn kantoor of toko.

Zij kwam hem buiten te gemoet; zij omhelsde hem, zooals ze het nog nooit had gedaan; zij drukte hem aan haar hart met de grootste innigheid; zij had voor het oogenblik een gevoel van gelukzaligheid, alsof ze werkelijk op hem verliefd was. Een goede ontvangst had hij verwacht, maar dit bracht hem in verrukking; de wereld leek hem zoo schoon!

Hij moest dadelijk vertellen.

„In het eerst,” zei hij, „was ik waarachtig heelemaal overrompeld. Ik weet dat ouders, zoolang men minderjarig is, groote macht bezitten; ik ken den ouden heer als iemand die altijd zijn wil doordrijft, onverschillig of het recht is of krom, maar alleen omdat het zijn wil is. Wij zijn bij ons thuis van kindsbeen gewoon blindelings te doen, wat de oude heer zegt, en ik heb dat ook altijd gedaan, tot nu eenigen tijd geleden. De commandant zei, dat hij alle stukken en documenten bezat en hij sprak met zoo’n zekerheid, dat ik er overbluft door was, half gebiologeerd, geloof ik. Enfin, ik begon met me te onderwerpen, niet anders denkend, dan dat er eenvoudig niets tegen te doen en ik volkomen geleverd was. Maar toen de eerste indruk voorbij was, dacht ik na en begon ik toch te twijfelen of het zelfs met de toestemming van papa zoo maar ging, mij mee te nemen als een slaaf, als een arrestant. Ik nam een advocaat, die mede-passagier was, onder den arm en informeerde, en toen ik hoorde dat de kapitein niet in zijn recht kon zijn...”

„Nu?” vroeg Ceciel zenuwachtig, toen Jules even ophield.

„Toen ben ik naar zijn hut gegaan en heb hem gesommeerd me dadelijk vrij te laten, daar ik hem anders zou aanklagen.”

De vader van Ceciel, de gewezen zeeman, nam Jules eens op van het hoofd tot de voeten. Zoo’n ventje, dacht hij, zou een commandant van een groot schip aanklagen! Het mocht wat!

„Waarvoor wou je hem aanklagen?” vroeg Ceciel.

„Wegens,” zei Jules, die de juiste terminologie niet kende, met het grootste aplomb, „wegens het vervoeren van minderjarigen.”

De oude heer schaterde van het lachen en Ceciel glimlachte spijtig; hij was toch maar matigjes intellectueel ontwikkeld, dacht ze.

„Nu, lach maar,” hernam Jules een beetje geraakt. „Het is zeker dat hij heel gauw in zijn schulp kroop en mij precies liet doen, wat ik wilde. Wel trachtten ze mij toen te paaien met mooie praatjes om maar mee te gaan naar Holland, maar je kunt wel nagaan, dat ik dáár den brui van gaf.”

„Natuurlijk,” zei Ceciel, alsof het iets was, dat geen tweeërlei opvatting toeliet. „En wat denk je nu te doen?”

„Ik ga morgen naar het kantoor.”

Hij deed het ook.

Den volgenden ochtend stapte hij binnen, alsof er niets was voorgevallen, en nam zijn gewone plaats in zonder in pourparlers te treden.

Toen hij tegen halféén naar de kamer ging, waar het voornaamste personeel gewoonlijk rijsttafelde, kwam de chef, die anders veel later at, tegenover hem zitten.

„Ik dacht dat je een reisje waart gaan maken.”

„Ja, dat dacht ik eerst ook.”

„Je hebt je dus bedacht?”

„Precies! Ik was bang dat ik zeeziek zou worden.”

Zij lachten beiden.

„Ik heb het wel verwacht,” zei de chef. „En ik heb het ook naar Amsterdam geschreven. Het is geen idee geweest van mij, dat kan ik je verzekeren, hoor!”

„Neen, dat heb ik dadelijk wel begrepen.”

„Maar hoe ben je er af gekomen?”

En opnieuw deed Jules het verhaal, maar thans, nu hij beter had nagedacht, was het nog veel mooier en maakte hij er een flinker figuur in.

De onaangename dienstcorrespondentie was voor Van Brakel uitgeloopen op een particulier briefje in officiëelen stijl, waarin hem niet meer of minder werd medegedeeld, dan dat hij zijn ontslag uit ’s lands dienst nemen moest, daar hij het anders zou krijgen. Te zamen hadden zij een hoogst onaangenaam kwartiertje doorgebracht, want dàt hadden ze toch niet verwacht. Toen waren ze begonnen elkaar te troosten en moed in te spreken.

„Ik ga me vestigen als architect en landmeter,” had hij gezegd.

„Wie weet,” voegde Lucie er bij, „of het nog niet ’t beste is. Als het meeloopt....”

„O!” vulde Van Brakel aan: „als het meeloopt is er misschien nog een fortuintje uit te kloppen.”

En zoo gesterkt, hielden zij zich goed in het logement, smalend op het gouvernement en zich zoolang schetsend als slachtoffers van de willekeur en het onrecht, tot ze geheel thuis waren in die rol en menigeen er een eed op had durven doen, dat Van Brakel een miskende persoonlijkheid was.

Daar op het plaatsje bleven zij niet. Dáár was niets te verdienen; ze gingen terug naar waar ze vandaan kwamen. Lucie nam haar intrek in een commensalenhuis, met haar vader, die nog een appeltje had voor den dorst, en werkelijk gelukte het Van Brakel aanvankelijk goed.