Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Part 41

Chapter 413,815 wordsPublic domain

Terwijl Dinmont met alle inspanning door den lagen en nauwen ingang van het hol kroop, werd hij plotseling bij één zijner beenen vastgehouden. Het stalen hart van den dapperen landman begon te kloppen en met moeite onderdrukte hij een kreet, welke hen allen, in den weerloozen toestand waarin zij zich bevonden, misschien het leven had kunnen kosten. Hij verloor echter zijne tegenwoordigheid van geest niet en vergenoegde zich, met zijn voet uit de hand van zijn onverwachten navolger los te rukken. „Wees gerust,” fluisterde hierop eene stem achter hem; „ik hen een vriend, Karel Hazlewood.”

Hoewel Meg reeds de plaats bereikt had, waar het hol hooger werd, en zich reeds opgericht had, hoorde zij toch iets van deze woorden, hoe zacht ook gesproken, en schrikte hevig. Maar dadelijk herstelde zij zich en begon, alsof zij een luisterend oor verbijsteren wilde, te mompelen, te zingen en in het brandhout, dat in het hol opgestapeld lag, te roeren.

„Hier, oude heks, duivelskind!” brulde Dirk Hatteraick uit zijn schuilhoek; „wat doet gij daar?”

„Ik leg het hout te recht, om u voor den kouden wind te beschutten, gij deugniet! – Gij komt er maar al te wel af en wilt het niet weten; maar het zal weldra anders zijn.”

„Hebt gij mij brandewijn en tijding van mijn volk medegebracht?”

„Hier is de flesch. Uw volk is geslagen – verstrooid, gevlucht of door de roodrokken in de pan gehakt.”

„De duivel! dit is eene noodlottige kust voor mij!”

„Gij kant wel eens meer reden hebben, om zoo te spreken.”

Onder dit gesprek hadden Bertram en Dinmont ook het eigenlijke hol bereikt en waren overeind gaan staan. Het ruwe gewelf werd enkel door het schijnsel van gloeiende houtskolen verlicht, welke op een ijzeren rooster of bekken, zoo als de visschers des nachts bij de zalmvangst gebruiken, brandden. Hatteraick wierp van tijd tot tijd eene handvol takjes of andere stukjes hout er bij; maar zelfs de vlam, die dan helder ofschoon slechts voor een oogenblik fikkerde, verspreidde geen licht genoeg, om het geheele uitgestrekte hol te verlichten. Daar bovendien de smokkelaar, van den ingang af gezien, achter het vuur lag, zoo kon hij niet licht de voorwerpen onderscheiden, welke zich aan deze zijde bevonden. De in het hol gedrongen mannen, wier getal zoo onverwacht tot drie geklommen was, liepen dus achter het los opgestapelde brandhout weinig gevaar van ontdekt te worden, en Dinmont had de voorzichtigheid, Hazlewood met de eene hand zoo lang terug te houden, tot hij Bertram kon toefluisteren: „Een vriend – de jonge Hazlewood.”

Het was niet raadzaam, op dit oogenblik het gesprek verder voort te zetten en allen stonden stil, als de rotsen rondom hen, verscholen achter het hout, hetwelk daar waarschijnlijk nedergelegd was, om den kouden zeewind te breken, zonder den toevloed van versche lucht geheel te verhinderen. De takjes waren zoo los op elkander gestapeld, dat zij daartusschen gemakkelijk zien konden wat er bij het vuur gebeurde, ofschoon de personen, die achter in het hol waren, hen zelfs bij een veel sterker licht niet in hunne schuilplaats konden ontdekken.

Het geheele tooneel leverde, zonder het belang en het persoonlijk gevaar waarmede het gepaard ging in aanmerking te nemen, door de werking van licht en schaduw op de vreemdsoortige voorwerpen, die zich aan het oog vertoonden, een indrukwekkend gezicht op. De gloeiende houtskolen verspreidden een donkerrooden gloed, die van tijd tot tijd door eene vluchtige, meer of minder helder flikkerende vlam versterkt werd, al naar de brandstof, waarmede Dirk Hatteraick zijn vuur voedde, hiertoe beter of minder geschikt was. Nu steeg eene donkere rookwolk tot aan de zoldering van het hol omhoog; dan flikkerde door de rookzuil heen een flauwe, matte gloed, die dan plotseling weder tot eene heldere, levendige vlam werd, als er droge takjes of dunne stukjes dennenhout op het vuur geworpen werden. Bij deze afwisselende verlichting konden Bertram en zijne vrienden de gestalte van Hatteraick meer of minder onderscheiden, wiens woeste en barsche trekken, welke in zijn tegenwoordigen toestand en bij zijne sombere stemming nog scherper uitkwamen, zeer goed bij de ruwe rotsen pasten, die een onregelmatig gewelf over en rondom hem heen vormden. De gestalte van Meg Merrilies, die langzaam bij hem heen en weder wandelde, nu eens zichtbaar bij den gloed van het vuur, dan weder verborgen door den rook of de duisternis, stak sterk tegen de zittende, bijna onbewegelijk naar het vuur gebogene houding van Hatteraick af, die voor het oog der aanschouwers steeds zichtbaar bleef, terwijl de op en nedergaande Heidin, als eene spookgestalte, soms verscheen en dan plotseling weder verdween.

Bij het gezicht van Hatteraick voelde Bertram zijn bloed koken. Hij herkende hem oogenblikkelijk als den scheepskapitein Janson, zooals Hatteraick zich na den dood van Kennedy genoemd had, en herinnerde zich nog even goed, dat deze Janson en zijn stuurman Brown, die te Woodbourne doodgeschoten werd, de tirannen zijner jeugd geweest waren. Bertram wist ook, deels uit zijne eigene donkere herinneringen, deels uit de verhalen van Mannering en Pleydell, dat deze man op den verschrikkelijken dag, waarop hij aan zijn ouders en zijn vaderland ontrukt en daardoor aan zoo vele ongemakken en gevaren bloodgesteld was, de hoofdrol gespeeld had. Duizenderlei verbitterende gedachten ontwaakten in zijn boezem en nauwelijks kon hij zich weerhouden van Dirk Hatteraick dadelijk aan te vallen en hem een kogel door het hoofd te jagen. Dit zou echter in de tegenwoordige omstandigheden een zeer gevaarlijk waagstuk geweest zijn. Bij het schijnsel der flikkerende vlam, hetwelk de sterke, gespierde en forsche gestalte van den booswicht deed uitkomen, ontdekte Bertram ook twee paar pistolen benevens een houwer in zijn gordel; en het was te verwachten, dat zijne woede en wanhoop even geducht zouden zijn, als zijne lichaamskracht en verdedigingsmiddelen. De booswicht kon, wel is waar, onmogelijk de vereenigde krachten van twee mannen, als Bertram en zijn vriend Dinmont, weerstaan, zonder hun onverwachten bondgenoot, Hazlewood, die ongewapend en minder gespierd was, te rekenen, maar Bertram gevoelde, dat het verstandig noch roemrijk zijn zou, den scherprechter vooruit te loopen, en dat het tevens van het uiterste belang was, Hatteraick levend gevangen te nemen. Hij bedwong dus zijne verontwaardiging en wachtte geduldig af, wat er verder tusschen den booswicht en de Heidin gebeuren zou.

„En wat is er nu van u geworden?” vroeg Meg met hare schorre onaangename stem. „Heb ik u niet gezegd, dat het u overkomen zoude? – ja en juist in dit zelfde hol, waar gij u, na het plegen van de daad verscholen hebt.”

„Storm en onweer! houd uwe zedepreken voor je, oude heks, tot men er u om vraagt! Hebt gij Glossin gesproken?”

„Neen. Gij hebt uw slag gemist, gij bloedvergieter! en hebt niets van den verleider te wachten.”

„Wat drommel! had ik hem maar bij de keel! – En wat moet ik nu doen?”

„Doen?” hernam de Heidin; „sterven als een man, of gehangen worden als een hond!”

„Gehangen, gij satansche oude heks? – De hennip, waaraan ik zal hangen, is nog niet gezaaid.”

„Ze is reeds gezaaid, gegroeid, gehekeld en gesponnen. Heb ik u niet gezegd, toen gij den kleinen Hendrik Bertram, in weerwil van mijne beden, wegvoeren wildet – heb ik u toen niet gezegd, dat hij terugkeeren zou, als hij zijn noodlot, tot zijn éen en twintigste jaar, in vreemde landen vervuld had? Heb ik u niet gezegd, dat het oude vuur tot op een vonkje na uitbranden, maar toch weder opleven zoude?”

„Ja, moedertje! dat hebt gij gezegd; en, voor den duivel, ik geloof, dat gij waarheid gesproken hebt! Die jonker van Ellangowan is mijn geheele leven een steen des aanstoots voor mij geweest! – En nu heb ik, door Glossin’s vervloekte kunstjes, mijn volk en alles verloren. Mijne booten zijn vernield en ik denk wel het schip zelf ook genomen. Er was geen volk genoeg op om het te besturen, nog veel minder om het te verdedigen, – eene ellendige sloep kon het wel overmeesteren. En wat zullen de eigenaars zeggen? – Hagel en storm! ik durf nooit weder in Vlissingen komen.”

„Dat zal ook niet noodig zijn.”

„Wat doet gij daar en waarom zegt gij dat?”

Onder dit gesprek had Meg wat vlas los op een hoop gelegd. Vóor dat zij deze vraag beantwoordde, wierp zij een brandend stuk hout op het vlas, hetwelk zij eerst in eenig geestrijk vocht gedoopt had. Dadelijk vatte het vuur, en eene helder schitterende vlam verhief zich tot aan den top van het gewelf. Op dit oogenblik beantwoordde Meg de haar gedane vraag en sprak met eene sterke, vaste stem: „Omdat het uur en de man beiden gekomen zijn.”

Op dit teeken sprongen Bertram en Dinmont uit hunne schuilplaats te voorschijn en wierpen zich plotseling op Hatteraick. Hazlewood, die niets van deze afspraak wist, volgde een oogenblik later. De booswicht, die oogenblikkelijk begreep dat hij verraden was, richtte zijn eerste wraak tegen Meg Merrilies en schoot een pistool op haar af. Zij zeeg met een doordringenden, vreeselijken gil neder en zeide: „Ik wist, dat het zoo eindigen zou!”

Bertram struikelde in zijne drift op den oneffen, rotsachtigen grond van het hol; een groot geluk voor hem, want op hetzelfde oogenblik floot Hatteraicks tweede kogel zoo dicht over zijn hoofd heen, dat die hem zeker getroffen moest hebben, als hij rechtop gestaan had. Vóor dat Hatteraick eene derde pistool uit zijn gordel kon trekken, greep Dinmont hem en poogde hem de armen vast te houden. Maar de kracht van den wanhopigen booswicht was zoo groot, dat hij den reusachtigen landman, die met hem worstelde, door het brandende vlas heensleepte en het hem bijna gelukt was – wat den eerlijken Dinmont zeker duur te staan gekomen zou zijn – eene derde pistool te trekken, toen Bertram en Hazlewood aansnelden. Met vereenigde krachten wierpen zij den booswicht op den grond, ontnamen hem zijne wapens en bonden hem. Dit alles was het werk van eene enkele minuut. Toen Hatteraick nu volkomen overmeesterd was en zich te vergeefs een paar malen met inspanning van alle krachten wanhopig had pogen los te maken, lag hij stil en sprak geen woord. „Hij jankt niet tegen den dood,” sprak Dinmont „en dat is het beste wat ik van hem weet.”

Met deze aanmerking schudde de eerlijke Dandie het smeulende vlas van zijn rok en uit zijne gedeeltelijk verzengde zwarte haren.

„Hij is nu stil,” zeide Bertram hierop; „blijf gij bij hem staan en pas op, dat hij zich niet verroert. Ik moet zien, of de arme vrouw nog leeft of reeds dood is.” Met behulp van Hazlewood hief hij Meg Merrilies nu op.

„Ik wist, dat het zoo eindigen zou,” mompelde zij, „en zoo moest het ook komen.”

De kogel was onder de keel in de borst gedrongen. Uitwendig bloedde de wond niet sterk; maar Bertram begreep dadelijk, dat ze zeer gevaarlijk was. „Groote hemel! wat zullen wij voor deze arme vrouw doen?” riep hij treurig uit.

„Mijn paard staat boven in het bosch aan een boom gebonden,” hernam Hazlewood. „Ik heb u reeds sedert een paar uren gadegeslagen. Ik zal mij te paard werpen en eenige vertrouwde lieden te hulp roepen. Bewaak gij intusschen den ingang van het hol, tot ik terug kom.” Met deze woorden snelde hij heen. Bertram verbond, zoo goed mogelijk, de wond van Meg Merrilies en vatte, met een pistool met overgehaalden haan in de hand, post bij den ingang van het hol. Dinmont bewaakte Hatteraick. Eene doodsche stilte, slechts nu en dan afgebroken door het zachte en gesmoorde kermen van de gekwetste Heidin en de zware ademhaling van den gevangene, heerschte in het hol.

VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Hoewel verleid en lang verdwaald, Gij wijd en zijd hebt rondgezworven Heeft Godes oog u steeds bewaakt En is Zijn genade u verworven.

De Rechtszaal.

Na verloop van een klein uur, hetwelk den wachtenden in hun onzekeren en gevaarlijken toestand wel driemalen zoo lang voorgekomen was, hoorden zij de stem van den jongen Hazlewood, die hun reeds uit de verte toeriep: „Hier ben ik met genoegzame hulp.”

„Kom maar naar binnen,” antwoordde Bertram, zeer verheugd dat hij van zijn post afgelost werd. Hazlewood verscheen hierop met eenige mannen, onder welke zich een beambte bij het vredegerecht bevond, in het hol. Zij tilden Hatteraick op en droegen hem zoo ver, als de ruimte zulks veroorloofde, in den ingang, waar zij hem vervolgens op den rug nederlegden en, zoo goed zij konden, naar buiten sleepten, daar hij zich volstrekt niet liet bewegen, om van zijne zijde eenigszins mede te werken om door den engen ingang te geraken. Stil en werkeloos, als een lijk, lag hij op den grond en liet zich, zonder eenigen wederstand te bieden, voortslepen. Toen hij in het daglicht kwam en tusschen drie of vier mannen, die buiten het hol gebleven waren, overeind geplaatst was, scheen hij door den plotselijken overgang uit de duisternis en het licht verblind en als buiten zich zelven. Terwijl de anderen bezig waren met Meg Merrilies uit het hol te brengen, wilden Hatteraicks wachters hem op een stuk rots, hetwelk gedurende den vloed nog juist op het droge lag, doen nederzitten. Stuiptrekkend, sidderende, verzette hij zich hiertegen en riep: „Daar niet! wat drommel! daar wilt gij mij toch niet doen zitten?”

Dit waren de éénige woorden, die hij sprak; maar de zin en de toon, waarop hij ze uitsprak, toonden genoegzaam wat er in zijn binnenste omging.

Nadat Meg Merrilies ook met alle mogelijke voorzichtigheid uit het hol gedragen was, beraadslaagde men waarheen zij gebracht zou worden. Hazlewood, die reeds om een heelmeester gezonden had, stelde voor haar intusschen naar de naaste hut te brengen. Maar zij verzette zich hiertegen en sprak met diepen ernst: „Neen, neen, neen! Naar den toren van Derncleugh – naar den toren van Derncleugh! Daar alleen kan de ziel los worden van het lichaam.”

„Wij moeten, dunkt mij, aan haren wensch voldoen,” zeide Bertram; „hare onrust zal anders de wondkoorts verergeren.”

Men droeg haar dus naar den toren. Onderweg scheen zij zich meer met het voorgevallene, dan met de gedachte aan haren naderenden dood bezig te houden. „Er waren er drie, die op hem aanvielen,” mompelde zij; „ik heb er maar twee medegebracht. – Maar wie was de derde? – Hij zal zelf wedergekomen zijn, om zich te wreken.”

Het was blijkbaar, dat de onverwachte verschijning van Hazlewood, dien zij, daar zij bijna op hetzelfde oogenblik doodelijk getroffen werd, niet had kunnen herkennen, een’ diepen indruk op hare verbeelding gemaakt had. Zij kwam er dikwijls weder op terug. Voor Bertram was deze verschijning evenzeer een raadsel, tot dat Hazlewood hem verhaalde, dat hij hem en zijne beide tochtgenooten, op verzoek van Mannering, gevolgd was en hen een geruimen tijd in het oog gehouden had; dat hij hen, toen zij in het hol verdwenen, was nagekropen, om zich zelven en zijn oogmerk bekend te maken en toen in den donkeren en nauwen ingang het been van Dinmont gevat had, wat licht de noodlottigste gevolgen had kunnen hebben, als de tegenwoordigheid van geest en de kloekmoedigheid van den onverschrokken landman dat niet verhoed hadden.

Toen Meg Merrilies bij den toren kwam, haalde zij den sleutel van het gewelf voor den dag en werd binnengebracht. Zoodra men haar nu op het bed wilde nederleggen, zeide zij op angstigen toon: „Neen, neen! zóó niet zóó niet: het hoofd naar het oosten,” en scheen tevreden, toen men haren wensch vervulde.

„Is hier in de nabijheid geen geestelijke, om deze ongelukkige vrouw in hare laatste oogenblikken bij te staan?” vroeg Bertram.

De predikant van het kerspel, de voormalige leermeester van Karel Hazlewood, had, even als vele anderen, het gerucht gehoord, dat de moordenaar van Kennedy op de plaats zelve, waar de misdaad zoo vele jaren geleden gepleegd was, gevangen genomen en dat eene vrouw daarbij doodelijk gewond was. Nieuwsgierigheid, of liever het gevoel dat zijn plicht hem riep, om lijdenden te vertroosten en bij te staan, voerde hem naar den toren van Derncleugh, waar hij nu zijn dienst aanbood. De heelmeester kwam terzelfder tijd en wilde de wond onderzoeken. Meg wees echter beider hulp van de hand en zeide: „Wat menschen doen kunnen, kan mij niet heelen of redden. – Laat mij zeggen, wat ik te zeggen heb, en dan moogt gij doen, wat gij wilt. Ik zal het niet verhinderen. – Maar waar is Hendrik Bertram?” De omstanders, die dezen naam in zoo vele jaren niet gehoord hadden, staarden elkander verbaasd aan. – „Ja!” zeide zij met een sterkere, schorre stem, „ik zeg Hendrik Bertram van Ellangowan. Gaat uit het licht, opdat ik hem zien kan.”

Aller oogen vestigden zich op Bertram, die de ellendige legerstede naderde. De gekwetste vrouw vatte zijne hand. „Ziet hem aan,” zeide zij, „gij allen, die zijn vader of grootvader ooit gekend hebt, en getuigt, of hij niet hun levend evenbeeld is!”

Een dof gemompel verhief zich onder de menigte. De gelijkenis was te sprekend, om geloochend te worden, „Hoort mij verder,” vervolgde zij, „en laat dezen man” (op Hatteraick wijzende, die met zijne wachters op eene kist zat) „laat dezen man loochenen, wat ik zeg, indien hij kan. Dit is Hendrik Bertram, de zoon van wijlen Godfried Bertram, heer van Ellangowan; dit is het kind, hetwelk Dirk Hatteraick op denzelfden dag, waarop hij den opzichter vermoordde, uit het bosch van Warroch ontvoerd heeft. Ik was daar, als een dwalende geest: want ik wilde dit bosch nog eenmaal zien, vóor dat wij de landstreek verlieten. Ik redde den knaap het leven en bad en smeekte, dat men hem aan mij overlaten zou. – Maar men voerde hem weg en hij is lang in verre gewesten geweest. Nu is hij teruggekomen, om zijn eigendom te vorderen; en wie zou hem weerstaan? – Ik zwoer, het geheim te bewaren tot hij een en twintig jaren oud was; – ik wist, dat hij zijn noodlot vervullen moest, tot die dag kwam. – Ik heb dien eed gehouden. Maar ik heb voor mij zelve nog een anderen eed gezworen, dat ik hem, als ik den dag van zijne terugkomst beleefde, weder op zijns vaders zetel zetten zoude, al moest elke schrede een leven kosten. Ik ben zelve het eerste slachtoffer. Hij, (op Hatteraick wijzende) zal spoedig het tweede zijn en dan komt er nog een derde.” Hier zweeg zij.

De predikant maakte de aanmerking, dat het jammer was dat deze verklaring niet behoorlijk opgeteekend was, en de heelmeester drong er op aan hare wond te onderzoeken, vóor dat zij door vragen verder uitgeput werd. Toen zij zag, dat men Hatteraick wegbracht en de omstanders het vertrek verlaten wilden, opdat de wondarts zijn werk ongestoord zou kunnen verrichten, verhief zij zich op haar leger en riep met luider stemme: „Dirk Hatteraick! gij en ik zullen elkander nooit weder zien, vóor dat wij voor den oppersten Rechter staan – wilt gij bevestigen, wat ik gezegd heb?”

Hij zag haar met een strak gelaat aan en scheen haar door zijne blikken tegen te spreken.

„Dirk Hatteraick, durft gij, met mijn bloed aan uwe handen, een enkel woord loochenen van alles, wat mijn stervende mond gezegd heeft?”

Hij keek haar nog steeds met dezelfde onbeschaamdheid en onbuigzame verstoktheid aan, en bewoog de lippen, maar zonder eenig geluid te doen hooren.

„Vaarwel dan!” vervolgde zij, „en God moge het u vergeven! Uwe eigene hand heeft mijne getuigenis verzegeld. – Bij mijn teven was ik de verachte, krankzinnige Heidin, die gegeeseld, gebannen en gebrandmerkt was – die van deur tot deur gebedeld had en als een omzwervende hond, van kerspel tot kerspel gejaagd en vervolgd werd. – Wie zou toen op hare woorden gelet hebben? – Maar nu ben ik eene stervende vrouw; en mijne woorden zullen niet in den wind worden geslagen, zoo zeker als de aarde mijn lichaam bedekken zal.”

Hier zweeg zij weder; en allen verlieten het vertrek, behalve de heelmeester en een paar vrouwen. Na een zeer kort onderzoek schudde hij het hoofd en ruimde zijne plaats bij de stervende vrouw aan den geestelijke in.

Een gerechtsdienaar, die voorzag dat Hatteraick spoedig naar de gevangenis gebracht zou moeten worden, had een rijtuig, hetwelk ledig naar Kippletringan terugkeerde, op den weg doen stilhouden. Zoodra de voerman hoorde, wat er te Derncleugh gaande was, liet hij zijn rijtuig aan de zorg van een straatjongen over, zich, zoo als men gerust mag veronderstellen, meer op de jaren en het geduld van zijne paarden, dan op de voorzichtigheid van den knaap verlatende, en snelde heen, om te zien wat er toch eigenlijk te doen was. Hij kwam juist op het oogenblik, dat de verzamelde landlieden, wier aantal van oogenblik tot oogenblik vermeerderde, hunne aandacht op Bertram vestigden, nadat zij lang genoeg de woeste, ruwe trekken van Hatteraick aangestaard hadden. De meesten onder hen, in het bijzonder de bejaarden, die den ouden Ellangowan in den bloei zijner jaren gezien en gekend hadden, gevoelden en erkenden dat Meg Merrilies de waarheid had gesproken. Maar de Schotten zijn voorzichtig; zij bedachten, dat een ander in het bezit der heerlijkheid Ellangowan was en deelden elkander, voor als nog, hunne gevoelens slechts fluisterende mede; maar onze vriend Hans Jabos, de voerman uit Kippletringan, drong met geweld door de menigte en had nauwelijks het oog op Bertram geslagen, of hij sprong van verbazing eene schrede terug en riep plechtig uit: „Dat is, zoo waar als ik leef, de oude Ellangowan, van den dood opgestaan!”

Deze openhartige verklaring van een onpartijdigen getuige was juist de vonk, die noodig was, om het smeulende gevoel der omstanders in vlammen te doen uitbarsten. Aanstonds klonk het van alle kanten: „Leve Bertram! – Lang leve de erfgenaam van Ellangowan! God geve hem het zijne weder, en late hem onder ons leven, gelijk zijne voorouders sedert eeuwen deden!”

„Zeventig jaren heb ik op het land van Ellangowan gewoond,” zeide de eene.

„Ik en de mijnen wonen er sedert tweemaal zeventig jaren,” sprak een ander; „ik moet dus het gelaat van een Bertram wel kennen.”

„Ik en de mijnen,” hernam een ander oud man, „zijn hier reeds drie honderd jaren geweest, en de jonge heer zal weder in zijn recht hersteld worden, al moest ik mijne laatste koe verkoopen.”

De vrouwen, altijd met het wonderbare ingenomen, en niet minder wanneer een schoon jongman de held der geschiedenis is, voegden hare schelle vreugdekreten bij het algemeene gejuich. „God zegene hem!” riepen zij. „Hij is het ware evenbeeld van zijn vader! De Bertrams waren altijd een zegen voor het land!”

„O! dat zijne arme moeder, die in kommer en angst om hem gestorven is, dezen dag had mogen beleven!” riepen eenige stemmen.

„Maar wij zullen hem aan zijn eigendom helpen!” riepen anderen. „Glossin zal het slot Ellangowan niet behouden, al zouden wij hem met onze nagels er uitkrabben!”

Anderen omringden Dinmont, die gaarne alles verhaalde, wat hij van zijn vriend wist, en er zich niet weinig op liet voorstaan, dat hij tot de ontdekking medegewerkt had. Daar hij bij velen der aanwezigen bekend was, verhoogde zijne getuigenis de algemeene geestdrift. Om kort te gaan, het was één van die oogenblikken van opgewondenheid, waarop de koelheid der Schotten als sneeuw voor de zon smelt en de eenmaal opgewekte geestdrift, als een woedende stroom, dijken en dammen met zich medesleept.