H. van Brakel, Ing. B.O.W.

Part 15

Chapter 154,058 wordsPublic domain

Er was juist op de plaats een bouw-vleugje en weinige dagen na hun aankomst had Van Brakel reeds handen vol werk tegen goed honorarium. Over zijn ontslag werd verschillend geoordeeld. Vrij van schuld achtte men hem niet, maar toch werd hij veel meer beklaagd dan veracht, en in geen geval belette de onaangename wijze, waarop hij ’s lands dienst had verlaten, den particulieren ingezetenen gebruik te maken van zijn groote diensten.

Nog nooit had hij zooveel geld verdiend. Maar levensvreugde gaf het hem weinig. Toen hij had te kennen gegeven, dat hij weer lid wilde worden van de sociëteit, had men hem geantwoord, dat hij beter deed met zich niet aan te melden. Bon entendeur, demi mot. Onder de ambtenaren van zijn vroegere positie was hij niet welkom; men ontweek hem. Bij den resident op receptie werden hij en Lucie zoo koel ontvangen, dat zij zonder het met elkaar af te spreken zich vast voornamen er nooit weer heen te gaan. En toch wist Van Brakel, dat er waren die veel meer op hun boekje hadden dan hij; die nog doorknoeiden en die beschouwd werden als welkome steunpilaren van de sociëteit, wien door iedereen met vriendelijke glimlachjes de hand werd gedrukt en die allervriendelijkst ten residentiehuize werden ontvangen.

Maar hij zei niets. Hij ging niet meer uit en speelde niet meer. Alleen dronk hij ’s avonds het eene glas grog na het andere en zijn schoonvader hield hem daarbij dapper gezelschap. Van Brakel verteerde nu veel geld. Hij scheen van oordeel, dat het bestaan van den particulier gelijk stond met dat van den ambtenaar, die zeker kan wezen jaar in jaar uit zijn maandelijksch traktement te genieten en dus niet behoeft te sparen. Lucie ging fraaier gekleed dan zij ooit had gedaan; zij hield er een nieuwen mylord op na, met twee vurige paarden, welker met zilver gemonteerde tuigen keurig netjes stonden.

Bijna niemand bemoeide zich met hen en zij bemoeiden zich met niemand. Van Brakel had de onvergeeflijke sociale fout begaan zich op ambtelijke knoeierijen te laten betrappen en dat vergaf hem de kleine Indische wereld niet. En nu hij uit wraakzucht dat wereldje wilde overbluffen, werd het kwaad erger.

Kijk die Van Brakel eens een geur maken! Het is goed riemen snijden van eens anders leer! Dat is alles van de gestolen dubbeltjes van het Gouvernement!

Zoo klonk hem de publieke opinie na, als ze des Zondagsmiddags in hun mooi rijtuig gingen toeren; zoo omringde zij hen, als ze gingen luisteren naar de muziek. En ze sprak niet alleen fluisterend of met luider stem,—men kon haar zien uit de gebaren, lezen in de oogen van iedereen, die meende op de hoogte te wezen van de geschiedenis der Van Brakels.

Mevrouw Du Roy kreeg nu ook haar geld geregeld afbetaald.

„Ik had het vroeger moeten weten!” zuchtte Van Brakel, doelende op de omstandigheid, dat hij in het particuliere als aannemer en architect zooveel geld verdiende.

„Ja,” zei dan Lucie, „het is waarachtig wel dom geweest, zoo veel jaren in dienst te blijven van dat akelige gouvernement.”

„Och! je durft dan niet, zie je; maar als ik vóór twee jaren mijn ontslag had genomen.......”

„Hadt je het maar gedaan, dan was al die narigheid niet voorgevallen.”

„Vertrouw niet op je voorspoed in het particuliere,” waarschuwde dan de oude heer Drütlich. „Je ziet het aan mij.........”

Maar daartegen verzette zich Van Brakel. Zijn schoonvader moest het niet kwalijk nemen, doch die bewering ging niet op. Het was iets anders een koffieland te beheeren, dan een geëxamineerd ingenieur te zijn; de eerste was van allerlei toevallige omstandigheden buiten zijn wil of macht afhankelijk; de laatste had zijn wetenschappelijke kennis, die niemand hem kon ontrooven.

En Lucie vond dat ook. Ze hield nu nog meer van Van Brakel dan ooit: hij was nu geheel haar man; zij behoefde hem niet te deelen, noch met het spel, nog met een andere vrouw; zij had nu zulk een lui en gemakkelijk leven en zoo volop alles wat ze maar wilde, dat ze veel meer tijd, dan ooit vroeger, aan de genietingen van het huwelijksleven kon wijden. Zij en Van Brakel konden tegenwoordig met elkaar vrijen, dat den ouden Drütlich de weinige grijze haren van ergernis ten berge rezen en hij maar heenging, al mopperend dat ze Donnerwetter dit en dat verrückt waren.

De eene maand ging na de andere voorbij: na de huizen kwamen de groote pakhuizen in een vleugje van aanbouw; de Van Brakels bleef het goed gaan.

„Als we hen eens gingen opzoeken,” proponeerde Geerling. „Ik heb hem al eenige malen ontmoet en het staat zoo gek.”

Maar Ceciel had daartegen bezwaren.

„Laat dat maar zoo, Jules. Het is al onaangenaam genoeg, als men bloedverwanten of oude vrienden heeft met antecedenten. Ik ben er volstrekt niet op gesteld dien kring uit te breiden. Het tegendeel is waar.”

„Och, hij heeft een eervol ontslag........”

„Ik weet het wel. Iedereen krijgt dat tegenwoordig en dat is heel verstandig van de regeering........”

„Doe je aan politiek?” vroeg hij lachend.

„Is dat politiek?”

„Ik denk het wel.”

„Enfin, dan doe ik er aan. Ik wilde alleen zeggen, dat het slim is van ’t Gouvernement altijd, als het maar eenigszins kan, eervol ontslag te geven.”

Hij keek haar eenigszins bevreesd aan.

„Hoe bedoel je dat?”

„Heb je me laatst niet zelf verteld, dat je oude heer een employé, die hem had bestolen, eenvoudig ontslagen had, zonder gerechtelijke vervolging?”

„Ah... dat is wat anders... dat was voor den naam van het kantoor. Papa zegt altijd: bij ons wordt niet gestolen, en bij ons worden geen abuizen gemaakt. Het is natuurlijk niet waar, maar de oude heer houdt het stokstijf vol en vele menschen gelooven het.”

„Juist. En ik vind dat het Gouvernement ook zoo moet doen.”

„Het is mogelijk,” meende Jules. Hij ging er niet verder op door.

„De wereld weet toch wel, waaraan zij zich heeft te houden. Iedereen weet dat Van Brakel met Chineezen heeft geknoeid. Geen tien eervolle ontslagen kunnen dat verhelpen. Wij moeten hen links laten liggen, Jules, dat is beter.”

’t Ging hem een beetje aan het hart, maar hij sprak er verder niet over, en toen hij den volgenden keer de Van Brakels passeerde, die achterover lagen in hun mylord, keek hij een anderen kant uit en deed alsof hij hen niet zag.

Lucie klemde de lippen opeen en Van Brakel kleurde van boosheid. Zij bezaten, sedert men hen vermeed, een bijzondere scherpzinnigheid en snapten dadelijk of iemand den schijn aannam hen niet te zien, ten einde aan de verplichting te ontgaan òf hen brutaal te negeeren òf hen te groeten.

Zij hadden dien middag hun rijtuig stil laten staan bij de muziek; Lucie was keurig gekleed en de twee kinderen op het voorbankje met hun Germaansch type, afkomstig van den Drütlichschen kant, zagen er uit om te stelen; zij droegen zwart fluweelen pakjes, waartegen hun lang, krullend, lichtblond haar prachtig kleurde; welgedane rose beenen kwamen boven de randen der witte sokjes uit, even boven hooge knooplaarsjes zichtbaar, en onder de zwierige, donkere mutsjes keken de groote lichtblauwe oogjes vroolijk en vriendelijk rond.

En menigeen, die met een spijtig gezicht den „geur” critiseerde, welken die „weggejaagde” ingenieur maakte met zijn mooie equipage, kon een glimlach vol bewondering niet terughouden als zijn blik op die twee mooie, welgedane en goed gekleede kindertjes viel.

Van Brakel en Lucie, vroeger altijd eenvoudiger in hun manieren en vrij van aanstellerij, zaten thans achterovergeleund met gezichten vol hooghartige ongenaakbaarheid. De minachting, die hun stil werd toegedragen, gaven zij openlijk en in het oogloopend der menigte terug. Maar het hielp hen niet, dat voelden ze, en juist dat schijnbaar winnen en metterdaad zoo bitter verliezen, hinderde hen meer dan ze konden uitspreken. Die menschen, die hen verachtten, deden dat in koelen bloede; zij trokken er zich verder niets van aan; maar den Van Brakels vergalde het alle levensvreugde. Zooals zij daar zaten, opgeprikt en met een groot air van voornaamheid, woedden spijt, vernedering en onmacht in hun binnenste. Als zij weer zoo’n kouden, sarcastischen blik hen en hun equipage zagen monsteren, dan was het of hun de keel werd toegeschroefd. Daar was er weer een! En Lucie overviel dan zoo’n akelig gevoel, dat ze wel had kunnen huilen.

Maar ze hielden zich goed.

Thuis met papa Drütlich namen zij luide wraak; dan gold hun woede: Indië. Nu, het was een zootje hier! Een echte ploertenboel. De voorbeelden bleven niet uit. De oude heer Drütlich kon ook zijn partij mee blazen; sedert hij door de geldschieters van zijn land was afgezet, schold hij op alles: ’t was nog het eenige, dat hem overbleef! Het was een genot voor Van Brakel zijn schoonvader aan te hooren! Hij had van den ouden man in diens beste dagen nooit zooveel gehouden als tegenwoordig! In het commensalenhuis, waar zij een afzonderlijk paviljoen bewoonden, logeerden nog een paar jongelui, die ook zoo nauw niet zagen en zich de fijne sigaren en den overvloed van dranken bij de Van Brakels gaarne lieten welgevallen. Hij had zich van hen meestergemaakt en zeker driemalen ’s weeks zaten ze tot laat in den nacht te whisten met veel licht op. Van Brakel verfoeide het whisten, maar de jongelui konden niet homberen.

Zij hadden geld over aan het eind van het jaar. Ondanks hun royale leefwijze en hun afbetalingen was er overwinst. Van Brakel vertelde het zijn vrouw met een gezicht, dat, hoewel het zich over het tegenwoordige verheugde, het verledene, in ’s lands dienst doorgebracht, betreurde.

Den oudejaarsavond brachten zij vroolijk door; te vroolijk, want er werd onbehoorlijk veel gedronken. Ze waren geen van allen zooals ze wezen moesten; zelfs Lucie was gewoon „weg”; des daags lachten ze er om; zij hadden daar tegenwoordig pleizier in; ze merkten het niet op, dat ze in hun eng kringetje gedemoraliseerd raakten. Lucie kon een half fleschje port stil voor haar rekening nemen, zonder dat men iets aan haar bespeurde, en ze dronk ’s avonds brendy met suiker, het eene glaasje voor, het andere na; niemand lette er op in hun eigen kringetje; vader Drütlich en Van Brakel gingen tegenwoordig nooit naar bed zonder dat het hun eenigszins schemerde voor de oogen en de hoeveelheid, noodig om in dien toestand te geraken, werd langzamerhand al grooter en grooter.

Doch het ijzersterk gestel van Van Brakel kon daartegen; hij was, net als vroeger, ’s morgens klokke vijf present, frisch als hij gebaad had en met goeden eetlust, en papa kon uitslapen zoo lang hij wilde.

De werken raakten gereed en werden afgeleverd. Zeer tot genoegen van de eigenaren, dat was waar; het was waarlijk geen beunhazen-werk, dat door Van Brakel werd verricht Alleen: men bouwt geen huizen en pakhuizen voor zijn genoegen. Wat gereed was werd niet door te verrichten arbeid vervangen. Toch vreesde Van Brakel niet en toen hij op een goeden dag thuis kwam, met het vooruitzicht dat hij „in afwachting” was van nieuw bouwwerk, maar voor het oogenblik niets te doen had, zag hij de toekomst volstrekt niet duister in.

Integendeel, ’t kwam net goed, vond hij. Zij konden nu eens ’t gebergte ingaan om een kouden neus te halen. Dat zou hen allen goeddoen.

Het voorstel werd met gejuich ontvangen.

Papa Drütlich, die nog altijd van zijn „appeltje” teerde, vond het heerlijk; hij had beneden zoo’n gruwelijken last van de warmte.

Lucie wou direct de koffers pakken.

„Laat dat nu tot morgen,” zei Van Brakel. „Ik moet nog eerst telegrapheeren om kamers te bestellen. Op een dag vroeger of later komt het niet aan. Wij hebben den tijd aan ons.”

In het behaaglijk gevoel dier vrijheid, rekte hij zich uit in zijn luierdstoel.

„Zie je,” zei hij, „dat ken je niet als ambtenaar. Of je op ’t kantoor bent of thuis, op de plaats of op reis, in dienst of met verlof,—je draagt altijd dat zekere gevoel met je om, dat er menschen zijn, die boven je staan en van wier bon plaisir je afhankelijk bent.”

„Hm!” bromde vader Drütlich, vervaarlijke rookwolken uit zijn Duitsche pijp blazend, „dat mag zoo zijn, maar ik heb nog liever een mensch tot chef, dan mijn portemonnaie; als die leeg is, wordt ze kwaadaardiger dan alle chefs ter wereld.”

„Kom, oude heer, haal je nu geen muizenissen in het hoofd. Als ik nog een paar jaar voortgewerkt heb en het loopt een beetje mee, dan begin je plan-plan aan een kleine onderneming.”

Het was zijn illusie. Maar Drütlich gaf er nooit antwoord op: bij had geen illusiën meer van dien aard.

Toen zijn schoonvader niets zei, nam Van Brakel de courant en keek die in. Onwillekeurig keek hij altijd het eerst onder de officiëele berichten: ondanks alles was hij vol belangstelling voor de bevorderingen en overplaatsingen bij de B. O. W.

„Verdomd!” riep hij plotseling luid: „dat heb ik wel gedacht! Dat doet me plezier. Luus, kom eens gauw hier!”

„Wat is het?” vroeg Lucie naar voren stuivend vol nieuwsgierigheid.

„De smeerlap is er uit!”

„Is het waarachtig?”

„Daar staat het: „Eervol ontslagen de hoofdingenieur 2de kl. bij de B. O. W. Willert.” Daar kies ik geen duizend gulden voor. Wat doet me dàt ’n genoegen! Die smerige gladakker heeft het dubbel en dwars aan me verdiend.”

Met hun drieën scholden zij nu in koor. Allerlei invectieven, het een al leelijker dan het andere, vlogen door de voorgalerij.

De hoofdingenieur Willert liep bleek en zwijgend zijn kamer op en neer. Neen, dàt had hij niet verdiend! Dat was geen loon voor zijn veeljarigen trouwen dienst! Er viel niets aan te merken op zijn ijver, zijn gedrag, zijn bekwaamheid. Toch had hij, nog in de kracht zijns levens, ook zijn „boterbriefje” thuis gekregen. Waarom? Het kwam zoo in de kraam te pas. Hij zat anderen in den weg: neefjes en vriendjes. Die konden niet spoedig genoeg vooruitkomen; hun invloedrijke relatiën in Nederland waren daar ontevreden over. Dáárom moest hij, de eenvoudige man, die zijn positie slechts had verkregen door zijn arbeid, plaats maken; dáárom was het noodig geoordeeld in ’s lands belang niet verder prijs te stellen op zijn diensten.

Hij had nooit anders gedaan, dan wat hij vermeende dat zijn plicht was jegens „den Lande.” Streng en onverbiddelijk was hij geweest, waar het den dienst gold van het Gouvernement; onder zijn inferieuren was hij daarom meer gevreesd dan bemind. En naast de algemeene belangen van den Staat had hij altijd gesteld de bijzondere van den Waterstaat. Dáárvoor had hij óók gestreden en als hij opkwam voor zijn dienst tot in de geringste détails, dan kende hij geen vrees voor andere autoriteiten. Hij wist wel, dat velen hem niet gaarne mochten; dat residenten hem stug en onhandelbaar noemden; dat de eerstaanwezende genie-officieren even dikwijls met hem overhoop lagen als het Binnenlandsch Bestuur,—maar wat zou dat? Nooit had hij eenig eigenbelang gekweekt of bevorderd. Liever duizend gulden had hij gegeven uit zijn zak, dan der schatkist een cent te benadeelen, of toe te staan zonder protest, dat dit door anderen bij zijn dienst geschiedde. Hij was geen aangenaam mensch in den ambtelijken omgang en hij had zich ook nooit daarop toegelegd.

Geleefd had hij uitsluitend voor zijn ambt. Onder die toewijding had alles geleden: zijn huiselijk leven, zijn huwelijksgeluk, zijn persoonlijke levensvreugd,—alles had moeten achterstaan bij den ambtsijver, die hem verteerde, en de liefde voor den dienst, tot afgoderij bij hem aangegroeid. In zijn lange loopbaan had hij „den” lande voor millioenen bevoordeeld, door economischen arbeid en streng toezicht; al wat uit zijn handen kwam of onder zijn oog was verricht, had elken toets kunnen doorstaan. Zijn positie had hij slechts dááraan te danken; indien hij het had moeten hebben van vleierij of intriges,—hij ware gestorven als opzichter zóóveelste klasse.

Dat anderen belooningen kregen en buitengewone eerbewijzen voor luttele diensten den Staat bewezen, hinderde hem niet; dat er nu en dan stoompromoties werden gemaakt, door ambtenaren, van wie men niet wist waar ze de verdiensten vandaan haalden,—hij had er de schouders voor opgetrokken.

Hij vond dat, zoolang hij persoonlijk niet werd miskend, voorbijgegaan of gegriefd, het niet aanging zich in te laten met anderen; dáárvan sprak hij nooit en stil ging hij zijn gang, nauwgezet voor zichzelven, evenals hij dat was voor zijn ondergeschikten. Hij vroeg niets en verlangde niets, dan wat hem toekwam naar de meest elementaire beginselen van eerlijkheid en goede trouw.

En nu stond hij daar, aan den dijk gezet door een gewetenloos nepotisme; aan den dijk gezet door lieden, die op niets jacht maakten dan op hooge ambten met hooge traktementen en hooge toelagen; voor wie niets heilig was, als het hen slechts kon brengen tot vermeerdering van materiëel levensgenot voor hen en hun vrienden. Daar stond hij!

Hij was eervol ontslagen, ongeveer op de manier als Van Brakel en dergelijken, dacht hij. Er schoot hem geen traan in het oog, daarvoor was hij te veel man; maar een moord had hij kunnen doen op dat oogenblik.

Men had zich niet eens de moeite gegeven hem vooraf het fait accompli mede te deelen. Hij las het in de courant onder de telegrammen. Wat ook deed het er toe, tegenover een landsdienaar als hij, die slechts door veeljarigen stalen arbeid geworden was wat hij was? Wat beteekenden zulke antecedenten tegenover de belangen van fortuinzoekers en baantjesjagers?

Zoo dacht hij vol bitterheid en misschien in zekere mate onbillijk, in het diep gekrenkt gevoel van die ambtelijke eigenwaarde, welke jarenlang zijn grootste kracht, zijn grootste steun was geweest.

En terwijl hij werktuiglijk bleef loopen van den eenen kant zijner kamer naar den anderen, ging zijn geheele levensloop hem door het hoofd, van ’t oogenblik dat hij als jongeling in dienst trad, tot nu hij in de kracht zijns levens zonder eenig motief werd weggezonden.

Om den hoek der openstaande deur keek mevrouw Willert naar binnen.

„Je hebt het zeker gelezen?” vroeg hij.

Zij knikte toestemmend, trad de kamer binnen en ging zitten. En hij uitte alles wat er was omgegaan in zijn gemoed; er was woede en verontwaardiging en haat in zijn stem, maar nu en dan klonk er een toon door van den weemoed en het verdriet van den eerlijken, mishandelden man.

Het trof haar niet. Zij bleef er koud onder. Zonder een woord er tusschen te brengen, liet zij hem uitspreken; en toen hij gedaan had, keek ze hem aan zonder een zweem van medelijden.

„Ik begrijp dat het heel hard is voor jou, maar verg asjeblieft niet dat ik er om treur.”

Hij keek haar verschrikt aan met een pijnlijken trek op het gezicht. Het sloeg hem uit het veld. Wat bedoelde ze? Zij was toch waarlijk anders geen ongevoelige vrouw. Integendeel, ze had meermalen, met tranen in de oogen, getracht in de bres te springen voor anderen; zelfs voor dien Van Brakel. En nu keek ze hem aan met de grootste onverschilligheid,—nu het hemzelf betrof.

Mevrouw Willert wendde het hoofd af.

„Het is voor mij een zegen; misschien krijg ik nu nog een gelukkig leven.”

„Hadt je dat dan niet?” vroeg hij verwonderd.

„Neen, Willert. Het tegendeel is waar. Jij hebt dat nooit opgemerkt; jij ging geheel op in den dienst: dat was alles voor jou, maar voor mij was het een ramp; door je stiptheid in dienst mochten de meeste menschen je niet lijden, en hoezeer men ons beleefd behandelde,—vriendschap ondervonden wij nooit.”

„Ik heb er nooit behoefte aan gehad,” bromde hij verstoord.

„Dat weet ik wel; maar ik had er wel behoefte aan. Voor jou was de dienst niet slechts een plicht, het was een genoegen, een wellust, een manie. Je stondt er mee op en je ging er mee slapen; bij het ontbijt sprak je me over de dienstzaken, die des daags moesten volgen, en ’s middags over de dienstzaken, die op den dag waren voorgekomen....”

„Je hebt je er nooit over beklaagd.”

„Zeker niet. Het zou niet hebben geholpen. Van een zoo vreugdeloos leven als het mijne kon je toch geen besef hebben en ik wist heel goed dat het niet baten zou. Die ongelukkige dienst had je in zijn klauwen, als de duivel een menschenziel. Zoolang je er in waart, was daartegen niets te doen.”

„Het is overdreven voorgesteld.”

„Dat is het niet, en nu voel je ook wel, dat ik gelijk heb. We zijn jarenlang getrouwd geweest, maar een aangenaam huwelijksleven hebben we nooit gehad. Het was of je altijd in dienst waart. Denk je, dat een vrouw daarbij gelukkig wezen kan? Je waart steeds heel goed voor me en ik geloof dat je veel van me houdt op jou manier; maar van den dienst hieldt je meer; dat wist ik. Iedereen vond, dat ik het zoo gelukkig had getroffen: een knap man, een braaf man, een man die altijd vooruitging in maatschappelijke positie,—o zeker; maar ik had liever gehad, dat alles minder was geweest en je wat meer getoond hadt iets voor mij te zijn.”

„De vrouwen zijn nooit tevreden.”

„Dat is niet waar. Zij zijn zelfs heel gemakkelijk tevreden. Maar met niets kan men niet tevreden zijn. En ik heb niets aan mijn leven gehad. Het is hier voor het beste deel voorbijgegaan, vreugdeloos, vervelend. Ik heb jaar in jaar uit elken dag in een net huisje gezeten, zonder werk of verstrooiïng met de herinnering aan onze ochtendconversatie over den Waterstaat en als naaste toekomst een middaggesprek over den Waterstaat, dien ik vervloekt heb......”

„Hè? Dat is te veel!” riep Willert nijdig. Hij was nu wel ontslagen, maar dat iemand en nog wel zijn eigen vrouw den Waterstaat zat te vervloeken,—dàt was hem te erg.

Zij nam er geen notitie van.

„En nu ben ik blij; ik dank God, dat je er af bent. We gaan nu naar Europa; wij zijn nog jong genoeg om van het leven te genieten. Kinderen hebben we niet, maar wie weet, wat nog kan gebeuren in een koel klimaat en bevrijd van den waterstaatsdienst. Het pensioen is voldoende en al was het dat niet, dan kunnen wij er iets bijdoen.”

Maar zijn gezicht klaarde niet op bij het vooruitzicht van een mogelijk vaderschap. Zijn hart hing aan den dienst en dat deed hem beseffen, hoeveel waarheid er kon liggen in de kalme verwijten van zijn vrouw.

„Je praat er maar luchtig over; je kunt niet begrijpen, wat het is. Aan één kant heb je misschien gelijk: ik heb me te veel met de zaken vereenzelvigd; misschien ware het beter geweest te doen als zooveel anderen; maar dat kon ik niet. Laat ons er niet verder over spreken. Ik hoop nu maar, dat ik zoo spoedig mogelijk het bureau kan overgeven. Als ik je leven werkelijk zoo heb vergald,” voegde hij er verdrietig bij, „dan zal ik mijn best doen om het kwaad te herstellen.”

Zij moest zich geweld aandoen. Maar zij wilde nu niet zwak of toegeeflijk zijn en daarom knikte ze alleen even met het hoofd, als wilde zij zeggen: doe dat, het is een staaltje van je plicht.

Dezelfde courant bracht nog een verrassing. Lucie Van Brakel was reeds weder in haar kamer gegaan en haar man vervolgde zijn lectuur. Hij sloeg een blik op de advertenties.

„Luus, Luus?” schreeuwde hij weer. „Wel lieve hemel....”

„Nu, wat is er nog meer?” riep ze naar voren komend.

„Zoo’n kwajongen!”

„Wie? Wat?”

„Wel, die Geerling. Hier lees ik waarachtig dat hij met die meid getrouwd is.”

„Och!.........”

Alsof ze het niet geloofde, nam ze ’t blad uit zijn hand en las zelve de advertentie.

„’t Is verschrikkelijk! Nu, daar zal te Amsterdam wat over te doen wezen!”

„Ja, ’t is een beetje erg,” zei Van Brakel.

„Zoo,” antwoordde Lucie met een zijdelingschen verwijtenden blik, „hou jij je mond maar; als je jongmensch waart geweest, zou je misschien getrouwd zijn met dat.....”

Maar hij was opgestaan en hield haar met zijn hand den mond dicht.

„Het is gemeen!” riep hij lachend. „Je hebt beloofd er niet meer van te spreken.”

Ze stoeiden een oogenblik, tot groote woede der kinderen, die hen bij de kleeren trokken, en tot bezorgdheid van den ouden heer Drütlich, die met beide handen de tafel vasthield voor het geval ze er met hun zware lichamen tegen zouden aankomen.

„Kom,” zei ze hem lachend afwerend met de handen en met het hoofd zijwaarts achterover, coquetteerend met haar krachtig ontwikkelde buste, „kom, malle vent, schei er nu uit.”

Hij was spoedig buiten adem; dat was in physieken zin zijn merkbaar teeken van achteruitgang.