Part 8
Van Brakel lette er niet op toen hij ’s middags thuis kwam, dat Lucie er ontsteld uitzag en hem nauwelijks antwoordde, terwijl zij deed alsof ze het met haar huishoudelijke bezigheden erg druk had. Den vorigen avond, na afloop der partij bij Willert, had hij gevreesd, dat de bom zou barsten, maar reeds onder het huiswaarts rijden zag hij, dat hij zich weer had vergist en zijn vrouw van niets wist, hoegenaamd.
Nu ze wèl wist, bemerkte hij dat niet. Men ging aan tafel, en hij, die, als naar gewoonte, in de sociëteit eenige bittertjes had genoten, voerde het woord alleen en praatte over allerlei onbelangrijke dingen en bemoeide zich met de kinderen, die, met weinig zorg opgevoed, alles tegen hem zeiden, wat hun voor de kleine mondjes kwam, waarmee hij zich dan kostelijk vermaakte.
„Ga je niet slapen?” vroeg hij, na het eten.
„Neen.”
„Nou, ik wel! Kom, ik zou ook maar een dutje pakken.”
„Neen, ik heb naaiwerk, dat af moet.”
„Kom,” herhaalde hij op gerekten toon, en wilde haar meetrekken.
Maar ze weerde hem af. Op een anderen dag, nu niet. Nu moest ze iets afmaken voor den kleinen jongen. Hij moest maar slapen gaan en een beetje vroeg opstaan, want zij had wel trek in een wandeling dien namiddag.
’t Viel hem wèl een beetje tegen, maar niet erg. Vroeger zou hij met dat naaiwerk geen genoegen genomen en zich het recht voorbehouden hebben zelf te oordeelen over den spoed van de verschillende werkzaamheden, doch tegenwoordig luisterde dat zoo nauw niet.
„Roep me dan tegen vier uren,” zei hij.
„Als je dan maar dadelijk opstaat, anders ga ik alleen.”
Hij lachte er om.
„Nu, ik zie jou al wandelen, alleen!”
Lucie was zenuwachtig; toen hij zijn kamer was binnengegaan, liep ze doelloos rond in de achtergalerij; nu en dan rolden haar tranen langs de wangen, die ze snel afwischte, soms met haar zakdoek, dan weer gedachteloos met een punt harer kabaja; tegen halfvier baadde zij, en daarna wekte ze haar man. Van Brakel stond dadelijk op, greep, zooals hij dat gewoon was, een handdoek en stormde met verwilderde haren en een rood gezicht naar de badkamer, waar hij dan wel een half uur bleef rondplassen om zich te verfrisschen en de laatste vapeurs van de ochtend-bittertjes te doen verdwijnen.
Toen hij terugkwam, wandelde Lucie reeds gekleed op het voorerf.
„Wat heb je toch ’n haast,” riep hij haar toe. „’t Is pas kwart voor vijven.”
„Ja, in den donker wandel ik niet.”
„Nu, ik zal me ook haasten, hoor! In een wip ben ik gekleed.”
Dat was hij ook, maar ten koste van menigen zweetdroppel, en toen hij naar buiten kwam, scheen het effect van zijn bad reeds geheel verloren.
„Het is gruwelijk warm de laatste dagen.”
„Ja, het is erg warm.”
„Het baden brengt ook geen verfrissching.”
„Neen, het water is niet eens koel.”
’t Was het oude, eeuwige thema van Europeanen in Indië: de warmte, en nog eens de warmte. Zoo spraken zij al voortwandelend over koetjes en kalfjes, en hij lette er niet op, dat zij intusschen de richting aangaf, en nu eens rechts, dan links omsloeg, terwijl hij achteloos meeliep.
Plotseling stond hij stil. Als ze doorliepen, kwamen zij voorbij het huis van mevrouw Du Roy, en dat wilde hij niet. Het zou te gek zijn! Hij wist bovendien, dat als bij toeval die „dame” aan het hek stond, zij in staat was de een of andere familiariteit te begaan.
„We moesten maar teruggaan.”
„Waarom?”
„Wel, we zijn al een heel eind opgeloopen; het is zoo warm.”
„We kunnen nog best een eindje wandelen.”
„Pff!... God, het is zoo vreeselijk benauwd, Luus! Laat ons toch liever teruggaan.”
„Kom, kom! zoo erg is het niet. Het schijnt wel, dat je altijd alleen naar huis verlangt als je met mij uitgaat.”
Na frappeerde hem wel die zonderlinge toon, waarop zij sprak en die haar anders nooit eigen was, maar aan de ware reden dacht hij zelfs nu nog niet. Hij had zich een min of meer bepaalde voorstelling gemaakt van een mogelijke ontdekking door Lucie van zijner relatie met mevrouw Du Roy; daar kwam een scène van, meende hij, met tranen en verwijten, met de bedreiging, dat zij van hem wilde scheiden, en verder met een eindeloos twisten en standjes maken.
Hij kon nu moeilijk weigeren verder te gaan, indien zij er zoo op gesteld was.
„Hoe flauw!” zei hij knorrig. „Alsof ik niet altijd bereid ben met je uit te gaan, wanneer en zoolang je maar wilt.”
Zij klemde de lippen opeen, zeide niets en ging verder. Van Brakel keek scherp door zijn bril. Goddank, mevrouw Du Roy stond niet aan den ingang van haar erf; als ze er nu maar voorbij waren, was het niets; dan zou hij met Lucie den anderen kant om naar huis gaan.
Plotseling ontstelde hij. Ze waren nog slechts een paar huizen van het nette erf der huizinge Du Roy verwijderd, toen plotseling zijn hond, die hem als gewoonlijk ook nu was gevolgd, vooruitschoot, voor den ingang van het erf stilstond, en kwispelstaartend zijn meester aanzag, met een uitdrukking in den kop en in de geheele houding, welke volkomen en onmiskenbaar het karakter droeg eener uitnoodiging om binnen te gaan.
„Hier!” bulderde Van Brakel, harder dan noodig en netjes is, als men met een dame wandelt. „Hier!”
Doch de hond stoorde zich er niet aan. ’t Huis, waar hij voor stond, scheen hem lief, en hij holde ondanks de woede zijns meesters het erf over en de trappen van de voorgalerij op.
Lucie was krijtwit geworden. Zij keek het erf op toen ze er voorbijgingen; ze zag in de voorgalerij een vrouw in sarong en kabaja, die op haar hurken zat en den hond streelde, en ze zag, dat die vrouw den eenen arm in de hoogte stak en met de vingers groette op Indische manier.
Er werd verder geen woord tusschen Van Brakel en zijn vrouw gewisseld. Hij scheen nu te begrijpen, dat zij alles reeds wist en dat ze niet bij toeval dien weg had gekozen. Nu en dan bekeek hij haar van ter zijde, en dan deed hem die smartelijke trek op haar gezicht pijnlijk aan. Hij durfde niets te zeggen. Zoo kwamen ze thuis, en toen zij in de kamer ging om van kleeren te verwisselen, bleef hij achter, besluiteloos, niet wetende wat aan te vangen. Hij hoorde zijn vrouw de bedienden roepen, en bespeurde een op dat uur van den dag bijzonder groote bedrijvigheid, welke niets goeds voorspelde. Zou ze heengaan en hem in den steek laten? Zou het een publiek schandaal worden? Na eenige angstige oogenblikken zag hij, dat het zoo’n vaart niet loopen zou: de logeerkamer werd in orde gebracht. Wie de logé zou zijn, begreep hij. Zijn positie in de huishouding werd daardoor voorloopig als vanzelf aangewezen. Hij zag zijn kleeren de eene kamer uit- en de andere indragen. ’t Hinderde hem zoo als ’t ware de deur te worden uitgezet in zijn eigen huis, maar hij dacht niet aan eenig verzet. Als zij het dan toch te weten moest komen, was het maar beter zóó, vond hij. ’t Was wel hoogst onaangenaam, maar in ’s Hemels naam, er was niets aan te doen. Hij kon immers niet anders! Indien hij die vervloekte schuld niet aan mevrouw Du Roy had gehad, dan zou hij.... och, maar dan zou er immers nooit iets zijn gebeurd, want eigenlijk hield hij alleen van Lucie, en kon die andere hem hoegenaamd niets schelen. Het was niet anders. Hij moest varen in het schuitje, waarin hij zat; ’t was onmogelijk iets daartegen te doen, hoe miserabel het ook mocht zijn; à l’impossible, dacht hij, nul n’est tenu.
En daar ophelderingen toch tot niets konden leiden, en hij geen beterschap kon beloven, ging hij, ten einde buiten alle discussie te blijven, maar weer de deur uit, tot het tijd was om te eten.
Geerling had het wel bemerkt. Hij zag zeer goed dat Van Brakel zich onmenschelijk inspannen moest om aan tafel een vroolijken, lossen toon aan te slaan; dat mevrouw Van Brakel koel en kort tegen haar man sprak, maar tegen hem, Geerling, allervriendelijkst en voorkomend was; dat Van Brakel dit laatste met geheimen angst en tegenzin gadesloeg.
Het gebeurde dikwijls tegenwoordig, dat Geerling samen met Van Brakel uitging, maar het jonge mensch ging niet meer naar de woning van mevrouw Du Roy; hij ging naar Ceciel, en zat daar tot elf uren, met het meisje in de binnengalerij, in tegenwoordigheid harer moeder, die een roman las.
In den laatsten tijd had hij zich zelfs meermalen ongunstig over mevrouw Du Roy uitgelaten, en half en half te kennen gegeven, dat hij Van Brakel’s handelwijze afkeurde.
„Is ze er achter?” vroeg hij, toen ze buiten kwamen.
„Het schijnt zoo.”
„Heeft ze dan niets gezegd?”
„Neen, maar als ik je alles vertel, zal je wel kunnen begrijpen, dat ze ’t weten moet.”
„Drommels, ja,” antwoordde Geerling ernstig. „Dat ziet er gek uit. Een vrouw, die het zóó opneemt, is, dunkt me, veel erger, dan een, die scènes maakt.”
Toen Van Brakel zweeg, vervolgde hij:
„Laat ik je een raad geven.”
„Och, wat....”
„Wezenlijk; je zult me toch niet wijsmaken, dat je die moeder Du Roy prefereert boven je eigen vrouw?”
„Neen, waarachtig niet.”
„Welnu, wees dan ook niet dom. Ik vind er niets in, dat een getrouwd man eens een dwaasheid doet. Men kan niet altijd braaf wezen! Maar laat het gekheid blijven, en niet tragisch worden. Daarvoor moet je zorgen.”
„Ik kan niet.”
„Nonsens!”
„Dat is geen nonsens! Enfin, ik kan het je niet zeggen, maar laat me asjeblieft met rust. Het is waarachtig al beroerd genoeg.”
Geerling haalde de schouders op. Bij zulk een humeur was het maar beter te zwijgen, en met minachting voor den man, die zoo miserabel onder de plak zat van twee vrouwen, vertelde hij Ceciel het gesprek.
„Ik wist het,” zei ze. „Hij heeft gelijk; hij kan niet. Zij heeft finantiëel hem geheel in haar macht.”
„Zoo, is dat de quaestie?”—Hij dacht even na. Zou het haar misschien genoegen doen, als hij zich royaal toonde; zou ze daardoor meer van hem houden? Want daaraan was hem veel gelegen, en in zoover was hij gelijk aan Van Brakel, dat ook hij onder de plak zat, wel op een geheel andere wijze, maar niettemin er onder. Hij had reeds de toestemming harer ouders, en hij had geschreven naar Holland, zoo gedecideerd, meende hij, dat zijn ouders wel zouden inzien, hoe weinig zij vermochten, indien zij wellicht bezwaren of andere plannen hadden.
„Zou het veel zijn?” vroeg hij voorzichtigheidshalve.
„Ik weet het niet; ik spreek tante in den laatsten tijd haast niet; naar vroegere uitlatingen van haar te oordeelen, is het wel een duizend of tien.”
„Als ik Van Brakel eens trachtte te helpen?”
Ceciel dacht een oogenblik na. Als haar aanstaande man—want ze was zeker, dat ze hem daarvoor kon houden—Van Brakel hielp, vloeide het geld terug in de kas van tante, wier erfgename zij vermoedelijk was. Daartegenover stond, dat Geerling het geld kwijt was, want dat een speler als Van Brakel het ooit zou terugbetalen geloofde zij niet.
„Wel,” zei ze, „ik raad het je niet aan. De man is niet te helpen, en tante Du Roy is wel waard, dat ze eens een grooten klap krijgt. Misschien leert het haar die schandelijke caprices af.”
„Volkomen juist. Ik zal het dus maar op zijn beloop laten.”
Eigenlijk was hij er blij om. Wat was zij toch een heerlijk meisje. Men kon haar gerust voorstellen iets dwaas te doen; zij was veel te verstandig het te permitteeren.
Hij had elke gedachte aan iets anders dan een geregelde, fatsoenlijke verstandhouding tusschen hem en haar laten varen. Ceciel had hem klaar en duidelijk aan het verstand gebracht, dat zoo iets met haar onmogelijk was, en Geerling was zóó verliefd geraakt dat hijzelf in staat ware geweest die onmogelijkheid onder eede te bevestigen en het in vrede of in strijd op te nemen tegen iedereen, die het niet met hem eens was. In deze Don-Quichotte-periode ging het hem, al was hij in Holland nog zoo „uit”-geweest, precies als ieder ander.
„Ik wou dat het antwoord maar kwam,” zei hij ongeduldig.
„Ik niet,” antwoordde zij met een zucht, die hem streelde.
„Hou je zoo weinig van me?”
„Dat weet je wel beter, maar ik vrees dat je oudelui hun toestemming niet zullen geven.”
„Och kom! Wat kunnen ze er tegen hebben?”
„Heel veel. Tegen mij persoonlijk natuurlijk niets; ze kennen me niet eens; tegen papa en mama ook niet, tenzij je ouders een rijke familie verlangen.”
„Welnu?”
„Het is alweer tante Du Roy. Je oudelui en andere leden in je familie hebben hier op de plaats gewoond, en natuurlijk kennen ze haar van haar ongunstige zijde....”
„Maar lieve, beste Ceciel, wat hebben ze toch met dat mensch noodig! Ik heb haar naam natuurlijk niet genoemd. Waarschijnlijk weten ze niet eens, dat je aan die vrouw bent geparenteerd.”
„Alsof hun dit niet van hier zal geschreven worden! Denk je misschien, dat men op je kantoor niet weet, hoe dikwijls je ’s avonds hier komt? Hoeveel mailbrieven zouden er al verzonden zijn naar Holland met particuliertjes over ons?”
Geerling kon het niet ontkennen. ’t Was volkomen waar, dacht hij, maar ’t was sterk, dat ze gedacht had aan zijn kantoor en aan de mailbrieven.
„Nu,” antwoordde hij, „het moge zijn, zoo het wil. Wij trouwen met de toestemming en anders zonder.”
„Het zou me zoo’n leed doen,” zei ze in vollen ernst, de handen over elkaar leggend in de schoot, en met haar mooie oogen omhoogblikkend naar ’t plafond, „het zou me zoo innig spijten, wanneer we op die manier moesten trouwen. Ik geloof wel, dat het zou voorbijgaan, maar toch had ik het liever anders.”
„Maar lieve Ceciel, er is immers nog niets....”
„Het zal komen, dat voel ik. Ik ben zeker, dat het komen zal. Wie weet hoe? Wie weet hoe ik belasterd ben en wat je over me zult te hooren krijgen.”
Hij nam een harer handen in de zijne en zwoer, dat wat het ook zijn mocht en hoeveel kwaad ook van haar werd gesproken, het nimmer in hem zou opkomen er een letter van te gelooven. Hij kende haar immers goed!
„Dat is het niet, Jules,” ging zij voort op denzelfden toon. „Als ik dacht dat jij ’t zoudt gelooven, zou ik je niet willen hebben; als ik niet overtuigd was van jou goede trouw zou ik je de deur wijzen. Eens en vooral laat dat denkbeeld zelfs nimmer tusschen ons beproken worden. Ik heb je alles gezegd, en ik verlang je vertrouwen, omdat ik er recht op heb; het idee alleen van wantrouwen is beleedigend.”
„Lieve Ceciel, er is immers geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt. Ik zei het alleen....”
„O ja, ik weet het immers wel! Maar wat ik van jou verg, kan ik niet eischen van je familie; daar trouw ik wel in, maar ik trouw haar niet.”
„Laat ons geen zorgen hebben vóór den tijd. Wij weten er immers nog niets van.”
Zij zweeg en glimlachte; zij wist het immers heel goed! Het antwoord kon niet goed uitvallen; zij zou haar positie in de familie Geerling moeten overwinnen; en dat zou ze, dáár voelde zij zich volmaakt voor berekend. Het eenige, wat haar metterdaad hinderde, was het uitstel, dat een weigering onvermijdelijk zou teweegbrengen. Uitstel leidde zoo gemakkelijk tot afstel, en Geerling, hoe verliefd ook, was geen man van geestkracht en volharding; dat zag ze heel goed in.
Dien avond reed juist voor Geerling’s voertuig een andere wagen het erf op bij Van Brakel, wat den commensaal zeer interesseerde; met nog meer belangstelling zag hij er de vrouw des huizes uitstappen, heel alleen.
„U mevrouw?” vroeg hij. „Nog zoo laat uit geweest?”
„Ja,” antwoordde zij kortweg. „Ik wenschte u tevens nu maar te zeggen, wat ik anders tot morgenochtend had aangehouden. U zult wel zoo goed willen zijn zoo spoedig mogelijk een andere woning te zoeken.”
Hij stond er verstomd van.
„U is wel vriendelijk,” antwoordde hij geraakt. „Ik zal natuurlijk voldoen aan uw verzoek, maar ik zou wel eens willen weten, wat daartoe de aanleiding is.”
„Meneer Geerling,” zei ze van het hooge standpunt eener dame, prat op haar ongerepte deugd, tegenover de vleesch geworden zedeloosheid, „het staat u dubbel leelijk den onschuldige te spelen. Overigens kunt u niet verwachten, dat iemand als ik over zulke verachtelijke dingen met u spreek.”
Zij ging met meer drift, dan ze gewoonlijk aan den dag legde, het huis binnen en liet hem staan.
Hij stond nog een oogenblik verbluft te kijken. Zoo iets had hij nooit van haar verwacht. Welk een bejegening! En hoe volkomen onverdiend! Hij was altijd beleefd en voorkomend tegen haar geweest; had haar zijn kostgeld soms maanden vooruitbetaald, wanneer zij court d’argent was; had nu zelfs getracht haar trouweloozen man terug te brengen van zijn omgang met mevrouw Du Roy, en tot loon.... kreeg hij een standje en werd op hoogst onhebbelijke wijze als het ware de deur uitgezet.
Doch hij wilde het er niet bij laten: den volgenden ochtend zou hij haar om een nadere verklaring verzoeken, al begreep hij reeds heel goed wat ze bedoelde. Natuurlijk had men haar verteld, dat hij, Geerling, dat onschuldige lam van een Van Brakel op den „slechten weg” had gebracht. ’t Was waarlijk om te lachen!
Zijn vooronderstelling was juist.
Lucie, niet wetend wat te doen, buiten staat een krachtig besluit te nemen, en toch in geen geval lijdzaam de rol van publiek bedrogene willende spelen, had zich, toen Van Brakel en Geerling waren vertrokken, gekleed en was naar mevrouw Willert gereden, die vreemd opkeek over het zeer onverwacht bezoek.
De bleekheid en zenuwachtigheid der jonge vrouw konden haar wel doen raden, wat er aan de hand was; het deed haar pleizier, dat Lucie het te weten was gekomen, en ook dat Willert uit was naar een vergadering, zoodat ze samen ongestoord en vertrouwelijk konden praten.
„Wel, wat voert je zoo laat hierheen?” vroeg ze, als wist zij van den prins geen kwaad.
„Ik kom u een verzoek doen.”
„Wat zeg je dat ernstig! Is het zulk een zaak van gewicht?”
„Ja, dat is het,” antwoordde Lucie met een bevende stem. „Ik wilde .... ik had u .... gaarne willen verzoeken....”
Mevrouw Willert zag welk een moeite Lucie had om met haar verzoek voor den dag te komen, en hoe zij streed om de tranen te bedwingen, die met geweld te voorschijn drongen. Ze had medelijden met haar, en nam met iets als moederlijke teederheid haar hand.
„Je wenscht, dat ik Willert zal vragen je man te doen overplaatsen, nietwaar?”
„Ja,” zei Lucie, die voor een oogenblik geheel opging in verwondering, „ja, hoe weet u dat?”
„Wel, ik heb ’t zelf al eens aan mijn man gevraagd; het is voor Van Brakel hier niet goed op de plaats.”
„Maar weet u dan....?” vroeg Lucie angstig.
„Zeker. Ik weet immers, evenals iedereen, dat je man haast elken avond in de sociëteit zit te dobbelen.”
„Ja, dat is zoo.”
„Welnu, hij werkt zich er op die manier totaal onder.”
„Och, dat zag ik zoo niet in.... Bij mijn papa thuis werd ook veel gespeeld met een hoog tarief.”
„Dat is heel wat anders. Bij ondernemers kan dat; hun heele bedrijf is eigenlijk één loterij; goed of slecht weer scheelt hun duizenden guldens; hooge of lage prijzen eveneens. En te voren weten ze volstrekt niet wat ze krijgen zullen, en ze kunnen er hoegenaamd niets aan doen. Maar bij een ambtenaar met een vast maandelijksch inkomen, is dat anders; die moet niet dobbelen.”
„Er is toch niets met hem gebeurd?”
„Neen, maar als hij zoo voortgaat, is het t’ avond of morgen onvermijdelijk. Hij dobbelt en verliest, en is toch altijd in den laatsten tijd ruim in middelen. Ik vind dat je groot gelijk hebt, hoor, door overplaatsing te wenschen. Het is hier op de plaats volstrekt niet goed voor je man.”
Een rilling voer Lucie door de leden; het werd haar vreeselijk duidelijk: Herman liet zich betalen.... O, dat was wel het schandelijkste van alles! Onder den druk dier schande boog ze het hoofd. Zij kon het niet langer uithouden; ’t was te erg.
Mevrouw Willert liet haar eerst een poosje uithuilen, richtte daarna haar hoofd op, veegde de tranen van haar gelaat en kuste haar.
„Kom,” zei ze met meer aandoening, dan ze had willen doen blijken, „wees zoo verdrietig niet, kind. Hij is het waarachtig niet waard.”
„Het is ook niet over hem; ik vind het zoo’n verschrikkelijke schande.”
„Ja, fraai is het zeker niet; maar er is voor ’t moment niets aan te doen; dus houd je goed. Naderhand kan je ’t hem wel inpeperen.”
„Nimmer,” zei Lucie. „Ik wil niets meer met hem te maken hebben.”
Ze hadden elkaar niets verteld; de naam van mevrouw Du Roy was niet over haar lippen gekomen, maar toch spraken ze er over in de volle overtuiging, dat zij elkaar volkomen begrepen.
„Eigenlijk,” hernam mevrouw Willert, „is het nog zijn eenige excuus. Ik dacht eerst, dat hij het had gedaan uit voorkeur, en daar begreep ik niets van. Nu ik er meer van ben te weten gekomen, is het me duidelijker geworden; het spel en de schulden hadden hem beet, en die lieve jongen, die bij jullie in ’t paviljoentje woont, schijnt hem gebracht te hebben, waar hij wezen moest.”
„Meneer Geerling?”
„Dezelfde!”
„God, God, hoe is ’t mogelijk?”
„Enfin, kindlief, ga jij nu rustig naar huis. Ik zal er Willert straks over spreken, en ’t zou me al zeer verwonderen, als je niet heel spoedig verhuisdet naar een gezonder klimaat.”
De gelegenheid om Lucie nader te interpelleeren deed zich voor Geerling niet dadelijk voor, en hij moest zelf erkennen dat hij er niet hard naar zocht.
’s Morgens scheen de zaak hem in een ander licht, en gevoelde hij zich niet zoo geheel onschuldig als ’s avonds te voren. Hij was bijzonder vroeg op en te gelijk met Van Brakel aan het ontbijt, die in ’t nauwe éénpersoons-ledikant in de logeerkamer haast niet had kunnen slapen, en dat juist terwijl hij voor zijn doen bijzonder vroeg was thuis gekomen.
Lucie deed als gewoonlijk haar huishouden, maar haar gezicht was zoo bleek en stond zoo strak, dat Geerling volstrekt geen lust gevoelde om met haar in pourparlers te treden.
„Dat is nu een mooie geschiedenis,” zei hij nijdig tegen Van Brakel, toen zij naar achter was gegaan.
„Hoe dan?”
„Wel, je vrouw geeft mij van alles de schuld, en heeft me op schrikkelijk onaangename manier zoo goed als het huis ontzegd.”
Van Brakel keek hem aan met een suf gezicht, maar hij zei niets.
„Je begrijpt,” vervolgde Geerling op denzelfden toon, „dat ik er geen gras over laat groeien. Ik pak mijn boeltje en trek straks naar het logement. Als ik nu nog hier aan het ontbijt ben, dan is het alleen omdat ik je het een en ander wilde meedeelen.”
„Och kom,” zei Van Brakel vergoelijkend: „je moet dat zóó niet opvatten!”
„Die vind ik goed!” riep Geerling met hoog opgetrokken wenkbrauwen en vol verbazing. „Die vind ik verdomd goed! Moet ik dat zóó niet opvatten, zeg je! Wel, jij bent een leuke kerel!”
„Wel neen. Doe maar net of je niks hebt gehoord.”
„Merci amice! Dank je feestelijk, hoor! Ik heb er genoeg van, ik ga er van door. Wees jij gerust je eigen bliksemafleider. Ik bedank voor de eer en het genoegen.”
Van Brakel glimlachte pijnlijk en loosde een zucht. Het was waar. ’t Speet hem zeer, dat Geerling nu heenging, maar niet omdat hij van ’t jonge mensch hield. Hij zag er tegen op nu met Lucie altijd samen te zijn, en niets te hebben om een houding aan te nemen, dan de kinderen, die erg verwend en lastig waren. Geerling was altijd een geschikte figuur om tegen te praten en zoo, als men ’t liever niet deed tegen elkaar.
„Het staat zoo gek,” zei hij nog. „Men zal er, God weet wat, van zeggen.”
„Nu ja,” zei Geerling op een toon, die duidelijk te kennen gaf, dat zulk een argument in den mond van iemand als Van Brakel geen de minste waarde had.
„Het is niet om mij.”
„Zoo. Nu, mij kan het niet schelen. Ik zal Ceciel wel vertellen, wat er van is.”
„Je schijnt dus nog steeds bij haar te komen?”
„Alsof je dat niet wist!”
„Neen, ik dacht dat je er mee waart geëindigd. Heb je werkelijk nog altijd plan, die relatie voort te zetten?”
„Ik begrijp niet hoe je dat bedoelt,” zei Geerling koel en kort.
„Nu ja,” zei thans Van Brakel op zijn beurt.
Maar Geerling stoof woedend op. Hij verbood Van Brakel op die manier te spreken over een fatsoenlijk meisje, dat het slachtoffer was van een ongelukkige bloedverwantschap; dat paste hem, die daartoe op een schandelijke manier het zijne bijdroeg, wel ’t allerminst. Wie iets zei ten nadeele van dat meisje, wier naam hij zelfs niet in zulk een dispuut wilde brengen, die kreeg met hem te doen, en die zou er onderuit moeten komen, zoo hij een man was.