H. van Brakel, Ing. B.O.W.

Part 2

Chapter 24,075 wordsPublic domain

De dampen van den wijn waren verdwenen, en hij was, toen hij huiswaarts keerde, zoo goed als ontnuchterd. Die Lucie ook, dacht hij, met dat laat aan tafel gaan! Als zij dat niet had aangeraden, zou alles beter zijn gegaan, en dan had hij wellicht veine gehad, terwijl nu .... Enfin, zij had het goed gemeend, dat was zeker, en hij voor zich zou haar niet onlekker maken door over het geval te spreken. Hoe hij aan het geld moest komen, stond hem niet duidelijk voor den geest op dat moment, maar dat het terecht zou komen betwijfelde hij geen oogenblik. In Indië kwam immers alles terecht.

„Wel, heb je veel pleizier gehad?” vroeg Lucie, die al lang op was en er frisch uitzag.

„Uitstekend. Heb jij je portie ontvangen?”

„Heerlijk, ik heb er aan gesmuld.”

Het deed hem pleizier, zei hij. ’t Was maar een aardigheid geweest. Hij had het diner besteld en te gelijk aan den kok-bakker gezegd van een enkelen schotel ’n beetje naar zijn huis te zenden; Mevrouw wou het wel eens proeven. En de kok-bakker, die toen juist niet dronken was en dan de goede eigenschap bezat een half woord te verstaan, had aan de ingenieursvrouw een compleet diner, voor één persoon, gezonden, waardoor zij zich vrouwmoedig had heengewerkt, schoon werkelijk de laatste schoteltjes haar menigen zucht hadden gekost.

„Heb jullie nog gespeeld?”

„Natuurlijk. Behalve het eten hebben we niets anders gedaan.”

„Dobbelaar! En heb je niets gewonnen?”

Hij glimlachte malgré lui. Het was in zijn omstandigheden en op dat oogenblik zoo zot te hooren vragen of hij gewonnen had.

„Een kleinigheid,” loog hij. „Een gulden of tien.”

„Beter zóó dan anders. Ga nu gauw naar bed, vent. Je hebt het met die partij al zóó druk gehad de laatste dagen....”

Hij liet het zich geen tweemaal zeggen, en ondanks de drukkende gedachte aan de drie duizend gulden, die hij niet bezat en toch binnen tweemaal vier en twintig uren, volgens de heiligste en inviolabelste afspraak, betalen moest, sliep hij rustig in, altijd door zichzelven de verzekering gevend, dat het wel zou terechtkomen.

Lucie kwam eens naar hem zien. Het was nu juist geen mooi gezicht, dat haar Herman al slapende opleverde. Zijn gezicht glom alsof het met vet was ingewreven en hij snorkte allerakeligst. Maar zij was een te goede getrouwde vrouw om hem zulke kleinigheden aan te rekenen, en sloot zachtjes de jaloezieën, opdat hij in zijn slaap geen last zou hebben van de zon, want ’t begon al erg warm te worden.

Op het erf voor zijn woning wandelde de hoofdingenieur Willert des namiddags op en neer, met een der heeren, die het afscheids-partijtje ter eere van den assistent-resident hadden bijgewoond. Een beminde persoonlijkheid was de hoofdingenieur niet. Zijn ambtelijke bekwaamheid werd niet betwijfeld; hij was als gewoon opzichter in ’s lands dienst gekomen, en had zich door ijver en studie een weg gebaand tot zijn tegenwoordige positie. Dat was een gunstig sociaal getuigschrift. Maar men vond hem niet vriendelijk genoeg en niet aangenaam van humeur in den omgang; wel had hij bij velen den roep van een braaf karakter en een goede inborst, maar het groote publiek, meer oordeelend naar den vorm dan naar den inhoud, mocht hem niet.

Ook Van Brakel droeg hem geen goed hart toe, te minder omdat hij vermeende door dien chef bespied te worden. Hij, de hoofdingenieur, was de man geweest, die zoo onverwacht in de sociëteit langs het speeltafeltje was gekomen, waaraan de club zat te dobbelen, bij welke gelegenheid Van Brakel het woord „ploert” had gebruikt.

Toen de bezoeker het verhaal deed van het wanhopig spelen van den ingenieur en het cijfer noemde van diens verlies, schudde Willert het hoofd.

„Ik begrijp niet hoe hij zulke sommen kan verliezen.”

„Och, dat is gemakkelijk genoeg; als hij zijn verlies maar kan betalen.”

„Verliezen en betalen is bij mij één.”

„Maar niet bij alle menschen.”

„Bij Van Brakel wel. Hij is een lichtzinnig mensch, maar voor zoover ik hem ken, acht ik hem niet in staat die schuld onbetaald te laten.”

„Waarachtig niet. Dat heb ik ook niet gezegd. Nu, adieu, ik wandel nog een eind verder.”

Met de handen op den rug bleef de hoofd-ingenieur bedenkelijk staan kijken in de lucht. Hij moest op Van Brakel een nauwlettend toezicht houden, dat stond bij hem vast. Wel was hij van des ingenieurs eerlijkheid volkomen overtuigd, maar hij had ook de zekerheid, dat de man op weg was naar zijn ondergang, en tevens zou trachten zich hoe dan ook op de been te houden.

Overplaatsen? Wat zou het baten? Wel werkte Van Brakel nu zelfstandig,—maar er was toch nog eenige contrôle. In het binnenland was het nog gevaarlijker. En zoo hij hier een dobbelaar was, dáár zou hij ’t niet minder wezen.

Het speet hem voor Van Brakel, want ’t was een kundig man, die zijn zaken verstond, en gemakkelijk en vlug werkte. Maar niettemin moest hij hem scherp in het oog houden.

En hij dacht daar nog ernstig over na, toen Van Brakel eerst in den namiddag ontwaakte, met een verschrikkelijken dorst, en door zijn luid geroep om iets te drinken de oorzaak was, dat zijn tweelingen zich verslikten.

De eerste teug ijswater werd hem vergald door de gedachte aan zijn speelschuld.—Ja, ’t was Zondag-middag, en op het oogenblik kon hij toch geen beslissende stappen doen. Toch scheen het hem onvermijdelijk toe, dat hij iets deed, en onder den invloed dier overtuiging ging hij naar zijn kantoorkamer, zette zich aan den lessenaar, nam een groot vel wit papier en trok zeer netjes een hoogst eenvoudig „staatje”; daarna nam hij uit een der laden een vrij dikken bundel onbetaalde rekeningen, en begon die één voor één zeer regelmatig te boeken in het staatje; toen hij daarmee gereed was, telde hij de kolom „Bedrag” samen, aldus zijn beren als het ware kapitaliseerende; boven het totaal trok hij één streepje en er onder een langere, dubbele horizontale streep.

Het zag er netjes uit, en als ’t een stuk in duplo ware geweest, had hij het gerust naar zijn Departement kunnen zenden. ’t Is waar: het was niet bemoedigend. Meer dan tweemaal zijn jaarlijksch inkomen! Dat kwam van den laatsten post van drie duizend gulden, dien hij Dinsdag-ochtend moest betalen.

Toch had Van Brakel een gevoel van voldaanheid, toen hij de „zaak” zoo eens flink onder de oogen had gezien, en als hij ’t staatje aanzag, dan dacht hij dat hij nog zoo’n slecht financier niet was, als hijzelf wel eens meende. Behoedzaam sloot hij ’t mooie staatje weg en kleedde zich om een eindje den weg op en neer te wandelen.

Dat hij „aangekeken” werd, viel hem niet op. De kracht der bazuin van de Faam in een Indische plaats was hem niet goed bekend. Hij zou het nooit hebben geloofd, dat de schoolkinderen, die hem langs den weg groetten, wisten, dat hij den vorigen nacht een vrij aanzienlijke som had verdobbeld. Oude lieden beantwoordden stijfjes zijn groet; jongelui zagen hem met bewonderende blikken na; nu, vonden ze, mooi was het wel niet, maar er was toch iets kranigs in.

Al voortwandelend ontmoette hij een paar kennissen, die met hem opliepen.

„Ze hebben je leelijk te pakken gehad, hè, Van Brakel?”

„Ja, dat gaat vrijwel.”

Hij antwoordde op een toon, die voortzetting der conversatie over dit onderwerp uitsloot. Er werd niet verder van gerept en over koetjes en kalfjes sprekend, kwam hij weer terug bij zijn huis en ging er binnen, eigenlijk blij dat hij van ’t gezelschap af was.

Hij had dien avond haast om naar de sociëteit te komen, wat Lucie niet erg aanstond, omdat zij van plan was een visite te maken.

„Laat ik je er niet afhouden,” zei hij.

„Ik vind het vervelend alleen te gaan.”

„Dat behoeft ook niet, Lucie. Ik zal je brengen, en ik beloof je, dat ik vóór elven kom om je te halen.”

„Maar kan je nu dien éénen avond niet uit de sociëteit blijven?”

„Tien avonden als je wilt, maar van avond moet ik dringend een paar lui over een werk spreken. Ik heb hun gezegd te komen, en nu kan ik toch niet wegblijven.”

Ze geloofde het. Hij kon haar, wat zijn loopen naar de sociëteit betreft, altijd alles wijsmaken.

Zijn gezicht helderde op toen hij in het ruime lokaal kwam, waar een eeuwige lucht van verschaalde spiritualiën heerschte. Er waren dien Zondag-avond nogal bezoekers en daaronder ook een oud heer, chef van een groot handelshuis. Er werd natuurlijk kaart gespeeld. Van Brakel zorgde dat hij met den koopman in hetzelfde partijtje kwam; tegen halfelf zond hij den wagen naar Lucie met de boodschap, dat hij haar onmogelijk kon komen halen; hij zou wel nader zeggen, hoe dat kwam. Het was alweer halftwee voor men „de laatste” speelde; daarna werd er gesoupeerd, en de koopman bestelde paling in gelei met sla en andere goede zaken; zij praatten en lachten, en besproeiden het soupertje met een goed glas champagne. Toen meende Van Brakel, dat het rechte moment was gekomen. Hij nam den koopman à part en vertelde hem in weinige woorden, wat de quaestie was. Met de handen in de zakken hoorde deze hem aan, knikte een paar keer met het hoofd, en zei toen met een onbeschrijfelijk beschermend air de grand seigneur:

„Wel ja, ik zal je wel helpen. Kom morgen maar even op mijn kantoor, dan zullen we dat dingetje wel in orde maken.”

De ingenieur had wel willen springen van vreugde. Hij drukte „den vriend in nood” de hand en zei iets van groote verplichting enzoovoort.

„Kom,” zei de ander. „Laat ons nu nog een partij biljarten.”

Tegen vier uren gingen ze huiswaarts; ze hadden veel pleizier gehad; ze wisselden shake-hands; ze hadden veel gedronken,—maar beiden waren van die sturdy gasten, die letterlijk overal tegen konden.

„Nu, tot morgen,” zei de koopman, terwijl hij in zijn mylord stapte.

Het antwoord „Tot morgen” van Van Brakel, die in zijn bendy klom, klonk als het summun van wat er hartelijks kan liggen in de menschelijke stem.

Hij maakte Lucie wakker, maar ze was boos; ze verweet hem, schoon op haar gewonen kalmen toon, dat hij haar een mal figuur liet maken bij hun kennissen. Luid protesteerend, kuste hij haar. Hij kon het waarachtig niet helpen; het was onmogelijk geweest, want..... en nu vertelde hij haar de heele geschiedenis.

Neen, nu begreep ze ook, dat hij niet weg had kunnen gaan, terwijl zich zoo’n schoone gelegenheid aanbood.

Hoe gelukkig, dat hij zoo gauw geholpen was! Zij zouden er anders groote soesah mee gehad hebben. Van het bedrag was ze zoozeer niet geschrikt; ze had in haar jeugd, als ze hier of daar op een onderneming gelogeerd was, wel eens andere dingen gezien. Nu, dat was in zoover, Goddank, dan alweer geschikt! Het verheugde hem innig, dat zij er ook zoo over dacht; hij kuste haar nogmaals en kneep haar in de kuiten, die ze lachend en flauwtjes protesteerend optrok. Geen wolkje was er meer aan de lucht; geen zorg hoe groot of klein kon hen nu meer deren; ten slotte sliep hij in, doodvermoeid van het vernieuwde nachtbraken, en Lucie sliep waarlijk ook weer in, en werd met schrik wakker, door het geschreeuw van de kinderen, toen het reeds lang dag was.

Van Brakel had zijn speelschuld betaald. Denzelfden dag, dat het gebeurde, wist de geheele stad het. De meeste menschen waren er verbaasd over, en zijn vrienden ook, maar zij hielden zich goed, en als er over werd gesproken, zeiden ze maar, dat Van Brakel een speelbeurs er op na hield, die verduiveld goed gespekt moest wezen, want hij had anders altijd veine. ’t Was niet waar, maar het gezeur was er mee aan een eind.

Slechts de tokohouders, die tot het oneindige lain boelan kregen op hun rekeningen, waren recalcitrant toen ze hoorden van die drie duizend pop, en ieder hunner besloot in stilte om het er niet bij te laten. Als de ingenieur zóóveel geld kon verdobbelen, dan kon hij, meenden zij, hen ook wel betalen.

Het leven ging zijn ouden gang met dit verschil, dat de Van Brakels minder dan ooit konden toekomen, daar de koopman elke maand een deel van het geleende moest terugontvangen. De ingenieur deed het onmogelijke om hooge declaraties te maken, maar overigens ontzag hij zich in niets, ging evenals vroeger elken dag naar de sociëteit en dobbelde er met afwisselend geluk. Lucie deed op hare wijze haar best als huisvrouw; de kinderen groeiden als kool, en zij.... groeide ook als kool. Zij vonden het vooruitzicht op nieuwe vermeerdering van hun gezin nu juist niet aangenaam, maar ze beklaagden zich niet. In dat opzicht waren ze ouderwetsche principes toegedaan; ze vonden haar een zegen, die verwezenlijking van de zeezand-theorie!

Er ontbrak hun niets dan een millioen, en het was heel ongelukkig, vond Lucie, dat nu juist zij daarover niet beschikken konden, terwijl er menschen genoeg waren met groot fortuin, die door hun levenswijze duidelijk toonden, dat ze van hun geld geen gebruik wisten te maken, en het dus ook niet waard waren.

Het was zeer slecht verdeeld in de wereld. Herman deed toch zoo zijn best! ’t Was waar: hij ging veel naar de sociëteit en had sterk uitkomende epicurische neigingen. Doch een man moest toch wat hebben. En dan: wat werkte hij niet hard! Altijd was hij in de weer, en nu gaf hij weer les aan verscheiden jongelieden, die zich voor landmeters- en andere examens wilden bekwamen. Toch gingen ze hard achteruit. Niet alleen werd het „staatje” met elke maand grooter, maar er bestond geen goede verhouding tusschen het verminderen der bestaande posten en het bedrag van die er bij kwamen.

„Heb je ’t gehoord?” vroeg Van Brakel, terwijl hij zijn morsige schoenen op de mat wilde afvegen, maar het met voorname slordigheid er naast deed: „heb je ’t gehoord? Er is een calicot-bal in de soos.”

„Dat moet erg pleizierig zijn.”

„Zeker, alle dames komen in sarong en kabaja. Katoen-achtiger kan men het niet verlangen.”

„Wees nu niet flauw, Herman. Ik vind het uitstekend. Waarom moeten er voor een gewone partij altijd zooveel onkosten worden gemaakt?”

„Wou jij soms in een katoen japonnetje gaan?”

„Ja natuurlijk.... Een calicot-bal, heb ik gelezen....”

„Is een gelegenheid om eenvoudige menschen te foppen.”

„Dat is nonsens.”

„Neen Luus, dat is het niet. Haast iedereen komt op zoo’n bal in prachtig toilet, en als er dan naïeve lui zijn, die wezenlijk in een katoentje komen, dan amuseeren de anderen zich daar kostelijk mee. Dat zijn de arme drommels, die, gelukkig dat ze eens naar ’n bal kunnen gaan, zonder dat het wat kost, de gelegenheid met beide handen hebben aangegrepen.”

„Ajakkes, hoe hatelijk!”

Van Brakel lachte met wereldkennis.

„Het is niets dan de waarheid, Luus, en ik zou niet willen hebben, dat die dames van den handel, die toch al zoo’n bluf slaan in groot toilet, jou achter haar waaiers zaten uit te lachen, omdat je er waart met een katoen jurkje.”

„Het zou mij wat kunnen schelen.... Bovendien, ik geloof dat je ’t je maar verbeeldt.”

„Waarachtig niet. Die particulieren hier in Indië....”

„Ik zou maar niets van „die particulieren” zeggen, Herman. Wie zou je laatst zoo maar dadelijk aan dat geld hebben geholpen, als het niet een particulier was geweest?”

„’t Was ook wat.... voor hem,” protesteerde Van Brakel, maar hij ging toch door naar zijn kamer om zich uit te kleeden, en onttrok zich aan verdere discussie.

Het was een teer punt, het eenige waarover zij steeds gevaar liepen twist te krijgen. Hij kon niet nalaten zijn ambtenaarshart van tijd tot tijd te luchten over „die particulieren”, en zij kon dat niet velen, want haar vader was zoo’n particulier, en zij had haar heele jongedochtersleven bij en met particulieren doorgebracht.

Maar niettemin besloot zij het denkbeeld van in een calicot-kostuum te gaan, te laten varen. Toch wilde ze er heen. Nu kon ze nog gaan. Sloeg ze deze gelegenheid over, dan zou het wel weer een heel jaar duren vóórdat ze zich kon vertoonen; dan had ze weer een kleine, die haar thuis hield. Het stond dus vast, dat zij gaan zou, en daar zij geen bruikbaar baltoilet had, bestelde ze er een, dat niet van katoen was. Het kostte wel wat veel, maar kwam men over den hond, dan zou men ook wel over ZEds. staart geraken.

En zij amuseerde zich uitstekend op het bal! Herman had gelijk gehad, dat zag ze nu ook, en ze was blij met haar baltoilet, te meer daar het zóó was gemaakt, dat dank zij ook de hulp van balein, niemand „iets” aan haar kon zien.

Zij zag er wezenlijk goed uit, en daarvoor was ze ook jong genoeg. Haar blanke huid en gevulde vormen; haar fraai aschblond haar, keurig netjes opgemaakt, en mooie groote blauwe oogen trokken de aandacht van menig man, en de opmerking „dat die mevrouw Van Brakel er verduiveld goed uitzag”, werd dien avond verscheiden malen gemaakt; daarbij lag er over haar geheele persoon als het ware een cachet van vrouwelijkheid, dat meestal meer aantrekt dan strenge schoonheid; ’t was of die eigenschap niet enkel sprak uit haar figuur, maar of men haar hoorde uit den toon harer stem.

Geen dans bleef ze zitten. Niet alleen danste zij „dienst” met twee aspirant-ingenieurs en een jonger collega van Van Brakel, maar ze werd ook door velen gevraagd, alleen om het genoegen met haar te dansen. Wie haar zóó zag, zou de mevrouw Van Brakel niet hebben herkend, die thuis wel eens den geheelen ochtend kon rondloopen, een beetje ongewasschen, een beetje ongekamd en met een beetje erg onzindelijke kabaja aan.

Eens kwam Van Brakel in den loop van den avond vragen, of ze ook wat wilde gebruiken. Het was een noodelooze formaliteit, want onder het dansen dronk ze nooit iets, uit vrees het te warm te krijgen. Voor de rest was hij in de balzaal onzichtbaar. Zoo’n feest was voor hem gelijk aan een gewonen speelavond met servituut van een lange jas.

Toen het bal was afgeloopen en de laatste bezoekers opstonden om heen te gaan, kwam Van Brakel zijn vrouw uit de zaal halen; hun rijtuig stond voor.

Hij zag er bijzonder vroolijk en opgewekt uit; al pratend en lachend met een paar bekende families, scheen hij volstrekt geen haast te hebben, hoe laat het ook was. Als Lucie het niet had belet door eenvoudig afscheid te nemen, zou hij in staat zijn geweest er weer bij te gaan zitten.

„Je bent ook zoo’n plakker,” zei ze, toen ze wegreden. Hij lachte.

„Zeg Luus, hoeveel heeft je nieuwe japon gekost?”

Zij aarzelde een oogenblik; ze kon niet ontkennen, dat ze eenig zelfverwijt voelde.

„Honderd dertig.”

„Zoo, nu, ik heb van avond honderd tachtig verdiend; dat komt zoowat overeen uit.”

„Kom....!”

„Wel, het is zoo’n wonder niet. Ik heb honderd en tachtig pop gewonnen. ’t Is betoel waar.”

Het was ook waar, en zij vond het heerlijk. Alweer een pak van haar hart! Ten slotte dus, kwam die partij hun niet op een handvol geld, maar ze verdienden er nog bij; dat idee bracht haar in een aangename stemming, en zij vleide zich met welbehagen tegen hem aan. Ook Van Brakel was recht in zijn humeur; hij sloeg zijn arm om haar heen en zoende haar.

„Je zag er allerliefst uit van avond, Luus.”

„Vindt je?” vroeg ze met een zweempje coquetterie.

„A croquer,” verzekerde hij, en zij gaven elkaar een kus, die wat innigheid en afmetingen betreft, herinnerde aan den tijd toen ze nog als geëngageerde jongelui hun heil zochten achter de bloempotten van dokter Van der Linden.

Daarna gichelden ze samen, zeiden: „Wat zijn we toch kinderachtig,” en gingen netjes rechtop zitten, gelijk bij getrouwde menschen, die reeds vier kinderen hebben, te doen gebruikelijk is.

Die gewonnen honderd en tachtig gulden deden dienst dien avond! Lucie zag het denkbeeld om nu en dan eens „wat” te laten maken, minder donker in, en Herman werd er door bevestigd in zijn reeds lang vaststaande meening, dat het homberen „een schoone zaak” was.

Thuis haastte zij zich haar japon los te maken, luid zuchtend van verlichting toen met een dof geluid de sterk gerekte en gespannen stof zich weer tot haar natuurlijken toestand inkromp.

„Dat is toch zoo’n genot!” zei ze.

Hij lachte er om en plaagde haar er mee, met allerlei zinspelingen; en zij, die zich in zulk een tête-a-tête allerminst behoefde te geneeren, gaf hem zijn plagerijen met interest terug.

Die goede honderd en tachtig gulden! Zoo weinig, en toch, helaas! zooveel.

Maar er moest verandering in komen. Het hielp op den duur niet, dat Van Brakel den rekeningen-dag ontvluchtte, noch dat Lucie met de grootste kalmte de quitanties terugzond. Er werd gedreigd; ernstig gedreigd met aanvragen om beslag op zijn traktement, en dat moest vermeden worden.

Naar het „staatje” keek hij reeds lang niet meer om. Er was toch geen bijhouden aan, en dan: het bracht hem maar van streek en bedierf zijn humeur, zonder dat het iets hoegenaamd hielp.

Hij zat in sombere gedachten daarover verdiept aan de kletstafel in de sociëteit, en dronk er weemoedig een bittertje bij, haast niet luisterend naar het gepraat van een jong handels-geëmployeerde, die pas uit Europa was gekomen, maar, van invloedrijke en gegoede familie zijnde, dadelijk bekwaam was geoordeeld voor een vrij goede positie.

„Ik wou,” zeide deze eindelijk, „dat ik maar bij een nette familie inwoning kon krijgen. Weet u niemand, die genegen is voor ƒ 150.— ’s maands, iemand een paar kamers en te eten te geven?”

Langzaam wendde Van Brakel het hoofd naar hem toe en keek hem eenige oogenblikken als verwonderd aan.

„Misschien wel. Ik heb er nooit aan gedacht en mijn vrouw ook niet. Maar we hebben een paviljoen op ons erf met twee kamers. Als mijn vrouw er niet tegen heeft, zoudt ge wellicht bij ons kunnen komen.”

„Als het kon, heel graag.”

„Wel, ik ga nu naar huis en zal er mijn vrouw over spreken. Heeft zij er geen bezwaar tegen, dan schrijf ik u van middag.”

„Heel graag; hoe gauwer hoe liever, want het leven in een logement ben ik niet gewoon. Voor een maand of zoo gaat het goed, maar niet op den duur.”

Het was een uitkomst! Dáár had hij nu waarlijk niet aan gedacht. Het is waar dat ze bij hun trouwen vast besloten hadden nimmer commensalen in huis te nemen, en dat het paviljoentje tot nu toe voor niet veel meer dan berghok van kisten, koffers enz. werd gebruikt, maar dat was in een wip te veranderen, en dat hij nog had getwijfeld aan de toestemming van Lucie, was slechts poera-poera geweest. Zij wist ook wel, dat de nood drong.

Nu, ze had er vrede mede niet alleen, maar ze was er blij om. Dadelijk moest het paviljoentje schoon gemaakt en van meubelen voorzien worden, die, een beetje erg duur, wel op krediet te krijgen waren.

Zoo iemand meer of minder in de ménage, wat zou het kosten? Honderd vijftig gulden ’s maands daarentegen—daarmee konden ze dit en dat.... En ze somden de wonderen elkaar op, die zij successievelijk met dat bedrag meer per maand zouden kunnen doen, en ze zaten elkaar en zichzelven te bedotten met open oogen, en ze misrekenden zich in hun illusoire voorstelling omtrent dezen geldelijken bijslag op een gruwelijke manier, tot eindelijk het luchtkasteel compleet was.

De jonge Geerling kwam en bracht groote kisten mee vol bibelots en snuisterijen, waarmede hij de twee kleine kamers zoodanig volpropte, dat men er geen schrede kon verzetten, zonder gevaar te loopen iets te breken, terwijl er geen plekje aan den muur was, waar niet de eene of andere fraaiigheid hing.

Dat was, volgens zijn opinie, gezellig.

Lucie, die hij inviteerde om eens te komen zien, hoe hij zijn kwartier had opgeschikt, stond verbaasd over de vele kleurige kleinigheden, die gezamenlijk den vertrekken zulk een eigenaardig aanzien gaven, evenals zij verbaasd had gestaan over Geerlings geheele persoonlijkheid.

Zij was gewoon de heeren der schepping te zien in witte pantalons en dito jassen of korte zwarte jasjes, en ook overigens gekleed met een eenvoud, daarmede geheel in harmonie.

Geerling liet zich elken dag kappen, hij had zeer lage schoentjes aan met zwarte lintjes gestrikt, en gekleurde zijden sokken; hij droeg roomkleurige vesten en zalmkleurige jasjes, overhemden en boorden met gekleurde strepen en balletjes, dassen met moesjes en franjes, en stroohoeden met breede gekleurde linten er om; hij had een lintgouden horlogeketting, en aan zijn vingers droeg hij lange nagels en gouden ringen.