Guy Mannering of de Sterrewichelaar
Part 42
Het luide vreugdegeschrei stoorde den geestelijke in het gebed, hetwelk hij voor de stervende ten hemel opzond. Meg, die in een bewustelooze sluimering, de gewone verkondigster der nabij zijnde ontbinding, op haar ellendig leger lag, rees plotseling op en zeide: „Hoort gij het niet? Hoort gij het niet? – Hij is erkend, hij is erkend! Zóo lang nog moest ik leven! – Ik ben eene zondige vrouw. Maar heeft mijn vloek hen ten val gebracht, – mijn zegen heeft hen weder hersteld! En nu wenschte ik wel, dat ik meer gezegd had! Maar het kan niet zijn. – Wacht,” vervolgde zij, haar gelaat naar den lichtstraal wendende, die door eene nauwe spleet, welke de plaats van een venster in den muur vervulde, in het vertrek viel; „is hij niet hier? Gaat uit het licht, opdat ik hem nog eenmaal zie! Maar mijne oogen worden duister – alles is voorbij.
Adem, verdwijn! Dood, verschijn!”
Met deze woorden zonk zij weder op haar strooleger neder en gaf, zonder een zucht te laten hooren, den geest. De geestelijke en de heelmeester teekenden alles, wat zij gezegd had, zorgvuldig op en betreurden het, dat zij haar niet nauwkeuriger ondervraagd hadden. Beiden waren echter bij zich zelven vast overtuigd, dat hare verklaringen de waarheid behelsden.
Hazlewood was de eerste, die Bertram met het uitzicht op de spoedige herwinning van zijn naam en stand in de maatschappij geluk wenschte. De omstanders, die van Hans hoorden dat Bertram de man was, die Hazlewood gekwetst had, waren getroffen over zijne grootmoedigheid en mengden ook zijn naam in hun herhaald vreugdegejuich. Sommigen vroegen den voerman, waarom hij Bertram niet reeds herkend had, toen hij hem korten tijd geleden voor de eerste maal te Kippletringan zag. „Hoe kon ik toen aan Ellangowan denken?” antwoordde hij. „De aangeheven kreet, dat de jonge Bertram wedergevonden was, deed mij de gelijkenis ontdekken. Het moest mij wel in het oog vallen, zoodra ik er opzettelijk naar keek.”
De verstoktheid van Hatteraick was door dit laatste tooneel eenigszins geschokt. Hij sloeg de oogen neder, poogde zijne gebonden handen op te heffen om den hoed dieper in het gezicht te trekken, en zag verdrietig en ongeduldig naar den weg, alsof bij met verlangen naar het rijtuig uitzag, hetwelk hem van deze plaats verwijderen zoude. Eindelijk beval Hazlewood, bezorgd dat de gisting onder de volksmenigte zich tegen den gevangene mocht richten, dat hij met het rijtuig naar Kippletringan gebracht en ter beschikking van Mac-Morlan, wien hij terzelfder tijd door eenen bode van het voorgevallene liet onderrichten, gesteld zoude worden: „En nu,” zeide hij tegen Bertram, „zou het mij zeer aangenaam zijn, als gij mij naar Hazlewood-house wildet vergezellen, maar, daar gij er misschien thans nog niet zoo welkom zoudt zijn, als ik vertrouw dat binnen een paar dagen het geval zal wezen, moet gij mij veroorloven, met u naar Woodbourne terug te keeren. Maar gij zijt te voet.” „O, indien de jongeheer mijn paard wilde nemen!” „Of het mijne!” „Of het mijne!” riepen ten minste zes stemmen. „Of het mijne! dat kan, zonder zweep of sporen, tien mijlen in een uur afleggen en de jongeheer mag het van dit oogenblik af aan behouden, indien hij het als een geschenk wil aannemen.” – Bertram nam het paard, maar slechts ter leen aan, en betuigde de verzamelde menigte zijn dank voor den betoonden goeden wil, wat weder door gejuich en betuigingen van gehechtheid beantwoord werd.
Terwijl de gelukkige eigenaar van het paard een’ knaap heen zond, om den nieuwen zadel te halen, een’ ander, om het dier met een droogen stroowisch af te wrijven, een derde, om de verzilverde stijgbeugels van Dan Dunkieson te leenen, en zich beklaagde dat er geen tijd was om het dier eens voeder te geven, opdat de jongeheer eens zien kon hoe vurig het was; terwijl dit alles plaats had, begaf Bertram zich met den geestelijke in den toren en sloot de deur achter zich toe. Hij staarde eenige oogenblikken zwijgende op het lijk van Meg Merrilies. De dood had hare gelaatstrekken, welke nog steeds het ernstige, krachtige karakter verkondigden, waardoor zij zich bij haar leven als heerscheres onder het woeste volk waaronder zij geboren was, had gehandhaafd, nog scherper geteekend. De jonge krijgsman droogde de tranen af, welke onwillekeurig in zijn oog opwelden, toen hij het stoffelijk overblijfsel van deze vrouw aanschouwde, die als een offer van hare getrouwe verkleefdheid aan zijn geslacht gevallen was. Hierop vatte hij den geestelijke bij de hand en vroeg hem plechtig, of de gestorvene in hare laatste oogenblikken in staat geweest was, aan zijne gebeden de behoorlijke aandacht te wijden.
„Ik vertrouw,” antwoordde de leeraar, „dat deze arme vrouw nog besef genoeg had om mijne gebeden te verstaan, en daarmede in te stemmen. Laat ons echter nederig hopen, dat wij naar de gelegenheid, welke wij voor godsdienstig en zedelijk onderricht hadden, geoordeeld zullen worden. Zij kon eenigermate als eene onbeschaafde Heidin in het midden van een Christelijk land beschouwd worden, en wij mogen ook niet vergeten, dat de dwalingen en ondeugden van een in onkunde doorgebracht leven door bewijzen van eene belangelooze, zich bijna tot heldenmoed verheffende verkleefdheid opgewogen werden. Met eerbiedige vrees, maar niet zonder hoop, laten wij haar over aan Hem, die alleen in staat is, onze misdaden en dwalingen tegen onze pogingen ten goede te wikken en te wegen.”
„Mag ik u verzoeken,” hernam Bertram, „te zorgen, dat deze arme vrouw met de behoorlijke plechtigheid ter aarde besteld wordt? Ik heb iets van eenige waarde in handen, hetwelk haar eigendom is. In elk geval blijf ik borg voor de kosten. Te Woodbourne kunt gij mij vinden, of ten minste bericht van mij krijgen.”
Dinmont, die door een’ zijner kennissen van een paard voorzien was, riep nu luide dat alles tot hunne terugreis gereed was. Onder een luid vreugdegejuich begaven Bertram en Hazlewood zich met Dinmont op weg, nadat zij de omstanders, wier aantal reeds tot verscheidene honderden geklommen was, ernstig vermaand hadden, bij hunne vreugde toch vooral de goede orde te bewaren, daar de minste onbezonnenheid den jongen heer, zoo als zij hem steeds noemden, tot nadeel zou kunnen strekken.
Toen zij de vervallen hutten van Derncleugh voorbij reden, zeide Dinmont: „Als gij uwe goederen wederkrijgt, kapitein, zult gij zeker niet vergeten, daar een huisje te laten bouwen? Ik deed het waarachtig zelf, als ik niet wist dat het in betere handen was. Maar ik wilde er zelf niet in wonen, na alles wat zij gesproken heeft. – Ik zou het door de oude Elspith, de weduwe van den doodgraver, laten bewonen; zulke menschen zijn gewoon, met graven en geesten en dergelijke dingen om te gaan.”
Een korte, doch snelle rid bracht hen te Woodbourne, waarheen de tijding van hunne onderneming, welke reeds wijd en zijd bekend was geworden, ook reeds doorgedrongen was. Alle bewoners kwamen hen te gemoet en ontvingen hen met luide gelukwenschen. „Dat gij mij levend wederziet,” sprak Bertram tot Lucie, die het eerst naar hem toeliep, ofschoon Julia’s oogen haar nog vooruitgesneld waren, „hebt gij aan deze vrienden te danken.”
Blozende boog Lucie voor Hazlewood, om hem haren dank te betuigen, en reikte Dinmont met hartelijkheid de hand. In de overmaat zijner vreugde veroorloofde de eerlijke pachter zich veel grootere vrijheid, dan waartoe dit bewijs harer dankbaarheid hem scheen uit te noodigen, en drukte haar een kus op de lippen. Nauwelijks had hij dit echter gedaan, of hij ontstelde over het onwelvoegelijke van zijn gedrag en zeide: „Om Godswil, juffrouw, vergeef het mij! het was mij waarlijk, alsof gij mijne dochter waart. De kapitein is zoo vriendelijk en gemeenzaam, dat men zich zelven waarlijk vergeet.”
Pleydell kwam intusschen nader en zeide: „Nu, indien er zulke belooningen uitgedeeld worden” –
„Zacht, zacht, Mijnheer Pleydell” hernam Julia, „gij hebt uw loon reeds vooruit ontvangen. Denk slechts aan gisteren avond.”
„Dat ontken ik niet,” antwoordde de oude heer; „maar als ik morgen geen dubbel loon van Lucie en u ontvang, wanneer het verhoor van Dirk Hatteraick afgeloopen is – ik verzeker u, ik zal hem gedwee maken! Gij zult het zien, kolonel! en zoo gij het al niet zien kunt, mijne nuffige dames! dan zult gij er van hooren.”
„Als wij namelijk verkiezen te luisteren, Mijnheer Pleydell!”
„En gij zoudt wel twee tegen één willen wedden, dat gij dit niet verkiezen zult? – Maar de nieuwsgierigheid leert u, uwe ooren nu en dan wel eens te gebruiken.”
„En ik verzeker u, dat zulke neuswijze heeren als gij, ons spoedig zouden leeren, nu en dan onze vingers te gebruiken.”
„Bewaar die liever voor het klavier, mijne lieve! Dat is voor ons allen beter.”
Onder dit gesnap geleidde de kolonel een eenvoudig gekleed man met een innemend gelaat, naar Bertram en zeide: „Ik heb het genoegen u den heer Mac-Morlan voor te stelten.”
„Het verheugt mij u te leeren kennen, edele man, die mijne zuster zoo belangeloos onder uwe hoede en bescherming naamt, toen zij zich van alle vrienden en bloedverwanten verlaten zag,” hernam Bertram, hem hartelijk omhelzende.
Nu trad Sampson ook nader en poogde te glimlachen en te fluiten. Hij kon echter zijne ontroering niet verbergen en snelde naar buiten, om zijn gevoel door een stortvloed van tranen lucht te geven.
De avond van dezen gelukkigen dag werd verder in gezellige vreugde en vroolijkheid doorgebracht.
ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
Gelijk aan een hatelijk’ aap Grijnzend verrast bij zijn geroofden schat, Schijnt de bedrieger, wiens verachtelijk streven Ontsluierd wordt.
Graaf Basselius.
Den volgenden morgen was alles te Woodbourne reeds vroeg in beweging, om het verhoor te Kippletringan bij te wonen. Daar de heer Pleydell voorheen met het onderzoek, betrekkelijk den vermoedelijken moord op Kennedy gepleegd, belast was geweest en daardoor reeds eenigermate met deze duistere zaak bekend geworden was, werd hij, zoo wel om deze reden, als uit eerbied voor zijne buitengemeene bekwaamheid, door den heer Mac-Morlan, Sir Robert Hazlewood en een derden, hen vergezellenden vrederechter verzocht, den post van voorzitter bij het verhoor op zich te nemen. De kolonel Mannering werd uitgenoodigd de zitting mede bij te wonen. Dit verhoor, hetwelk het eigenlijke proces voorafging, vond overigens met gesloten deuren plaats.
De voorheen afgelegde getuigenissen werden nagelezen en de nog levende getuigen werden op nieuw verhoord. Vervolgens werden de geestelijke en de heelmeester omtrent de verklaringen door de stervende Meg Merrilies gedaan ondervraagd. Beiden getuigden, dat Meg duidelijk, stellig en bij herhaling verklaard had dat zij toevallig ooggetuige was geweest van den moord, door Hatteraick en twee of drie van zijn scheepsvolk op Kennedy gepleegd; dat zij geloofde, dat hunne verbittering tegen hem, als de oorzaak van het verlies van hun schip, hen tot deze misdaad verleid had; dat er nog een getuige van den moord, die echter geen deel aan de bloedige daad had willen nemen, leefde, met name haar neef Gabriël Faa – en dat zij eindelijk nog met een enkel woord van een derden man, die na, – en niet vóór het plegen van den moord medeplichtig geworden was, gesproken had, maar dat hare krachten haar te snel begeven hadden, dan dat zij zich dienaangaande nader kon verklaren. Verder getuigden zij dat Meg ook nog verteld had, dat zij het kind eerst gered had, maar dat het haar door de smokkelaars weder ontrukt was, die het naar Holland voeren wilden. – Al deze bijzonderheden werden zorgvuldig opgeteekend.
Hierop werd Dirk Hatteraick, zwaar geboeid, binnen gebracht. Men vroeg hem naar zijn naam; hij antwoordde niet, – naar zijn beroep; hij zweeg. Even zoo ging het met alle andere vragen, welke hem gedaan werden. Pleydell wischte de glazen van zijn bril af, keek den gevangene strak aan en fluisterde Mannering in het oor: „Een woeste, norsche knaap, maar zoo als Dogberry zegt, ik zal listig met hem te werk gaan.” – Daarop beval hij een gerechtsdienaar: „Laat Soles, de schoenmaker, binnen komen” Deze verscheen. „Soles, herinnert gij u nog dat gij op mijn bevel op den ** November 17** verscheidene afdrukken van voetstappen in het bosch van Warroch opgemeten hebt?” – Soles herinnerde zich dit volkomen. – „Bezie dit papier; is dat hetzelfde, waarop gij de verschillende maten opgeteekend hebt?” – Soles bevestigde zulks. – „Best! Daar staan een paar schoenen op de tafel; meet ze en zie, of ze met een van de door u opgeteekende maten overeenkomen.” – De schoenmaker deed het en verklaarde dat ze met de grootste der voetstappen volkomen overeenstemden.”
„Wij zullen bewijzen,” zeide Pleydell ter zijde tegen Mannering, „dat deze schoenen, die in de bouwvallen te Derncleugh gevonden zijn, aan Brown, den knaap, dien gij bij Woodbourne nedergeschoten hebt, toebehoord hebben – Soles, meet nu nauwkeurig den voet van dezen gevangene.”
Mannering sloeg Hatteraick opmerkzaam gade en zag, dat deze eenigszins ontstelde. „Komen zijne voeten met een van de gemeten voetstappen overeen?”
De schoenmaker zag van zijne maat op het papier, mat nog eenmaal en zeide: „Ze komen volmaakt met een voetstap, een weinig breeder en korter dan de vorige, overeen.”
Hier verloor Hatteraick zijne zelfbeheersching.
„De duivel!” riep hij uit, „hoe konden er voetstappen in den grond zijn, daar alles door de vorst zoo hard was als een steen?”
„Des avonds, dát stem ik u toe, kapitein Hatteraick! maar niet des voormiddags. Wilt gij nu wel zoo goed zijn mij te zeggen, waar gij op dien dag, welker gij u zoo nauwkeurig herinnert, geweest zijt?”
Hatteraick begreep zijn misslag en bewaarde van nu af weder een hardnekkig stilzwijgen.
„Schrijf de aanmerking, welke hij zich heeft laten ontvallen, toch op,” zeide Pleydell tegen den klerk.
Op dit oogenblik werd de deur geopend en de heer Gilbert Glossin trad tot groote verwondering der aanwezenden binnen. Deze waardige man was op slinksche wijze te weten gekomen, dat Meg hem in hare verklaringen op haar doodbed niet genoemd had; eene omstandigheid, welke hij zeker niet aan hare gunstige gezindheid jegens hem, maar alleen aan het te lang uitstellen van een geregeld verhoor en aan haren spoedigen dood te danken had. Hij begreep dus, dat hij niets had te vreezen dan de verklaringen van Hatteraick, en om deze te voorkomen, besloot hij zich vrijpostig naar de gerechtszaal te begeven en het verhoor bij te wonen. „Ik zal wel gelegenheid hebben,” dacht hij, „om den schurk te doen begrijpen, dat zijne veiligheid van zijn zwijgen afhangt; en buitendien zal mijne tegenwoordigheid tot een bewijs van mijn vertrouwen en van mijn onschuld strekken. Moet ik de landerijen verliezen – het zij zoo; maar ik vertrouw, dat het beter zal afloopen.”
Bij het binnentreden maakte hij eene diepe buiging voor Sir Robert Hazlewood. Sir Robert, die eenigszins begon te vermoeden dat zijn nederige buurman hem, als het ware, gebruikt had, om de kanstanjes uit het vuur te halen, knikte koel met het hoofd, nam een snuifje en keek den anderen kant uit.
„Mijnheer Corsand,” zei Glossin tot den derden vrederechter, „uw onderdanigste dienaar.”
„Uw onderdanige dienaar, Mijnheer Glossin,” antwoordde de heer Corsand droogjes en volgde het voorbeeld van den baronet.
„Mac-Morlan, waarde vriend, hoe vaart gij? – Steeds ijverig als de plicht u roept?”
„Hm!” bromde de eerlijke Mac-Morlan, zonder verder acht op zijne woorden te slaan.
„Kolonel Mannering, (met eene diepe buiging, welke zeer onachtzaam beantwoord werd) en Mijnheer Pleydell, (weder eene diepe buiging), „ik had niet durven hopen dat gij ons in dit saizoen met uwe hulp en tegenwoordigheid vereeren zoudt.”
Pleydell nam een snuifje, keek hem scherp en schamper aan en zeide tegen Mannering: „Ik zal hem de waarde van de oude waarschuwing: ne accesseris in concilium antequam voceris, [34] leeren kennen.”
„Maar misschien kom ik hier ongelegen, Mijne Heeren,” hernam Glossin, de koele ontvangst opmerkende. „Het is toch eene openbare vergadering?”
„Wat mij betreft,” hernam Pleydell, „ik houd het er in het geheel niet voor, dat gij ongelegen komt. Ik ben integendeel zeer verheugd, u hier te zien, daar wij u, naar mijne gedachten, anders nog wel in den loop van dezen dag hadden moeten verzoeken, ons met uwe tegenwoordigheid te vereeren.”
„Welaan dan, Mijne Heeren,” hernam Glossin, terwijl hij een stoel bij de tafel trok en in de papieren begon te bladeren, „waar zijn wij? Hoe ver zijn wij gekomen? Waar zijn de verklaringen?”
„Geef mij al die papieren,” zeide Pleydell tegen den klerk. „Ik heb mijne eigene wijze, om mijne stukken te schikken, Mijnheer Glossin, en raak licht in de war, als een ander ze in handen neemt. Maar ik zal u straks wel om uwe hulp moeten verzoeken.”
Glossin, die dus van alle werkzaamheid verstoken was, wierp een heimelijken blik op Dirk Hatteraick, maar kon niets dan boosaardigheid en haat tegen alle aanwezenden op zijn donker en woest gelaat lezen. „Maar, Mijne Heeren!” sprak Glossin nu, „is het niet al te streng, dezen armen man zoo zwaar geboeid te houden, zoolang hij slechts in ’t verhoor is?” Dit moest een vriendelijke wenk voor den gevangene zijn.
„Hij is reeds eenmaal ontvlucht,” antwoordde Mac-Morlan droogjes, en Glossin moest zwijgen.
Hierop werd Bertram binnengeleid en, tot Glossin’s spijt en verbazing, door alle aanwezigen, waaronder ook Sir Robert Hazlewood, zeer vriendelijk begroet. Hij verhaalde zijne herinneringen uit zijne kindsche jaren met eene openhartigheid en eenvoudigheid in zijne uitdrukkingen, welke het beste bewijs voor zijne goede trouw opleverden.
„Dit schijnt mij meer eene civiele, dan crimineele zaak te zijn,” hernam Glossin, opstaande; „en daar het u niet onbekend kan zijn, Mijne Heeren, welken invloed de voorgewende afkomst van dezen jonkman op mijne belangen kan hebben, zult gij mij wel willen veroorloven, mij te verwijderen.”
„Volstrekt niet,” antwoordde Pleydell; „wij kunnen u volstrekt niet missen. Maar waarom noemt gij de aanspraken van dezen jongen man voorgewend? Ik wil het rechtsgeleerde standpunt dat gij kiezen zult, niet uitvorschen, maar” –
„Ik geloof, dat ik de zaak met weinige woorden kan verklaren, Mijnheer Pleydell! – Deze jonkman, dien ik voor een onechten zoon van den overleden Ellangowan houd, heeft eenige weken onder verschillende namen in dit oord rondgezworven, met een ondeugend, oud, krankzinnig wijf (dat, zoo als ik gehoord heb, pas dezer dagen bij eene vechtpartij doodgeschoten is) allerhande aanslagen gesmeed en, met behulp van ketellappers, Heidenen en dergelijk gespuis, de pachters tegen hunne landeigenaars opgeruid, hetwelk, zoo als Sir Robert Hazlewood van Hazlewood weet” –
„Vergeef mij, dat ik u in de rede val, Mijnheer Glossin,” sprak Pleydell; „maar ìk moet u nog eenmaal vragen, wie deze jonkman is, naar uw zeggen.”
„Ik zeg en ik geloof dat die man,” (op Hatteraick wijzende) „het ook weet, dat hij een onechte zoon is van den overleden Ellangowan. Zijne moeder, een landmeisje, Janet Lightoheel genaamd, is met zekeren Helwit, een’ scheepstimmerman in het graafschap Annan, gehuwd. Hij heet Godfried Bertram Helwit en is onder dien naam op het wachtschip the Royal Caroline geplaatst.”
„Zoo?” antwoordde Pleydell; „dat is eene zeer waarschijnlijke geschiedenis! Maar wij zullen ons met het verschil van oogen, kleur en zoo voorts niet ophouden en liever iemand hier laten komen, die de zaak oogenblikkelijk beslissen zal. – Treed binnen, jonkman, als het u belieft!” Een jonge zeeman verscheen. – „Dat is de ware Godfried Bertram Helwit. Hij is stuurman aan boord van een Westindiëvaarder van Antigua en gisteren avond uit Liverpool hier aangekomen. Hij bevindt zich op den goeden weg, om flink in de wereld vooruit te komen, hoewel hij er wat onregelmatig ingekomen is.”
Terwijl de andere rechters zich met den jongen zeeman onderhielden, nam Pleydell het oude zakboek van Dirk Hatteraick, hetwelk onder de papieren op de tafel lag, in de hand. Een blik van den smokkelaar verried den scherpzienden rechtsgeleerde, dat het iets zeer gewichtigs bevatten moest. Hij legde dus het zakboek weder op de tafel, begon weder in de papieren te bladeren en bemerkte oogenblikkelijk, dat de gevangene dit met een koelen blik aanzag. „Wat het ook zijn moge, het moet in het zakboekje zijn,” dacht Pleydell, begon het weder nauwkeurig te onderzoeken en ontdekte eindelijk eene kleine opening tusschen het leder en het bordpapier, waaruit hij drie smalle reepen papier haalde. Pleydell wendde zich hierop tot Glossin en vroeg hem heel beleefd, of hij bij het zoeken naar Kennedy’s lijk en den kleinen Hendrik Bertram, op den dag, waarop deze verdwenen waren, ook tegenwoordig geweest was. „Ik was er niet – ja, ik was er toch bij tegenwoordig,” stamelde Glossin bedremmeld.
„Daar gij in zulke nauwe betrekking tot de familie Ellangowan stond, is het toch opmerkelijk, dat gij, zoo ver ik mij herinneren kan, geheel niet voor mij verschenen zijt, om ook uwe getuigenis af te leggen, toen ik mij met het onderzoek dier ongelukkige zaak onledig hield.”
„Gewichtige bezigheden riepen mij reeds den volgenden dag naar Londen,” hernam Glossin.
„Schrijf dit antwoord op,” bevat Pleydell den klerk. – „Ik veronderstel, Mijnheer Glossin, dat die bezigheden in het verkoopen van deze drie wissels bestonden, welke op denzelfden dag, waarop de moord gepleegd werd, door u op de heeren Van Beest en Van Bruggen getrokken en door Dirk Hatteraick in hun naam geaccepteerd zijn. Ik wensch u er geluk mede, dat ze gehonoreerd werden, – wat eigenlijk niet te verwachten was.” – Glossin verbleekte. „Deze papieren bevestigen volkomen de verklaringen, welke zekere Gabriël Faa, dien wij thans in verzekerde bewaring hebben en die getuige van uwe onderhandeling met den waardigen Hatteraick geweest is, aangaande uw gedrag bij die gelegenheid afgelegd heeft. Of kunt gij uw gedrag anders verklaren?”
„Mijnheer Pleydell,” antwoordde Glossin zeer bedaard, „indien gij mijn raadgever waart, zoudt gij mij denkelijk niet raden zoo oogenblikkelijk op eene beschuldiging te antwoorden, welke een laaghartige schurk door een meineed schijnt te willen bevestigen.”
„Mijn raad zou volgens mijn gevoelen omtrent uwe schuld of onschuld geregeld worden. Ik geloof dat gij, in uwe omstandigheden, den voorzichtigsten weg inslaat; maar gij moet, zoo als gij zelf wel inziet, in hechtenis genomen worden.”
„Hoe, Mijnheer? als beschuldigd van moord?”
„Neen, slechts als medeplichtige bij het rooven van het kind.”
„Daarvoor kan borgtocht gesteld worden.”
„Vergeef mij,” hernam Pleydell, „het is een plagium [35] en plagium is eene crimineele zaak van ernstigen aard.”
„Verschoon mij, Mijnheer Pleydell; er is stechts één voorbeeld van een soortgelijk geval voorhanden. Twee vrouwen, Torrence en Waldie genaamd, zoogenaamde „opstandingsvrouwen,” die er hun werk van maakten, kortelings begraven lijken weder op te delven, hadden, zoo als gij u wel herinneren zult, beloofd, een kinderlijk aan eenige jonge heelkundigen te verschaffen. Daar zij zich hiertoe op hare eer verbonden hadden, stalen zij, om de studenten bij de avondles niet teleur te stellen, een levend kind, brachten, het om het leven en verkochten het lijk voor twee en veertig stuivers. Zij werden opgehangen, doch om den moord, en niet om het plagium. Uw burgerlijk recht heeft u een weinig te ver gevoerd.”
„Het is mogelijk; maar wij moeten u intusschen naar de gevangenis doen brengen op een bevelschrift van den heer Mac-Morlan, ingeval de jonkman zijne verklaring herhaalt. – Gerechtsdienaren, brengt den heer Glossin en Hatteraick weg en bewaakt hen in afzonderlijke vertrekken.”