Part 1
H. VAN BRAKEL, Ing. B. O. W.
OORSPRONKELIJKE ROMAN
DOOR MAURITS.
LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.
H. VAN BRAKEL, INGENIEUR B. O. W.
De lampen brandden in de achtergalerij, boven de nog gedekte tafel. Vlug namen de bedienden de gerechten weg; ze hadden ditmaal haast; ’t was immers de laatste arbeid des daags!
Het hoofd van Lucie zonk voorover op haar borst; haar oogen waren dichtgevallen; zij kon zoo’n onoverwinnelijken slaap krijgen, ’s avonds na het eten! Dan was het zoo rustig, zoo stil: de kinderen sliepen; de huiselijke bedrijvigheid was ten einde.
Van Brakel had zijn lorgnet opgezet en las de courant. ’t Beviel hem niet. Er stond weer iets in van den „strijkstok,” waaraan bij den Waterstaat zooveel hangen bleef. Het doelde niet op hem,—volstrekt niet; maar dan toch op zijn ondergeschikten. Hm! ’t was beter, dat die kerels, dacht hij, wat amusanter couranten maakten, dan zich altijd te bemoeien met eens andermans zaken.
Toen hij ’t blad neerlei en zijn stoel achteruitschoof, schrikte Lucie wakker.
„Ga je uit?” vroeg ze, zich de oogen wrijvende.
„Ja, nog ’n uurtje naar de soos.”
„Ik ga naar bed.”
„Welzeker. Je bent moe.”
Hij zette zijn dienstpet op, nam een wandelstok uit een hoek en floot zijn hond, die hem blaffend naar buiten volgde.
Toen Lucie haar buffet en haar dispenskast had gesloten, draaide zij de lamp neer en ging naar haar kamer.
Het was er benauwd, en het rook er onfrisch.
Op een grooten divan stonden twee kodjongs, en daaronder sliepen als rozen de tweelingen, waarmede zij den gelukkigen waterstaatsingenieur op St.-Nicolaas aangenaam had verrast.
Drie jaren waren zij getrouwd, en ze had nu vier kinderen.
Hun aantal „beren” echter was legio.
Vooreerst kon Van Brakel als vrijgezel de eindjes reeds niet samenknoopen, en wat Lucie betreft,—op de koffie-onderneming haars vaders had men steeds het huishouden „gedaan” uit het werkkapitaal; dat „stimmte”, altijd volgens Herr Drütlich.
Zij was een brave, ijverige huisvrouw; van dat de zon aan den hemel kwam tot ’s avonds klokke acht, was ze in de weer; haar tweelingen zoogde ze zelve, en ze zou, als een krachtige telg van Germaanschen stam, in staat zijn geweest zeslingen te voeden en.... over te houden. Zij had verstand van keuken en goedang-zaken, als de beste uit Europa geïmporteerde huisvrouw. Zij zorgde goed voor haar man en haar kleintjes. Als die maar „dik” waren, dan leefde ze, en haar stelsel van vetmesten gelukte volkomen, ook wat haarzelve betrof; de gansche familie zat terdege in het vleesch, en Van Brakel, schoon hem de tweelingen aanvankelijk zwaar op ’t hart hadden gelegen, was geëindigd met er trotsch op te zijn.
Wanneer bezoekers deze welgeslaagde proeven van multiplicatie-vermogen bewonderden, en de „engelen van kinderen” ’t vel van de wangetjes kusten, dan kon Van Brakel er bij staan met een gezicht, stralend van zelfvoldoening; een gezicht, waarop als het ware een aanvraag stond te lezen om een gezegeld en geregistreerd certificaat.
Sommige menschen, die wel wisten waar in dergelijke omstandigheden de beroemde Abraham zijn geurigen mosterd haalde, glimlachten spottend; maar de domme menigte kende den ingenieur groote verdiensten toe.
Doch welk een goed vrouwtje Lucie ook was,—twee eigenschappen miste zij: ze was niet erg zindelijk op haar huis, en zuinig was ze evenmin; stof zag ze niet gauw, maar ze schreef verbazend snel een bonnetje.
Dit eerste, en de eigenaardige geuren van de zuigelingen en van de baboe, die vóór den divan op den grond lag te slapen, waren oorzaak van de onfrissche lucht, die in het slaapvertrek heerschte. Zij merkte het niet; ze was aan die soort van zaken gewoon; thuis, toen haar moeder stierf, bleef ze met haar broertjes en zusjes achter, en nu die groot waren, zat ze in een wip in haar eigen kindertjes.
Zulke fijne reukorganen kwamen op haars vaders onderneming ook niet te pas, en als Van Brakel thuis kwam, en een sterken gemengden geur van tabak en brandy buiten en binnen de klamboe verspreidde, dan had ze daar zoo geen last van. Papa Drütlich begroette steeds het opgaan der zon met zijn Frühschoppen, rookte er groote pijpen zware tabak bij, en salueerde Morpheus met brandy kring en havana’s. Zoo’n „heerenluchtje” hinderde haar niet; ze was het van kindsbeen af gewoon.
En Van Brakel was een goed man. Hij hield veel van Lucie; net zooveel als toen ze nog geëngageerd waren. Voor geen geld zou hij haar ontrouw zijn geworden; zij wist, dat ze voor hem de vrouw was, en hij kwam daar altijd rond voor uit. Doch huiselijk van aard was hij niet, en hij werd dat met elke maand minder. De sociëteit had iets wonderlijk aantrekkelijks voor hem.
Sedert lang mopperde hij niet meer tegen den dienst. Men hoorde hem niet meer afgeven op ongediplomeerde hoofdingenieurs en op projecten, die toch nooit werden uitgevoerd. Hij ontplooide een grooten ijver in het begrinten van wegen, het verven van gouvernements-gebouwen, het witten en teeren van postloodsen. ’s Morgens vroeg kon men hem reeds zien uitrijden in zijn bendy, hoe verder, hoe liever. Het mocht dan waar wezen, dat hij geregeld elke maand te kort kwam, en hij zijn „beren” even voordeelig zag groeien en dik worden als zijn kroost,—het eenige wat nog strekken kon om er niet al te diep onder te raken was een fatsoenlijk bedrag aan declaraties elke maand.
Fluitend en pratend tegen zijn hond, die al blaffende om hem heen sprong, liep hij voort in den helderen maneschijn; zijn blonde haren krulden om zijn pet en de schaduw van zijn gezette figuur dandineerde op het witte zand van den weg.
Het was een gewone avond in de sociëteit, want er werd geen muziek gemaakt.
De groote lokalen waren leeg. Uit de biljartzaal kwam het eentonig getik der tegen elkaar loopende ballen. De kastelein, die de verlichting uit zijn verdiensten moest betalen, was zoo vrij geweest de lampen op „halve kracht” te stellen.
Er viel toch niets te verdienen op zoo’n avond!
Van Brakel ging door de lange voor- en binnengalerijen op het geluid der biljartballen af. Daar ten minste was nog wat leven.
Hij trad binnen en knikte even met het hoofd een „goeden avond” in het rond.
„Zoo,” zei de assistent-resident van politie, een vroolijk celibatair. „Wat kom jij hier doen?”
„Ik kom eens zien of jullie je niet misdraagt,” lachte Van Brakel.
„Nou,” zei een ander ingenieur, die met den redacteur van een dagblad aan het biljarten was, „we zijn altijd blij als we je rechtop naar huis zien loopen.”
Men schertste, en critiseerde het spel, waarvan de spelers uitmuntend geoefend waren, en men dronk er de eeuwige brandy-soda bij. Het was een „vast clubje.” Van Brakel was het eenige getrouwde lid. Zijn collega, de journalist en de assistent-resident hielden trouw den gehuwden staat een „kleine vrouw” voor, waarop Hymen telkens verschrikt en beschaamd de vlucht nam.
„Willen we?” vroeg, toen de partij uit was, een van de club, terwijl hij met duim en vinger een beweging maakte, als wilde hij iets laten tellen.
Zij glimlachten allen en keken elkaar aan; zij glimlachten, zooals verstandige, goed ontwikkelde en beschaafde menschen doen, wanneer ze willen overgaan tot iets, wat ze weten dat verkeerd is, dat strijdt tegen hun beschaving, ontwikkeling en verstand; zij glimlachten als menschen, die heel goed weten, welke in het leven de verboden vruchten zijn, maar er zich niettemin in koelen bloede aan te goed gaan doen.
„Nog één keer, en dan nooit weer,” zei de assistent-resident.
Ze lachten nu luid, en al schertsend en lachend gingen ze naar een hoek van de binnengalerij, waar het uitverkoren plekje was voor hun zonde.
De bedienden brachten hun glazen; de mandoor haalde het draaibord; elk zette een „lapje” van tien gulden bij; men draaide.
Er werd weinig bij gesproken. Zij waren echte spelers; zij speelden niet om het genoegen van het spel, maar alleen om te winnen. Een half uur waren ze aan den gang, maar het hielp niet. De kans was zeer grillig; ieder won op zijn beurt; er ging „niets om.”
„We konden best vijf en twintig zetten,” meende er een.
Men keek elkaar even aan en knikte goedkeurend.—Het scheen te helpen, de kans richtte zich naar veine en déveine; er werd gewonnen en verloren; de hartstocht werd opgewekt en met de grootste aandacht werd de beweging van den draaienden wijzer gevolgd.
Uit de leeskamer der sociëteit, die met een deur in de binnengalerij uitkwam, schreed langzaam een heer en ging voorbij het tafeltje der spelers; hij groette zeer beleefd.
Van Brakel mompelde iets met saamgeknepen lippen, terwijl hij hem woedend nakeek. „Het is nu de tweede maal, dat die ploert me dit levert.”
„Misschien heeft hij er geen bedoeling bij,” zei zijn collega.
„Nu ja! Ik zeg je, hij doet het met opzet. Mij kan ’t niet schelen.”
„Mij ook niet.”
„Waar zeur je dan over? Kom, zet op!” viel de assistent-resident in, en gaf met zijn dikke vingers een krachtigen zet aan het draaitoestel.
Van Brakel eindigde dien avond met een paar honderd gulden verlies, maar het scheen hem niet te hinderen. Ook sprak men daar niet over. Iemand, die over zijn verlies zou hebben gesproken of getoond zou hebben, dat hij daar niet tegen kon, ware, althans in hun clubje, een onteerd man. Of liever het was ondenkbaar, want dan kon hij tot dat clubje niet behooren.
Men ging gezamenlijk biljarten om geld: een rijksdaalder per carambole; dat was een billijk tarief.
Van Brakel won er een kleinigheid mee, maar het werd den spelers te warm.
Nog één keer dobbelden ze, wat hem zijn biljartwinst weer afhandig maakte, en met het slaan van tweeën gingen de vrienden naar huis.
Het was nog altijd een heerlijke nacht. Van Brakel’s hond was vroolijk en blafte als een razende tegen de maan; maar de baas werd door onaangename gedachten geplaagd.
Den volgenden dag was het traktementsdag. Verwenschte dag! Dat was nu, naar zijn gevoelen, de ellendigste der geheele maand, terwijl het eigenlijk de aangenaamste wezen moest.
Het was dan toch ook schandelijk van het Gouvernement om iemand van zijn positie en zijn dienstjaren zóó slecht te betalen. Zelfs met de declaratie-gelden kon men van zoo’n inkomen niet leven! Had hij een paar honderd gulden meer in de maand, dan was er doorkomen aan. Nu gaf het slechts een agglomeratie van beren, waaraan geen einde kwam. Men kon er waarlijk het einde niet van zien.
Zóó wandelde hij naar huis in droevige stemming, het lot verwenschend, dat hem als ingenieur B. O. W. in de klauwen had doen vallen van het Indisch Gouvernement.
Hij had dan een geweldigen afkeer van rekeningen ten zijnen laste, en, welk een goed en gemoedelijk man hij ook overigens was, zoo kon hij buiten zichzelven geraken van woede, bij het zien van een mandoer, die met een portefeuille of een trommel vol quitanties het erf op kwam. Deze bruine broeders, wetende welke onwelkome verschijningen ze waren bij den toean ingenieur, bogen als knipmessen nog vóór ze iemand zagen; maar zóó vriendelijk konden ze niet wezen of Van Brakel zei, met een paar groote oogen, tegen zijn Lucie:
„Daar heb je weer zoo’n smeerlap!”
Zij moest er om lachen. Haar gemoedelijke aard verloochende zich nooit. Het was immers niets! „Als men niet kan betalen”, zei ze altijd heel leuk, „dan zegt men maar lain boelan”. De tokohouders verdienden, vond zij, toch genoeg.
Maar Van Brakel kon er niet tegen, en daarom zorgde hij steeds met den maandelijkschen Grooten Verzoendag op reis te zijn om te zien naar de dijkjes, de postloodsen en wat zich verder koesterde onder de vleugelen zijner technische bekwaamheid.
Alles sliep toen hij thuis kwam; zelfs toen hij in bed stapte en zijn gewicht de ijzeren staven van het ledikant deed knarsen, werd Lucie niet wakker, maar bleef rustig voortslapen, haar dikke, blanke armen boven het hoofd gekruist. Nog een oogenblik zat Van Brakel overeind, bedenkend of hij haar wakker zou maken of niet.
Hij deed het niet, want „kasian,” dacht hij, „ze is zoo moe”.
Wèl was het reeds drie uren, vóór hij rustig insliep, maar dat belette hem niet met het vallen van het ochtendschot weer op te staan. Zijn ijzersterk gestel veroorloofde hem alles; wat een ander in de gematigde luchtstreek doodziek zou hebben gemaakt, dat kon hij zich in de tropen ongestraft veroorloven. Een uur later was hij reeds op weg naar „het werk”, dat zes, acht palen van de hoofdplaats werd uitgevoerd.
Maar in dat uur, welk een drukte en bedrijvigheid! Als Lucie sliep, dan was ze moeilijk wakker te krijgen, doch eenmaal goed uitgerust ontwaakt, scheen zij een voor den ganschen dag opgewonden uurwerk, dat met een krachtige vaart afliep en ’s avonds stilstond.
Nog was de duisternis niet geheel geweken, toen reeds alles in rep en roer was; de koffie werd gezet, de tafel voor het ontbijt gedekt, de zuigelingen schreeuwden van den honger, de baboes liepen heen en weer met vochtig en geïllustreerd beddegoed, de katten miauwden, Lucie gaf met luide stem vier, vijf bevelen te gelijk aan de bedienden, Van Brakel zocht vloekend een gesp voor zijn schoone pantalon,—het was of met den nieuwen dag Satan was losgebroken, alsof het een huishouden was van Jan Steen; kleine Wilhelm, het oudste zoontje, gilde als een bezetene, omdat hij niet wilde baden, en de driejarige Lucie beet haar baboe in de wang.
Zoo was na vier jaren van ongestoord huwelijksgeluk het „kleine Paradijs”, waarover Lucie haar oude vriendin Louise Van der Linden met zooveel enthusiasme had geschreven, toen ze nog pas kort waren getrouwd.
Toen eindelijk Van Brakel vertrokken was, en de kinderen gevoed en gereinigd met de baboes aan ’t wandelen waren, begon het eenigszins rustiger te worden. Dan weldra snorden de naaimachines van Lucie en haar mendjahit, welk eentonig en toch zenuwachtig geratel alleen werd afgebroken door de meer of min onaangename besprekingen met weldra van alle zijden opdagende Chineezen en rekeningloopers.
Het was een nare geschiedenis toch tegenwoordig. Vroeger kreeg zij elke maand geld gezonden van haar vader, en dat was zoo heerlijk; Van Brakel wist er wel zoo iets van, maar hij vroeg er niet naar, en zij kon met dat geld soms zoo ongemerkt de leemten in de ménage aanvullen. Doch daarvan was in den laatsten tijd geen sprake meer. Het was, schreef Herr Drütlich, nu „die verdammte Kaffeelaus” zijn boomen vernielde, niet meer mogelijk om haar etwas te zenden, en daar bleef het bij, terwijl toch de uitgaven elken dag toenamen.
Na zijn tochtje, dat tot twaalf uren ’s middags duurde, reed Van Brakel beslijkt en bestoven het erf op van de sociëteit. De Club-leden zaten er reeds. Zijn collega, iemand altijd even net en bedaard, zoo in zijn uiterlijk als wat zijn manieren betreft, zag hem opmerkzaam aan, toen hij uit zijn voertuig stapte.
„Vindt je niet dat Braak erg achteruitgaat?” vroeg hij den assistent-resident.
„Och, het gaat nogal. ’n Beetje vet, anders niet.”
„Je hebt hem vroeger niet gekend. Te Delft was hij een van de netste kerels. En nu heeft hij hier in Indië iets verschrikkelijk ordinairs gekregen.”
„Kom, dat is zoo erg niet!—Dag Braak, ’n paitje?”
„Dat was nog zoo ’n kwaad idee niet,” meende Van Brakel.
Zij bleven zitten tot tegen twee uren. Sommigen hadden zich tot weinig consumtie beperkt: het waren de ambtenaren, die nog naar hun kantoren moesten; maar Van Brakel en de assistent-resident, die toch maar naar huis gingen, hadden een „slordig bittertje” gedronken.
Thuis vond hij Lucie met een van de tweelingen aan de borst, en bezig een glaasje Spaanschen wijn te drinken, wat zoo goed was en zoo versterkend; hij vond het erg gezellig en accompagneerde haar met nog een weinig volksdrank, waarna zij aan tafel zwart Engelsch bier dronk om zich te versterken en hij bruin Duitsch bier omdat hij het lekker vond.
„Ik heb een brief gekregen van pa,” zei ze onder het eten.
„Zoo, hoe maakt hij het?”
„O heel goed.”
„En hoe gaat het met de Kaffeelaus?”
„Akelig! Geen driehonderd pikols van ’t jaar.”
„’t Is beroerd.”
„’t Is verschrikkelijk. Zoo’n mooi land!”
„En wat denkt hij nu te doen?”
„Ja, wat zal hij doen?”
Dat wist Van Brakel ook niet, en daarom zweeg hij maar liever.
Lang zouden ze geslapen hebben dien middag, zoo niet tegen halfvijf een politie-oppasser was gekomen met een briefje van den assistent-resident, die in vliegende haast meldde, dat hij per telegram was overgeplaatst en in weinige dagen naar zijn nieuwe standplaats moest vertrekken, omdat de overneming van den dienst daar geen uitstel kon leiden.
„Kom, ik ga gauw baden,” zei Van Brakel tegen Lucie. „Je begrijpt, dat wij hem in elk geval een heerendinertje moeten aanbieden.”
„Er is haast geen tijd toe.”
„Juist daarom wou ik er dadelijk werk van maken. Het moet gauw en goed gaan. Hij is zoo’n fideele kerel, dat het al te gek zou wezen hem zonder ’n kleine „fuif” te laten weggaan.”
Ondanks de verschrikkelijke haast kwam toch de overgeplaatste dien avond in de sociëteit; Van Brakel had zijn lijstje reeds gereed; de club deed mee, dat sprak vanzelf; verder de resident, eenige chefs van handelshuizen, advocaten en ambtenaren,—zoo wat ’n twintig lui; meer moesten er niet zijn, want dan werd het ongezellig. Het moest een fijn dinertje wezen, dat stond vast; een der bedoelde chefs had welwillend op zich genomen voor de wijnen en sigaren te zorgen, natuurlijk tegen factuursprijs; dat deed hij altijd, en daarom was hij van dergelijke partijen steeds een groot voorstander en nam hij volijverig daaraan deel; een ander, die een groot huis bewoonde, had zijn lokaliteit ter dispositie gesteld en het gratis gebruik zijner zilveren couverts aangeboden; Van Brakel zelf had reeds ernstig onderhandeld met den koek- en banketbakker, die, als hij behoorlijk nuchter was, in staat geacht werd een goed diner te kunnen leveren, en althans in het bezit was van goede menu’s.
Toen hij in de sociëteit kwam, sprak Van Brakel eerst een oogenblik zeer geheimzinnig met zijn collega en den redacteur, waarop ze met hun drieën gelegenheidsgezichten trokken, en zóó naar den assistent-resident gingen, die met een anderen bezoeker zat te praten en zich hield alsof hij van de opkomende aanstellerij niets hoegenaamd had bemerkt. Van Brakel, die machtig veel van dergelijke voorbereidende aardigheden hield, deed het woord, en gaf niet zonder ernst in toon en gebaren, den assistent-resident te kennen, dat „eenige vrienden” bij gelegenheid van zijn vertrek gaarne nog een avond aangenaam met hem wenschten door te brengen, en dat zij daartoe den avond van overmorgen wenschten te bepalen. Toen de assistent-resident had verklaard daar niet tegen te hebben en er zeer vereerd mee te zijn, werd hem de lijst der „deelnemers” overhandigd om als zijn speciale gasten daar nog bij te schrijven, wie hij mocht verlangen.
Verbazend druk had Van Brakel het, en de arme man, die zijn huis en zijn zilver had aangeboden, kreeg al dadelijk last van zijn offerte. Men had een paar matroosjes weten te krijgen van het wachtschip, aangezien er slechts één roep is omtrent de kunstvaardigheid van Janmaat in het aanbrengen van versieringen met groen, vlaggen en bloemen. En zoo was op den gewichtigen avond alles gereed.
Toen Lucie gehoord had, dat het zoo’n fijn diner was, had zij het tot haar echtelijken plicht en met het oog op de ontwikkeling des vleesches van haar echtvriend, wenschelijk geacht een goeden raad te geven.
„Jullie denkt er toch niet aan om acht uren, halfnegen te beginnen?” vroeg ze.
„Natuurlijk. Dat was bepaald.”
„Het is zonde,” zei ze. „Je hebt dan nog weinig eetlust, en dat bij zoo’n fijn diner.”
„Daar heb je gelijk in,” riep Herman, verrast over deze snuggere vinding. „We konden best later.... maar hoe drommel krijgen we den tijd om?”
„Wel doodeenvoudig. Je vertelt aan de lui, dat jullie pas tegen tien uren, halfelf begint. Vóór dien tijd drink je ’n glas port en speelt een hombertje.”
„Drommels, dat is een idee!”
„En dan niet te veel bitter drinken, Herman,” vermaande ze. „Dan proef je er niets van.”
„Jij wilt met alle geweld maar, dat ik lekker zal eten,” zei hij met een dankbaren blik, en gaf haar een kus.
„Natuurlijk! Zoo’n fijn diner! ’t Is zonde!”
En het geschiedde, gelijk het door Lucie was verzonnen. Tegen acht uren kwamen in de feestelijk versierde voorgalerij een twintigtal heeren in zwarte jas bijeen. Eerst stonden en liepen ze zoowat op en neer, al pratend en lachend; daarna zetten ze zich aan de vijf speeltafeltjes, waar ze zooveel mogelijk soort bij soort waren ingedeeld; de resident zat aan het middelste tafeltje dicht bij de trap der galerij, opdat de voorbijgangers vooral zouden kunnen zien, dat hij ’t feestje bijwoonde.
Het kostte den waren liefhebbers van het spel geen geringe moeite tegen elf uren op te staan en te gaan eten. De mandoor van den kok-bakker had reeds van tien uren af aan Van Brakel geseind, dat alles klaar was, maar de ingenieur was en veine en speelde het eene „kleintje” na het andere, zoodat hij maar net gedaan had, als had hij niets gemerkt.
Maar ten slotte was toch iedereen verheugd wat te kunnen eten, en aangezien honger zelfs in Indië, ja misschien meer dan elders, de beste saus is, werd de schildpadsoep zwijgend en met een soort van piëteit genoten, en eerst de fijne Sauterne, die bij de visch werd gedronken, had het vermogen de tongen een weinig te ontboeien.
Tot twee uren in den nacht zat men aan tafel, en toen men eindelijk opstond, bleek uit de verrassende confidenties, die sommigen „deelnemers” elkaar deden, schoon ze overigens in het dagelijksch leven volstrekt niet intiem met elkaar waren, dat de verschillende wijnsoorten haar invloed op de hersenen deden gevoelen.
Aan huiswaarts gaan dachten de meesten in het geheel niet. Slechts een enkele sloop stilletjes het erf af, zocht onder de rijtuigen zijn eigen véhikel en éclipseerde zoo op clandestine wijze, zonder iemand gegroet te hebben, terwijl onder het naar huis rijden zijn hoofd alle bewegingen van den wagen meemaakte, alsof het slechts door een ijzerdraad met zijn romp was verbonden.
In de voorgalerij was men weer druk aan het dobbelen geraakt. Van een behoorlijke homber-partij was geen quaestie meer. Vingt-et-un, dat was het eenige, waartoe opgewektheid werd gevoeld.
Het duurde en duurde voort. Langzamerhand begon het te dagen; het opdoemend licht teekende reeds flauw de omtrekken van ’t hoog geboomte; de hanen in de kampongs kraaiden in koor. Herman Van Brakel zat nog te spelen; hij zag bleek en zijn gezicht was nog meer opgezet dan gewoonlijk; een groepje kijkers stond er om heen.
Het ochtendschot viel,—tot zoolang was er afgesproken, dat men zou spelen, en toen bleek bij het afrekenen, dat Van Brakel omstreeks drie duizend gulden had verloren.
Drie duizend gulden! Het was, vond hij, al een heel beroerd geval. Men had echter niets aan hem kunnen zien, dat was zeker, en lachend had hij gezinspeeld op de pikols koffie van zijn schoonvader, ofschoon hij zeer goed wist, dat hij bij den tegen de Kaffeelaus worstelenden Germaanschen ouden heer niet behoefde aan te komen met het verzoek om een speelschuld van dien aard voor hem te betalen; Herr Drütlich, die op dat punt soliede principes had, zou hem een Schweinhund genoemd en naar den Teufel verwezen hebben.
Naar den duivel! Hm! dat zou hij misschien wel doen, maar niet in dien zin.
Het was helder dag toen hij huiswaarts keerde, na in het feestlokaal te hebben ontbeten met de restes van het diner. Zoo veel was zeker, dat hij er zijn gezonden eetlust niet bij verspeeld had.