H. van Brakel, Ing. B.O.W.

Part 3

Chapter 34,131 wordsPublic domain

Met dat alles was hij een jongmensch met goede manieren en een goede opvoeding, met een beetje pedanterie en veel radicalisme in zijn denkbeelden, maar in elk geval zijn conversatie waard.

Waarom hij naar Indië was gezonden, wist hijzelf niet goed. Om het geld behoefde hij het niet te doen; dat had hij meer dan genoeg; den handel zou hij toch niet leeren, want hij had er hoegenaamd geen pleizier in, en te Parijs, ja zelfs te Amsterdam vond hij het leven veel aangenamer dan op Java.

Maar ’t was de wil geweest zijns vaders, en daar hij minderjarig was, heette die wil een wet.

Op het kantoor, waar zijn zwager, een ijverig en bekwaam koopman, aan het hoofd der zaken stond, liet men hem juist zoo veel en zoo weinig doen, als hij goed vond, en maakte niemand er aanmerking op, als hij elken middag een paar uren uitging. Er was gezorgd, dat hij een „werkman” naast zich had, die deed, wat hij liet liggen.

Het kon hem overigens niet schelen. Als hij meerderjarig was, en dat duurde nog hoogstens een jaar, ging hij toch weg om nimmer weer terug te komen. Tot zoolang, stelde hij zich voor, zou hij de geweldige verveling van het Indische leven wel kunnen bekampen; tot zoolang zou hij het wel uithouden.

Van Brakel amuseerde zich de eerste dagen uitstekend met zijn commensaal; zóó zelfs dat hij ’s avonds thuis bleef om met hem te „boomen” en een glas grog te drinken. Maar de aardigheid was er gauw af, en hij ging weer als vanouds ’s avonds na het diner naar de soos.

„Ik heb ook wel pleizier eens er heen te gaan,” zei Geerling, toen Van Brakel de eerste maal ging.

„Nu, rijd dan mee. Speel je?”

„Neen; ten minste niet bij voorkeur.”

„Dus je kunt het toch?”

„Och ja, zoo’n beetje.”

Maar terwijl Van Brakel, met een glans van vergenoegen op het gezicht, zich heen en weer bewoog op zijn stoel aan de speeltafel, als iemand, die blij is dat hij zich weer „thuis” gevoelt, leek het Geerling erg vervelend. Hij was er bij gaan zitten schrijlings op een stoel, hij zag hoe er beurtelings werd gepast, gevraagd, in de „katoentjes”; in de „beste”; hoe er gewonnen werd en verloren, remise en codille; hoe er groot en klein casco en sans prendre’s werden gespeeld en hoe de fiches van den eenen kant naar den anderen werden geschoven over het groene laken,—het interesseerde hem niets hoegenaamd; zijn oogleden werden zwaar.

„Zeg Geerling, ik zou nog een brandy nemen, als ik jou was,” zei Van Brakel lachend. „Daar blijf je wakker van.”

De anderen lachten ook.

„Hij is als mijn vrouw,” ging de ingenieur voort; „die kan ook ’s avonds om dezen tijd haar oogen niet openhouden.”

„Dat is de jeugd,” zei een in het spel vergrijsde; „hoe ouder men wordt, des te minder behoefte krijgt men aan slaap.”

Men ging nog een oogenblik door op het thema, maar zat dadelijk weer verdiept in het spel.

Geerling dacht over de woorden na, met een glimlach om den mond. „Net als zijn vrouw!” Het was ongetwijfeld gezegd zonder boosaardige bedoeling, want hij wist te goed, welk een door en door goed karakter Van Brakel had, om hem in dat opzicht te verdenken. Toch vond hij de uitdrukking opmerkelijk, en zelfs ongepast. Niet om hemzelven, maar om de vrouw.

Den volgenden avond ging hij niet meer mee naar de sociëteit.

„Ik amuseer me er toch niet.”

„Neen, dat schijnt. Je valt er bij in slaap.”

„Het is saai andere menschen te zien spelen.”

„Meedoen vind ik natuurlijk veel pleizieriger, maar een interessante partij mag ik toch wel zien.”

„Jij bent ook zoo’n geacharneerde dobbelaar,” zei Lucie op een toon, die meer bewondering dan verwijt verried.

„Och, dàt niet; ik maak alleen heel graag een partijtje.”

„Nu, maak dan maar dat je weg komt.”

Hij kuste haar, en ging vroolijk heen. Daar Geerling nog bleef zitten, hield Lucie hem maar gezelschap, schoon ze veel liever naar bed zou zijn gegaan. Doch zij bestreed haar slaperigheid.

„Houdt u niet van ’n partijtje?”

„Zoo.... Bij gelegenheid en voor de grap. Ik kan me niet goed voorstellen, hoe men zich er mee kan amuseeren.”

„De heeren in Indië zijn er over het algemeen dol op.”

„Ze spelen nogal hoog.”

„Ja, maar dat haalt niet bij vroeger. Ik heb ze als kind zien homberen om een pikol koffie het fiche.”

„Het genoegen ontsnapt me ten eenenmale. Als ik speel, doe ik het alleen voor tijdverdrijf, maar niet om eens anders geld te winnen. Ik verlies nog liever.”

„Nu, ja!........ Neen, maar dien vind ik goed!” riep Lucie, luid lachend. Dat was voor haar, op Java gewonnen en geboren, volkomen onbegrijpelijk.

„Wezenlijk,” verzekerde hij. „Als ik bij het spel heb gewonnen, wat trouwens zelden gebeurt, en ik zie iemand de beurs openen, er geld uit nemen en dat naar me toe schuiven, dan heb ik een gewaarwording, alsof ik me van iets meester maak, dat me niet toekomt.”

„Nu, dat is toch al heel dwaas,” meende Lucie. „Wat je eerlijk hebt gewonnen, komt je ook eerlijk toe. Als je verloor, zou je evengoed moeten betalen.”

Hij glimlachte om de eigenaardige argumentatie.

„Juist. Als ik roof neem ik geld, en als ik beroofd word raak ik het kwijt.”

Zij vond hem erg gek.

„Op die manier,” zei ze, „kan men alles overdrijven. Dan is oorlog voeren, jagen, visschen....”

„Zeker, mevrouw, het is alles rooven. Ik voer ook geen oorlog....”

„Ajakkes,” riep Lucie lachend, „hoe flauw!”

Daarmede was hij het eens; ze lachten samen en het was reeds tien uren toen zij elkaar een goeden nacht wenschten en hij naar zijn paviljoen retireerde. Zij vond hem met zijn malle theorieën een verbazenden quibus, maar ze had zich toch wel om hem geamuseerd, en schoon ze „verging” van den slaap, speet het haar niet, dat ze zoo „laat” was opgebleven. Op die manier was het nog wel eens aardig een uurtje op te blijven. Met Herman was ze uitgepraat en hij ook met haar; ze konden elkaar niets nieuws vertellen; als hij thuis was, zat hij maar te lezen in de courant, en dan viel ze vanzelf in slaap.

Geerling trok een langen rotanstoel naar buiten op het galerijtje voor zijn kamers, stak een versche sigaar op, en keek droomerig in de duisternis. Hij vond haar een aardige vrouw; veel aangenamer dan Van Brakel als man. Zij was wel geen ingenieur, maar in sommige opzichten vond hij haar ingenieuzer. En ze was een verduiveld knappe vrouw bovendien. Als hij dááraan dacht, mocht hij Van Brakel hoe langer hoe minder lijden.

Het was fataal, maar ’t was niet anders: de invloed van de honderd en vijftig gulden ’s maands, die ze nu meer ontvingen dan vroeger, had in geenen deele aan de verwachtingen der Van Brakels beantwoord. Integendeel, het was of ze hoe langer hoe harder achteruitgingen. Tegen het einde der maand was het voor Lucie een wanhopig tobben, en wat Herman aanging, hij sukkelde aan de meest hardnekkige déveine, die een speler tot wanhoop kan brengen. De door hem gedane toezeggingen van betaling waren achtergebleven. Hoe het kwam, wist hij niet, en Lucie wist het ook niet, maar enfin, het was zoo; zij hadden eenvoudig ’t geld niet, en wat zij hadden willen voorkomen, gebeurde: er werd op een deel van zijn bezoldiging beslag gelegd.

’t Hinderde hem geweldig. De hoofdingenieur Willert had hem er ernstig over onderhouden, en hem in allen ernst aangeraden anders te gaan leven.

„Het is mij,” had hij in een soort van wanhoop geantwoord, „onmogelijk met mijn gezin van mijn traktement te leven.”

„Daar zijn er toch zooveel, die het moeten doen,” had de hoofdingenieur gezegd, „en die toonen, dat ze het wel kunnen.”

„Dan hebben ze er meer slag van dan mijn vrouw en ik.”

„Misschien zou ’t juister wezen te zeggen, dat uw vrouw en u er niet den slag van hebben.”

„Ook mogelijk.”

„De ingenieurs, die toekomen met hun traktement, zijn zoo zeldzaam niet.”

„Hm!” zei Van Brakel schamper: „u hebt goed praten! ’n Groot traktement en een klein gezin!”

„’t Is waar, we hebben geen kinderen. Maar ik heb met mijn kleine gezin ook geleefd van de helft van uw inkomen, zonder dat ik te kort kwam.”

„Ik geloof het wel. Het is al veel naar dat men gewoon is te leven.”

„Men moet niet leven naar men gewoon is of zich heeft aangewend, maar naar zijn middelen.”

„Enfin, dat kunstje schijn ik dan niet te verstaan.”

„Dat verstaat iedereen als de goede wil er slechts is.”

„De goede wil is er zeker.”

„Dat moet ik betwijfelen.”

„Ei?”

„Zeker. Wanneer ik iemand des avonds grof zie spelen, dan geloof ik niet aan zijn goeden wil om geregeld economisch te leven.”

„O, is het dàt? Ja, ziet u, daar spreek ik liever niet van, om niet in onaangename quaesties te komen.”

„U kunt daarover met mij geen quaesties krijgen.”

„Daar ben ik nog zoo zeker niet van. Enfin, ik heb nu eenmaal een afkeer van al wat naar bespieden lijkt....”

„Het was beter dat u een afkeer hadt van uw eigen leefwijze; daar zoudt u veel verder mee komen, want die zal u ten verderve voeren; dat is zeer zeker.”

Van Brakel was zoo bleek als een doek.

„Wilt u mijn leefwijze soms een handje helpen?”

„Och neen! Dat is onnoodig. Onthoud alleen goed wat ik u heb gezegd, niet om u persoonlijk, want al doet u goed uw zaken, zoo heb ik overigens weinig reden tot tevredenheid over uw houding en uw gedrag. Maar ik vind het voor ’t corps hoogst onaangenaam, dat daarin heeren dienen, die een leefwijze volgen, als de uwe.”

Van Brakel was woedend thuis gekomen en had alle duivels uit de hel gevloekt over de bejegening, welke hij van „dien ploert” had moeten ondervinden. Maar het kon hem nu ook niets meer schelen. Betalen? Geen cent meer! Ze moesten maar allemaal korting vragen, dan konden ze achter elkaar queu maken en ieder op zijn nummer aan de beurt komen.—Zoo’n vent!—dat was de heer Willert—wat beeldde hij zich wel in, de parvenu? Dat wou zich neerleggen bij een welopgevoed man van fatsoenlijke familie! Zoo’n kerel, die in Holland achter de schaafbank vandaan was gekomen, waar hij roggebrood at uit een zakje, en die hier in Indië.... Ja, dat mankeerde er nog maar aan, dat zoo’n individu, dat geen andere behoefte kende dan z’n body vol graan of rijst te proppen, zich hier in Indië de luxe van „beren” had gepermitteerd!

Lucie schold als altijd mee. Wat hadden die nare, onverdraaglijke menschen er toch aan dien armen Herman zoo te plagen en te contrariëeren? Hij kon het toch waarlijk niet helpen, dat het Gouvernement zoo slecht betaalde. Aan hem lag het waarlijk niet, want hij deed zóó zijn best....

Geerling, die nogal dikwijls thuis bleef en aanvankelijk zonder andere bedoeling dan tot tijdverdrijf, nauwlettend gadesloeg wat er alzoo bij de familie Van Brakel omging, had heel spoedig gezien, waar de huishoudelijke schoen wrong.

Het deed hem leed,—niet om Van Brakel, maar om Lucie. Hij mocht haar gaarne, en hij behoorde niet tot de jongelui, die men doorgaans met den naam van „fatsoenlijke” bestempelt, schoon hij in menig opzicht zeer fatsoenlijk was. Mevrouw Van Brakel was in zijn oogen een wonderlijk schepsel. Eerst had hij van haar wijze van doen niets begrepen; maar toen hij er een beetje in huis was, zag hij duidelijk in, dat ze zich soms vreemdsoortige vrijheden veroorloofde in haar zeggen en doen, die alleen waren toe te schrijven aan een algeheele afwezigheid van sexueele immoraliteit. Zij hield van Van Brakel, dien ze evenals haar kinderen verwende en bedierf, en nooit scheen bij haar de gedachte aan iets, wat op andere mannen betrekking had, te kunnen opkomen.

En hij, Geerling, vond dat Van Brakel zoo’n lot niet verdiende. Goed was hij en bekwaam ook,—maar in het leven buiten de slaapkamer nam hij van zijn vrouw weinig notitie, ja, verwaarloosde haar, en dat ergerde den commensaal, die zag hoe Lucie altijd tobde met geldgebrek, zoodat ze soms het noodige niet had om haar keukenmeid van passargeld te voorzien.

Toen hij weer zoo iets merkte, hield hij het niet langer uit.

„Wilt u mijn kostgeld vast ontvangen voor de volgende maand?” vroeg hij zonder erg. „Dan heb ik ’t niet langer te bewaren.”

Haar gelaat helderde op, als het ware, en zij deed geen moeite om het te verbergen.

„Met heel veel pleizier.”

Hij nam ’t geld uit zijn portefeuille en telde het haar voor.

„Om je de waarheid te zeggen,” zei ze eenigszins verlegen glimlachend, „kan ik het op het oogenblik heel goed gebruiken.”

Het deed hem pleizier, dat ze het zei.

„Zoo? Nu, als u bij gelegenheid disponeeren wilt, hebt u maar ’n enkel woord te zeggen.”

Het viel dien dag al heel ongelukkig. Van Brakel, nog steeds onder den invloed van het gesprek met zijn chef, begon aan tafel te schelden op particulieren in het algemeen en tokohouders in het bijzonder, en daar Geerling dat niet kon velen, stond deze op en zei: „Ik zal wel wachten met eten, tot je hebt uitgeraasd. Wil me dan asjeblieft laten waarschuwen,” en hij ging, na zich met een enkel woord bij Lucie verontschuldigd te hebben, naar zijn kamer.

’t Malle figuur, dat Van Brakel maakte,—en hij voelde het—was niet geschikt zijn humeur beter te doen worden. Kwaadaardig zag hij Geerling na, en mompelde iets van: „Ook al zoo’n ploert! Misselijke kwajongen!”

Doch dat kon Lucie niet verdragen.

„Je moest je schamen!” riep ze, voor haar gemoedelijken doen zeer heftig. „Je gedraagt je onbeschoft!”

„Wat is dat?” riep hij nu in lichterlaaie uitbarstend. „Begin jij nu ook al! Dan is het uit!” En met geraas zijn vork en mes neerleggend, schoof hij met een ruk zijn stoel achteruit, liep naar zijn kamer, nam dienstpet en stok, en ging, van zijn hond vergezeld, de deur uit.

Met een vol gemoed bleef ze alleen zitten aan tafel, en keek met weemoedigen blik naar de lekkere bloemkool en naar de saucijsjes, die nog onaangeroerd op tafel stonden. Het was zonde van het eten! Och, trek had ze er nu eigenlijk ook niet meer in, maar het was toch „zonde”, en daar deze laatste huishoudelijke overweging bleef zegevieren, liet zij Geerling verzoeken te komen.

„U moet het Van Brakel niet kwalijk nemen,” zei ze. „Hij heeft vandaag zoo’n erg onaangenamen dag gehad.”

Geerling had wel willen en kunnen antwoorden, dat dit zijn zaak niet was, maar hij bedwong zich en vroeg belangstellend:

„Er is toch niets ernstigs met hem gebeurd?”

„Och, ’t is voor het minst heel onaangenaam.”

Hij drong niet verder aan. Blijkbaar wilde zij het niet zeggen. Wat het was, vermoedde hij wel half en half, maar het stond toch niet behoorlijk zich nieuwsgierig te toonen naar aangelegenheden van anderen.

Hij zweeg dus, en Lucie ook, die in elk geval de voldoening smaakte, dat de commensaal de bloemkool eer aandeed, terwijl zijzelve daarin ook niet te kort schoot.

Van Brakel was naar de sociëteit gegaan, en zóó goed was zijn boosheid, toen hij daar kwam, reeds verdwenen, dat hij iets gevoelde als spijt. Daaraan paarde zich het inwendig besef niet genoeg te hebben gegeten, en aangezien het toch veel te vroeg was voor het gewone bezoek, bestelde hij een klein dinertje en dronk er een lekkere flesch bij, ten einde de hem overweldigende levenszorgen weg te spoelen.

Het scheen dien avond, dat zijn hardnekkige déveine voor een oogenblik week. Althans hij won, en dit verdreef de laatste rimpels, die nu en dan zijn voorhoofd nog plooiden. Opgewekter dan in langen tijd, ging hij naar huis. Lucie sliep reeds, maar hij moest en hij zou haar wakker roepen, want hij wilde haar, zoo redeneerde hij, zijn excuses maken, iets wat hij best tot den volgenden ochtend had kunnen uitstellen, indien andere minder lofwaardige plannen hem niet hadden aangezet haar nachtrust voor zijn „excuses” te storen.

Den volgenden morgen verontschuldigde hij zich ook bij Geerling, en, minder verlegen met het geval dan zijn vrouw, vertelde hij meteen wat de reden was geweest van zijn booze luim.

„Het is een beroerde zaak,” meende Geerling ook, maar verder liet hij er zich niet over uit. Ware het een vriend geweest, dan zou hij getracht hebben hem te helpen, doch daaraan dacht hij thans geen oogenblik.

Eenige maanden gingen voorbij zonder andere bijzonderheden, dan dat Lucie meer en meer bij Geerling in voorschot raakte, en Van Brakel meer en meer wegzonk in de schulden. Daarbij was zijn déveine weer krachtig teruggekeerd; nog steeds bezocht hij trouw de sociëteit, maar het kostte hem soms moeite, om, wat hij noemde een „behoorlijk partijtje” te vinden, dat wilde zeggen een, waarin hoog werd gespeeld.

Men zag er tegen op met hem te spelen. Zijn déveine was hinderlijk, omdat hij ’t spel voortdurend wilde forceeren, altijd vroeg en overvroeg of er reden voor bestond of niet, en zoodoende zelf verloor terwijl en omdat hij een ander het winnen niet gunde.

Hoezeer hij den naam had van een onverbeterlijk speler en er nauwkeurig op hem werd gelet, was hij nog nooit op iets betrapt, wat hem ook maar verdacht kon maken als ambtenaar. Zeer streng werd hij in stilte gesurveilleerd, maar dàt wist de hoofdingenieur Willert zeker: wie ook knoeiden met uitbestedingen of leverantiën of arbeidsloon; wie zich ook lieten „smeren” door Chineesche aannemers voor de levering van balken, grind of ander materiaal,—Van Brakel was daarvan vrij; in dat opzicht was hij zuiver als glas, en welke zijdelingsche aanbiedingen hem ook waren gedaan, hij had ze immer met verontwaardiging van de hand gewezen.

Willert respecteerde dat ondanks zijn weinige sympathie voor Van Brakel, en dit ging zóóver, dat hij van dezen opmerkingen en aanmerkingen kon aanhooren, die een ander inferieur ambtenaar zich niet had moeten veroorloven.

Zooals hij dat steeds gewoon was, ging Van Brakel op een ochtend vroeg de deur uit. Even buiten de stad werd de weg in orde gemaakt; hij moest eens zien hoe dat toeging, en hij wandelde er kalmpjes heen. Het was een zware avond geweest. Na afloop van zijn partijtje, was men tot de ontdekking gekomen, dat er een jarig was, en dit had geleid tot felicitatiën en daarmede in onvermijdelijk verband staand drinkgelag. Het was laat geworden. De klok sloeg slechts enkele slagen toen hij thuis kwam, een weinig onvast ter been, en met een gevoel alsof zijn hoofd het draaibord was, waaraan hij des nachts weer een honderd gulden had verloren. Het was sterk, vond hij, en het trof nu net zoo beroerd, dat het zijn laatste geld was, en de maand telde nog geen vijftien dagen. Dien middag zou Lucie hem om geld vragen voor het huisgezin; ze had het ’s morgens reeds gedaan, maar hij had haar met een praatje afgescheept tot den middag.

Hoe heerlijk de frissche ochtend ook was, en hoe weldadig de koelte de dampen verdreef van al de brandy en den wijn, die hem nog eenigszins in den weg zaten,—toch luchtte het hem niet op.

Toen hij op het werk kwam, vond hij zijn opzichter in dispuut met een Indische dame in sarong en kabaja, die haar recht verdedigde om een brugje, dat zij had laten leggen van haar erf naar den weg, te behouden zooals het was, terwijl de opzichter beweerde, dat het zóó onmogelijk kon blijven en op staanden voet afgebroken en veranderd moest worden.

Hij kende haar wel, althans van reputatie. Zij was een vrouw van een veertig jaren, groot en knap gebouwd. Ze moest haar man reeds zeer jong hebben verloren, want weinig menschen onder de tijdelijk verblijf houdende Europeanen, herinnerden zich haar anders te hebben gekend dan als de weduwe Du Roy L’Exant, een mooie Fransche naam, die in vergulde letters prijkte op of liever in een marmeren plaat aan den ingang van haar erf. Er werd nog altijd veel over haar gesproken; iedereen wist iets te vertellen, en nooit iets goeds.

Van Brakel had een hekel aan dat soort vrouwen; nog nooit had hij een groet of woord met de beruchte weduwe gewisseld, en ook ditmaal had hij geen plan daartoe. Doch hij was wel genoodzaakt zich in het geschil te mengen.

Hij hoorde de klachten der weduwe aan en de bezwaren van zijn ondergeschikte, en bekeek het brugje eens.

„Het zal ’n beetje veranderd moeten worden,” zei hij, „voor den afloop van het water. Maar maak u dáárover geen zorgen. We zullen dat wel in orde maken.”

„Heb ik er dan niet weer onkosten aan?”

„Neen, mevrouw,” zei hij op zijn gewonen goedigen toon: „’t zal zonder dat wel gereed komen.”

„Nu, dan heb ik er niets tegen.—’n Kopje koffie, ingenieur?”

Hij keek eenigszins vreemd op bij het aanbod, en draaide een oogenblik verlegen aan zijn knevels, terwijl hij schuin naar den opzichter keek. ’t Was nog vroeg, en onder zijn omstandigheden ook niet te verwonderen, dat hij een razenden trek kreeg in een lekkeren kop koffie.

„Heel graag,” zei hij en volgde haar over het nette, goed onderhouden erf. Zooals ze daar voor hem uitging, kon hij zich best begrijpen, dat ze veel last van de leelijke sekse had gehad in haar weduwlijken staat. Haar blanke huid, die door haar zwarte haren en oogen nog blanker scheen, kon gerust met die der blondste blondine wedijveren, en menig jong meisje mocht haar het nette postuur en de zekere cranerie in gang en houding benijden. En netjes was ze! Onwillekeurig kwam hem zijn vrouw voor den geest. Wat kon die des ochtends smerigjes door ’t huis loopen! ’t Was pas zes uren en hoe keurig zag die weduwe Du Roy er uit in haar kabaja met geborduurde strooken, waarover een donkerrood fluweelen met zwart afgezet; in haar kostbare Solosche sarong, met haar goud-geborduurde slofjes met vergulde hakken.

Het was een „kranig wijf” malgré tout, vond hij.

Zij gaf hem een stoel in de binnengalerij, waar het er ook alles even net en zindelijk uitzag. De bladen der marmeren tafels glommen als waren ze pas gepolijst, de Palembangsche wipstoelen en de fraai gebeeldhouwde kasten blonken als spiegels. Eenigszins verwonderd zag hij rond. Hij was dat zoo niet meer gewoon. Het deed hem denken aan den tijd toen hij nog ongetrouwd was en te Batavia bij moeder Sleeks in het commensalenhuis woonde, waar ook altijd zoo’n Hollandsche zindelijkheid heerschte.

En hoe lekker was de koffie, hoe sterk en geurig! Hij had ze in lang zoo niet gedronken.

„Ik maak u mijn compliment, mevrouw!”

„Is de koffie goed?”

„Ook over de koffie; die is heerlijk!”

„Komaan, dat doet me pleizier. En waarover nog meer?”

Wel, men mocht toch wel een aardigheid zeggen tegen een dame, vond hij, en daarom zei hij:

„in de eerste plaats over uw persoon; u ziet er charmant uit.”

Heel goed ging het hem niet af; hij was in het complimentjes-maken nooit een held geweest, maar in de laatste jaren was hij het geheel ontwend.

Zij lachte zachtjes.

„Dat is een compliment in den vroegen morgen. Is er soms nog iets?”

Haar oogen lachten hem toe, en hij was woedend op zichzelven toen hij voelde, dat hij onder dien half aanmoedigenden, half spottenden blik een kleur kreeg. Maar bij vermande zijn kinderachtige verlegenheid.

„Zeker is er nog iets. U is hier allerliefst ingericht; nog nooit zag ik een zoo keurig onderhouden inboedel.”

„Och ja! Ik heb niet anders te doen. Als het er bij mij niet netjes uitzag, waar zou het dat dan doen?”

„Ja,” antwoordde hij zuchtend, „in een huishouden met kleine kinderen is het eenvoudig onmogelijk den boel altijd proper te houden.”

„Vooral niet bij u.”

„Waarom vooral niet bij mij?” vroeg hij, denkend aan een hatelijkheid op Lucie.

„Wel.... als men de kleintjes krijgt bij meer dan één te gelijk....”

Zij keken elkaar aan en lachten. Zulke zinspelingen deden hem altijd goed en streelden zijn ijdelheid.

„Helaas, ja,” zei hij met een komieke uitdrukking van wanhoop, „’t Is wel wat bar.”

„Nou, dat vind ik ook. Ik zou er voor bedanken.”

Van Brakel haalde de schouders op, bewerende dat er niets aan te doen was; maar daartegen protesteerde zij; ’t was domheid, vond ze.

„Met dat alles,” ging hij voort, „is zoo’n snel toenemend huisgezin een ware ruïne.”

„Ja, ik begrijp nog niet hoe het menigeen mogelijk is rond te komen.”

„Het is er dan ook naar.”

„Dat moet wel. Mijn hemel, ik ben maar alleen, en ’t huishouden kost me toch veel. Nu kan ik het gelukkig betalen....”

Er vloog hem een idee door ’t hoofd. Zij had fortuin, dat was bekend. Hij was reeds opgestaan, maar ging nu weer zitten.

„Ik wou dat ik het ook kon zeggen, maar daar zit juist de knoop. Indien men geen achterstand had....”