H. van Brakel, Ing. B.O.W.

Part 16

Chapter 163,966 wordsPublic domain

„Daar zou men warm van worden,” zei hij lachend en ging zitten.

„Wat doe je ook te beginnen?”

Zij streek haar kleeren glad en begon weer over het nieuws van den dag. Dat Geerling een dwaas was, een kwajongen, die zich verslingerde, stond vast; dat Ceciel een meisje van verdachte zeden mocht heeten, liet geen twijfel toe. Het was pleizierig voor een fatsoenlijke familie zoo’n slet in haar midden te moeten opnemen! Maar ze zou wel niet in den kring worden toegelaten; het zou te erg zijn als zoo’n oude patricische Amsterdamsche familie zich op zulk een wijze compromitteerde.

Zij keerden van het „stadhuis” terug. „Stadhuis” zeiden de oudjes bijwijze van spreken en ze bedoelden het gewestelijk bureau, waar de gewestelijke secretaris dienst deed als plaatselijk ambtenaar van den burgerlijken stand. „Het kantoor” was niet vertegenwoordigd; de getuigen waren een paar kennissen van Geerling en een paar ex-zeil-kapiteins, oude vrienden van de familie der bruid. Receptie zou er niet gehouden worden. Van den kant van Jules zou toch niemand komen en Ceciel was niets gesteld op visite van haar kant.

Een dinertje voor de getuigen,—daarmee zou alles gedaan zijn en bukkend voor het onvermijdelijke, had Ceciel besloten tante Du Roy maar te laten mee-eten, bijwijze van galgemaal.

Zij reed naar huis in een gehuurde trouwcoupé. Schoon was ze als een engel; niet als een vol van de onschuld der onwetendheid, niet als een kalverachtig onnoozel meisje, dat zich nog onnoozeler voordoet dan ze is, opdat men toch vooral zien zal, hoe weinig ze zich van de naaste toekomst bewust is,—maar als een engel des verstands; schoon door lijnen en kleuren, schoon door zichzelve, zonder dat de illusie van een oogenblik daartoe iets behoefde bij te dragen. Men kon het haar aanzien, dat zij geen vluchtig parfum was, maar een blijvende essence, in staat te overwinnen in den strijd om een frisch en langdurig bestaan.

Jules Geerling keurig in ’t zwart, met al wat hij aan had van ’t beste Schnitt en de duurste qualiteit, had den ganschen dag niets gedaan, dan haar bewonderen. En toch lag hem iets als lood op het hart; het was gebrek aan zelfvertrouwen. Naarmate de dag vorderde en hij Ceciel ernstiger en beslister had gezien in haar doen en laten, was dat erger geworden. Zij scheen hem iets te krijgen van een hooger wezen, wat door haar wit satijnen bruidstoilet en den witten sluier nog werd verhoogd. Geen lachje nog had haar gezicht opgevroolijkt; geen traan was haar in het oog gekomen. Zij sprak kalm, als altijd, en dat had hem geducht op de zenuwen gewerkt.

Zij had niet anders kunnen zijn dien dag. ’t Was geen komediespel, waarlijk niet; ’t was de invloed van het groote feit, van het offer dat ze in werkelijkheid bracht. Op het altaar van haar zucht naar fatsoen en stand, slachtte zij al wat in haar leefde voor wederkeerige liefde. Nooit had ze gedacht, dat het haar zwaar zou vallen, maar nu het gebeurde, drukte het haar ter neer. Zij had Geerling ingepalmd en ze wist zeker, dat ze het ook zijn Amsterdamsche familie zou doen. Al wat dit huwelijk mogelijk maakte, zou ze door haar ontwikkeling en haar ongenaakbare deugd stellig veroveren; maar van aanspraken op die gloeiende, robuste genegenheid, die overeenkwam met haar physieke ontwikkeling en haar temperament,—dáárvan moest ze voor goed afstand doen; daarvan mocht nooit of nimmer sprake zijn; dáárvoor was een hoofdvoorwaarde niet aanwezig, noch in den persoon van Geerling, noch in het bitter weinige, dat ze voor hem gevoelde.

Aan dat alles dacht ze. De accessoires van het leven en de demonstratie der gelegenheid lieten haar koud: zij vond die klein en onbeduidend, vergeleken bij hetgeen omging in haar eigen gedachten; die hielden haar bezig den ganschen dag en lieten haar eerst los tegen het diner, toen haar goede gezondheid haar eischen deed gelden en haar dwong tot het vroolijk bewustzijn, gewekt door een hongerige maag aan den eenen en den geur van fijne schotels aan den anderen kant.

„Kom Ciel,” zei Geerling haar kussend, „dat doet me genoegen. ’t Is voor het eerst, dat ik een glimlach op je gezicht zie vandaag.”

„Het is een ernstige dag,” antwoordde ze, en haar woorden uitleggend in zijn geest, stemde hij toe.

„Zeker, maar we moeten nu vroolijk zijn, ja?”

„Wel ja,” voegde zijn schoonvader er aan toe, wiens tong nu reeds verraderlijk dubbel sloeg, „jullie moeten wat vroolijker wezen; je zit daar of we op een begrafenis zijn.”

En allen waren het met hem eens, ook tante Du Roy, die er zeer goed uitzag en onder de aanwezige oud-gezagvoerders grooten opgang maakte.

Er vielen aardigheden aan tafel, waarover Ceciel zich ergerde, maar waarop zij geen aanmerking wilde maken; er werden verscheiden wijnsoorten dooreengedronken; tante Du Roy stelde zich aan en gilde lachend als de scheepskapiteins haar onder de tafel in de beenen knepen. Er werden toosten geslagen, heel goed bedoeld, maar slecht gezegd; de lucht in de binnengalerij, nog warmer door de menschen en de spijzen, was met gastronomische geuren vervuld, die de hersenen benevelden. De zeelieden werden herinnerd aan de vervlogen jaren hunner jeugd; de geest van den wijn verdreef den ernst des levens en de bedachtzaamheid van den leeftijd. Een hunner stond op, eenigszins waggelend, en begon met een glas wijn in de hand, waaruit hij telkens een weinig op het tafellaken stortte, een lied, waarmee hij gedurende zijn bootsmansjaren veel succes had gehad; met kon het zijn goedig rood en verweerd gelaat, door een grijzen ringbaard omlijst, aanzien dat hij het uitstekend meende; niettemin klonk het lied over zekeren Krelis, die voor de eerste maal getrouwd was met zeker Kniertje, in hooge mate onaangenaam voor het nette jeugdige paar, dat het aanhoorde met een zuurzoeten glimlach, terwijl tante Du Roy bij elke equivoque zinspeling allerverleidelijkste knipoogjes van verstandhouding gaf aan haar overbuur om toch vooral te doen zien, hoe goed ze van begrip was.

Zelfs toen Ceciel, voor goed nu, het vaderlijk huis verliet, gevoelde zij geen spoor van aandoening. Inwendig juichte ze: er uit, er uit! En toen, terwijl alles in de voorgalerij stond te schreien, haar ouders van wezenlijk verdriet om de scheiding van haar kind, haar tante vanwege de teergevoeligheid, en de rest van den weerstuit, wierp zij zich achterover in de kussens van het rijtuig met een zucht van verlichting en een welgemeend: Goddank!

Voor Geerling liep alles ten beste af. Ceciel was doodmoe, daarbij nieuwsgierig noch zenuwachtig, wat zoo weldadig op zijn stemming werkte, dat hij, toen ze in het kleine dorpslogement, waar ze vertoefd hadden, ’s morgens koffie dronken, met ’t prachtigste uitzicht ter wereld op ’t boschrijk gebergte,—zich de gelukkigste man ter wereld achtte.

Het jonge vrouwtje genoot ’t geluk volstrekt niet in die mate. Zij had alleen ’t gevoel van welbehagen, dat iemand heeft, die geslaagd is in een lang gekoesterd en met groote zorg overwogen en voorbereid plan. Ongestoord liet ze hem begaan, schoon ’t haar verveelde, dat hij zijn handen geen oogenblik van haar lijf kon houden.

„Willen wij een eindje opwandelen?” vroeg ze.

Natuurlijk vond hij dat uitstekend; het was een voortreffelijk denkbeeld; hij zou tegen iedereen hebben volgehouden, dat slechts zijn vrouwtje in staat was zoo’n eminent idee op te vatten, als het doen van een ochtendwandeling.

’t Was in deze bergstreek heerlijk koel, zonder het kille, dat de hoogere zône oplevert.

Wat Jules en Ceciel niet wisten, was, dat men hen hier van reputatie en van aanzien kende; en zoo wisten zij ook niet, dat ze en passant aanleiding gaven tot allerlei conjecturen en glossen op hun jongste verleden. De onderwijzer, die met zijn vrouw hen al wandelend passeerde, de dokter, die haastig met een collega naar het hospitaal liep, de agent van den wagendienst, zijn magere knollen inspecteerend, en de postcommies in rustige rust zijn pijpje rookend voor zijn deur,—allen beschouwden hen met de grootste belangstelling. Dat was dan die rijke Amsterdamsche koopmanszoon, wiens huwelijk men op allerlei wijze had willen beletten en die nu toch getrouwd was met dat meisje van veelbesproken reputatie, dat nichtje van die bekende weduwe Du Roy. Nu had hij zijn zin, maar niemand geloofde, dat hij zijn zin nog zoo heel weinig had voor den huwelijksdag.

Integendeel, iedereen was innig overtuigd, dat het huwelijk niets meer was geweest dan de formaliteit noodig pour le couronnement de l’édifice.

Des middags vertrokken zij weer hoogerop en ’t was reeds donker, voor zij de plaats bereikten, waar zij een dag of acht hoopten te vertoeven. Geerling, die per telegram goede kamers had besteld, kreeg die aan den eenen kant van den ingang van het logementsgebouw, waar ze met openslaande deuren uitkwamen op de voorgalerij. Moe van het rijden berg op, berg af, hotsend over een half vervallen en sedert den spoorweg als zoodanig niet meer gebruikten postweg, besloten zij in hun kamers te dineeren en daarna te gaan slapen.

Verbaasd zag Geerling den volgenden ochtend op, toen hij buiten kwam en aan den anderen kant van de voorgalerij Van Brakel zag zitten met diens schoonvader. Vervelender kon het nu al niet! Hij groette even met een hoofdknik en kreeg juist evenveel terug.

„Weet je wie onze buren zijn?” vroeg hij, in de kamer terruggaande.

„Nu?”

„De Van Brakels.”

„’t Is zeer onaangenaam. Maar ’t komt er zoo veel niet op aan.”

„We kunnen hen moeielijk op den duur zonder spreken voorbijgaan.”

„Dat is ook volstrekt niet noodig. Goeden morgen en goeden avond weegt niet zwaar. Doe overigens maar net als ik.”

En Van Brakel zei tot Lucie, die nog in haar bed lag te luieren met een kind in elken arm:

„Zeg Lucie, dat treffen we beroerd. Die kwajongen en die meid logeeren hier aan den anderen kant van de voorgalerij.”

„Laat ze!” antwoordde Lucie, half boos dat ze in haar naslaapje werd gestoord. „Wat hebben wij met dat volk noodig? Wij kijken het niet aan.”

Zij deed het ook.

Toen de Geerlings in de achtergalerij kwamen, waar het ontbijt gereed stond, zat Van Brakel, die altijd honger had, „in de kou” zich reeds aan boterhammen met ham te vergasten. Zij groetten en hij was te goed opgevoed van huis uit om onbeleefd te wezen; hij groette terug. Maar Lucie, die een oogenblik later kwam met haar kinderen, ging met groote drukte en veel beweging zitten en toonde door haar manier van spreken en de uitdrukking van haar gezicht, dat zij met de nieuwe gasten niets wilde te maken hebben, en deed eenvoudig alsof ze hen niet zag.

„Het is heel lief van haar,” meende Ceciel lachend. „Zij maakt het mij erg gemakkelijk.”

Maar zóó gemakkelijk was het niet, want de kleine Van Brakeltjes schenen zich door de jonge mevrouw erg aangetrokken te gevoelen, en ofschoon Ceciel hoegenaamd niets deed om de kinderen te lokken en ze ook niet aanhaalde, kwamen ze steeds aan haar kant en stonden of zaten haar aan te kijken en kwamen vertrouwelijk tegen haar aanleunen.

Lucie, woedend, riep ze dan terug, maar het hielp niet veel, want de Van Brakelsche jeugd, in volle vrijheid gedresseerd, beantwoordde het geroep met een welgemeend mô, totdat Lucie de baboes zond om de kinderen mee te trekken. Dan verzetten zich de lieve kleinen met hand en tand, schreeuwend en gillend en schoppend en slaand; en tien minuten later zaten ze, nog met de tranen op het gezicht, toch weer bij Ceciel.

De toestand, vond mevrouw Van Brakel na eenige dagen, werd onhoudbaar. Haar zenuwen waren, na de levenservaring der laatste jaren en door het druk dagelijksch gebruik van portwijn, bier en andere geestrijke dranken, niet meer zoo rustig als in vroeger tijd. Wanneer zij ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds aan tafel in het logement zich airs gaf en veinsde de Geerlings in het geheel niet te zien, dan was er niemand, wien dit zoo geweldig irriteerde, als haarzelf. Langs het koude masque der schoone jonge vrouw gleed dat alles af, als langs gepolijst marmer. En Lucie benijdde haar die imponeerende kalmte meer dan haar schoonheid, want zij was met haar eigen uiterlijk zeer tevreden en zij zag wel aan de blikken der mannen, dat haar rose vleesch van welgedane blondine appétisanter was dan de matbleeke teint der inderdaad veel schoonere mevrouw Geerling.

„Het is onuitstaanbaar,” zei ze.

„Dat is toch je eigen schuld,” zeide haar vader. „Waarom doe je niet net als iedereen? Wat kunnen je die jonge menschen schelen?”

„Ze kunnen me niets schelen, pa! Juist dáárom. Maar er is meer gebeurd, waarover ik zwijgen zal en waarin die twee de hand hebben gehad. Herman zal me niet tegenspreken.”

Dat deed hij ook niet.

„Maar toch,” zei hij, „heb ik er meer dan genoeg van en stel ik voor om elders heen te gaan.”

„Schade,” meende Drütlich, behaaglijk aan zijn pijp zuigend, „het is hier zoo lekker.”

Lucie gaf haar man een zoen.

„Je hebt groot gelijk en ik vind het lief van je. Dat nare volk bederft me hier alle genoegen. De kinderen zijn niet van haar af te slaan en zij doet toch niets; ze geeft ze niets en ze haalt ze niet aan. Ik begrijp niet wat dien kinderen scheelt.”

„De aantrekkingskracht der schoonheid,” liet Van Brakel zich onvoorzichtig ontvallen.

„Schoonheid? Het is wat, zoo’n marmer schaap; zoo’n steenen beeld! Neen, maar ik ben werkelijk bang, dat zij de kinderen behekst; ze heeft er net zulke rare oogen voor. Daarmee heeft ze dien Geerling ook betooverd, want zij houdt niet van hem; geen zier!”

„Och wat!” zei haar vader, wrevelig over de soesah van het vertrek: „wat weet jij er van? Laat toch die jonge menschen met rust. Het is dwaasheid om hier vandaan te gaan; het is hier veel te lekker.”

Doch papa had goed praten,—den volgenden ochtend waren de koffers gepakt en stond een groote reiswagen met een impériale voor de vele bagage, te wachten aan het hotel, en onder groote drukte trokken de Van Brakels af, in het gezicht hunner tegenpartij, die kalm aan den anderen kant der voorgalerij een kopje koffie dronk, al wippende met de schommelstoelen.

„Zij gaan nog hooger op,” zei Jules.

„Ja,” antwoordde Ceciel glimlachend, „dat dacht ik wel. Zij gaan op de vlucht.”

„Op de vlucht?” vroeg hij verwonderd; „hoe bedoel je dat?”

„Zij kan het in mijn nabijheid niet uithouden. Het is haar eigen schuld. Ik begreep den eersten dag reeds, dat ze die aanstellerij niet zou kunnen volhouden.”

Ten slotte speet het den Van Brakels niet, dat ze van tijdelijke verblijfplaats waren veranderd, want ze amuseerden zich kostelijk. Daarvoor gaven ze dan ook gruwelijk veel geld uit, en Van Brakel nam zich voor, als ze weer beneden kwamen, spoedig uit te zien naar wat werk, ten einde het gat, dat dit reisje in zijn financiën had geslagen, weer te dichten.

Hij deed het ook, maar.... er was niets; het ergste was nog, dat er zich gedurende zijn afwezigheid een andere bouwmeester op de plaats had gevestigd en het eenige werk, dat open was gekomen, hem achter den rug had weggekaapt.

De eene maand ging na de andere voorbij, maar werk van eenig aanbelang kwam er niet; slechts kleine verbouwingen en reparaties; om nu zoo weinig mogelijk in te teren, deed hij zijn best, die uit te breiden en kostbaar te maken, tot woede en verdriet van de eigenaars, die zich de haren uit het hoofd trokken bij het zien der „gespecificeerde” rekeningen, waaruit zij toch niet wijs konden worden, maar die op zeer respectabele totalen neerkwamen.

Wie voor dergelijk werk in zijn handen viel, beloofde zichzelven plechtig, dat het voor de laatste maal zou zijn.

Zoo scharrelden zij het jaar door, elke maand inbrokkelend van hetgeen ’t vorige jaar was verdiend, en toen wederom de Indische Sint-Silvester zijn natte tronie liet zien onder de druipende klapperboomen, bracht hij Van Brakel tot de slotsom, dat diens zaken lang niet schitterend stonden en hij de tering moest zetten naar de nering, wilde hij niet spoedig aan den grond raken.

Maar voor Van Brakel en voor Drütlich was dit een onverstaanbare taal; een taal, die ze begrepen noch verstonden. Ze namen er het leven goed van, als zij geld hadden ten koste van zichzelven en anders ten koste van hun leveranciers, in afwachting van betere tijden. En op die laatste hoopten zij dien oudejaarsavond; met elk glas, dat ze meer dronken, werd die hoop levendiger.

„Met den eersten flinken duit, dien ik verdien,” zei Van Brakel, „ga ik eigen huizen bouwen.”

„Dat hadt je al lang moeten doen.”

„Dat had ik ook; maar nu ben ik er toe besloten. Ik maak tusschen die twee voorname wegen een verbindingsweg.”

Hij haalde een stuk krijt en teekende zijn weg op de tafel, en zette de huizen op een rij.

Het was een idee.

Met hun drieën lagen ze over de tafel, de hoofden bijeen, turend op de witte lijnen. Van Brakel gevoelde zich een Hausmann in miniatuur.

Hij teekende voort, vlug en vaardig, en hij zette zijn bedoeling nader uiteen: de grootte van de erven, de inrichting der woningen, het punt van uitgang over begroeide terreinen en door klappertuinen, tot het snijpunt op den tweeden parallelweg.

„Prachtig!” riep Lucie vol bewondering.

„Het is een practisch denkbeeld,” vond haar vader. „Ik geloof wel, dat je daarmee succes zult hebben. Er is behoefte aan zulke huizen.”

„Maar de duiten?”

„Zie dat je een geldschieter krijgt.”

„Als je eens naar hem ging, je weet wel, die je toen met dien speelbeer heeft geholpen?”

Langzaam en in gedachten knikte Van Brakel toestemmend. Dàt had hij ook reeds gedacht; die zou hem wel willen helpen. Zij dronken op het welslagen, tot de hanen reeds voor de tweede maal hadden gekraaid en de nieuwe dag naderde van het nieuwe jaar.

Lucie ging naar bed, vrij soezerig, en ze sliep reeds voor zij behoorlijk lag. Herman en Drütlich bleven nog in luierdstoelen zitten bij hun zooveelste brendy-soda; de oude man dommelde in, en de ingenieur sprak altijd maar voort met zware tong en nu en dan haperende stem over zijn bouwplannen, tot hijzelf ook indommelde.

Langzaam rees de zon achter de huizen aan de overzijde van den weg. Het ochtendschot was met een doffen dreun gevallen. De krakende karren, die tot zoo lang buiten de poort hadden moeten wachten, deden hun intocht; hier en daar doken de inlanders op uit hun kampongs, met de sarongs tot aan de schouders opgetrokken of de armen tegen het lijf gekruist, bibberend bij de koelte van den ochtend en, nog slaapdronken, waggelend op hun beenen; alles was gekleurd met een grauwe tint, die met elke minuut lichter werd, tot ze zich oploste in de eerste zonnestralen, die de dauwdroppels op de klapperbladeren deden fonkelen.

De stralen daalden lager; ze vielen over de boomen heen op ’t afdakje van ’t paviljoentje der Van Brakels; toen er onder. In de luierdstoelen sliepen de twee mannen; de oude, stil en rustig; wel duizendmaal had hij op ’t land in zoo’n stoel geslapen; de jongere luid snorkend. Beider gezichten waren opgezwollen en rood van het drinken en glommen in het zonlicht alsof ze met vet waren besmeerd. En in het centrum van de karaf met brendy schiep een straaltje van den lichtbundel een prachtige helder gouden ster, tintelend en schitterend met vroolijke levendige kleurwisseling bij de geringste beweging.

Een inlandsche bediende sloop zacht naderbij op zijn bloote voeten; hij ging ’t galerijtje op, nam de flesch weg en de glazen, bracht die even achter ’t muurtje, dat het voorerf van het achtererf scheidde, en zette daar de karaf aan zijn ongewasschen mond.

’t Was Van Brakel of hij blind werd, toen hij, de oogen openend, in de zon keek.

Hij schopte tegen den stoel van den ouden heer.

„Zeg, zeg pa; ga naar uw tampat.”

Beiden stonden op en sukkelden naar hun kamer, waar ze de gendie’s voor den mond zetten, veel water dronken en toen nog half slapend in hun bedden neervielen.

Het was de eerste dag van een nieuw jaar.

De poging gelukte.

Toen Van Brakel eenige dagen later zijn plannen en ontwerpen den resident aanbood, was deze daar wonderwel tevreden over; hij beschouwde ze met groote belangstelling; hij zag in hoe nuttig zoo’n verbindingsweg zou wezen in het fraaiste deel der gemeente en hoe sierlijk de aanleg zou kunnen zijn; de resident werd er enthousiast voor en beloofde in alles zijn medewerking, behalve natuurlijk in ’t finantiëele, maar daarom vroeg Van Brakel niet.

Hij ging van ’t residentiehuis naar ’t koopmanskantoor en ook daar hoorde men hem aan met de grootste welwillendheid, die nog sterker werd toen men vernam dat de resident de plannen goedkeurde en diens steun had toegezegd.

’t Was alles fraai en wel; men twijfelde volstrekt niet aan het goed inzicht en de architectonische bekwaamheden van Van Brakel; men was ook wel geneigd kapitaal te verstrekken,—maar de soliditeit van den ingenieur op finantiëel gebied werd betwijfeld en daarom stelde men hem moeilijke en zeer bindende voorwaarden, waardoor hij en zijn werk altijd vast lagen in handen van de firma.

Hij nam die voorwaarden aan zonder zich te bedenken; hij was zóó zeker van zijn zaak!

En er begon voor hem een tijd van groote drukte en werkzaamheid, welke hem vroeger dan ooit op het pad deed zijn en later dan ooit te huis deed komen.

Bij de algemeene medewerking ging alles wondervlug; de noodige terreinen, behoorend bijna uitsluitend aan Chineezen en Arabieren, werden met de hulp van ’t bestuur gemakkelijk verkregen; de aanleg van den weg was voor weinig geld, door de gratis-hulp van dwangarbeiders-personeel, spoedig gereed en weldra had Van Brakel zijn perceelen afgebakend en voor zooveel noodig schoon gemaakt en rezen ontzaglijke steenhoopen en bergen kalk en stapels balken op het terrein. Hij had zijn begrooting goed ingericht, naar zijn idee; zóó goed, dat hij zichzelven feitelijk bestal; als loon voor zich had hij er weinig opgebracht in directe cijfers; het meeste was onder andere posten verscholen.—Bovendien, dat moest zoo uitkomen voor later, als hij een werk deed voor anderer rekening; men moest hem dan immers niet kunnen verwijten, dat hij mat met twee maten. En zoo kreeg hij telkens betrekkelijk aardige sommetjes in handen, die „vrij” waren gekomen bij de uitbetaling van werkloonen en leveringen; Lucie, die dat heerlijk vond, maar hem bitter beklaagde, omdat hij zoo „voort” moest, wendde die in hoofdzaak aan om hem in zijn weinigen vrijen tijd het leven lekker te maken. Hij mocht niet meer eten aan de tafel in het commensalenhuis. Daar moest hij gekleed komen, en kasian! hij kwam pas ’s middags te zes uren thuis, doodmoe, en niets was dan lekkerder, dan na het baden in nachtbroek en kabaai te blijven; er werd elken avond een extra-dinertje voor hem klaar gemaakt, alles uit blikjes en altijd iets met truffels, daar hield hij zooveel van, kasian! Voor de gezelligheid aten Lucie en haar vader dan met hem mee, kasian!

Zondags, als er niet werd gewerkt, was het een dag van het meest volkomen epicurisme, slechts afgewisseld door wandelingen ’s morgens en rijtoertjes ’s middags en ’s avonds. Met dat al verdiepten zich Van Brakel en zijn schoonvader zoo dapper in de spiritualiën, dat de laatste er sufferig onder werd; de ijzeren natuur van den ingenieur bood als altijd weerstand en hoeveel hij ook dronk des avonds,—klokke vijf den anderen morgen was hij weer op het werk, net als in ’s lands dienst.

Dan zette hij er gang in. Er moest, zoo was de afspraak met de geldschietende firma, een huis worden afgemaakt en verkocht; dat was niet alleen goed voor ’t geld, maar het stond flink voor de commanditairen in Europa; die zagen dan, dat er wat binnenkwam.

Toen daar het eerste huis stond, niet te groot, keurig net, met marmer bevloerd, doelmatig ingedeeld en van alle gemakken voorzien, kwamen belanghebbenden kijken, want het was te koop geannonceerd.