Part 17
Ofschoon hij rondliep, even groetend, maar zonder schijnbaar notitie van de menschen te nemen, spitste hij de ooren en zag scherp toe. Nu en dan glimlachte hij. Welzeker, ze zagen het wel! Ze zagen wel dat hier geen beunhaas aan het werk was geweest, maar een man van het vak. Alles was solide, alles was haaks. ’t Was niet een dier talrijke Indische huizen, waarvan men de hoeksteenen met den haak van een Engelschen wandelstok los kan peuteren en er uit halen, zoodat het heele huis ten slotte ineenstort,—neen, ’t was, wat een Hollandsche notaris zou noemen: hecht, sterk en weldoortimmerd.
Deskundigen kwamen het zien en bekeken het met welgevallen; Chineezen snuffelden rond om na te gaan hoe dit en dat ineenzat,—maar dáárover was men het eens: er stonden weinig huizen op de plaats, die zoo goed gebouwd waren. Het bracht een prijs op ver boven de taxatie, tot groote vreugde van Van Brakel en niet minder van diens geldschieter. ’t Was voor den ontslagen waterstaatsingenieur een moment de gloire, zooals hij er nog geen had gekend; en het succes wischte voor het oogenblik alles schoon; de koopman, die het werkkapitaal had verstrekt, gaf een partij en de Van Brakels werden geïnviteerd.
Daar zouden zij dan weer komen, midden in de wereld, die hen had uitgestooten; terug in de kringen, die zich voor hen hadden gesloten, in het gezelschap van hen, die hun gezelschap hadden vermeden.
Van Brakel glom van trots en genoegen. Met een glimlach vol zelfvoldoening om den mond en schitterende oogen liep hij met groote stappen in ’t voorgalerijtje op en neer.
„Daar komen ze nu al,” zei hij op hoonenden toon. „Daar komen ze nu al! Met hangende pootjes! Je zult nog wel meer grappen beleven. Wacht maar! Er zal een tijd komen, dat ik hen trappen kan en dan zal ik hen trappen, de ploerten. Ze hebben me genoeg laten slikken in den laatsten tijd. Mijn dag komt ook: wacht maar! Ik zal het hun wel inpeperen, dàt beloof ik je...... De ploerten”... herhaalde hij nog eens, vol minachting naar buiten spuwend, als deed hij het der geheele stad in het gezicht.
Lucie lette er niet op; zij was geheel in gepeins verzonken, en opziende, als iemand, die met haar gedachten ver van tijd en plaats is, zei ze:
„Ik weet waarachtig niet, wat ik zal aandoen op die partij.”
Toch was zij zenuwachtig.
Zij moesten alles nieuw hebben en hij was niet meer gewoon aan min of meer voornaam gezelschap in „pakean deftig.”
Het liep echter uitmuntend af. Menschen, die hem in geen maanden hadden gegroet, spraken hem aan alsof ze voortdurend met hem in de beste verstandhouding hadden verkeerd; dames, die Lucie van vroeger kende, behandelden haar als zusters en verzekerden hoe gelukkig ze waren, dat nu alles zóó geschikt was.
Wat ze meenden, wist Lucie niet goed, maar ze vond het heerlijk. En ze danste ook weer, al was het niet zooveel als vroeger toen Herman nog in dienst was en inferieuren had.
’t Was een triomf, waarvoor zij in hun hart dankbaar waren.
Van Brakel zat weer eens aan een hombertafeltje, waar om een hoog tarief werd gespeeld met oploopenden pot. Hij was niets vergeten, al had hij ook niets geleerd.
De volgende maand was hij weer lid van de sociëteit. Er waren nieuwe bestuursleden in dat jaar gekomen en de andere keken zoo nauw niet; nu het eenmaal was uitgemaakt dat men voortaan Van Brakel toch overal zou ontmoeten, moest over dat uit ’s lands dienst geraken de mantel der liefde maar geworpen worden. Schwamm d’rüber! dacht men unaniem en hij deed weer zijn intrede alsof er niets was gebeurd; en hij ging er weer heen elken avond; hij werd weer een „steunpilaar”; hij huurde ook een eigen woning, richtte zich netjes in en leefde weldra juist zooals hij geleefd had als ingenieur bij den Waterstaat; alleen verteerde hij meer geld en had hij meer drukte over zich.
Kalm en gelukkig kwamen Jules en Ceciel terug van hun huwelijksreisje.—Ze namen hun intrek in een logement en maakten rustig en op hun gemak alles gereed, wat ze noodig hadden om mee te nemen. Passage naar Europa was besproken en Jules had van het vermogen, dat hem, toen hij meerderjarig werd, moest worden uitgekeerd, afrekening ontvangen. Zijn verzoek om het geld in de zaak zijns vaders te laten, was afgewezen, zoodat hij een andere belegging moest aanwijzen. Met een zucht had hij het gedaan.
Ceciel had een halven nacht besteed aan het nagaan der verantwoording.
„Je moet het geld vooral solied beleggen,” zei ze, toen het niet in de zaak mocht blijven.
„Zeker. Ik wil alleen met een klein beetje speculeeren.”
„Doe het niet,” waarschuwde zij, „wij hebben meer dan genoeg voor ons tweeën ook bij lage rente.”
„Het maakt een drommelsch verschil. In de zaak rendeerde het 15 a 20 percent.”
„Wat zou het, Jules? Maar als de zaak eens fout ging!”
„Allons!” spotte hij. Welk een gek idee had ze daar! „Als de heele zaak, zooals die nu staat, de zwaarste klappen kreeg, heeft papa nog persoonlijk fortuin genoeg om à pari te liquideeren.”
„Het is mogelijk, maar ik heb het niet op zaken. Ik heb liever solide staatspapieren, waarvoor men nooit bang heeft te zijn. Kom Jules, doe het maar.....”
En ofschoon hij er maar weinig zin in had, deed hij het ten slotte toch op haar aandringen.
Zij zat nu nog slechts met één moeilijkheid.
„Waar embarqueeren we?” vroeg zij op een ochtend.
„Wel... aan den kleinen Boom. Waar zouden we anders embarqueeren, chérie?”
„Ik ga hier niet aan boord.”
„Maar........”
„Om het gejammer van pa en ma nog eens in het publiek te genieten, geaccompagneerd door tante Du Roy......! Ik dank je wel.”
„Maar beste Ciel, hoe drommel moeten we het dan aanleggen? We kunnen toch niet op de vlucht gaan!”
„Laat dat maar stil aan mij over. Ik ga strakjes naar de oudelui en zal er met hen over spreken. Pa is een man, die voor zulke dingen wel raad weet.”
Haar bezwaar tegen tante Du Roy werd erkend.
„Maar ze zal dol wezen,” meende haar moeder, „als je weggaat zonder afscheid van haar te nemen.”
„Dat zal ik ook niet. We gaan, net als pa zegt, een dag vroeger naar de naaste havenplaats, waar Jules een vriend heeft, wien hij nog zoo graag de hand zou drukken. ’s Avonds te voren komen wij afscheid nemen, met een reiswagen voor de deur, en ’s nachts gaan we met een tambangan naar boord.”
’t Beviel Jules Geerling maar half. Hij zag er nu zoo’n kwaad niet in, dat mevrouw Du Roy met veel tranen afscheid nam. Welke haan zou in Amsterdam, dacht hij, daarnaar kraaien? En dan, hij was nu toch gebrouilleerd met zijn familie!
’t Was nog stikdonker toen ze gingen. Geerling slaperig en mopperend. Ceciel druk en opgewonden. Eindelijk was het oogenblik daar, en zou ze Java verlaten. Haar kisten waren reeds den vorigen avond naar boord gegaan. Zij reden naar de kali, waar een tambangan hen wachtte. Er lag een dikke, geelachtige damp over de plaats; het rook onaangenaam en in het flauwe schemerlicht zag alles langs den weg er vies en onooglijk uit. Och, ze was zoo blij, dat ze heenging!
Ook het tweede huis, dat Van Brakel had gebouwd, bracht een fraaien prijs op, maar daarvan werd zooveel notitie niet genomen.
Het nieuwtje was er af en een „meevaller” was het niet meer.
Alles ging nu overigens zijn gewonen gang. Lucie was weer teruggekeerd tot haar oude bedrijvigheid van vroeger, al ging het in den aanvang niet meer zoo van harte. En ’t huishouden kostte een schat van geld en Van Brakel had voor zijn menus plaisirs meer noodig dan ooit.
Zij hadden er al eens ruzie over gehad; hij verweet haar dat ze spilziek was; dat ze vroeger niet het vierde gedeelte gebruikte van de dranken, die thans werden geschonken. Maar zij was sterk; zij had een sociëteitsrekening van over de honderd gulden in zijn zak gevonden en daarmee gewapend, bestreed zij hem.
„Nu maar; er moet toch een eind aan komen,” zei hij later. „Ik zal van mijn kant ook wat inkrimpen.”
„Je mocht waarlijk wel het voorbeeld geven. Jij verteert met je homberen, je sociëteit, je havana’s, je paarden en aan je verdere verteringen, meer alléén dan wij met het geheele huishouden.”
„Je lijkt wel gek.”
„Maar ik zeg de waarheid.”
„Nu goed. Ik zal mij bekrimpen; ik zal minder uitgaan en minder verteren; maar jij zult het ook doen.”
„Heel goed; als jij maar begint.”
Dien avond aan tafel stond hij als gewoonlijk na het dessert dadelijk op en nam zijn hoed.
„Ik dacht, dat je thuis zoudt blijven?”
„Van avond kan ik niet; ik heb afgesproken; de anderen komen ook. Morgen.”
Zij keek hem glimlachend aan; zij kende dat morgen!
Toen hij weg was, stak de oude Drütlich een groote pijp op en begon bier te drinken, waarbij Lucie hem met een glas likeur gezelschap hield. De eene flesch bier volgde de andere tot Drütlich vond, dat het tijd werd om over te gaan tot een brendy-soda en Lucie meende, dat het uur van slapen was aangebroken.
Alleen met een rijtje ajer-blanda-fleschjes en een karaf cognac, verzette de oude man zijn leed. Het appeltje, dat hij nog had overgehouden voor den dorst, was reeds lang op; hij teerde nu geheel op zijn schoonzoon. Van Brakel vroeg daar niet naar.
Wat kon ’t hem schelen! Bovendien, hij wist dat Drütlich in zijn goeden tijd voor hem ook steeds royaal was geweest en daarmede nam hij dus genoegen. Maar dien nacht kwam hij erg laat thuis; hij had heel veel gedronken en was ook voor zichzelven zwaar op de hand. Onderweg mopperde hij in zijn eentje over de quaestie, die hij met Lucie had, en voor de eerste maal rekende hij het haar aan als een soort van verwijt, dat haar vader bij hen aan huis woonde. Toen hij uit zijn wagen stapte, achter op het erf, voelde Van Brakel, dat zijn gang eenigszins waggelend was en niet zonder eenige moeite klom hij de trappen op naar de achtergalerij, waar één lampje brandde.
Hij scharrelde naar het buffet. Er stonden vier leege bierflesschen en vier dito ajer-blanda-fleschjes. Van Brakel kon zich niet goed houden bij de gedachte, dat die „ouwe” zooveel bier en brendy-grog in zijn eentje had verschalkt.
Op zijn eigen suf gezicht verscheen een dom dronkenmanslachje.
„Zoo’n oude nathals!” mompelde hij en zocht grinnikend zijn kamer.
Hij had tegenwoordig een slaapkamer apart. Wel sukkelend en langzaam, maar toch volhardend, kwam hij er toe zich vrij behoorlijk te ontkleeden. In zijn bed lachte hij nog en telde op zijn vingers hardop, om na te gaan hoeveel grogjes zijn schoonvader zich wel van vier fleschjes ajer-blanda had kunnen maken, maar hij telde telkens de bierflesschen mee en probeerde dan er die uit ’t hoofd weer af te trekken, al grinnikend van pret om dien ouden „nathals.” Maar ’t gelukte hem niet het rekenkunstig vraagstuk op te lossen; de invloed van het zelf genoten geestrijk vocht was te groot en hij viel in zijn gewonen korten, maar loodzwaren slaap.
De huizen vonden niet langer dien aftrek. Men had niet gerekend op het gering aantal menschen in staat en genegen om te koopen. De Chineezen hadden kongsi gemaakt. Waarom zouden zij zich haasten nu te koopen voor veel geld? Zij zouden hun beurt afwachten.
Drie, vier huizen gingen goed van de hand, maar toen was het uit. Op het vijfde werd te weinig geboden; het werd niet gegund en stond nu daar met een bordje er aan, vermeldend, dat het te huur was of te koop.
Doch het toeval trof, dat iedereen goed was voorzien en daar de huurprijs van het nieuwe huis vrij hoog was, schrikte dit ook de huurders af.
Intusschen werkte Van Brakel voort, als ging hem dat alles niet aan, schoon hij inwendig zeer ongerust was; als hij op ’t kantoor kwam om geld te halen, dan kreeg hij het, maar ’t ging niet van harte en hij moest allerlei klaagliederen aanhooren en zinspelingen op een speculatie, die dreigde te mislukken; op goed geld, dat naar kwaad geld werd geworpen; op mooie, maar niet geheel te verwezenlijken plannen enzoovoort.
Het werd elken keer erger. Telkens kreeg hij, wat hij noodig had om te kunnen werken, maar telkens onwilliger.
Op een Zaterdag-ochtend, toen hij geld kwam halen om uit te betalen, iets dat hij altijd zelf deed, stonden de gezichten van de heeren chefs der firma ernstiger dan ooit.
Van Brakel werd verzocht in een aparte kamer te komen; men ging zitten en een van de firmanten, zijn bedenkelijk gezicht bewarend, begon met hem te zeggen, dat het hun verschrikkelijk speet; dat zij niets liever hadden gedaan dan dóórwerken, maar dat zij er reeds veel geld hadden ingestoken en dat zij voorzagen er, bleven zij voortwerken, nog veel meer te moeten insteken.
„Het kan toch waarlijk zooveel niet wezen.”
„Dat is naar men het neemt; het is al dertig mille.”
„’t Is niet mogelijk. En de opbrengst dan van de huizen!”
„Die is er af getrokken.”
„Onmogelijk! Hoe kan dat dertig mille zijn?”
„Het is toch zoo. Maar we dachten wel, dat je het niet zoudt begrijpen; hier is de rekening.”
Van Brakel kreeg een papier met „Aan’s” en „Per’s” waarvan hij weinig of niets begreep. Hij zag er getallen op staan van zes cijfers, waarmede, zoo zei men ter toelichting, hij zich niet behoefde te bemoeien; dat betrof alleen de boekhouding.
Met een domme uitdrukking op het gelaat, bekeek hij het met zwarte en roode inktstreepjes bewerkte blauw gelijnde papier.
Hij begreep er niets van dan het eindcijfer, ja, dat zag hij: ’t was over de dertig mille. Overigens deed de net geschreven rekening-courant hem denken aan de nota’s, die hijzelf bij gelegenheid indiende wegens reparaties, met een specificatie van groote en kleine soorten van spijkers en draadnagels, afmetingen van verwerkt hout enzoovoort, waaruit evenmin iemand wijs kon worden.
Tegen die gespecificeerde rekeningen viel ook niets in te brengen en hij begreep, dat er evenmin iets te doen zou zijn tegen die rekening-courant, waarop millioenen paraisseerden, die niets met zijn bouwerij te maken hadden en alleen voorkwamen in verband met de boekhouding.
„Ja, het eindcijfer is zoo. Ik kon het me niet voorstellen. Maar dit is, dunkt me, toch geen reden om er mee uit te scheiden.”
„Voor u niet,” zei een der chefs met een slim lachje, „maar voor onze firma wel.”
„Toch niet. De huizen zullen hun geld opbrengen. Men moet een beetje geduld hebben.”
„Zulke zaken moeten quick gaan,” meende de compagnon, „en dat gaan ze niet.”
„Dus moet de boel maar zóó blijven liggen?”
„Voorloopig, ja. Wij zullen zien of we iemand kunnen vinden, die den boel wil overnemen, zooals hij reilt en zeilt.”
„Dat is een zeer pleizierige tijding voor me!”
„Ja, ’t spijt ons erg, maar er is niets aan te doen. Wij mogen niet verder gaan. We zouden onaangenaamheden krijgen met onze commanditairen.... Ziet u, we hebben ons er alleen mee ingelaten om u te helpen, want wij doen anders aan zulke dingen niet. Wij dachten, dat het flink zou marcheeren als het eenmaal op gang was, maar dat doet het niet.”
„En nu kunnen wij,” voegde de andere er bij, „niet langer er mee voortgaan. We moeten nu maar zien er met zoo weinig kleerscheuren als mogelijk is, af te komen.”
Toen hij ’t kantoor verliet, kon Van Brakel zich het geval eigenlijk niet best voorstellen. Hij had ’t altijd beschouwd als zijn bouwerij en ten slotte bleek, dat hij in ’t geheel geen baas was geweest hoegenaamd; de winst op de verkochte huizen had de firma opgestoken en hij had gewerkt voor niet eens het traktement, dat hij zou bedongen hebben als hij het werk eenvoudig voor iemand had aangenomen.
„Ik heb het wel gedacht,” zei Drütlich, „ik heb het wel gedacht! Zoo gaat het altijd in de wereld en overal. Laat je dat een troost zijn.”
Lucie nam het zoo kalm niet op. Zij was woedend en schold op dezelfde menschen, die ze eerst zoo dankbaar was; ze waren „dieven” en Van Brakel was een domme vent. Ze schold zoo lang tot hij ook boos werd, en beiden, opgewonden, elkaar allerlei verwijten deden en uitmaakten voor al wat leelijk was.
Eerst ’s avonds dronken zij het af, waaraan ook Drütlich meedeed, schoon hij eigenlijk niets af te drinken had.
En nu begon de teruggang met groote snelheid.
De firma had de heel en half afgewerkte huizen verkocht aan een schoenmaker, die meer werkte met gesmokkelde opium dan met pekdraad en als zeer rijk en zeer gemeen bekend stond.
Reeds Zondag kwam hij familiaar bij Van Brakel de voorgalerij inloopen.
„Zeg, ik heb dien rommel gekocht. Als je wilt kan je blijven doorwerken; maar je moet niet zoo duur wezen, hoor!”
Van Brakel behandelde hem uit de hoogte. „Dank u. Ik zal er geen gebruik van maken.”
„Zoo. Ik dacht nogal dat ik je een dienst bewees, en dat meenden de heeren op ’t kantoor ook. Afijn, voor jou een ander. Ik wensch het je.”
De schoenmaker-opiumsmokkelaar ging heen met een nijdigen trek op zijn onaangenaam gezicht.
„Eer ik nu toch voor zoo’n intensen ploert werkte,” zei Van Brakel, „schoot ik me liever dood.”
„Je moet ’t zelf weten,” meende Drütlich. „De vent z’n geld is net zoo goed als dat van een ander.”
„Ik kan mij toch niet feitelijk onder zoo’n schurk stellen?”
„Dat is ook niet noodig. Het is geen zaak van onder of boven. Je krijgt geld voor je werk. Daarmee is het uit.”
Doch Van Brakel was te lang in ’s lands dienst geweest om in dien gedachtenloop van zijn schoonvader te kunnen treden. Hij was het niet met hem eens en hoe de oude Drütlich ook redeneerde, geheel tegen zijn gewoonte in,—het hielp niet: Van Brakel was er niet toe te bewegen het werk voor dien „vent” te doen.
„Ze hebben je bij ’t lijf gehad,” zei Drütlich verder. „Ik heb ’t je gezegd: ze doen het altijd. Spreek er een advocaat over.”
„Waarover?”
„Wel over je contract. Een schriftelijke overeenkomst is nooit zóó of de partij in wier voordeel zij is gemaakt, is wel eens afgeweken.”
„Wat zou ik er aan hebben!”
„Allicht klop je er een duizend gulden of wat uit.”
Van Brakel volgde dien raad, en inderdaad liet de firma, om van alle soesah af te wezen, naar zij verklaarde, en uit medelijden met Van Brakels toestand, zich door diens advocaat tot een uitkeering in geld overhalen. Maar nu ook, werkte zij hem geregeld tegen. Wat hij ook beproefde—nergens vond hij meer eenig werk te doen. En terwijl het beetje beschikbare geld hun door de vingers gleed, twistten zij elken dag, en werd het huiselijk leven voortdurend ondraaglijker.
Er was, er kon geen sprake meer zijn van uitgaan of ontvangen, en er zou ook niemand meer zijn gekomen. Het was maar een vleugje geweest!
Toch hielden zij het nog maanden vol, tot ook het krediet geheel was uitgeput.
Van Brakel liep overal, informeerend naar werk of naar een betrekking, maar men kon hem niet helpen en men wilde ook niet. Of het de misère van den laatsten tijd deed, of wel ’t gevolg was van een langdurig en herhaald misbruik—hij begon te marqueeren; zijn uiterlijk verried den man, die te veel van zijn gestel had gevergd; zijn oogen, zijn neus, zijn geheele gezicht begonnen te spreken van bitter, bier en brendy.
Iedereen behandelde hem nog als een „heer”,—hij was immers een gediplomeerd man; men had innig medelijden met zijn omstandigheden; daarbij bleef het. Stuk voor stuk, dat waarde had, verdween intusschen uit zijn huis, en binnen enkele maanden lag de boel, zooals hijzelf zei, voor den grond. Moedeloos en verslagen, huilde Lucie elken dag, tot zij haar leed verzette en meedronk met haar vader. Als Van Brakel, die langzamerhand tot de jenever bij Chineezen was afgedaald, dan terugkwam van een vruchteloozen tocht om werk, was hij drie-kwart dronken, en Lucie en haar vader waren ook niet normaal. Dan dronken zij voort, eerst elkaar troostend, tot de demon der tweedracht over hen kwam en een heftig krakeel losbrak.
Eindelijk vond hij iets.
Het was toch bij den schoenmaker, die opium smokkelde.
Tien palen buiten de stad liet die een huis zetten voor den administrateur zijner rijstlanden. Van Brakel zou slechts het toezicht houden voor honderd en vijftig gulden in de maand.
Stil verkochten zij ondershands wat ze nog hadden, laadden de hoogst noodige meubelen op eenige karren, en vertrokken in den nacht, een lange lijst van schulden achterlatend.
Nabij een desa in de buurt, waar het huis moest worden gebouwd, had Van Brakel een kleine houten woning gehuurd. Die meubelden zij met hun bedden, tafels en stoelen, een paar kasten en eenige lampen; zoo eenvoudig mogelijk.
Ook zoo onverschillig mogelijk,—want het kon Lucie niets meer schelen. Als zij maar in een luierdstoel kon liggen, met wat te drinken naast zich, de oude heer om gezelschap te houden, en de kinderen, smerig en half gekleed, om nu en dan tegen te schreeuwen, als ze leven maakten, dan kon de rest haar niets hoegenaamd meer schelen.
Zoo ging hun leven voort, zonder rechtstreeksche ellende, en toch zoo diep ellendig.
Met een toedong op, die zijn rood gezicht beschaduwde, een dikken stok in de hand, een halfvuile kabaja aan, en op bloote voeten, de pijpen van zijn slaapbroek hoog omgeslagen, ging Van Brakel ’s morgens naar het werk.
Niemand zou in den Europeeschen koeli-mandoor den netten ingenieur herkend hebben, die eenige jaren vroeger rondreed in zijn bendy, met de pet op met zilveren band.
Zoo trok hij uit, al heel vroeg in den morgen, de dampen van den sterken drank des vorigen avonds nog in het hoofd en een pas werkenden ochtenddronk in de maag.
Dan ging hij toezicht voeren op het heiwerk in den moerassigen grond, en terwijl de zon hooger kwam en de fel brandende stralen de padi rijpten, welke gelend op het veld stond, zoover men zien kon naar alle kanten, leunde Van Brakel op zijn stok onder het atappen afdakje, dat hij voor zich had laten maken. Zijn oogen vielen dicht; het was zoo warm, en hij zoo sufferig! Eentonig klonk het heilied.... Boem! Daar viel weer ’t blok op den paal. Half droomend glimlachte hij. Het heien! Daar stond hij als kind in Holland zoo graag bij te kijken, en hij genoot als de vroolijke heibaas met den rood baaien borstrok aan, zijn stem verhief:
Haal op de hei! Gewassen.... Boem! Al in de Mei.
Ja, dat was toch heel anders dan hier de dreun volgens die andere gamelan toonladder, dreinend en sleepend.
Hidong, hidong. Kapal api loeda amboong Oleh, oleh.... oleh.... Boem!
Maar ’t was toch eigenlijk ’t zelfde. Hij had altijd zooveel gehouden van al wat tot bouwen, timmeren en metselen in betrekking stond. ’t Was thuis aangemoedigd: hij was bestemd voor het ingenieursvak.... Toen hij „er door” was, huilde mama van vreugde. Ze moest ’t nu eens kunnen zien! Gelukkig was ze dood.... Dat heien toch.... heel anders hier! Wat trekken de poldergasten in Holland flink, en hoe vroolijk zingt de baas, als het niveau haast is bereikt, zijn:
Hei op! Haal op! Heit dat paaltje maar op z’n kop!....
Boem! sloeg het op ’t blok vóór hem. Hè, dat viel nu al heel komiek! En zachtjes neuriede hij, al voortdommelend mee met den inlandschen heibaas:
Api abang. Api-nja abang. Olah, olah,—olah!
„Mandoer,” riep een schorre stem. „Zeg, als jij staat te slapen op ’t werk, dan heb ik je hier niet noodig, hoor!”
Verschrikt had Van Brakel de oogen geopend; zijn hand omklemde den zwaren stok; zijn gezicht was doodsbleek en zijn door ’t vele drinken waterige oogen, staarden dreigend den schoenmaker aan, die voor hem stond.
„Nu,” zei deze, even schor lachend als hij sprak. „Je hoeft me zoo vervaarlijk niet aan te kijken, omdat ik je „mandoer” noemde; ’t was maar uit gekheid, ofschoon je toch anders mandoers-werk doet. Houd asjeblieft je oogen open, dat is alles!”
De schoenmaker ging verder. Van Brakel stond nog een minuut kaarsrecht; toen zakte hij weer ineen; zijn gezicht zag er weer even dof en verloopen uit; met de schouders maakte hij een beweging, die voor hem zelf zijn onverschilligheid moest te kennen geven; hij lachte schamper: „Mandoer! Ook goed!”
Uit een fleschje, dat hij in een zak van zijn kabaja droeg, nam hij een flinke teug, kurkte het weer en smakte met de lippen. „Mandoer! Ook goed!” herhaalde hij, en keek naar ’t werk.