H. van Brakel, Ing. B.O.W.

Part 4

Chapter 44,002 wordsPublic domain

Zij glimlachte. Nu, dàt kon zooveel niet wezen, meende zij. Maar hij hield vol, schetste haar een beeld van zijn ellendigen toestand, en daar ze met aandacht en belangstelling luisterde, zonder op haar gelaat eenig spoor te toonen van de vrees, die gefortuneerden overvalt, als niet-gefortuneerden hun nood klagen, omdat het einde meest een aanval op de beurs is, ging hij verder, en rekende haar precies uit, hoe hij alle moeielijkheden zou te boven zijn, indien hij maar een zekere som kon krijgen, die hij dan geleidelijk zou kunnen terugbetalen.

Geduldig liet ze hem aan het woord, en daar al pratend zijn gezicht verhelderde en hij er al minder en minder „katterig” begon uit te zien, kwam ze meer en meer tot de slotsom, dat hij wel degelijk een flinke knappe kerel was, wat ze trouwens altijd had gevonden. Ze kon hem wel helpen aan dat geld, als ze wilde, maar om dat zoo ineens te doen,—daarin had ze weinig zin.

„Het is,” zei hij, „tegenwoordig moeilijk geld te krijgen, als men het noodig heeft.”

„Och, dat is het altijd, meneer Van Brakel; het is altijd moeilijk te krijgen, wat men wil hebben. Maar onmogelijk is ’t daarom niet.”

Hij zuchtte diep.

„Ziet u er de mogelijkheid van in?”

„Misschien wel.”

Wat drommel, meende de ingenieur, zij was slechts een vrouw, en ze waren alleen; waarom zou hij niet recht op het doel afgaan!

„Zoudt u me kunnen helpen?” vroeg hij snel. Toen het er uit was, voelde hij zich aanmerkelijk opgelucht.

Zij trok een eenigszins bedenkelijk gezicht; ze moest haar lachen inhouden. Wat een rare ochtendvisite! Een man, dien ze voor het eerst in haar leven sprak—gezien had ze hem dikwijls—dronk bij haar koffie, vertelde en passant zijn moeilijke omstandigheden, en vroeg haar geld te leen.

„Zoo heel veel kan ik niet missen te gelijk,” zei ze aarzelend. „Ook begrijpt u dat ik mijn geld niet renteloos kan uitleenen.”

Renteloos! Wie sprak van renteloos! Neen, maar dat was zoo klaar als de dag! Hij had het niet eens renteloos willen hebben. Integendeel, ze moest een goede rente hebben, dat begreep hij opperbest, en in het aangenaam vooruitzicht uit den momenteelen nood te worden geholpen, weidde hij uit over de risico’s, die zij liep, wanneer ze hem geld leende, dat het scheen alsof hij zichzelven beschouwde als de incarnatie van insoliditeit.

„Ik zal je behandelen als mijn broer,” zei ze glimlachend en met een coquette zijbeweging van het hoofd. „Maar ik kan je op ’t oogenblik niet meer geven dan duizend.”

Alle moeilijkheden, die zich nog konden voordoen, waren voor het oogenblik verdwenen. Hij volgde haar in een kamer, waar een kleine schrijftafel stond, schreef er een schuldbekentenis, ingericht naar een renteberekening van anderhalf percent ’s maands, en kreeg de belofte, dat hij binnen drie maanden het bedrag te leen zou krijgen, dat hij noodig had om van alle schulden vrij te komen.

Toen hij het huis verliet, drukte hij haar met groote innigheid de hand. Als hij gedurfd had, zou hij haar gekust hebben, en al zag ze er niet uit, alsof ze daar iets tegen had, hij durfde niet; maar in zijn dankbetuigingen was hij zeer overvloedig, en in den toon zijner stem trachtte hij instinctmatig die teederheid en dat gevoel te leggen, welke hij berekend achtte op dit van nature toch reeds gevoelig weduwen-hart indruk te maken.

Het geld zat in zijn borstzak; hij voelde er nog eens naar, toen hij het nette erf afliep, in zooveel aangenamer stemming als hij ’t was binnengegaan. Bij den uitgang keerde hij zich nog eens om en groette. Zij stond in de voorgalerij en knikte hem vriendelijk toe; hij was, dacht ze, bepaald een flink en knap man; een beetje gezetheid stond hem goed, en dan vond ze zijn opgeruimd, vroolijk gezicht en zijn blonden krullebol zeer aardig.

Hij dacht niet langer aan de weduwe Du Roy toen hij eenmaal op den weg was. Alleen nam hij zich voor er niets van te zeggen tegen Lucie. Wie weet of ze niet jaloersch zou zijn; de vrouwen zijn zoo raar! De opzichter kreeg prentah zich hoegenaamd niet in te laten met het brugje van „die dame.” Van Brakel zei de laatste woorden met opzet op een toon, als sprak hij van een zeer voornaam mensch; dat de opzichter aan zijn knevels trok om zijn lachen te verbergen, ontging den ingenieur; hij had het veel te druk met eigen zaken om op ondergeschikten veel acht te slaan.

’t Was waarlijk een buitenkansje; hij spoedde zich naar den tokohouder, die beslag had gelegd, en betaalde een groot gedeelte, waarop deze per telegram zijn aanvraag introk; des middags kreeg Lucie haar huishoudgeld, en ’s avonds kwam hij welgemoed en met geld in den zak in de sociëteit een partijtje maken.

Toen Van Brakel dien ochtend de weduwe Du Roy zoo vroeg netjes gekleed zag, kon hij niet bevroeden dat ze al uren aan het werk was geweest, en dat, door een poortje achter haar huis, reeds tal van kleine zaken, die te zamen een groote maakten, waren afgedaan. Te vier uren, als nog iedereen sliep en er van eenig daglicht nog geen quaestie was, zat mevrouw Du Roy bij een lampje in haar achtergalerij, en kreeg daar bezoek van dozijnen inlandsche vrouwen, die met leege manden onder den arm, bevreesd en onderdanig door het poortje binnenslopen. Ze kwamen allen geld leenen en wel voor één enkelen dag; ze kwamen het kleine bedrijf-kapitaal halen, dat dienen moest om rijst, suiker, stroop, tabak enz. in te koopen, waarvan ze dan koekjes, limonade en strootjes maakten en die met winst verkochten op den pasar aan koelies en wie daar verder spijzen en dranken koopen. Des avonds, tegen het vallen der duisternis, kwamen allen terug, en wie des morgens een gulden had geleend, betaalde één gulden vijf en twintig cents. Op deze wijze bracht die gulden er in het jaar een en negentig op, en mochten er al eens enkelen niet aan de verplichte restitutie voldoen,—welnu, dàt kon er wel af. Zij behoefde het reeds lang niet meer te doen, want zij was rijk genoeg, maar ’t was een soort van gewoonte geworden, en het bracht zoo „lekkertjes” op. En dan,—ze had soms groote onkosten, door haar voortdurende ondeugende relaties. Het speet haar geweldig, dat ze zulke neigingen had, maar het was niet anders; ze kon het niet laten; het was, meende zij, meer een soort van kwaal, dan wel een fataliteit. Zoo gaarne had ze daaraan ontsnapt en haar eenmaal goede reputatie behouden; doch ’t ging niet, en ’t was of het met de jaren toe-, in plaats van afnam. Nu weer die Van Brakel! Duizend gulden! Wel beschouwde ze het geld als totaal verloren, als weg; weggesmeten in de grondelooze beurs van een aartsdobbelaar, en toch,—zij, die voor een halven gulden, die haar door een arme inlandsche vrouw te weinig werd teruggebracht, in toomelooze woede kon losbarsten, glimlachte bij de gedachte aan die af te schrijven duizend gulden, en, wat nog erger was, aan het andere geld, dat deze aardigheid haar zou kosten. Wel, dacht ze, ze zou er pleizier van hebben, en habis perkara!

De hoofdingenieur vernam het intrekken der aanvraag om beslag op Van Brakels traktement met genoegen, schoon hij maar niet kon begrijpen, waar het geld vandaan was gekomen. Maar niet van den Waterstaat oftewel ’s Lands Burgerlijke Openbare Werken, dat wist hij zeker, want daartoe keek hij te nauwlettend toe, speciaal op Van Brakel.

Hij dacht er juist over, toen hij zijn kantoor binnentrad en een opzichter hem namens den ingenieur een boodschap kwam brengen. Als selfmade-man hield hij er veel van nu en dan met het ondergeschikt personeel een praatje te maken.

„Ben jullie daar haast klaar?” vroeg hij, doelend op het werk aan den weg.

„Ja meneer; nog maar ’n dag of vier. Als er ten minste niets moet gedaan worden aan dat brugje.”

„Welk brugje?”

„Och, voor het huis van die mevrouw Du Roy.”

„Wat is er met dat brugje?” vroeg de hoofdingenieur verstrooid, zijn brieven inziende.

„Het ligt niet goed voor het water, maar de ingenieur zegt, dat het zoo moet blijven liggen. Mij is het wel.”

„Als de ingenieur vindt, dat het zoo blijven kan....” vervolgde Willert nog steeds meer verdiept in zijn papieren, dan in het gesprek.

„Nu ja,” hernam de opzichter, „maar dat is het niet. Meneer Van Brakel weet ook wel, dat het zóó niet deugt.”

Verwonderd zag de hoofdingenieur den man aan, zonder iets te begrijpen van den verborgen zin zijner woorden.

„Het is maar,” ging deze voort, „dat meneer Van Brakel met die madame Du Roy zulke dikke vrienden is.”

Willert fronste de wenkbrauwen en wierp den onbescheiden prater een boozen blik toe.

„Zoo,” zeide hij droogjes. „Heb je niets anders? Niet? Ik ook niet. Goeden morgen.”

Het had hem niettemin zeer getroffen. Zou het dan uit die bron wezen, dat Van Brakel de middelen putte om voort te gaan met zijn levenswijze en niettemin zijn schulden te betalen?

Hij vond het ongelooflijk. Iedereen wist hoe goed hij en zijn vrouw samen leefden; het denkbeeld aan een scheeven toestand op dat gebied klonk bijna ongerijmd en dwaas. En de hoofdingenieur berispte in stilte zichzelven, en beschuldigde zich, dat hij te veel toegaf aan zijn mindere sympathie voor Van Brakel, dat hij daarom te spoedig gehoor schonk aan de gemeene verdachtmaking door een praatziek ondergeschikte. Hij wierp het idee van zich. ’t Was te erg.

’t Was een duistere avond toen Van Brakel precies zooals hij met hond en stok gewoon was naar de sociëteit te stappen, zijn weg nam naar de woning der weduwe om het tweede gedeelte te ontvangen van de som, die zij hem zou leenen. Hij geneerde zich een beetje; toen hij dicht bij het huis was, keek hij eerst voorzichtig overal rond, en sloop toen, meer dan hij liep, het voorerf over.

Er was geen licht in de voorgalerij. Zou ze het vergeten hebben? Het denkbeeld viel hem koud op het lijf. Hij had er immers op gerekend en reeds voorlang beloften en toezeggingen gedaan. Aarzelend tikte hij op de glazen deur; eerst zacht, daarna harder.

Hij zag een donkere schaduw gaan door de binnengalerij, de sleutel knarste in het slot en de deur ging open. Er werd geen woord gezegd, wat hij gek vond. ’t Was waarlijk of hij op een galant avontuur uit was, in plaats dat hij kwam om geld te leenen.

„Bonsoir,” klonk het hem toe met zachte stem, en onwillekeurig antwoordde hij op denzelfden gedempten toon, schoon er toch vermoedelijk niemand was, die hem hooren kon.

Zij zweefde hem vooruit, de smalle gang door, tusschen de kamers, en ging in hetzelfde vertrek, waar het kleine lessenaartje stond.

„Ga zitten,” vervolgde ze, altijd op dienzelfden half fluisterenden toon.

Zelf nam ze plaats op een divan.

Het trof hem, dat ze hem geen stoel gaf, en ook, dat er iets geheimzinnigs in haar wijze van doen lag en in de geheele omgeving. Het licht uit een doffen ballon, die aan den zolder hing, was zacht en niet veel meer dan schemerend.

Wel, hij zou de blijkbare bedoeling volgen en ook op den divan plaats nemen, maar overigens, als zij verder strekkende plannen had.... dàt nooit.

Het ontging mevrouw Du Roy niet, dat hij op een eerbiedigen afstand bleef zitten.

„’t Is wel wat gewaagd,” zei ze, „dat ik zoo laat nog visite ontvang van een heer.”

De opmerking scheen hem geruststellend. „Och, wel neen,” haastte hij zich te zeggen.

Maar zij lachte hem uit. Nu, zij vond het dan wel, en ze zinspeelde weer zoo eigenaardig, dat hij zich gevleid gevoelde en mee lachte.

„Wilt u ook iets gebruiken?” vroeg ze.

„Och, doe geen moeite voor mij. Laat ik het u niet lastig maken.”

De waarheid was, dat hij dorst had; hij behoorde tot de soort van menschen, die altijd met succes te vinden zijn om iets te gebruiken. De toon, waarop hij sprak, logenstrafte dan ook zijn woorden.

„Wat zal het zijn: ’n glas bier of wijn of brandy-grog?”

„’t Laatste ’t liefst... maar wezenlijk...”

Ze was reeds opgestaan om het noodige te halen; in een wip was ze terug, en schonk hem in een groot glas de noodige cognac. Toen wilde ze een fleschje apollinaris-water opentrekken, maar daartegen verzette hij zich; dat zou hijzelf doen. Doch ze lachte, en wilde het fleschje hem niet geven. Wat verbeeldde hij zich wel! Ze was zoo zwak niet. Hij hield vol en trachtte haar ’t fleschje af te nemen. Lachend stoeiden ze er om; al doende chiffonneerde hij haar een beetje; toen hij het gewonnen had, viel zelfs haar kondé los.

Van Brakel stond een oogenblik als verstomd over dien buitengewoon rijken haardos; zoo iets had hij nog nooit gezien.

„’t Spijt me,” zei hij, „dat ik uw coiffure in wanorde heb gebracht, maar als ik had geweten dat ik zulk prachtig haar zou te zien krijgen, had ik het met opzet gedaan.”

„Het staat je nogal mooi!” zei mevrouw Du Roy en herstelde voor den spiegel het dérangement, met zeer sierlijke buigingen harer gevulde armen, waarom de fijne, doorzichtige kabaja sloot alsof ze er om was gegoten.

Van Brakel dronk kalm zijn grogje en zag toe. Hij was nog volstrekt niet in de stemming van een Don Juan, en hij had eigenlijk niets liever gewild, dan dat ze hem maar gauw het geld had gegeven, opdat hij zoo spoedig mogelijk naar de sociëteit kon gaan.

Toen ze klaar was voor den spiegel, ging ze rustig zitten.

„Ik heb nog eens gerekend,” zei ze met een zucht, „maar heusch, ik ben wat voorbarig geweest. Het spijt me gruwelijk, maar ik zal u niet kunnen helpen.”

„God, dat is verschrikkelijk,” stotterde hij. „U hebt ’t me beloofd, en ik heb er vast op gerekend.”

„Ja, ik dacht eerst, dat het kon.... maar....”

„Laat me in ’s Hemels naam nu niet in den steek,” vervolgde hij. „Dat zou nog erger wezen, dan dat ik laatst in het geheel niet door u was geholpen.”

„’t Is jammer. Ik dacht geld te krijgen, maar de menschen laten mij ook in den steek.”

Half wanhopig greep hij haar hand; zij liet hem begaan; hij bad en smeekte; zij glimlachte medelijdend, maar toch met een bedenkelijk gezicht. Het gaf hem hoop. Inderdaad, hoe „dringender” hij verzocht, des te flauwer werden haar weigeringen.

Tot ze eindelijk toegaf, en hem den tweeden leeningstermijn uitbetaalde.

Hoe ook haar gevoelig hart door medelijden en genegenheid was vervuld,—haar „zaken” vergat ze niet, en Van Brakel moest behoorlijk een nieuwe schuldbekentenis op zegel en met een renteberekening als de eerste onderteekenen; hij deed het blindelings, en zonder te hebben gelezen wat hij nu eigenlijk onderteekende. Hij leefde in een roes van vreugde en wellust, die hem evenmin veroorloofde na te denken als in de uren, waarop hij aan de speeltafel zat.

Maar toen hij te twee uren in den nacht naar huis wandelde, bleef hem nog alleen getrouw het gevoel van geruststelling, dat hij ’t geld in zijn zak had.

Overigens was hij mismoedig en bedroefd. De zwaarste verliezen hadden niet zulk een drukkenden last op zijn geweten gelegd, als de overtuiging dat hij den eersten stap had gedaan tot ontbinding van zijn huwelijksleven en tot vernietiging van zijn huiselijk geluk.

Hij wandelde langs de sociëteit en keek met groote belangstelling uit of er nog licht brandde; het was donker en bij die ontdekking zuchtte hij diep. Als daar nu nog slechts gelegenheid was geweest om te drinken en te spelen, dan had hij de onaangename gevoelens, die hem overmanden, kunnen verdringen. Maar alles was even somber en duister. De hooge witte muren in de straten der stad met de gesloten donkere vensterluiken der kantoren en toko’s schenen wel graf-monumenten, en het enkele flauwe lichtje van een der slapende wakers in de voorgalerijen, was alleen in staat de eentonige, sombere duisternis nog meer te doen uitkomen.

Vruchteloos trachtte hij zich door redeneering te overtuigen, dat het niets te beduiden had; dat immers honderden en duizenden precies hetzelfde deden en er niet minder om waren; dat het huwelijk zóó opgevat een hors d’ oeuvre was; dat een man zulke kleine zijsprongen niet ten kwade geduid konden worden; dat ze hem integendeel een zeker cachet gaven en men wel een boerenlummel moest wezen om als man voortdurend zekere éénkennigheid aan den dag te leggen; vruchteloos ook beproefde hij het met zijn geweten op een akkoordje te gooien; zich diets te maken, dat hij er hoegenaamd geen schuld aan had, want dat onder zulke omstandigheden, iedereen had gedaan, zooals hij; zich te bemoedigen door de voorstelling, dat hij feitelijk handelde in het belang van Lucie, die zoo jong was, reeds zooveel doorstaan had, en dus eenigszins gespaard diende te worden.

Het baatte hem niet.

Hij was van nature geen Lovelace. Als jong mensch leefde hij zeer matig, niet uit principe, maar omdat zijn temperament hem niet voerde tot buitensporigheid. Toen hij Lucie leerde kennen, had hij genegenheid voor haar opgevat; niet een liefde, die voortkwam en leefde door het contrast, maar integendeel, door zekere overeenkomst; beiden waren ze blond en blank en kloek gebouwd; beiden waren ze gemoedelijk en goedaardig; beiden kalm van aard, en middelmatig van geestesaanleg.

Als vrouw voldeed zij hem geheel, en hij was zoo volkomen tevreden met haar persoonlijkheid, dat op partijen of in gezelschap de grootste schoonheden, de pikantste en lieftalligste verschijningen hem koud lieten als ijs.

De lust om het tiende gebod te overtreden was nooit bij hem opgekomen, en voor hen, die toonden te lijden aan zulke lusten, was hij altijd streng geweest. Hij had over hen, als ze ter sprake kwamen—en dat gebeurt nogal eens in Indië, evenals elders—steeds onverbiddelijk den staf gebroken. En nu had hijzelf zich zoo jammerlijk vergeten! Neen, het hielp niet, dat hij ’t gebeurde voor zichzelven vergoelijkte, en ook niet dat hij zijn armen hond, wiens vroolijk geblaf hem hinderde, een schop gaf.

Het feit bleef, en drukte hem ter neer.

Wat hij verder zou doen of zou nalaten, wist hij niet. Als hij dááraan dacht, werd het hem nog onaangenamer. En toch, tusschen zijn groote spijt en zijn sombere, neerslachtige stemming, verrees telkens voor zijn geest het beeld van de weduwe Du Roy met haar niet blanke, maar sneeuwwitte huid, haar donkere oogen en ravenzwarte haren, haar coquette bewegingen en eigenaardig glimlachje; en dan beschreef hij met zijn stok een halven cirkel voor zich uit, alsof hij dat beeld met een krachtigen slag op zij wilde slaan.

Geen oogenblik dacht hij aan de geldquaestie en haar oorzaken. Het kwam niet bij hem op zich te beschuldigen als speler, zich voor te nemen den wortel van het kwaad uit te roeien.

De inktvlek door hem op zijn trouwakte geworpen, was alles wat hij zag; het eenige, dat hem tevens een vlek scheen op zijn eer en zijn geweten.

Thuis werd zijn wroeging nog grooter. In gewone omstandigheden geneerde hij er zich niet voor een beetje leven te maken of Lucie te wekken als ze sliep; thans sloop hij op zijn teenen naar binnen, draaide het slot heel zachtjes om, en ontkleedde zich zonder gedruisch.

Zij sliep rustig door, z’n vrouw, maar hij kon den slaap niet vatten. Wat hij had gedaan, kwam hem nu belachelijk voor. Als men zelf een jonge vrouw heeft, die er goed uitziet, en dan.... een weduwe, die misschien een kleine twintig jaar ouder is! Het was hem als kreeg hij een kleur van schaamte over zoo iets onnoozels.

„Hoe is het, wordt je nooit wakker?”

Verschrikt sprong hij op; de zon stond aan den hemel en Lucie vóór zijn bed.

„Ik.... ik.... schijn me te verslapen,” antwoordde hij stotterend.

„Ja, dat overkomt je ook niet dikwijls. Ben je zoo laat thuis gekomen?”

„Wel neen! ’n Uur of twee.”

Zij lachte ongeloovig, en hij kleedde zich haastig om naar het werk te gaan. ’s Middags ging hij niet naar de sociëteit, maar kocht in een der toko’s een prachtigen armband. Hij wist niet waarom hij zoo plotseling op het denkbeeld kwam, maar instinctmatig scheen hij te beseffen, dat er een zoenoffer moest gebracht worden. Lucie keek verbaasd op, toen hij zoo vroeg thuis kwam om te rijsttafelen.

Ze wierp een blik op de klok, vreezend dat ze zich vergist had in den tijd, maar het was waarlijk pas halféén.

„Scheelt er wat aan, Luus?” vroeg hij bezorgd.

„Neen, hoe zoo?”

„Je ziet bleek, vind ik.”

„Toch niet. Er mankeert mij niets.”

Nu, het mocht wel, dacht ze. Hoe goed hij ook voor haar was, en hoe volkomen hij haar in alles haar zin liet doen,—met oplettendheden van dien aard had hij haar nooit lastig gevallen, en dikwijls, als ze zich eens werkelijk onlekker voelde, had ze gewenscht, dat hij wat meer belangstelling aan den dag had gelegd en maar niet gedaan had, alsof hij niets merkte. Om de goede beweging niet in haar geboorte te verstikken, begreep ze, dat het noodig was het idee harer bleekheid niet geheel te verwerpen.

„Ik heb van ochtend een beetje hoofdpijn gehad, maar het is nu weer over.”

„Je loopt ook altijd zoo in de zon op het achtererf.”

Wederom lachte zij. Wat hem toch scheelde? Het was zoo gek, bezorgdheid van die soort bij hem waar te nemen.

„Ja, ja, lach maar; je zult nog wel meer lachen.”

„Waarover dan?” vroeg ze nieuwsgierig.

„Hier,” zei hij, op zijn jaszak kloppend, „hier zit het.”

Zij volgde hem in de kamer, terwijl hij haar lachend voorging, aanhoudend op dien zak kloppend, wat een korten, doffen klank gaf, waaruit men kon hooren, dat er een hard voorwerp in stak.

„Doe nu je kabaja eens uit.”

„Och, loop naar de maan met je malle kunsten.”

„Neen, betoel Luus, doe nu je kabaja eens uit.”

Zij deed het met een getrouwd sans gêne. Van Brakel opende het met fluweel gevoerd zwart kartonnen doosje, dat, door een optisch bedrog bij de fabricage, op leder geleek, nam er een prachtigen armband uit, vatte haar rechterhand, sloot het sieraad om haar ronden pols, hield dien een eind van zich af, en bekeek, met het hoofd achterover, vol bewondering het een en het ander.

„Wat zeg je er van?” vroeg hij trotsch. Ze vond het prachtig, en het roerde haar te meer, omdat zij wist hoe hij vaak met de geldelijke omstandigheden en peine cruelle zat. Dàt vond ze nu juist zoo lief van hem. En ze dankte hem met een ouderwetschen kus, die hem een nieuw zelfverwijt bezorgde, maar zijn liefde voor Lucie nog meer aanwakkerde. Hij liet haar dien dag letterlijk niet met rust.

„Kom, Herman,” moest ze ten slotte half boos zeggen, „wees nu toch niet zoo mal. ’t Is waarachtig of we in de wittebroodsweken zijn.”

Die opmerking trof hem; er was, meende hij, iets van aan, helaas! Gelukkig besefte Lucie dat niet.

En Geerling zag het met groote verbazing en ergernis, niet meer wetend wat hij denken moest van Van Brakel; niet wetend of hij hem moest houden voor een ploert, of voor een zwaar belasterd man.

Want de vlugge Faam had reeds de ronde gedaan. Van den opzichter, die had verteld welke „dikke vrienden” de ingenieur Van Brakel, als speler algemeen bekend, en de beruchte weduwe Du Roy, óók algemeen bekend, in den laatsten tijd waren, had het gerucht zich verspreid tot bij de hoogste ambtelijke ingezetenen en de notabelste particulieren, reeds lang vóór de thans geldende reden daartoe bestond. En het was gelijk geweest aan den rollenden sneeuwbal, welke ten slotte aangroeit tot een reusachtige massa. Dat het gerucht ditmaal bij de werkelijkheid bleef, was louter toeval; het was er zonder die werkelijkheid niet minder om geweest.

Eerst had Geerling, toen hij ’t hoorde op zijn kantoor, het met verontwaardiging tegengesproken; doch toen hij het van meer kanten vernam, had het ook bij hem ingang gevonden; hij achtte er trouwens Van Brakel niet te goed voor.

Dan, tegenover het betoon van liefde, dat hij dien dag opmerkte, stond zijn verstand stil.