H. van Brakel, Ing. B.O.W.

Part 5

Chapter 54,107 wordsPublic domain

De jeugdige commensaal der Van Brakels wilde er het zijne van hebben; dat had hij zich bepaald voorgenomen. Hoezeer hij dikwerf werd gekweld door een meer en meer toenemende begeerte, had hij zich steeds geheel weten te beheerschen; hij moest Van Brakel’s huisrecht eerbiedigen, vond hij, en hij mocht diens vertrouwen niet schenden. Misschien zouden die overwegingen den doorslag niet gegeven, noch zijn houding en gedrag bepaald hebben, als Lucie een andere vrouw was geweest; als hij in haar doen en laten tegenover hem ook maar eenig spoor van behaagzucht had kunnen ontdekken. Doch het even natuurlijke als correcte in haar houding, overigens gepaard aan een zekere onverschilligheid, hield hem terug van alle andere, dan een zekere vriendschappelijke familiariteit. Zij had, hij wist het, in Van Brakel het meest onbegrensd vertrouwen, dat een vrouw kan stellen in een man. Hoe zou zij zich houden, als bleek, dat het vertrouwen misplaatst was geweest? Hij was er nieuwsgierig naar. Zij zou verdriet hebben, dat was zeker. Welnu, dan was ook zijn rol als trooster aangewezen.

Hij zat dien avond te midden zijner bibelots op zijn gemak een havana te rooken, en dacht er over na. ’t Was juist iets, vond hij, om de gruwelijke verveling te verdrijven. Maar het moest netjes en met overleg worden aangevat. Indien Van Brakel onschuldig bleek, zou hij, Geerling, hem niet trachten te hoornen; anders wèl, en dan zou hij zijn plannetje zorgvol overleggen. Lang dacht hij er over na, tot hij zich, glimlachend en vergenoegd, de handen wreef, zijn sigaar wegwierp en achter de klamboe verdween.

„.... Neem me niet kwalijk, mevrouw....”

De weduwe Du Roy keek vreemd op toen den volgenden dag een keurig net gekleed jongmensch haar erf opkwam. Ze had juist bezoek van haar nichtje Ceciel, een veel belovende jonge dame, wie het echter, ondanks haar goed uiterlijk, nog jongen leeftijd en aardig vermogen, niet was gelukt een „geschikten” man te vinden, die haar tot vrouw begeerde.

„Wat is er van uw dienst?” vroeg mevrouw Du Roy vrij bits; zij hield niet van zulke jonge lieden, vooral niet als die een beetje „indringerig” waren.

„Ik had gehoord, dat u ’n span sandelwoods te koop had.”

„Dan heeft men u verkeerd ingelicht. Mijn paarden zijn niet te koop.”

„O.... zoo!.... U neemt ’t niet kwalijk, mevrouw....”

Eenigszins verbluft door de korte, onaangename manier, waarop de vrouw des huizes hem bij zijn gemaakte boodschap te woord stond, wilde Geerling met eene buiging retireeren; maar Ceciel gaf haar tante een wenk.

„Niettemin kant u de paarden wel eens zien, als u er pleizier in hebt.”

„Heel gaarne.... Als u het permitteert....”

Zij ging hem met haar nichtje vóór naar den stal. Geerling keek overal rond, en raakte, liefhebber van „roerende goederen” als hij was, in een oogwenk opgetogen. Hij putte zich uit in complimenten. Het was zóó keurig! Alles zag er zoo magnifique uit! Net een mannetje, dacht ze, op een der plaatjes in La vie parisienne, een tijdschrift, waarop ze geabonneerd was en dat ze dolgraag las.

’t Waren mooie paarden, die de weduwe op stal had. Ze mocht er gerust een complimentje voor hebben, wat de bezoeker haar trouwens niet spaarde.

Toen hij zijn naam had genoemd, werd mevrouw Du Roy veel vriendelijker. O, zij kende zijn familie heel goed; ze had zijn vader gekend, toen ze nog jong was; ze kende zijn ooms en tantes, die allen in Indië waren geweest, maar reeds voor jaren naar Amsterdam terugkeerden. Zij wist nu meteen, dat hij geen gewoon geëmployeerde, maar een gefortuneerd jongmensch was, en voor geld had zij eerbied. Na de bezichtiging der paarden werd hem in de achtergalerij een stoel aangeboden en een glas limonade met ijs gepresenteerd, dat hij gaarne aannam.

En daar hij den tijd had, of liever dien nam, als ’t hem conveniëerde, bleef hij zitten praten, zich amuseerend met tante en nicht, die waarlijk geen van beiden verwerpelijke schepselen waren, vond hij. Doch de nicht won het toch verre in zijn oogen; ze leek sprekend op haar tante, maar haar jeugd en frischheid had zij vóór. Hij maakte haar erg het hof, en zij liet het zich gaarne welgevallen, zóó zelfs dat ze hem vergunde den volgenden dag terug te komen om nog een glaasje limonade te drinken.

Toen hij heenging en naar zijn kantoor terugwandelde, bespeurde hij dat de gangen van Van Brakel hem veel minder interesseerden, dan den vorigen avond, en het hem nog slechts weinig kon schelen in hoever deze al dan niet mevrouw Du Roy frequenteerde.

Maar niettemin wilde hij zekerheid hebben, en toen het diner ’s avonds bij de Van Brakels was afgeloopen, en de huisheer, als naar gewoonte, dadelijk na de vruchten opstond om heen te gaan, stond Geerling ook op.

„Ik loop zoo ver met u mee,” zei hij.

„Goed,” antwoordde de ingenieur, wien het gezelschap maar half aanstond. „’t Gebeurt anders niet veel, dat je na het eten nog trek hebt om uit te gaan.”

„Neen, maar ik wil me er voortaan toch aan wennen.”

„Wordt je zóó’n sociëteitlooper?” vroeg Lucie.

Hij glimlachte en keek Van Brakel aan, die ongeduldig met zijn rotting tegen zijn schoenen stond te slaan.

„Dat denk ik niet. De sociëteit kan mij niet bekoren. Ik doe het meer om te wandelen.”

„Zoo, dus als gezondheidsmaatregel?”

„Voor de digestie behoef je het anders niet te doen,” zei Van Brakel spottend: „je eet bijna niets.”

„Waarschijnlijk zal het uitgaan mijn eetlust bevorderen.”

Van Brakel vond het verduiveld lastig. Hij had mevrouw Du Roy beloofd haar dien avond te bezoeken en nu was hij wel genoodzaakt eerst naar de sociëteit te gaan om van dien Geerling af te komen. Maar daar liep hij alle kans gelijmd te worden voor een partijtje, en het zou moeilijk zijn zich daarvan af te maken.

Geerling had zeer goed den weerzin opgemerkt, waarmede de ingenieur zich zijn gezelschap getroostte. Zwijgend wandelden zij voort.

„Ik heb van ochtend een niet onaardige visite gemaakt,” zei Geerling eindelijk.

„Zoo?”

„Ja. Ik ben bij twee dames geweest en heb bij haar limonade met ijs zitten drinken in de achtergalerij.”

Het was, vond Van Brakel, toch een kinderachtige kerel! Wat was dat nu voor bijzonders, een glaasje stroop te drinken met twee dames! Hoe flauw om zich daarop te beroemen. Nu, als hij eens bluffen wou....!

„Het is een gevaarlijk avontuur,” zei hij lachend. „Ik hoop dat het geen verdere gevolgen voor je zal hebben.”

„Dat weet ik niet. Hopen doe ik het wel. Verbeeld je: ’t was een tante en een nichtje. ’n Heel lieve tante en ’n allerliefst nichtje.”

„Zoo!” zei Van Brakel weer, maar ditmaal op een toon, alsof hij wilde zeggen: houd nu den mond maar; de flauwiteit maakt me onpasselijk.

„Men zegt,” vervolgde Geerling op een bijzonderen toon, „dat er gelukkigen zijn, die het voorrecht hebben de dames op aangenamer tijd te bezoeken dan op den heeten middag; ten minste de tante.”

In de duisternis fronsten zich de wenkbrauwen van den ingenieur en zijn hand omklemde den rotting met kracht. Wat wilde die kwajongen insinueeren? Zou hij, die bij hem in huis woonde, weten....... Van Brakel bedwong zich en vroeg op kalmen, onverschilligen toon:

„Hoe heeten die dames?”

„Het nichtje heet van haar voornaam Ceciel.”

„En de tante?”

„Nu ja!”

Het zweet parelde Van Brakel op het voorhoofd. Nog altijd hield hij zich goed, en vroeg op verstoorden toon:

„Wat moet dat beteekenen?”

Maar Geerling was niet te overbluffen. Eerst lachte hij even, daarna floot hij zacht, stiet Van Brakel aan met zijn elleboog en zei:

„Laat ons wèl zijn,”

Wat moest hij doen? dacht hij. Met genoegen zou hij ’t jonge mensch in zijn stevige knuisten hebben genomen en hem een half uurtje op den bodem van de kali hebben gehouden. Aan brutaal ontkennen viel niet te denken. Hoe was het toch mogelijk? Nog geen vier malen had hij het „genoegen” gehad een avond-visite te brengen ten huize van de weduwe Du Roy, en reeds was alles bekend tot in zijn eigen huis.

„Hoe weet je het?” vroeg hij zacht en als het ware benauwd.

„’t Werd op ’t kantoor verteld.”

„Anders niet?”

„Welzeker. Eerst wilde ik het niet gelooven en sprak het tegen omdat....”

„Jawel.... Verder?”

„Daarna hoorde ik het nog van verscheiden kanten.”

„Och, kom....”

„Op mijn woord. Je kunt me gerust gelooven; iedereen weet het.”

Van Brakel hield niet op, zich het gelaat met den zakdoek af te wisschen.

„En.... wat wordt er gezegd?”

„Wel.... men vond het nogal dwaas.”

„Anders niet?”

„Ja, wat zal ik je zeggen? Hoe wil men er nog anders over oordeelen, ten minste onder heeren? Het is immers geen schande!”

„Neen, dat zou te gek zijn.”

Goddank, dacht hij, dat men het alleen maar dwaas vond; dat zou het ook geweest zijn, als die vervloekte geldquaestie....

„Och,” ging hij voort, „men kan alles zoo niet zeggen.”

„Neen.... natuurlijk niet.” Geerling dacht een oogenblik na. ’t Was waar! Wie weet was mevrouw Van Brakel niet zelve de oorzaak, dat haar man elders zijn troost zocht.

Doch Van Brakel had nog iets op het hart, dat er, nu het ijs in zoover was gebroken, allernoodzakelijkst af moest.

„Zou je denken,” vroeg hij geheimzinnig en bijna fluisterend, terwijl hij Geerling zoo dicht naderde, dat hun schouders elkaar raakten, „zou je denken dat mijn vrouw er iets van vermoedde?”

„Wel neen! Hoe kom je op dat idee?”

„Als, gelijk je zegt, iedereen het weet....”

„Dan weet zij het niet. De meest betrokkenen komen altijd in de allerlaatste plaats achter dergelijke zaken.”

„Dus je gelooft het niet?”

„Mijn waarde heer, ik zou in allen ernst durven zweren, dat ze er geen flauw idee van heeft.”

„Dat is gelukkig; het zou verschrikkelijk zijn.”

Geerling trok de wenkbrauwen op en keek hem verbaasd aan. Wat was dat toch een rare kerel! Waarom zou dat nu zoo verschrikkelijk zijn? Het zou een huiselijke scène geven, die, meende hij, weer voorbij zou gaan en Van Brakel toch weinig kon deren.

„Zóó erg zou het niet wezen!”

„Dat zou het wèl, Geerling,” zei Van Brakel overtuigend, „dat zou het wèl. Soedah, laat ons er maar niet verder over spreken. Bij gelegenheid leg ik je dat wel eens uit.”

Het jonge mensch was er volstrekt niet nieuwsgierig naar. Wat kon hem dat alles schelen? Hij had alleen ten doel in de gelegenheid gesteld te worden zoo spoedig mogelijk in nadere relatie te komen met Ceciel, de rest was bijzaak.

„Ga je er heen van avond?”

„Ik moet.”

„Neem me mee.”

„Och, ik zou wel willen, maar wat heb je er aan? Ceciel is er toch niet.”

„Maar die woont toch in de buurt; me dunkt het is nog niet laat; haar tante kon haar best nog voor een uurtje laten halen.”

Het was voor Van Brakel geen gemakkelijke taak. Daar hij niet begreep onder welk motief hij op dit uur Geerling ten huize van mevrouw Du Roy kon introduceeren, had hij het verzoek gaarne afgewezen. Wat zou zij zeggen? Zou ze niet ernstig boos wezen? Aan den anderen kant zag hij wel in, dat na de pas gedane confidenties, het gevaarlijk was ’t dringend verzoek van Geerling te weigeren.

„’t Is een lastig geval,” zei hij. „Hoe kan ik je nu meenemen? Wat moet ik als reden van je bezoek opgeven?”

„Reden? Wel niets. Ik zie wel, dat je aan je coup d’essai bent. Net als ik heb gedacht. In een geval als het uwe, doet een man wat hij wil, zonder er rekenschap van te geven.”

„Je hebt gemakkelijk praten,” zuchtte Van Brakel. Voor den drommel, hij kon het jonge mensch nu toch ook niet gaan vertellen, dat hij bij moeder Du Roy onder finantiëele verplichtingen stond.

„Wat gemakkelijk praten? Kom, wees nu niet kinderachtig en neem me mee. Ik verzeker je, dat ik niet lastig of indiscreet zal wezen.”

„Heb nu nog een paar dagen geduld, dan ga ik er weer heen, en dan beloof ik je, dat je meegaat.”

Maar de jonge Geerling wilde geen geduld hebben. Hij zag niet in dat het ergens toe dienen kon. Als Van Brakel hem maar met een of ander praatje binnenbracht, dan zou hij, Geerling, zijn „smoesje”, zooals hij het zeer schilderachtig noemde, wel verder zelf maken.

De ingenieur hoorde hem met verbazing aan. Geerling sprak met de zekerheid en het zelfvertrouwen van een man van ervaring, en dáárvoor was hij toch nog te jong. Hij moest ten slotte wel toestemmen, schoon het niet zonder zorg was, dat hij zijn commensaal meenam over het nette erf en met hem ter zijde van het huis naar achter ging.

Mevrouw Du Roy kwam reeds met de loffelijkste bedoelingen hem uit de achtergalerij te gemoet, toen ze verbaasd stilstond en met groote oogen nu eens naar Van Brakel en dan weer naar het haar bekende jonge mensch keek.

„Mag ik u meneer Geerling voorstellen?” begon Van Brakel eenigszins stotterend.

„Niet noodig, niet noodig!” viel deze in, met den hoed in de hand en een sierlijke buiging. „Ik had reeds het genoegen mij aan mevrouw en aan mejuffrouw haar nicht voor te stellen, U neemt het mij hoop ik niet kwalijk, maar toen ik van avond hoorde, dat meneer Van Brakel u voor zaken moest spreken, kon ik de gelegenheid niet laten passeeren, maar verzocht dringend hem te mogen vergezellen. Ik hoop, mevrouw Du Roy, dat u het mij ten goede zult houden. De welwillende ontvangst, die mij in uw charmante woning ten deel mocht vallen.... de aangename conversatie.... de lieflijke persoonlijkheid van uw nichtje.... enfin mevrouw: me voilà. Nogmaals: duid het mij niet ten kwade.”

Zoo’n kwekkelaar! dacht ze, maar niettemin glimlachte ze, gaarne gevleid als ze was.

„Komt binnen,” zei ze, hen voorgaand in de achtergalerij, waar de hond van Van Brakel, die er thuis was, zich gemakkelijk op een rotanstoel had uitgestrekt. „Wel, ik heb niets tegen uw bezoek, meneer Geerling; alleen zult u het gezelschap moeten ontberen van Ceciel, want die is er niet.”

„Helaas! zou daar niets aan te doen zijn?”

Verwonderd had Van Brakel stil geluisterd, terwijl hij zijn dienstpet op zijn wandelstok zette en dezen in een hoek plaatste. Welk een brutale vent was dat commensaaltje van hem! En dat scheen waarachtig goed te gaan. Hij viel maar dadelijk met de deur in huis!

„Wel neen,” antwoordde mevrouw Du Roy. „Ik kan haar niet hier tooveren.”

Zij was aan ’t smalle eind gaan zitten van de groote eettafel en Geerling had familiaar een stoel genomen en was aan het hoekje bij haar komen zitten, met zijn ellebogen op de tafel en zijn beide handen tegen elkaar voor zijn gezicht.

„Ik weet niet of u tooveren kunt.”

Zij lachte.

„Wel, wel, zie ik er dan uit als een toovenaarster?”

„Dat weet ik niet. Het is al naar ’t geen men daaronder verstaat. Een betooverend mooie vrouw als u, moet ook kunnen tooveren.”

Van Brakel fronste de wenkbrauwen. Niet dat hij zoo verliefd was op mevrouw Du Roy, maar hij vond toch dat Geerling wel wat ver ging. Zij zag, dat het den ingenieur niet beviel; dat deed haar innig veel pleizier.

„Kom,” zei deze tot het jonge mensch, „zeg nu maar waar het op staat.”

„Dus er bestond een afspraak?”

„Dat nu niet. Maar hij is dol van Ceciel en nu is eigenlijk de heele quastie, dat hij je wil vragen om haar nog ’n uurtje hier te laten komen.”

„O zoo, is het dat!”

„Dat is het,” vervolgde Geerling spottend, „en u doet het, nietwaar? U hebt wel medelijden met een armen jongen, die zijn hart heeft verloren en zijn oog heeft laten vallen....”

„Schei uit,” riep ze lachend. „Als je nog verder gaat, schiet er op ’t laatst niets meer van je over.”

Ze vonden het alle drie aardig en lachten een trio.

„Nu, ik zal eens zien. Beloven dat ze komt, kan ik niet. Het is de vraag of de oudelui het willen hebben. Mijn zuster is soms heel lastig van humeur.”

De zuster van mevrouw Du Roy en de moeder van Ceciel was volstrekt niet lastig van humeur, en liet integendeel het meisje volkomen doen wat ze wilde, gelijk zijzelve dat altijd had gedaan.

Toen het leitje van mevrouw Du Roy kwam, zaten moeder en dochter te lezen; de vader, een gewezen scheepskapitein, was reeds naar bed; de goede man had sedert vele jaren de vaste gewoonte, om als te acht uren het diner was opgedaan, een bord soep te eten, daarna op te staan, zijn vrouw en dochter een „goeden nacht, samen” toe te wenschen, om vervolgens, zooals hij het noemde, „onder zeil” te gaan.

De beide dames zaten te lezen.

„Het is voor jou,” zei mama, ’t leitje aan haar dochter overreikend.

„Van wie?”

„Van tante Nel.”

„Wat wil ze?”

„Ze vraagt of je komt.”

„Nu nog? ’t Is al zoo laat.”

„Er is visite. Ze schrijft, dat er een zekere Geerling ook is.”

Haastig greep Ceciel het leitje. Drommels, die was er vlug bij, vond ze, en ze glimlachte met groote zelfvoldoening. Ze zou gaan, zeker; zij was er het meisje niet naar om zulk een schoone gelegenheid ongebruikt voorbij te laten gaan. Geerling was iemand van fatsoenlijke familie en hij had geld. Persoonlijk was hij haar volmaakt onverschillig. Zij was niet amoureus van aard, en hoezeer zij ook op haar tante mocht gelijken,—in dàt opzicht bestond tusschen die twee een hemelsbreed verschil.

Het meisje sloeg een blik in het rond en zuchtte. Onder andere levensomstandigheden zou zij zich de moeite niet hebben gegeven een japon aan te trekken en tien huizen ver te loopen om een jongmensch te ontmoeten, dat haar totaal onverschillig was. Doch als ze zoo rondzag in de vierkante binnengalerij, waar ze met haar moeder zat, dan voelde ze diep, dat ze niets onbeproefd mocht laten om zich te ontrukken aan zulk een doodelijke omgeving. Buiten op den onbestraten Indischen weg wierp een petroleum-lantaarn een flauw schijnsel, zoo flauw dat de open vensters uit de helder verlichte galerij gezien groote zwarte vlekken schenen. Geen rijtuig reed voorbij; slechts nu en dan zwiepte een vervallen dogcar langs het huis. Nijdige muskieten gonsden om haar ooren, of gingen op hun kop staan en staken de angels door het weefsel der fijne kabaja in haar blanke huid. Het licht der lampen schitterde in eentonige verblindheid op de witte muren en de marmeren bladen der tafels, en reflecteerde in de grijs geverfde zoldering, waarvan de breede, zwarte naden tusschen de planken en de veel te talrijke, niet meskant bezaagde balkjes van slordigen bouw getuigden; alles dilettanten-werk! Rond den rotanmat op den vloer, kwam een breede rand roode tegelsteenen uit, door de vocht gevlekt en dof gevlamd en bij het lamplicht in één toon uitloopende met den geteerden rand onder aan den muur, waarboven zich in vuilgeel en vaalgroen allerlei fantastische figuren van uitgeslagen vochtigheid teekenden. Zij zag dat alles nu niet in zijn onderdeden, maar ze kende het al jaren, en ze onderging den verschrikkelijken invloed der eentonigheid en der doodelijke verveling van zulk een omgeving. Haar moeder zat tegenover haar een roman te lezen en sprak geen woord. Zij was een goede vrouw, maar des avonds na het eten las zij geregeld elken avond in een roman en hoe ouderwetscher en hoe aandoenlijker die was, hoe liever. Soms zag Ceciel een paar groote tranen onder haar moeders bril uitvloeien en teekenden zich de trekken van den leeftijd door het medelijden scherper af op het gelaat; als dan het meisje spottend vroeg: of het zoo erg roerend was, dan kreeg zij slechts een afwijzend gebaar tot antwoord, en las mama ijverig voort over de verschrikkelijke lotgevallen eener denkbeeldige, arme, ongelukkige, verleide, verlaten en verstooten Clothilde of Amaranthe of van een miskenden en gepijnigden door verdriet verterenden Eduard of Adolf.

Zij wilde weg uit zulk een archi-saaie omgeving. Daar mochten haar vader en moeder, die een vroolijke jeugd achter den rug hadden, genoegen mee nemen, zij bedankte er feestelijk voor; zij zou niets onbeproefd laten om weg te komen, mits op een hoogst fatsoenlijke manier. Dat het verbazend moeilijk zou zijn, begreep ze. Bij haar ouders kwam nooit iemand aan huis, zoodat er geen gelegenheid was met anderen kennis te maken, en van de eigenaardigheden van tante Du Roy was zij niet gediend; als ze niet van haar had moeten erven, zou ze er nooit aan huis gekomen zijn.

Ceciel was nu de twintig gepasseerd; ofschoon ze niet onbesproken was gebleven, was ze toch in waarheid een fatsoenlijk meisje. En dat verkoos ze te blijven, want het was haar ernstig verlangen een behoorlijk huwelijk te doen. Ze had zooveel modder zien dwarrelen in haar familie, dat zij er een diepen afkeer van gevoelde. Trouwen wilde ze met een man van fatsoenlijke familie; met iemand, die, als hij in Europa kwam, zijn vrouw in nette kringen kon brengen, waar men fashionabel en comfortabel leefde. Het kon haar niet schelen of hij jong zou zijn of reeds van gevorderden leeftijd, mooi of leelijk, rijk of niet bemiddeld, bruin of blond,—als hij voor zichzelf maar een goeden naam had en zijn familie in Europa net en fatsoenlijk was. Tot nog toe was het haar niet gelukt, en de vrees voor het lot van den kieskeurigen reiger, die eerst niet wou kiezen uit den plas, omdat de vischsoorten hem te ordinair waren, maar die zich ten slotte moest behelpen met een vorsch, sloeg haar wel eens om het hart.

Want er was dikwijls genoeg aanzoek gedaan om haar hand, zooals te begrepen was van een mooi meisje met geld. Maar ze bedankte voor een man, aan wiens naam een verchristelijkt inlandsch geurtje was, of voor een pursang met een Amsterdamschen of anderen plaatselijken tongval, of voor een Indischen jongen met een omgekeerden naam. Van dat alles was Ceciel niet gediend. Zij wist precies wat ze wilde; alleen was het haar nog niet gelukt den waren Jozef te bemachtigen.

Geerling kon uitstekend in aanmerking komen. Zoowel in Europa, dat wist ze, als in Indië was zijn familie in deftige burgerkringen geacht. Bovendien had hij alles vóór: zijn fortuin, zijn jeugd, zijn uiterlijk, zelfs ondanks wat geaffecteerdheid en dansmeesterachtige pedanterie.

Dat hij bij tante Du Roy kwam, en nog wel in den avond, was een veeg teeken. Zij begreep wel, hoe hij daar was gekomen en dat was zoo goed als een half mislukken harer plannen. Maar zij mocht, vond ze, de gelegenheid niet laten voorbijgaan, te minder daar ze zelf volstrekt geen gevaar liep er eer of deugd ook maar voor een greintje bij in te schieten. Zij was een flink meisje met een helder verstand; er waren een half dozijn jongelui op de plaats, waarvan de eerste de beste zou geaccepteerd zijn, wanneer hij zich als ernstig pretendent had aangemeld, en onder hen was ook Geerling. Maar zij vreesde geen tête-à-tête met een hunner. Volstrekt niet! Ze was er zelfs zeker van, dat geen hunner zich ongepaste vrijheden zou veroorloven.

Ceciel had een mooie lichte japon aangetrokken, een bloem in ’t haar gestoken en was in een half uur bij mevrouw Du Roy, waar ze met een vriendelijk gezicht binnenkwam, haar tante kuste, Geerling glimlachend de hand reikte en Van Brakel, met een blik vol minachting, die hem hoogst onaangenaam trof, in de gelegenheid stelde haar vingertoppen aan te raken.

Geerling ijlde naar een stoel, en zette dien klaar voor Ceciel; dadelijk schoof hij er naast en ving een druk discours aan, waarvan ’t hem echter spoedig zwaar viel de kosten alleen te dragen.

Mevrouw Du Roy maakte voor de heeren een grog en veroorloofde zich daarbij als in het voorbijgaan allerlei actes de possession tegenover Van Brakel, nu eens door op zijn schouder te leunen, dan weer door hem bij den voornaam te noemen. De ingenieur, nog in zijn leerjaren, keek dan telkens onwillekeurig naar Geerling, alsof hij vreesde, dat die het zien en hooren zou; maar deze lette alleen op de mooie Ceciel, terwijl hij zich uitputte in aardigheden, en met gulzigen blik de som opmaakte van haar bekende en vermoedelijke bekoorlijkheden. Zij was vriendelijk en glimlachte hem tegen; maar uit de plooi kwam ze toch niet. De dubbelzinnigheden verdroeg ze stil, en zij deed alsof zij niets daarvan bemerkte. Soms deed tante Du Roy er aan mee, maar Ceciel sloeg er geen acht op.

Zoo zat men een uurtje bij elkaar; de vrouw des huizes begon de ongelegen visite vervelend te vinden; Van Brakel vond ze ergerlijk; Ceciel zat op heete kolen, en zelfs Geerling, hoe ook opgetogen van bewondering, bespeurde dat er iets gênants begon te komen in het gezelschap.

„Kom,” zei het meisje opstaand, „’t loopt tegen elf uren, ik ga naar huis.”

Mevrouw Du Roy loosde een stillen zucht van verlichting.