H. van Brakel, Ing. B.O.W.

Part 7

Chapter 74,092 wordsPublic domain

„Wat moois! Het is een waarheid die je bovendien zelf bewijst. Kijk eens, Herman. Ik houd heel veel van ’n man, ja, maar het is gemeen volk, zie je, en die er een bedriegt, verdient een stoel in den hemel.”

Het vervulde hem met afschuw haar zóó te hooren spreken. Was dat nu taal voor een vrouw? Enfin, het was er dan ook een vrouw naar!

„Laten we er niet verder over spreken. Het is Goddank alweer voorbij.”

„Goddank?” zei ze spottend.

„Ja zeker.”

„Heere, heere, wat zit je er toch over in, dat zij het zal te weten komen!”

„Natuurlijk.”

„Zoo, vindt je dat natuurlijk? Weet je hoe ik het vind? Ik vind het laf.”

Zij stond vlak voor hem, met haar gezicht dicht bij het zijne, ’t Was of haar oogen gloeiden van kwaadheid; haar lippen zagen wit en om haar mond vertoonden zich de trekken, die haar leeftijd markeerden. Van Brakel werd niet boos; hij bezag haar met aandacht en vond haar leelijk.

„Kom,” zei hij kalmeerend, „maak geen ruzie; wat heb je daaraan; het dient immers nergens toe?”

Zonder te antwoorden ging ze haar kamer binnen en dronk een glas water. Wat een kerel! Ze had hem een lafaard genoemd, en hij gaf haar niet eens een klap! Hij zei: „Maak geen ruzie; wat heb je er aan.” Wat waren mannen toch voor wezens! Als hij haar een pak slaag had gegeven, zou ze hem gerespecteerd en liefgehad hebben.

Nu verachtte zij hem; maar zij zou ’t hem wel inpeperen!

Toen ze weer achter kwam, was hij aan de tafel gaan zitten en las in een courant.

„Je hebt eigenlijk gelijk,” zei ze, „waarom zouden we ruzie maken?”

Het deed hem maar half genoegen; hij had wel gewenscht, dat het tot een vreedzame scheiding ware gekomen; tot een soort van modus vivendi, waarbij zij zich van haar kant verbond hem noch om geld noch om genegenheid lastig te vallen; wat dan van zijn kant zou komen, stond hem niet recht duidelijk voor den geest.

Maar zij dacht daar niet over; ze had geheel andere plannen, en ze had ook geduld genoeg om te wachten tot het geschikte moment dáár zou zijn om die plannen uit te voeren.

Hij had er geen oogenblik langer aan gedacht, de hoofdingenieur Willert; toen hij den opzichter den mond sloot, meende hij inderdaad, dat de man lasterde. Van veel had hij Van Brakel kunnen verdenken, maar daarvan niet. Zelfs toen eenige weken later zijn vrouw met een verslagen gezicht vroeg:

„Heb je dat gehoord van dien Van Brakel,” had hij met eenige ergernis, vermoedende wat het wezen zou, gezegd:

„Neen, ik heb niets van hem gehoord.”

Willert had zoo zijn eigenaardige opvattingen. Het scheen hem toe, alsof men hem door kwaadsprekerij in het harnas wilde jagen tegen iemand, die zijn sympathie niet had, en daartegen moest hij zich verzetten.

„Het is anders geen geheim, de heele stad weet het.”

„Maar kindlief, wat weet dan de heele stad?”

En nu volgde het verhaal, dat, eenige overdrijving daargelaten, groote overeenstemming opleverde met de werkelijkheid. Het viel niet te loochenen, vond Willert, dat, zóó bezien, het een schijn van waarheid had. Ware mevrouw Du Roy arm, dan zou hij het denkbeeld dadelijk hebben verworpen; maar juist de omstandigheid dat zij gefortuneerd was, sterkte de verdenking.

„Ik weet niet,” zei Willert, „of ik het kan onderzoeken. Met welk recht kan ik mij in die zaken mengen, als ik er officiëel niet mede in aanraking kom?”

„Je kunt toch wel zorgen, dat hij wordt overgeplaatst.”

„Ja.... zie je.... ook dat vind ik niet gerechtvaardigd. Als ambtenaar is hij hier zeer goed op zijn plaats.”

„Kom, kom,” zei mevrouw, die, waar het zulk een aangelegenheid betrof, het zwak had van alle dames en het officiëele niet van het particuliere wist te onderscheiden, „dat is maar gekheid. Hij is hier niet op zijn plaats. Een ingenieur, die zulke dingen doet, moet weg.”

Maar Willert, die zwaar op de hand was, wilde er nog niet aan. Hij moest het nog overwegen, en hij had ook de zekerheid nog niet, dat het waar was. Nu was het zijn vrouw niet zoozeer te doen om Van Brakel van de plaats weg te krijgen. In tegenstelling van haar man mocht ze hem wel, en hij was ook tegen haar altijd even beleefd en voorkomend geweest.

Alleen vond zij zijn gedrag nu onvergeeflijk, en het was dááraan dat ze een eind wilde maken, door Van Brakel eenvoudig zijn overplaatsing te bezorgen, waarmede zij inderdaad alleen een goede bedoeling had.

Nu haar man had geweigerd, wist ze dat er een zware wijs zou opgaan om hem van opinie te doen veranderen. Hij hield altijd zoo stijfhoofdig vast aan eene eenmaal bij hem gevestigde meening. Toch kon zulk een schandelijke toestand niet blijven voortduren. Zelve ingenieurs-vrouw, trok zij het zich aan, dat er op de plaats in den betrekkelijk kleinen kring van Europeesche ingezetenen op die manier over werd gesproken. Eerst wilde zij naar Lucie gaan en haar waarschuwen. Doch wat was dat moeilijk! Ze waren volstrekt niet intiem; ze zagen elkaar zoo weinig mogelijk. En dan een bezoek te gaan afleggen om met zulk een mededeeling te eindigen. Mevrouw Willert zag er tegen op: het idee alleen maakte haar zenuwachtig. Neen, dàt was onmogelijk. Ten slotte schreef zij het briefje met eenigszins verdraaide hand. Het kwam er ook niet op aan, dacht ze, hoe het gebeurde,—als de arme, jonge vrouw maar op een discrete manier tot het vermoeden werd gebracht, dat het met haar man niet in orde was en zij hem in het oog moest houden. Toch woog die anonieme brief haar zwaar op het gemoed, toen hij verzonden was, en ze kon niet nalaten nog eens op de praatjes over Van Brakel terug te komen toen des middags Willert van zijn bureau te huis kwam.

„Wel, heb je er niets nieuws van gehoord?”

„Je bedoelt van Van Brakel? Ja, ik heb het zoo stil mogelijk onderzocht.”

„En....”

„Wel, ik had mij de moeite kunnen besparen van het langs een omweg te doen. Het is waar, en iedereen weet het, zooals je van morgen zei.”

„Zie je wel! Zoo’n gemeene kerel!”

„’t Is treurig, dat is zeker.”

„En ge zijt nu niet van plan daar iets aan te doen? Wilt ge er je toe bepalen het „treurig te vinden?”

„Ik heb je van ochtend al gezegd, dat ik er officiëel niets tegen kan uitrichten, Hij zou me heel beleefd kunnen verzoeken mij niet te bemoeien met zijn particuliere aangelegenheden, en hij is daar zeer zeker brutaal genoeg voor.”

„Maar als ge eens een geheim rapport zondt naar Batavia?”

„Daar houd ik niet van. Ik doe ’t nooit.”

„Je kunt het toch zoo niet laten.... Als we zijn vrouw eens waarschuwden?”

„Ik? Alsof ze mij dat in dank zou afnemen! Heb jij er misschien lust in?”

„’t Is waar, Willert, maar iets moet er toch worden gedaan. Hoe denk je over een brief?”

„Maar kindlief, hoe is het mogelijk? Wat zou dat voor een houding hebben?”

„Ongeteekend....”

Daar stoof Willert op.

„Doe me één pleizier, hè, en laat het nu hiermee uit zijn. Ik begrijp niet hoe je aan zoo iets schandelijks kunt denken. Een anonieme brief! Wel foei, je moest je schamen!”

Schamen deed ze zich niet, want ze was overtuigd met een goede bedoeling te hebben gehandeld, maar zij begreep wel, dat het zeer dom zou zijn hem iets te vertellen. Indien hij ’t had goedgekeurd, zou zij het dadelijk hebben gezegd; nu achtte zei het ’t verstandigst te zwijgen. Willert kwam zelf op de zaak weer terug.

„Er woont bij hem in ’t paviljoentje een zekere Geerling, een jongmensch, dat op een handelskantoor is.”

„Ja wel, ik ken hem. ’t Is zoo’n overdreven net manneke.”

„Hm! Nu, die twee doen samen.”

„Hè?” vroeg mevrouw Willert. „Wat bedoel je?”

„Wel, die amuseert zich met een nichtje van die mevrouw Du Roy.”

„Och, zoo!”

Mevrouw moest in zichzelve lachen. Die Willert kon zich toch zoo zonderling onbeholpen uitdrukken!

Het deed mevrouw Willert aan den eenen kant genoegen, dat ze geen gevolgen vernam van haar anoniemen brief, schoon het toch pijnlijk was, van de andere zijde beschouwd, daar zij weldra genoodzaakt zou wezen de Van Brakels te inviteeren. Haar man was namelijk vijf en twintig jaren in ’s lands dienst, en ofschoon ZIJ nu niet vond, dat dit een zaak was om feestelijk te herdenken, stond hij er op; het kon hem niet schelen, had hij gezegd; iedereen wist en mocht weten, dat hij als intellectueel ontwikkeld man zichzelven gevormd had; daar was hij trotsch op.

’t Zou een groote partij wezen.

De ambtenaren, die onder Willert dienden, hadden besloten een cadeau te geven. Er was een vergadering belegd; eerst hadden zich krachtige stemmen verheven om nu eens niet te doen, zooals iedereen bij zulke gelegenheden altijd deed; de discussie was lang geweest en hardnekkig, tot ten slotte was besloten een pièce de milieu te geven en een prachtalbum met de portretten, een besluit, dat het hart van den eenigen photograaf ter plaatse van vreugde sneller deed kloppen, toen hij het des avonds uit de courant vernam.

Het was voor de Willerts een drukke tijd. Van alle kanten regende het gelukwenschen. Een klerk van den Waterstaat zat dag in, dag uit adressen te schrijven op enveloppen om kaartjes p. r.; thuis hadden de bedienden den moed geheel verloren; de sepèn en de binnenjongen hadden plechtig verklaard, dat als ze zóó hard moesten werken, zij liever brenti vroegen, een bedreiging, die mevrouw Willert met een portret des Konings in wel gedepreciëerd, maar toch edel metaal wist te bezweren; zijzelve was één en al bedrijvigheid en toen de groote dag dáár was, gevoelde zij zich doodmoe en af; maar het huis was keurig ingericht om feest te vieren.

Bij al die buitengewone bedrijvigheid had ze in het geheel niet meer gedacht aan de Van Brakels, en toen ze hen in den stroom van gasten zag binnenkomen, gunde zij zich geen tijd aan hen te denken, ja scheen haar op dat gewichtig moment het geheele geval eigenlijk de moeite niet waard.

„Dag mevrouw,” zei Van Brakel met zijn gewone bonhomie, „mag ik er u en den hoofd-ingenieur nog vijf en twintig bij wenschen?”

’t Vloog haar door het hoofd, dat ’t jammer was, want hij was toch wel een goeie, knappe man.

„Dankje,” zei ze. „Apropos Van Brakel, ik moet je in den loop van den avond even spreken.”

„Heel graag, mevrouw. Mag ik dan meteen een quadrille verzoeken?”

„Ik dacht, dat je niet danste.”

„Het gebeurt me ook zelden; maar op deze partij....”

„Ah zoo!”

Hoe kwam het toch, dacht ze, dat haar man zoo’n hekel aan hem had. Hij was wezenlijk niet onaardig.

Lucie zag er weer uit om te stelen; zij was niet alleen een knappe vrouw overdag, maar ze was er nog kaarsmooi bij. Alleen: ze begon alweder meer en meer haar figuur te verliezen; maar ’t was toch zoo erg niet, dacht ze, of ze kon nog wel meedansen. Terwijl bij den aanvang van het feest de dames in de binnengalerij stonden en zaten, en met haar fraaie kleurrijke toiletten en haar blanke halzen en armen, het licht nog lichter schenen te maken, hoopten zich in de voorgalerij de heeren opeen, evenals een veelhoofdige zwarte massa, slechts gebroken door witte dassen en vesten, en hier en daar bekroond door het glinsteren van brilleglazen en het blinken van kale hoofden onder het licht der kroonlampen.

Nu en dan opende zich de massa en verleende doorgang aan nieuw aankomende families, die de gastvrouw en den gastheer begroetten en geluk wenschten; dan zagen de dames om naar haar kennissen, en voegden zich daarbij, terwijl de heeren het gezelschap vóór vergrootten, waar gerookt en een pousse café gedronken werd.

Eenige valsche tonen door het inlandsche muziekcorps ter plaatse uitgestooten, waren het sein voor de danspartij. Mevrouw Willert had liever de schutterijmuziek gehad, welke veel beter was, maar alle dames die ze sprak, hadden eenparig verklaard, dat het veel lekkerder dansen was op de „ronzebons”, en dus had zij de zoogenoemde ronzebons dan maar geëngageerd.

Willert opende het bal met de vrouw van den resident, waarna de resident volgde met de vrouw van den afdeelings-commandant, welke laatste dame zich verschrikkelijk verongelijkt achtte, omdat de Regeering de snoodheid had gehad te verklaren, dat de resident de préséance had, zelfs al was de afdeelings-commandant een generaal, een bepaling, welke ook terugsloeg op de positie van de wederhelften dier autoriteiten. Mevrouw Willert had zich moeten excuseeren; zij kon onmogelijk mede het bal openen, want er was juist een boodschap van achteren gekomen, dat een reusachtige schaal met croquetten, die de voorhoede zouden uitmaken van een wandelend souper, was verongelukt in de goot, welk feit den leverancier van het souper, die voor de bediening zorgde, zoo woedend had gemaakt, dat hij bezig was den schuldigen inlandschen bediende halfdood te slaan.

Behalve dit en enkele kleine ongevalletjes, slaagde overigens het feest uitmuntend; mevrouw Willert was daar zeer tevreden over, toen Van Brakel haar kwam vragen voor de beloofde quadrille.

Toen de nummers hunner dansrijen in rust stonden, en mevrouw Willert gevoelde, dat zij Van Brakel toch een verklaring schuldig was, overviel haar een gevoel van spijt. Het was haar maar zóó ontvallen, in een onbewaakt oogenblik; nu ze voor de noodzakelijkheid stond dezen jongen man te kapittelen over zijn onzedelijk gedrag, schroomde zij te beginnen, en wist eigenlijk volstrekt niet hoe ze het lastige en teere onderwerp zou aanvatten. Ze was zelve wel niet zoo jong meer, maar toch behoorde ze nog volstrekt niet voor een man van omstreeks dertig jaren tot de „oude dames;” zij was nog zoo diep niet in de veertig, en daarbij goed bestand gebleven tegen den „tand des tijds.” Zij keek zoo eens in den spiegel tegenover haar aan den muur. Wel, ze had desnoods best voor zijn vrouw kunnen doorgaan, vond ze, zonder dat het gek zou gestaan hebben. Van Brakel was nieuwsgierig. Wat kon mevrouw Willert hem te zeggen hebben? De gedachte, dat het over de „firma” Du Roy kon wezen, kwam zelfs in het geheel niet bij hem op.

„U zei in ’t begin van den avond, dat u me wilde spreken”, ving hij argeloos aan.

„Ja,” antwoordde ze een beetje verlegen, „dat is ook zoo. Maar ik kan me heusch niet meer herinneren waarover.....”

„Neen,” lachte hij, met het onbezorgdste gezicht van de wereld, „dat kan ik me best voorstellen. Op zulk een avond en bij zulk een drukte!”

Mevrouw Willert vond zichzelve kinderachtig; komaan, het moest er maar uit! En een machtige overwinning op haar zenuwen behalend, zei ze kortaf en snel achtereen:

„Ah ja! Nu weet ik wat het is... Er wordt over u gesproken... Men zegt dat u zekere relaties hebt, die niet vereerend voor u zijn. Ik wilde...”

En avant deux! klonk de luide, bevelende stem van den dansmeester; het waren hun dansrijen, die aan de beurt kwamen.

Van Brakel, bleek, verstomd en in verwarring, bewoog zich voorwaarts in een cavalier seul, terwijl mevrouw Willert een oogenblik heel alleen bleef staan in haar rij, maar, zich bezinnend, met een zetje haar cavalier achternastoof.

Toen ze weer op hun plaats terug waren, na de andere dansfiguur geregeld te hebben meegemaakt, zei hij niets. Na afloop der quadrille, bracht hij haar naar haar plaats, boog, mompelde iets van een dankbetuiging en ging naar achteren. Voor hij zijn plaats aan zijn speeltafeltje weer innam, ging hij naar het geïmproviseerde buffet en trachtte met een flesch bier den kemel van mevrouw Willert door te zwelgen, wat echter niet gelukte.

Dat was, dacht hij, weer die vervloekte kerel, die Willert, die z’n vrouw had opgestookt! Wat duivel bezielde toch dezen man? Eerst had hij hem bespionneerd, als hij ’s avonds mee poeterde om een lapje in de sociëteit, en nu had de gladakker, dacht hij, waarschijnlijk hetzelfde gedaan, als hij, Van Brakel, naar mevrouw Du Roy ging. Geheel ’t gesprek vergetend met Geerling en diens mededeeling, dat de „geheele stad” het wist, schold de ingenieur in gedachten zijn Vorgesetzte voor al wat leelijk was.

Hij vertoonde zich niet meer dien avond. Wel zag hij mevrouw Willert herhaalde malen in de achtergalerij, en dan voelde hij, als het ware, dat ze naar hem keek, maar hij hield zich alsof hij het vreeselijk druk had met de ingewikkeldste spelen, welke een hombreur in handen kan krijgen, ofschoon hij tevens zoo gruwelijk slecht speelde, dat zijn partners hem vroegen „of hij niet lekker was”, dan wel „of hij er nu heelemaal niets meer van kon.”

Voor geen geld had hij de op die manier aangevangen conversatie met mevrouw Willert hervat.

Zij, daarentegen, had dat gaarne gewenscht. Nu slechts het ijs gebroken was, scheen het haar niet moeilijk meer. Inderdaad was ze met opzet naar achteren gegaan om hem een wenk te geven; maar hij keek niet, en ze vond het wel een beetje dwaas hem van zijn partijtje af te halen.

„Wel,” zei ze, toen ze weer bij de dansende paren terugkwam, tegen Lucie, „amuseer je je nogal?”

„O uitstekend. Ik heb haast aldoor gedanst.”

„En hindert het je niet?”

„Och!... ’n beetje; maar soedah!”

„Wees maar voorzichtig, hoor!”

Lucie lachte vroolijk.

„Ik kan er wel tegen. Als ik in die omstandigheden was, heb ik er nooit last van gehad.”

„Ik weet het niet; ik kan er moeilijk over oordeelen, want ikzelve heb nooit in het geval verkeerd, maar het komt me toch nogal gevaarlijk voor.”

Het jonge vrouwtje haalde met een onverschillig gelaat de dikke blanke schouders op.

„Het kan me niet schelen; ik ben maar ééns jong, en daarvan moet ik profiteeren.”

„Ga je gang, kind. Wat mij betreft, hoe meer hoe liever. Ik gun je erg graag genoegen, natuurlijk in de eerste plaats op mijn eigen partij. Heb je al wat gegeten?”

„Neen.”

„Kom dan mee. Ik heb in al de drukte ook nog niets gehad. Om je de waarheid te zeggen, heb ik van agitatie den heelen dag haast niets gegeten, en krijg ik een onaangenaam gevoel in mijn maag.”

„En om u de waarheid te zeggen, gaat het mij ook zoo. Daar ik me kleeden moest, en dat ’n beetje lang duurde, heb ik Van Brakel maar zonder mij laten dineeren.”

Zij gingen gearmd naar een der zijkamers. Van Brakel, die juist over den middel-doorgang zat, zag ze in de verte gaan, en een onaangenaam gevoel beving hem.

Daar zou zonder eenigen twijfel Lucie op de hoogte gebracht worden, en daar zou haar, God weet wat nog meer van hem verteld worden; daar zou je de poppen aan het dansen krijgen! Een pleizierig avondje!

En Van Brakel wischte zich het zweet van ’t voorhoofd; hij had bij zulke gelegenheden altijd erg veel last van de warmte!

’t Zag er den volgenden dag akelig uit in het anders zoo nette huis van den hoofdingenieur Willert. Toen mevrouw een inspectie hield over haar meubilair, kon ze zuchtend de opmerking niet weerhouden, dat in een geheel jaar de inboedel niet zoo leed als door één feest. Er waren vlekken in den marmeren vloer, die er uit zag alsof al de gasten vuile voeten hadden gehad, en die vol strepen was en krassen; de marmeren bladen harer tafels, knapen en consoles zagen er ook verschrikkelijk uit; haar achtergalerij geleek wel een verlaten kroeg, zoo morsig was het van sigarenasch en de bij het openmaken van flesschen en het inschenken van glazen gestorte dranken; op het gepolitoerde hout van de speeltafeltjes teekenden zich uitgebeten kringen; hier en daar op den grond verhief zich en bas relief een plat getrapt saucijzebroodje of eenig ander eten, waarmede een gast een ongelukje had gehad en dat dus de ware bestemming niet had bereikt; op het voorerf waren de randen der gras- en bloemperken door de wielen van rijtuigen geheel verwoest.

Mevrouw Willert was woedend, en dit verergerde nog toen de sepèn haar met een bedrukt gezicht kwam vertellen, dat het zilver niet compleet was, maar dat hij het betoel niet helpen kon.

Toen Willert opstond met zware hoofdpijn door de veelvuldige toosten, die hij, in het gewone leven haast een onthouder, had moeten beantwoorden en bedrinken, was het eerste, wat hij zag, zijn vrouw, die in wanhoop nederzat.

„Die doordrijverij van jou ook,” mopperde ze, „om dat malle feest te vieren! Het is schande zooals mijn arm huis er uit ziet. Het kost niet slechts een handvol geld, maar het is een ruïne voor ’t huishouden. Zie me zulk een boel eens aan! En nog gestolen van het zilver ook... wie weet door wien?”

Hij zei niets en ging stil naar de badkamer, bij zichzelven ook het feest verwenschend, dat hij zich verplicht had geacht te vieren, dat hij had doorgedreven tegen den zin zijner vrouw, en dat hem nu zoo innig katterig had gemaakt, dat het met ziek zijn gelijk stond.

Zij dacht niet meer aan de Van Brakel’s. In geen dagen was mevrouw Willert met iets anders bezig naar lichaam en geest, dan met het herstellen van de schade aan haar huis en inrichting door dat feest toegebracht, en eerst toen alles weer geheel in orde was en even keurig netjes als altijd, gevoelde zij zich in staat aan dit feest terug te denken, zonder verbittering of nijd.

Het was ook waarlijk niet noodig geweest, dat zij zich met de aangelegenheden van Van Brakel inliet. Er was niets meer dat Lucie niet wist. Zij had zich wezenlijk vermaakt op de partij. Den volgenden dag, toen zij vermoeid en met pijn in de beenen op een divan lag uit te rusten, nadat ze tel quel het huishouden had gedaan, dacht ze nog met genoegen terug aan het heuglijk feit, dat ze zoo flink had gedanst en zulke prettige conversatie had gehad. Zij werd in haar herinnering gestoord door een brief, dien haar baboe binnenbracht: een koelie had dien afgegeven. En in dien brief stond ruw weg, dat haar man „het hield met mevrouw Du Roy L’Exant;” het adres dezer „dame” stond er bij, en verder, dat Van Brakel, twee avonden in de week, dat wel eens nachten werden, bij die vrouw doorbracht. Lucie werd onder het lezen bevangen door een koortsig gevoel van kou; ze twijfelde niet aan de waarheid; zonder zich rekenschap te kunnen geven van het wáárom, besefte zij dat dit niet gelogen kon zijn; het verband tusschen dezen ook ongeteekenden brief, schoon van geheel anderen stijl en handschrift, en den eersten was haar thans duidelijk. Het was waar: Herman bedroog haar. Allerlei kleinigheden, die zij sedert eenigen tijd als terloops had opgemerkt, kwamen haar thans voor den geest, als zooveel bewijzen, dat het waar was: de eigenaardige geuren soms van zijn kleederen; kleine voorwerpen, waarvan hij zich nooit een liefhebber had getoond, en waaraan hij nooit behoefte had gehad, kocht hij zich tegenwoordig; zoo had hij, die gouden sieraden voor een man altijd poenerig had genoemd, tegenwoordig een gouden ring en gouden manchetknoopen; nu herinnerde zij zich, dat hij vroeger weleens lachend had gezegd, dat de lui in de sociëteit nooit later wilden blijven dan een uur of twee, en het gebeurde tegenwoordig wel, dat hij tot vijf uren uit bleef. Waar was hij dan?

Zij had hem vertrouwd, ten volle; hij had haar alles ter wereld kunnen wijsmaken, zonder dat zij ooit aan de waarheid zijner woorden zou hebben getwijfeld.

En het was juist dàt wat haar zoo smartelijk trof; hij had dat vertrouwen lafhartig misbruikt en de gemakkelijke gelegenheid aangegrepen om haar voor te liegen en te bedriegen. Het scheen haar toe, dat, als hij eerlijk was voor den dag gekomen met de verklaring, dat hij niet langer van haar hield, maar van een ander, haar dit niet zóó verschrikkelijk zou hebben aangegrepen, als thans.

Nadat zij zóó eenigen tijd doelloos starend op den divan gezeten had, kwamen de tranen, en weende zij lang; toen de tranen de smart hadden verlicht, volgde de verontwaardiging. Zulk een gemeene kerel, dacht ze; zoo’n huichelaar, als hij was! Juist in den laatsten tijd had hij allerlei attenties voor haar, en terwijl hij bij die andere vrouw kwam, toonde hij zich tegenover haar soms zoo.... Neen, maar dàt zou niet meer gebeuren; dàt in der eeuwigheid niet!

Zij zou hem nog niet toonen, dat ze alles wist; neen, ze wilde eerst de zekerheid hebben; ze wilde overtuigd zijn, dat het waar was, en tegelijk met het vaststellen van deze gedragslijn, kwam de wensch bij haar op om die vrouw te zien; om te weten hoe het schepsel er uit zag, dat er in was geslaagd Herman haar te ontrooven.