Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Part 43

Chapter 433,819 wordsPublic domain

Hierop werd Gabriël, de jonge Heiden, binnengebracht. Deze verhaalde omstandig, hoe hij van het schip van den kapitein Pritchard, waarop hij tot straf geplaatst was, ontvlucht was en zich op den noodlottigen dag bij de smokkelaars bevonden had. Toen Hatteraick zag dat het schip niet meer te behouden was, had hij het in den brand gestoken en was hij, onder begunstiging van den rook, met zijn scheepsvolk en zoo vele goederen, als zij bergen konden, met de booten naar het hol gevlucht, waar zij zich tot het vallen van den avond verborgen houden wilden. Hatteraick zelf, zijn stuurman Van Beest Brown en drie anderen onder wie hij zelf ook was, gingen naar het nabij gelegen bosch, om met eenigen hunner vrienden in de buurt te raadplegen. Onverwachts ontmoetten zij Kennedy, en nu besloten Hatteraick en Brown, die wisten dat hij de bewerker van hunne rampen was, hem te vermoorden. Hij verklaarde verder, dat hij gezien had, hoe zij den ambtenaar aanvielen en hem door het bosch sleepten; maar dat hij geen deel had genomen aan den aanval, en den afloop niet bijgewoond had. Na het plegen van den moord keerden zij langs verschillende wegen naar het hol terug, waar Hatteraick juist bezig was te verhalen, dat hij Kennedy nog een stuk rots achterna geworpen had, terwijl de ongelukkige op het strand lag te kermen, toen Glossin onverwachts in hun midden verscheen en zich in zijne tegenwoordigheid door Hatteraick tot geheimhouding liet omkoopen. Bertram’s lotgevallen vóor dat deze naar Indië ging, waren Gabriël volkomen bekend. Toen had hij hem uit het oog verloren, tot hij hem zoo onverwachts in het Liddesdal weder ontmoette. Hij had zoo wel zijne moei, Meg Merrilies, als Hatteraick, die zich, zoo als hij wist, destijds aan de kust bevond, hiervan oogenblikkelijk kennis gegeven; doch zijne moei was wegens deze kennisgeving aan den smokkelaar ten uiterste vertoornd op hem geweest. Hij verhaalde verder, dat Meg hierop verklaard had, dat zij alles doen zou wat in haar vermogen stond, om den jongen Ellangowan in zijne rechten te herstellen, al zou zij Dirk Hatteraick ook voor het gerecht moeten beschuldigen, en dat buiten hem nog vele anderen Heidenen, die algemeen geloofden dat zij met bovenaardsche ingevingen bezield werd, haar hiertoe behulpzaam wilden zijn. Met hetzelfde oogmerk had zijne moei den schat der bende, welken zij in bewaring had, aan Bertram gegeven. Toen het tolhuis overrompeld werd, had hij zich met drie of vier Heidenen onder den hoop gemengd, om Bertram te bevrijden, hetwelk hij zelf in eigen’ persoon volvoerd had. Hij zeide verder dat zij, bij het gehoorzamen aan Meg’s bevelen, nooit beoordeelden of ze goed en redelijk waren, daar het gezag, hetwelk zij onder haar volk bekleedde, haar boven zulke oordeelvellingen verhief. Ten slotte verklaarde Gabriël, dat zijne moei altijd gezegd had, dat Hendrik Bertram iets op zijne borst droeg, waardoor hij zijne geboorte bewijzen konde. Het moest eene bezwering, of tooverspreuk, zijn, die een student uit Oxford voor hem gemaakt had, en Meg had den smokkelaars doen gelooven, dat zij hun schip onfeilbaar zouden verliezen, als zij Bertram daarvan beroofden.

Bertram vertoonde hierop een klein fluweelen zakje, hetwelk hij, zoo als hij zeide, sedert zijne kindsheid op de borst gedragen, en in het begin uit bijgeloovigen eerbied, maar later in de hoop, dat het tot de ontdekking van zijne geboorte kon dienen, bewaard had. Bij het openen er van werd er een tweede blauw zijden zakje in gevonden, waarin een horoskoop of lotsvoorspelling zich bevond. De kolonel Mannering erkende het papier oogenblikkelijk als zijn eigen werk, verhaalde hoe hij bij zijn eerste bezoek te Ellangowan voor sterrewichelaar gespeeld had en bewees daardoor op beslissende en voldoende wijze, dat de eigenaar er van de erfgenaam van Ellangowan moest zijn.

„Na deze alles afdoende getuigenis, moeten er bevelen uitgevaardigd worden,” zeide Pleydell „om Glossin en Hatteraick in hechtenis te houden, tot dat zij door den bevoegden rechter vrijgesproken, of gevonnisd worden. Het doet mij leed om Glossin.”

„Naar mijn oordeel,” hernam Mannering, „verdient deze verreweg het minste medelijden. De andere is, ofschoon hard en ongevoelig als een keisteen, een stoute knaap.”

„Zeer natuurlijk, kolonel, dat gij belang stelt in den moordenaar en ik in den bedrieger. Dat is beroepssmaak. – Maar geloof mij, Glossin zou een flink rechtsgeleerde geweest zijn, indien hij niet eene zoo onweerstaanbare neiging tot het oneerlijke gedeelte van het beroep gehad had.”

„De laster zou zeggen, dat hij daarom misschien geen slechter rechtsgeleerde was.”

„De laster zou liegen als gewoonlijk. Het recht gelijkt in één opzicht naar opium; het is veel gemakkelijker, het als een kwakzalver te gebruiken, dan het als een bekwaam geneesheer te leeren aanwenden.”

ZEVEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Ongeschikt voor dood of leven! – O versteende! Volgt hem, menschen – sleept hem naar het blok!

Maat om maat.

De gevangenis in de hoofdplaats van het graafschap ** was een dier oude kerkers, welke Schotland tot voor korte jaren ontsierden. Toen de gevangenen hier met hunne wacht aankwamen, werd Hatteraick, wiens vermetelheid en sterkte wel bekend waren, in de zoogenaamde zaal der ter dood veroordeelden, een groot vertrek boven in de gevangenis, opgesloten. Een ronde ijzeren staaf, ter dikte van een mansarm boven den elleboog, liep op de hoogte van zes duimen boven den vloer dwars door dit vertrek, en was aan de beide einden in den muur gemetseld. De boeien, welke Hatteraick om de enkels had, werden met eene keten van omstreeks vier voet lengte aan een grooten ijzeren ring, die om de staaf liep, vastgemaakt. Dus kon de gevangene langs de staaf van de eene zijde van het vertrek naar de andere gaan, maar zich in eene andere richting niet verder van de staaf verwijderen, dan de lengte van de keten veroorloofde. Nadat zijne voeten op deze wijze vastgemaakt waren, ontboeide de cipier zijne handen en liet hem aan zich zelven over. Een veldbed was dicht bij de ijzeren staaf geplaatst, zoodat de geboeide gevangene, zonder losgemaakt te worden, zich, als hij verkoos, daarop uitstrekken kon.

Hatteraick was nauwelijks op deze wijze bezorgd, toen Glossin ook in de gevangenis aankwam.

Hij werd, uit aanmerking van zijn rang en opvoeding, niet geboeid en onder het opzicht van Mac-Guffog, die hier sedert de vernieling van het werkhuis te Portanferry, een soort van ondercipier was, in een ordelijk vertrek opgesloten. Zoodra Glossin zich alleen bevond en zijn toestand, met alle voor- en nadeelige kansen, bedaard overwogen had, kon hij zich niet overreden, dat zijn spel geheel hopeloos stond. „Ellangowan is verloren,” zeide hij bij zich zelven; „dat is niet te behouden, en Pleydell en Mac-Morlan zullen mijne aanspraak op alles tot op eene kleinigheid besnoeien. Mijn goede naam – indien ik er slechts het leven en de vrijheid afbreng, dan zal ik wel weder geld weten te winnen en een schoonen schijn aan de zaak kunnen geven. Laat ik alles eens nauwkeurig overwegen. –

„Ik wist niets van den moord op Kennedy gepleegd, tot alles voorbij was, en hoewel ik aan de smokkelpartij iets verdiende, – is dat geen zware misdaad. – Maar kinderroof – dat is een veel ernstiger zaak. Laat eens zien: deze Bertram was destijds een kind; dus moet zijne getuigenis onvolkomen zijn; – de andere knaap is een deserteur en een eerlooze Heiden; – Meg Merrilies, die vervloekte heks, is dood. – Maar deze verwenschte wissels! – Hatteraick heeft ze zeker medegebracht, om mij te dreigen en geld af te persen. – Ik moet den schurk trachten te spreken en hem tot standvastigheid bewegen; ik moet hem overhalen, de zaak een anderen schijn te geven.”

Onder het smeden en regelen van plannen tot toekomstig bedrog, om daardoor vroeger bedrevene laagheden te bewimpelen, verliep de tijd tot aan het avondeten, hetwelk Mac-Guffog hem bracht. Glossin gaf hem een glas brandewijn, zeide hem eenige fraaie woorden en vroeg hem hierop, of er geene gelegenheid tot een gesprek met Dirk Hatteraick te vinden zou zijn.

„Onmogelijk! volstrekt onmogelijk!” antwoordde Mac-Guffog. „Het strijdt tegen de uitdrukkelijke bevelen van Mijnheer Mac-Morlan, en de kapitein,” (dus noemt men den oppersten cipier van eene hoofdgevangenis in Schotland) „zou mij zoo iets nooit vergeven.”

„Maar hij behoeft het immers niet te weten,” hernam Glossin en duwde Mac-Guffog een paar guinjes in de hand.

Mac-Guffog woog het goud, zag den gevangene scherp aan en zeide: „Ei, ei, Mijnheer Glossin! gij kent de wegen in dit huis. – Luister eens; wanneer straks de deuren gesloten worden, zal ik weder komen en u naar boven bij hem brengen. Maar gij moet den geheelen nacht in zijn vertrek blijven: want ik moet elken avond de sleutels aan den kapitein afgeven en kan u dus niet weêr afhalen. Maar morgenvroeg zal ik de gevangenvertrekken een half uur vroeger dan gewoonlijk bezoeken en u er uit laten, zoodat gij weder in uwe kamer kunt zijn, vóor dat de kapitein zijne ronde doet.”

Zoodra de klok van den naburigen toren tien ure geslagen had, kwam Mac-Guffog weder met eene dievenlantaren bij Glossin en zeide zachtjes: „Trek de schoenen uit en volg mij.” Zoodra Glossin buiten de deur was, riep Mac-Guffog, alsof hij zijn gewonen plicht deed en tegen den gevangene in de kamer sprak: „Goeden, nacht Mijnheer!” en sloot en grendelde de deur met veel geraas. Hierop bracht hij den gevangene langs een’ steilen, smallen trap naar den kerker van Hatteraick, ontgrendelde en ontsloot de deur, gaf de lantaren aan Glossin, wenkte hem dat hij binnen zou treden, en sloot de deur weder met dezelfde gemaakte zorgvuldigheid.

Bij het flauwe licht der lantaren kon Glossin in het eerst niets in het groote, donkere vertrek onderscheiden. Eindelijk ontdekte hij, naast de ijzeren staaf, die dwars door het vertrek liep, een slaapbank, waarop eene menschelijke gedaante lag. Glossin trad nader en riep met gesmoorde stem: „Dirk Hatteraick!”

„Donder en hagel!” antwoordde de gevangene en ging, onder het rammelen zijner boeien, overeindzitten. „Mijn droom wordt dan waar! Vertrek en laat mij aan mij zelven over – dat zou het best voor u zijn.”

„Hoe? beste vriend! laat gij den moed, door het uitzicht op eene gevangenschap van weinige weken, zoo geheel ter nederslaan?”

„Ja, want slechts een strop zal mij daaruit verlossen. – Laat mij met rust – bemoei u met uwe eigene zaken en draai het licht van mij af!”

„Kom, kom! beste Dirk! wees niet bevreesd. Ik heb een heerlijk plan, om alles weder goed te maken.”

In de hel, met u en uwe plannen! Uwe plannen hebben mij reeds van schip en lading beroofd en zullen mij ook nog het leven kosten. – Ik droomde een oogenblik geleden, dat Meg Merrilies u bij de haren hierheen sleepte en mij het groote knipmes gaf, dat zij altijd droeg – gij weet niet, wat zij zeide. Wat drommel! Wees voorzichtig en breng mij niet in verzoeking.”

Maar Hatteraick, beste vriend! sta slechts op en spreek met mij.”

„Dat doe ik niet! gij zijt de oorzaak van al mijn ongeluk. Gij wildet Meg den jongen niet laten behouden; – zij zou hem terug gebracht hebben, als hij alles vergeten had.”

„Foei, Hatteraick! gij spreekt als een gek!”

„Duivel! wilt gij ontkennen, dat die vervloekte aanslag te Portanferry, welke mij schip en scheepsvolk heeft doen verliezen, enkel tot uw eigen voordeel door u ontworpen was?”

„Maar gij weet, dat de goederen” –

„Naar den satan met de goederen! dat verlies liet zich herstellen; maar, de duivel! het schip met al die rappe gasten en mijn eigen leven om een vervloekten, laffen schurk te verliezen, die zijne verwenschte streken altijd met eens anders handen wil uitvoeren! – Spreek niet meer tot mij. Ik ben gevaarlijk.”

„Maar, Dirk! – maar Hatteraick! hoor toch! ik wil u slechts een paar woorden zeggen.”

„Storm en onweer! neen.”

„Slechts één enkel woord.”

„Duizend duivels! – neen!”

„Sta dan ten minste op, Hollandsche stijfkop!” riep Glossin van drift buiten zich zelven, en schopte Hatteraick met den voet.

„Donder en bliksem!” riep Hatteraick! terwijl hij opsprong en Glossin aangreep; „gij wilt het dus?”

Door dezen woedenden aanval verrast, verdedigde Glossin zich wel, maar vruchteloos. Onder het worstelen viel hij met hevig geweld met den nek op de ijzeren staaf en Hatteraick met zijne geheele zwaarte op hem. De doodstrijd duurde nog eene geruime poos. Het vertrek, waarin Hatteraick opgesloten was, was juist boven de kamer van Glossin, en toch voelden de bewoners van het vertrek daaronder den schok van Glossin’s hevigen val en hoorden zij het geraas van het worstelen en steunen. Maar allerhande akelige geluiden werden hier te dikwijls gehoord, om nieuwsgierigheid of bijzondere belangstelling op te wekken.

Den volgenden morgen kwam Mac-Guffog, volgens belofte, vroeg en riep met een gesmoorde stem: „Mijnheer Glossin!”

„Roep luider,” antwoordde Dirk Hatteraick.

„Mijnheer Glossin, kom om Godswil mede!”

„Zonder hulp zal hij het bezwaarlijk kunnen doen,” hernam Hatteraick.

„Wat snapt gij daar, Mac-Guffog?” riep de kapitein van beneden.

„Maak om Godswil, dat gij voortkomt!” herhaalde Mac-Guffog.

Op dit oogenblik verscheen de kapitein met een licht. Met verbazing en ontzetting zag hij het lijk van Glossin in eene houding, welke geen twijfel aan zijn dood overliet, op de ijzeren staaf liggen. Hatteraick lag, slechts weinige voeten van zijn slachtoffer verwijderd, gerust op zijne slaapbank. Toen het lijk opgetild werd, bleek het, dat Glossin reeds eenige uren dood geweest was. Zijn lijk droeg duidelijke sporen van gewelddadigheid. De ruggegraat was, ter plaatse waar ze met den schedel verbonden is, door den eersten val zwaar beleedigd. Aan den hals waren duidelijke sporen van verworging, welke met de zwarte kleur van het gelaat overeenstemden. Het hoofd zat geheel verkeerd, als of de hals met woedende kracht omgedraaid was. Het scheen, dat de verbitterde Hatteraick den ongelukkige bij de keel gegrepen en niet weder losgelaten had, vóor dat hij den laatsten adem uitblies. De lantaren lag gebroken en verpletterd onder het lijk.

Mac-Morlan was juist in de stad en kwam oogenblikkelijk, om het lijk te onderzoeken. „Wie bracht Glossin hier?” vroeg hij aan Hatteraick.

„De duivel!” antwoordde de booswicht.

„En wat hebt gij hem gedaan?”

„Hem vooruitgezonden naar de hel!” hernam de moordenaar.

„Ellendeling! gij hebt een leven, tot dus ver zonder eene enkele deugd doorgebracht, door den moord van uw lagen medeplichtige bekroond!”

„Deugd? wat drommel! ik ben den eigenaren van mijn schip altijd getrouw geweest – heb altijd, zelfs tot den laatsten stuiver toe van eene lading rekening gedaan. Hoor eens! bezorg mij pen en inkt en laat mij een paar uren alleen, opdat ik al het voorgevallene aan ons kantoor kan schrijven, wilt gij? – maar laat eerst dat kreng wegnemen.”

Mac-Morlan vond goed, den woesteling zijn verzoek toe te staan. Men gaf hem het gevraagde en liet hem alleen. Toen men de deur weder opende zag men, dat de verharde booswicht de gerechtigheid voorgekomen was. Hij had een touw van zijn rolbed genomen en aan een been, het overblijfsel van zijn middagmaal van den vorigen dag, vastgemaakt. Dit been had hij, zoo hoog als hij, op de ijzeren staaf slaande, reiken kon, in den muur vast weten te krijgen. Nadat hij zich den strop om den hals gedaan had, had hij zich laten zakken, alsof hij op de knieën wilde vallen, en was standvastig genoeg geweest, om zoo lang in deze houding te blijven, tot dat er geene standvastigheid meer noodig was. De brief, welken hij aan zijne reeders geschreven had, betrof wel voornamelijk handelszaken, maar behelsde ook verscheidene zinspelingen op den jonker van Ellangowan, zoo als hij hem noemde, en bevestigde dus volkomen alles, wat Meg Merrilies en haar neef gezegd hadden.

Het gevolg van het treurig uiteinde van deze beide misdadigers was, dat Mac-Guffog uit zijn dienst gejaagd werd, hoewel hij verklaarde (en deze verklaring bij eede bevestigen wilde), dat hij Glossin den avond, vóor dat deze dood in het vertrek van Hatteraick gevonden werd, goed en wel in zijn eigene kamer opgesloten had. Zijn verhaal vond nochtans geloof bij den achtbaren heer Skreigh en andere beminnaars van het wonderbare, die stijf en sterk volhielden, dat de Satan deze beide ellendelingen dien nacht, door zijne bovennatuurlijke tusschenkomst bij elkander gebracht had, opdat zij de maat hunner misdaden en haar loon door manslag en zelfmoord vol zouden meten.

ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dit is het einde – het slot van alles.

Swift.

Daar Glossin zonder erfgenaam stierf en den koopprijs nog niet betaald had, moest de heerlijkheid Ellangowan ten tweede male aan de schuldeischers van Godfried Bertram overgegeven worden, hoewel velen onder hen hunne aanspraken verliezen moesten, ingeval Hendrik Bertram zijn recht als erfgenaam kon doen gelden. Bertram stelde zijne zaken in handen van Pleydell en Mac-Morlan, maar onder uitdrukkelijke voorwaarde, dat iedere behoorlijk bewezene schuld van zijn vader tot den laatsten stuiver toe betaald moest worden, al zou hij zich daardoor ook genoodzaakt zien, naar Indië terug te keeren. Toen Mannering deze verklaring hoorde, drukte hij hem hartelijk de hand; en van dit oogenblik af aan heerschte de beste verstandhouding tusschen hen.

De aanzienlijke nalatenschap aan baar geld van mejuffrouw Margaretha Bertram en de milde ondersteuning van den kolonel stelden Bertram gemakkelijk in staat, om de rechtmatige schuldeischers te bevredigen, terwijl zijne wakkere gevolmachtigden voornamelijk in Glossin’s rekeningen zoo vele valsche en te hoog gestelde posten vonden, dat het geheele beloop der schulden aanmerkelijk verminderd werd. In deze omstandigheden aarzelden de schuldeischers geen oogenblik, om Bertram’s recht te erkennen en hem het huis zijner vaderen over te dragen. De jonge heer kwam met alle zijne vrienden van Woodbourne, om, onder het gejuich zijner pachters en andere landlieden uit de nabuurschap, zijn erfgoed in bezit te nemen, en Mannering was zoo begeerig, het opzicht over eenige veranderingen te hebben, welke hij Bertram aangeraden had, dat hij met zijn gezin van Woodbourne te Ellangowan kwam, hoewel het huis thans veel minder gemak en gerijfelijkheden opleverde.

De arme dominé was buiten zich zelven van vreugde. Hij vloog met twee treden te gelijk den trap op naar een ellendig bovenkamertje, zijn slaapvertrek in vroegere dagen, hetwelk hij, zelfs in zijne veel ruimere en aangenamere kamer te Woodbourne, nooit had kunnen vergeten. Eéne treurige gedachte kwam hier echter plotseling bij hem op – de boeken! – Geen drie kamers te Ellangowan te zamen waren groot genoeg, om deze schatten te bevatten. Terwijl dit ontmoedigend denkbeeld zijne ziel geheelenal vervulde, werd hij bij den kolonel geroepen, om dezen bij het nazien en berekenen van een plan tot een groot en prachtig huis te helpen, hetwelk op de plaats van het zoogenaamde nieuwe slot van Ellangowan in een met de pracht der naburige bouwvallen overeenstemmenden stijl gebouwd zou worden. Onder de menigvuldige kamers, die op de schetsteekening geschetst waren, was een der grootste bestemd voor de Bibliotheek; en een aardig, vroolijk vertrek daar naast droeg het opschrift: „Kamer van den heer Sampson.” Toen de goede man dit zag, riep hij in verrukking uit: „Ver–ba–zend! Ver–ba–zend! Ver–ba–zend!”

De heer Pleydell had zijne vrienden voor eenigen tijd verlaten, maar keerde, volgens belofte, tegen Kerstmis, gedurende de vacantie van het gerechtshof, terug. Toen hij te Ellangowan kwam, vond hij niemand te huis dan den kolonel, die druk bezig was met plannen voor gebouwen en tuinen, waarin hij zeer bedreven was en veel genoegen schepte.

„Aha!” zeide Pleydell, „vind ik u hier! waar zijn de dames? waar is de schoone Julia?”

„Uitgegaan met den jongen Hazlewood, Bertram en den kapitein Delaserre, een zijner vrienden, die hem voor eenige dagen is komen bezoeken. Zij zijn naar Derncleugh gegaan, om het plan tot eene nieuwe hut te maken. Wel, zijt gij in uwe zaak geslaagd?”

„Volkomen en zeer gemakkelijk. Onze jonge vriend is door de „macers” tot erfgenaam verklaard en het besluit ter kanselarij berustende.”

„Macers? wie zijn dat?”

„Wel, het is eene soort van rechterlijke Saturnalia. Gij moet weten, dat het een der vereischten is, als men macer, of deurwaarder, bij ons hoogste gerechtshof wil zijn, om geene bekwaamheden te bezitten.”

„Dat is zonderling!”

„Nu hebben onze Schotsche wetgevers, denkelijk uit scherts, uit deze onkundige mannen een bijzonder gerechtshof benoemd, om uitspraak in zaken van verwantschap en afkomst, zoo als het geval van Bertram is, te doen, waarbij dikwijls de neteligste en ingewikkeldste vraagstukken voorkomen.”

„Zijn zij bezeten? Mij dunkt, dat moet zeer lastig zijn.”

„O, wij hebben een practisch hulpmiddel voor deze theoretische ongerijmdheid. Bij zulke gelegenheden nemen één of twee rechters naast hunne eigene deurwaarders zitting, als raadslieden, en besturen eigenlijk het geheele werk. Maar gij weet wel, wat Cujaccius zegt: Multa sunt in moribus dissentanea, mula sine ratione [36]. Doch hoe dit ook zij, dit gerechtshof heeft onze zaak ten onzen voordeele beslist en wij hebben, ter eere van het welgelukken onzer pogingen, meer dan één flesch heerlijken wijn bij Walkers geledigd. Mac-Morlan zal schrikken, als hij de rekening ziet.”

„Wees daarvoor niet bezorgd,” hernam de kolonel. „Dien schrik zullen wij het hoofd wel bieden en bovendien het landvolk bij mijne vriendin, vrouw Mac-Candlish te Kippletringan, vroolijk onthalen.”

„En Hans Jabos tot uw stalmeester nemen?”

„Misschien.”

„En waar is Dandie, de geduchte heer van het Liddesdal?”

„Teruggekeerd naar zijne bergen; maar hij heeft Julia beloofd, ons in den aanstaanden zomer met zijne vrouw en ik weet niet hoeveel kinderen te bezoeken.”

„Die aardige kroeskopjes! Dan moet ik ook komen, om blindemannetje en schuilevinkje met hen te spelen. – Maar wat is dit? Plattegrond-teekeningen en schetsen? – toren in het midden, eene navolging van den adelaarstoren te Caernarvon – coras de logis – de drommel! vleugels – vleugels? wel, het huis zal de geheele heerlijkheid Ellangowan op den rug nemen en er medewegvliegen!”

„Wel nu, dan moeten wij er eenige zakken Indische rupijen tot ballast inwerpen.”

„Aha! waait de wind uit dien hoek? Dan zal de schalk, denk ik, ook wel met mijne schoone Julia gaan strijken?”

„Dat hebt gij geraden, Mijnheer Pleydell!”

„Die jonge guiten steken ons, mannen uit de oude school, altijd de loef af. Dan moet Julia ten minste hare genegenheid voor mij op Lucie overdragen.”

„Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat ge ook daar uit het veld geslagen zult worden.”

„Waarlijk!”

„Sir Robert Hazlewood heeft hier onlangs een bezoek bij Bertram afgelegd, en dacht en oordeelde en was van gevoelen –”

„O Hemel! verschoon mij van de woordenvloed van den waardigen baronet.”

„Best. Hij begreep dan, dat er, daar het landgoed Singleside als eene wig tusschen twee van zijne landhoeven in-, en een paar uren ver van Ellangowan verwijderd is, wellicht een koop, eene ruiling, of andere schikking, tot genoegen van beide partijen, gesloten kon worden.”

„Nu, – en Bertram?”

Bertram antwoordde, dat hij het eerste testament van Mejuffrouw Margaretha Bertram, in de tegenwoordige omstandigheden zijner familie, voor de meest gepaste schikking hield, en dat Singleside derhalve als het eigendom zijner zuster beschouwd moest worden.”

„Die schalk!” hernam Pleydell, den bril afwisschende; „hij steelt mijn hart zoo wel als mijne beminde. En vervolgens?”

„Vervolgens nam Sir Robert met vele fraaie woorden afscheid; maar verleden week trok hij weder te veld met zijne geheele krijgsmacht – met zijne koets met zes paarden, zijn gegalonneerd scharlaken vest en zijne beste pruik – alles heel prachtig, zoo als het kinderboekje zegt.”

„Ei! en wat was zijn oogmerk?”

„Na eene zeer wijdloopige voorrede, begon hij van de genegenheid te spreken, welke Karel Hazlewood voor Lucie Bertram koesterde.”