Part 6
„Ja, kind,” zei ze, „anders krijgen we het met mama aan den stok.”
„Mag ik zoo vrij zijn?” vroeg Geerling zijn hoed nemend, alsof hij vond, dat de vraag slechts voor den vorm was, en het antwoord niet anders dan toestemmend kon wezen.
„Als het u genoegen doet,” antwoordde Ceciel. „Wat mij aangaat, is het waarlijk de moeite niet waard. In vijf minuten ben ik thuis.”
Bij het heengaan groot betoon van hartelijkheid van den kant van Geerling, met een blik aan Van Brakels adres, die duidelijk te kennen gaf, dat ze nu beiden eigenlijk pas en bonne fortune kwamen; van de zijde van Ceciel dezelfde onaangename teruggetrokkenheid tegenover den ingenieur.
„Ik vind haar een onuitstaanbaar nest,” zei hij, toen de jongelui weg waren.
„Wel, ’t is mijn schuld niet, dat je haar hier hebt ontmoet! Waarom bracht je dien jongen mee? Je wist vooraf dat ’t er hem alleen om te doen was Ceciel te ontmoeten.”
„Het is gemakkelijk gezegd. Ik kon onmogelijk van hem afkomen.”
Mevrouw Du Roy keek vreemd op.
„Niet van hem afkomen?”
„Neen. Hij woont bij mij in ’t paviljoentje.”
„Och, zoo.... en?”
„En hij vertelde me heel kalm, dat hij wist waar ik heen ging.”
Zij barstte los in toorn. Nog nooit had ze zoo’n gemeen babbelnest gezien! Geen vinger kon men in de asch steken of Jan-en-alleman had er ’t zijne over te zeggen. Het was een schandaal! Het was beter, dat iedereen zich maar bemoeide met zijn eigen zaken, dan had hij genoeg te doen. Maar ze roerden liever bij een ander het vuil, opdat men den stank van het hunne niet ruiken zou.—Op dat chapiter was ze volmaakt thuis en eenmaal aan den gang, openden zich de sluizen harer welsprekendheid en stortte zij in een eindeloozen woordenstroom de fiolen van haar toorn over de plaats harer inwoning uit.
Van Brakel knikte nu en dan toestemmend, en sprak, waar hij er kans toezag, een enkel hartig woordje mee. Zij had groot gelijk, vond hij; het waren precies zijn ideeën; vroeger had hij nooit geloofd, dat er zooveel kwaadsprekerij in de wereld bestond, maar nu was hij tot de overtuiging geraakt, dat het zoo was.
„Maak je er niet zoo kwaad om,” zei hij vriendelijk tot mevrouw Du Roy, die bleek zag van woede, wat haar volstrekt niet leelijker maakte. „Het volk is het wezenlijk niet waard.”
„Dat is het ook niet,” stemde zij toe, de lampen in de achtergalerij uitdraaiend, „maar ik kan mij er toch woedend om maken.”
„Het is een heerlijke avond,” zei Geerling toen hij met Ceciel het erf afliep. „Een mooie donkerblauwe sterrenlucht. Hoe zoudt u er over denken, als we eens een half uurtje gingen toeren?”
„U hebt niet eens een wagen.”
„Och, daar is gemakkelijk aan te komen, hier op den hoek bij den rijtuigverhuurder.”
„Dank u. Ik ga regelrecht naar huis.”
„Toch niet.”
„Zeer zeker. Het spijt me, dat u tante hebt overgehaald, mij dat leitje te schrijven.”
„Spijt u dat wezenlijk zoo erg?” vroeg hij verwonderd en teleurgesteld.
„Ja. Niet omdat ik u ontmoet heb, maar omdat ik daardoor in gezelschap ben gebracht met dien Van Brakel.”
„Hij is toch zoo kwaad niet!”
„Ik weet niet in welk opzicht hij goed is, maar het is verschrikkelijk voor ons; wij zijn gedwongen wèl te blijven met tante Du Roy, maar het is ten koste van zóóveel, dat het mij ten minste te zwaar wordt.”
Deze plotselinge wending van het gesprek sloeg Geerling geheel uit het veld; maar de vertrouwelijke toon, waarop zij sprak, boezemde hem belangstelling in. Hij wist niet wat te antwoorden.
„Zij is altijd zóó geweest,” ging Ceciel voort, in dienzelfden toon en dicht bij Geerling voortschrijdend. „Reeds als jong meisje speelde zij zoo’n rol. Later, toen ze met oom Du Roy trouwde, dacht de familie, dat het beter zou gaan, maar ze bedroog hem ook, en na zijn dood.... nu, dat ziet ge,” eindigde zij zuchtend. „Maar zij is rijk, en dat zijn wij niet. Pa en ma hebben verplichting aan haar; dáárom moeten wij zulke vernederingen ondergaan; daarom kwam ik van avond bij haar, terwijl ik wist, dat er die gemeene Van Brakel was.”
Er waren tranen in haar stem, en, naar de beweging, welke zij met haar zakdoek maakte, ook in haar oogen.
Het was, vond Geerling, uiterst moeilijk en zeer onverwacht. Hij had alles eer verwacht, dan zulk een deugdzame métamorphose. ’t Viel hem om den drommel niet mee! Zoo spraakzaam en vroolijk hij was, waar hij meende dat steken los waren aan het kleed der braafheid, zoo onbeholpen was hij, nu plotseling bleek, dat er geen torntje te vinden was. Want de ongereptheid scheen hem onbetwistbaar. Aan een dom te kennen gegeven eerbaarheid had hij geen geloof geslagen, maar de correcte en toch eenvoudige wijze, waarop Ceciel hem met half bedwongen smart, de familie-verhouding had uiteengezet, liet, naar zijn opvatting, geen twijfel aan de waarheid toe. Adieu plaisirs! dacht hij met een zucht. Dat Indië was me toch ook een land! Men sprak van avonturen! Hij wilde dan wel eens weten, waar die te zoeken waren. Nu ja, Van Brakel bij die weduwe van veertig jaar. Maar anders? Hij, Geerling, had tot nog toe niet veel anders ontmoet dan Indische dames, die hem erg geblaseerd toeschenen, en Europeesche, die zich erg in acht schenen te nemen. Trouwens, er was, naar zijn opinie, al bitter weinig gelegenheid in een land, waar de huizen bijna geheel open waren, zoodat het was alsof de menschen op straat leefden, en waar men ten overvloede altijd een of meer bedienden in het oog liep. En dan de warmte!
Terwijl hij zwijgend voortwandelde naast het mooie meisje, dat zich bitter beklaagde over haar tante Du Roy, ging dat alles den teleurgestelden jonkman door het hoofd. Neen, heilig dan Holland! Daar kon men toch anders pret hebben! Hoe heerlijk leenden zich Amsterdam en Den Haag voor allerlei genoegens, stille zoowel als luidruchtige. En hoe welwillend waren er de burgermeisjes voor nette jongelui, die trakteeren konden op mooie cadeautjes en lekkere snoeperij! Hij had daar ook gewoond op gemeubileerde kamers. Maar wat was dat gezellig! De jonge dochters van zijn hospes brachten hem ’s morgens zelf het ontbijt op zijn kamer. Het hinderde immers niemand! Meestal trouwden ze toch naderhand met iemand uit hun stand, zonder dat onbescheiden hanen naar vroeger gekakel kraaiden. Hier in Indië kreeg men des morgens zijn eigen ongewasschen huisjongen te zien, en als men een conquête wilde maken, dan was dat heel gemakkelijk, mits men zich wilde bepalen tot de „kleine vrouw” en men de hulp inriep van den zilveren standaard; het bi-metallisme kwam dan vanzelf!
„Ik begrijp het nu,” zei Geerling met een zucht. „Maar u houdt mij ten goede, dat ik het te voren niet begreep.”
„Och, ik neem het u niet kwalijk. De meeste menschen verdenken mij, omdat ik het ongeluk heb een tante te bezitten, die zoo raar.... is. Het is heel ongelukkig, maar het is niet anders.”
Geerling kreeg medelijden. Wat drommel, als ze een fatsoenlijk meisje was—en daaraan twijfelde hij nu niet meer—dan was het toch ook vervloekt hard.
„Het is onaangenaam,” gaf hij toe, „doch u moet het u niet aantrekken. Er is nu eenmaal niets aan te veranderen.”
„Helaas, neen!”
„Welnu, zet u dan er over heen. U bent veel te jong en te mooi om over zulke dingen verdriet te hebben.”
„Het is juist dàt wat het erger maakt; indien ik oud was en leelijk....”
„Neen, dat is waar!”
„U ziet bovendien aan uzelven, waartoe het leidt.”
Verlegen zweeg hij, en beet op zijn kneveltje.
„Of wilt u soms beweren, dat uw handelwijze van hedenavond voor mij een vereerend blijk van vertrouwen was?”
„Drommels, neen, juffrouw Ceciel,” zei hij in verwarring. „U hebt gelijk. Neem het mij niet kwalijk.... Als ik vooruit had geweten.... Maar u zult mij moeten toegeven, dat men niet alles te voren weten kan. De schijn....”
Ze lei haar hand vertrouwelijk op zijn arm.
„Ge behoeft u niet te verontschuldigen, meneer Geerling. Ik weet het immers wel, en ik neem het u niet kwalijk.”
Ze stonden voor de deur harer woning, die open was; er brandde nog licht, schoon mama reeds naar bed was en alleen een bediende de wacht hield.
Hij zag haar fraai gevormde blanke hand op zijn arm en hij zag ook haar mooi gezichtje in het zachte licht. Heer in Den Haag, wat was het toch eeuwig jammer, dat het nu dáárop moest uitloopen! ’t Was een beeldje, vond hij.
„Ik zal toch,” zei hij, „het genoegen hebben u nog wel eens te zien?”
„Och waarom?”
„Wel.... wel....” het was satansch moeilijk er een behoorlijk antwoord op te geven. „Wel, ik vind u zoo beminnelijk .... zulk een engel.”
Wat was het toch lastig tegenover zoo’n „fatsoenlijk” meisje geen mal figuur te maken!
„Een engel,” zei ze glimlachend. „Een engel en.... te degradeeren.”
„Neen, waarachtig niet. In ernst juffrouw Ceciel, ik denk aan zoo iets niet. Ik hoop dat u gelooft....”
„Ik weet het niet, ik weet niet of ik u kan gelooven.”
„Gerust. Laat mij u ’n visite komen maken bij uw oudelui.”
Ze scheen te aarzelen.
„Soeda, ik zeg ja noch neen, adieu.”
Zij stak hem de hand toe.
Heel graag had hij haar een kus gegeven, iets, vond hij, dat zelfs was overeen te brengen met het fatsoen, doch hij deed er zelfs geen poging toe.
In haar kamer zat Ceciel nog lang te pikiren. Zij was over zichzelve tevreden. Als hij nu kwam, zou ze wel verder zien; kwam hij niet, dan had zij zich in geen geval gecompromitteerd en kon hij niets dan goeds van haar zeggen. Hij was haar meegevallen. Ze had wel eens meer van die ontmoetingen gehad, en dan hadden de teleurgestelden altijd getracht de vrije liefde te verdedigen, die voor te stellen als de onschuldigste zaak ter wereld, en, ondanks al haar redeneeren, allerlei pogingen aangewend om hun doel te bereiken. En als ze het vruchtelooze van hun praatjes ten slotte inzagen, dan waren ze na de plechtigste verzekeringen hunner liefde, heengegaan en nimmer teruggekomen.
Geerling had zich fatsoenlijker gedragen, dat stond vast. Of hij zou terugkomen was niet te zeggen, maar zoo er ooit iemand épris was geweest van haar, dan was het dit jonge mensch, meende zij.
Lucie sleet haar leven in een kalme eentonigheid, die haar echter niet hinderde en waaraan ze gewoon was. In den laatsten tijd was het met den berenstrijd zeer gunstig gesteld, en dat verheugde haar, hoe licht zij overigens dien strijd ook tilde. Als ze geld te kort kwamen, dan had ze maar te spreken, en Herman gaf het haar. Wat zou ze meer verlangen? Ze behoefde tegenwoordig Geerling niet meer lastig te vallen, en dat was te aangenamer, omdat hij van zijn kant niet meer zoo erg voorkomend en gedienstig was. Hij bleef niet meer napraten als het diner was afgeloopen, maar ging ook uit. Nu, dat deed haar pleizier, want dan kon ze naar bed gaan. Maar toch had het haar aandacht getrokken. En wat haar ook bevreemdde was het gedrag van Herman. Niet het feit, dat hij tegenwoordig weleens thuis kwam als het ochtendschot viel,—een uurtje vroeger of later in den nacht hinderde haar niet. Aan zijn uithuizigheid was ze gewoon; niet aan zijn ingetogenheid. Doch ook dáárover beklaagde zij zich niet; haar natuur was passief van aard. Zij was een huismoedertje; en daar zij die bestemming meer dan voldoende had bereikt, waren haar wenschen vervuld en vroeg zij ’t leven nog slechts om een bescheiden deel van genot; veel zou haar niet eens hebben gesmaakt.
Hoe Van Brakel aan geld kwam? Wel, ze dacht er nooit over na: het waren zijn zaken; als zij maar kreeg wat ze noodig had, dan achtte zij zich verder niet gerechtigd hem te vragen uit welke bronnen hij putte.
En toch overviel haar op zekeren dag een geweldige vrees.
„Dat is een leelijk geval met den ingenieur Enne, hè?” zei Geerling aan tafel.
„Ja,” antwoordde Van Brakel, „’t spijt me voor hem; hij was ’n beste vent en uitstekend op de hoogte.”
„Dat hoor ik algemeen zeggen. Het is geen kleinigheid ook.”
„Neen, vijf en twintig mille is een mooie som.”
Verwonderd keek Lucie haar man aan.
„Waar heb je het over? Wat is er gebeurd met Enne?”
„Hij heeft een tekort in kas,” zei Van Brakel.
„Je hebt me er niets van verteld.”
„Ik had het vergeten.”
„Er moet nogal aardig gestolen zijn, meen ik zoo,” zei Geerling, „want het heele werk was maar twee ton.”
„Twee en een halve,” verbeterde Van Brakel.
„Maar dat doet er niets toe: het is en blijft een even beroerde zaak.”
Zij praatten er op door, doch Lucie zei geen woord meer. Er was haar plotseling een verschrikkelijk denkbeeld voor den geest gekomen. Het gebeurde haar niet elken dag, dat ze een eigen idee had, maar als dat voorviel, dan overrompelde het haar ook geheel. Waarom had Herman haar dat verzwegen, hij, die anders dadelijk al dergelijke dingen aan zijn vrouw vertelde? Ver van het vermoeden, dat dit verzuim was te wijten aan de omstandigheid, dat zij niet meer zoo geheel en al zijn vrouw mocht heeten, zag zij een mogelijk verband tusschen die achterhoudendheid en de ruimte van geld in de laatste maanden. Zij kon niet eten; het was alsof ’t haar in de keel bleef steken.
„Hoe is het,” vroeg Van Brakel, toen ze haar vork neerlei, „smaakt het je niet vandaag?”
„Neen, ik heb niet veel eetlust.”
„Heeft het verhaal van Enne dien bedorven?” vroeg Geerling zonder erg.
Zij trok de wenkbrauwen samen en zag den jongen man bijna angstig aan.
„Waarom vraagt u dat?”
Hij was er verwonderd over.
„Och, zoo maar. Het is heel onpleizierig, als men zulke dingen hoort.”
„Ja, het is verschrikkelijk!”
Van Brakel gevoelde zich niet op zijn gemak. Het was hem thans duidelijk, dat zijn vrouw had nagedacht; hij verweet zich zijn onvoorzichtigheid, het was verkeerd geweest zich zoo coulant te toonen; maar hij had het gedaan uit goedheid, om haar in zekeren zin schadeloos te stellen; het moest haar ten slotte toch bevreemden, dat hij niet meer klaagde over geldgebrek, zijn schulden betaalde enzoovoort. En nu vreesde zij, dat hij zich ook had vergrepen aan ’s Lands gelden; dat ook hij de verleiding niet had kunnen weerstaan. Hij wilde haar gerust stellen. Bovendien was het een fraaie gelegenheid om een kranig figuur te maken, en die mocht hij niet ongebruikt voorbij laten gaan.
„Wat hadt je toch daar straks?” vroeg hij toen ze alleen waren.
„Niets.”
„Dat is maar gekheid. Er was wel iets. Iets dat je erg hinderde, zoodat je er niet van eten kon.”
„Och neen, het was niets.”
„Wees nu niet kinderachtig en vertel het me.”
Ze keerde zich naar hem toe, bleek en met de oogen vol tranen, sloeg haar armen om zijn hals en zei weenend:
„O Herman, het is niets!”
„Een mooie manier om te bewijzen dat het niets is,” zei hij lachend. „Wil ik je wat zeggen?” En zijn mond bij haar oor brengend, fluisterde hij: „Je bent bang, dat ik evenals Enne mijn kas heb nagezien.”
Ze kon het niet ontkennen, al begon zij zich reeds over het vermoeden te schamen.
„Nu,” ging hij voort, terwijl hij haar eerlijk gezicht in beide handen nam en haar in de betraande oogen zag: „maak jij je maar niet ongerust, hoor Luus. Bij hetgeen wij uitgeven is geen cent gestolen geld, noch van ’t Gouvernement, noch van iemand anders.”
„Goddank!” zei ze en toen hij heenging—het was zijn avond bij mevrouw Du Roy—kuste ze hem als het ware met dankbaarheid. Ze had niet verder gevraagd; ze had ook niets verder willen weten. Of hij bij het spel had gewonnen, of misschien een cadeau in geld had geaccepteerd van een aannemer, of op welke andere wijze hij aan het geld kwam,—zij bemoeide er zich niet mee. Als het dàt maar niet was. Want het eerste was uitstekend, en dat was het laatste nu wel niet, maar daar waren er zoo veel, die zich smeren lieten, zonder dat het hun ooit in eenig opzicht nadeel had gedaan.
Terwijl Lucie zich gereed maakte om haar gewone nachtrust te nemen, dacht ze zoo daarover na, en dribbelde van het eene vertrek naar het andere. Zij nam één voor één de kleintjes eens op met een zekere bedoeling, waaraan de slaapdronken kinderen als werktuiglijk voldeden. Zij had nog honger, nu de brok van schrik uit haar keel was verdwenen; ze ging nog even naar de achtergalerij, waar juist een bediende zijn blaastalent aan het uitdooven der lampen wilde wijden. Er was nog wel het een en ander in de kast, om de schade in te halen.
Een paar minuten later deed zij zich gemoedelijk te goed aan een miniatuur hutspot, toen de looper van het postkantoor de brieven bracht. Als ze naar bed was, schoof hij ze gewoonlijk maar onder de voordeur naar binnen, maar nu de man licht had gezien, bracht hij ze achter. Hij lei ze met een „Tabeh njonja, pos njonja!” op de tafel en ging. Toen ze gegeten had, keek ze eens op de adressen, of er geen brief van haar vader bij was. Doch dat was het geval niet.
Toch zag ze er een aan haar adres van een fijne vrouwenhand. Het poststempel was van de plaats. Wat kon dat wezen? Lucie opende het couvert; met verbazing zag zij dat de brief geen aanhef had en geen onderteekening droeg.
„Mevrouw L. Van Brakel-Drütlich wordt in haar belang en in dat van haar man ten dringendste aangeraden hem van zijn nachtelijke uitstapjes af te houden. Het is nooit veel zaaks, wat mannen des nachts buitenshuis doen, maar als mevrouw Van Brakel-Drütlich niet oppast, dan zal zij vooral de grootste huiselijke onaangenaamheden krijgen, ten gevolge van het uitloopen van haar man, die zich aan een slecht levensgedrag schuldig maakt.”
Daar! dacht Lucie; daar kwamen waarlijk die ongelukkige geldquaestie en de speelzucht van Herman weer in een anderen vorm op het tapijt; de vrees voor finantiëele moeilijkheden was nauwelijks de deur uit of ze kwam door ’t venster naar binnen.
Wat was het nu weer? Had hij weer veel verloren in de laatste dagen en opnieuw schulden moeten maken?
Maar dan zou hij het haar toch wel gezegd hebben! Zij had hem nooit aanmerkingen gemaakt. En bovendien: hij was tegenwoordig volstrekt niet slecht bij kas. Hoe kon ze zich daarover ook bezorgd maken! Het was lasterlijke verdachtmaking, anders niet. Wat ging het een ander aan of hij wat laat in de soos bleef en daar gaarne een partijtje maakte? Het was, vond zij, voor velen te wenschen, dat ze waren zooals hij. Een oogenblik stond ze op het punt ’t briefje te verscheuren, maar daartoe kwam ze toch niet. Zij nam het mee naar haar kamer en lei het tusschen haar kabaja’s in haar kast. Meer en meer drong zich de overtuiging bij haar op, dat het laster was, maar toch kon ze er niet van slapen.
Toen ze evenwel den volgenden dag Van Brakel zag, zoo kerngezond en vroolijk als altijd, verdween ’t laatste spoor van bezorgdheid, en ze besloot hem ’t maar te vertellen.
„Het schijnt,” zei ze lachend, „dat jij tegenwoordig fraaie stukjes uithaalt.”
Hij stond verstomd en kreeg een kleur.
„Hoe.... bedoel je dat?”
„Ja, ja, je denkt maar dat ik van niets weet, omdat ik altijd thuis ben en weinig menschen zie.”
„Wat bedoel je dan, Lucie?”
„Nu, houd je maar zoo onnoozel niet, ik weet het toch.”
Wanneer de klapperboomen op het erf een polka waren gaan dansen of zijn paarden een lied van Schubert hadden aangeheven, had hij door verbazing niet erger getroffen geweest kunnen zijn, dan thans. Ze wist HET toch, en.... ze sprak daar zóó over, op luchtigen, lachenden toon!
„Zeg me dan toch, wat je meent.”
„Och niets, vent. Niets anders, dan dat ik een anoniemen brief heb gekregen.”
Nu werd Van Brakel zoo wit als een doek. Zij had een anoniemen brief gekregen!
„En?”
„O, hij is allesbehalve vleiend voor je; maar ik wil hem je toch wel laten lezen.”
Hij liep haar na, naar haar kamer, en rukte als ’t ware het papier haar uit de hand.
Een zucht van verlichting ontsnapte hem, en in een oogenblik was hij weer meester van zichzelven. Hij knikte langzaam met het hoofd, haalde de schouders minachtend op en lachte.
„Wel, het is heel mooi.”
„Wie zou het geschreven kunnen hebben?”
„Het is een dameshand,” zei hij, het schrift haast met welgevallen bekijkend. „Weet je wat ik denk?”
„Nu, wat dan?”
„Dat de vrouw van een der leden van ons partijtje vruchteloos heeft beproefd haar man thuis te houden en nu tracht de anderen tot wegblijven te nopen, opdat haar man, bij gebrek aan medespelers, vanzelf thuis blijft.”
„Hemel, dat is best mogelijk,” zei Lucie.
„Welzeker. Nu, als jij er op gesteld bent, Luus, wil ik ’s avonds wel bij je thuis blijven zitten, als je me maar tot ’n uur of één gezelschap houdt, want vóór dien tijd kan ik niet slapen.”
„Ik dank je hartelijk, hoor! Ga jij gerust in de soos zitten homberen; ik moet veel te vroeg op, en ik heb het veel te druk om zoo laat naar bed te gaan.”
Toen Van Brakel dien dag uitging, liep hij direct naar het postkantoor en verzocht voortaan alle brieven voor hem of zijn vrouw maar aan te houden; hij zou ze ’s morgens wel door een bediende laten afhalen.
Hoezeer hem deze maatregel een gevoel van gerustheid gaf, was hij toch zeer ontstemd over dien brief. Wie zou de laaghartigheid hebben gehad hem te verraden? Vruchteloos ging hij in gedachten hun kennissen na; niet één harer rechtvaardigde het vermoeden, dat ze zoo boosaardig wezen zou. Want hij zag er niets goeds in. Slechts een streven om twist en tweedracht te zaaien, om een ongelukkig huwelijk te maken.
Bah! Wat had men toch een gemeene lui in de wereld!
Hij vertelde het aan mevrouw Du Roy, en deze ging een licht op. Het hinderde haar reeds lang, dat Van Brakel in zulke goede termen bleef met zijn vrouw. Niemand, dacht ze, kon twee heeren dienen, en dus kon niemand het ook twee dames doen. Ze had al eens spottend daarop gezinspeeld, en dan zag ze heel goed dat Van Brakel zich daarover boos maakte; dat hij een houding aannam, alsof zij sprak over iets, waarover zij niet spreken mocht. Ook hinderde het haar, dat hij altijd pertinent weigerde een woord te zeggen over zijn vrouw. Een stil vermoeden had ze, dat zijzelve eigenlijk niets anders was en bleef dan een noodzakelijk kwaad, waarvan zich Van Brakel zekerlijk graag, hoe eer hoe liever, zou afmaken, als hij maar kon; dat haar persoonlijkheid ten slotte niets meer voor hem was, dan een verhoogde rente van geleend geld. Zij kende mevrouw Van Brakel wel, en toen ze haar den eersten keer zag in een toko—’t was nog vóór ze Van Brakel geld leende—toen had ze met één oogopslag gezien, dat die blonde vrouw met haar eenigszins onverschillig uiterlijk aantrekkelijke eigenschappen moest hebben. Thans besefte zij dat levendiger dan ooit. Hoe schoon ze ook zelve was, met haar zuiver profiel, haar fraaien lichaamsbouw en prachtige haren,—ze voelde zich nog altijd overwonnen, en dat ontstemde haar geweldig.
Van Brakel’s verhaal hoorde zij zwijgend aan, en het bevestigde haar opnieuw, hoe hij voor moeilijkheden met Lucie terugbeefde, als voor het ergste, dat hem kon overkomen. Zijn eerste angst, zijn vreugde toen hij zag dat niets was ontdekt; zijn spoed om maatregelen tegen herhaling te nemen,—zij gevoelde heel goed, waaruit dat alles voortsproot: zij begreep, dat ze hem haast geen grooter dienst zou kunnen doen, dan door te zeggen, dat ze genoeg van hem had en hij niet behoefde terug te komen.
Een oogenblik had ze er lust in, maar zij verwierp het plan dadelijk. Als ze daartoe overging, dan zou hij ook tevens weten, dat hij onder haar plak stond; dan zou die genegenheid voor zijn vrouw op hem gewroken worden, al zou het hem ook zijn betrekking kosten. Eigenlijk was voor haar al veel van de aardigheid af. Van Brakel was haar in het geheel niet meegevallen! Ze vond hem een man van geusurpeerde reputatie; iemand die zijn krachtig uiterlijk en zijn antecedenten geen eer aandeed. Had zij op het moment ander gezelschap op het oog gehad, dan had ze hem met genoegen laten gaan. Dan, van de eenzaamheid was ze zeer afkeerig.
„Zij is een gansje,” antwoordde ze lachend, toen Van Brakel zijn verhaal eindigde.
„Ze kon toch de waarheid niet ruiken.”
„Dat niet. Maar iedere vrouw, die een man vertrouwt, is een domme gans en waard dat ze bedrogen wordt.”
„Nu ja, da’s ook wat moois!” zei Van Brakel. Hij had haar graag het bekende spreekwoord van den waard en diens gasten naar het hoofd geworpen, maar hij durfde niet.