Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Part 32

Chapter 323,834 wordsPublic domain

„Ritmeester bij het ** regiment koninklijke dragonders.”

Bij het hooren van dit antwoord zweeg de baronet een oogenblik uit verbazing, maar herstelde spoedig, doordien Glossin hem een ongeloovigen blik vergezeld van een zacht gefluit, die verachting en ongeloof uitdrukten, toewierp. Sir Robert vervolgde: „Ik geloof, vriend, dat wij, voor dat wij van elkander scheiden, wel een nederiger titel voor u zullen vinden.”

„Indien gij dit kunt, Mijnheer, dan zal ik mij gewillig aan elke straf onderwerpen, die zulk een bedrog verdiende.”

„Welnu, wij zullen zien. – Kent gij den jongen Hazlewood van Hazlewood?”

„Ik heb den heer, die, zoo als ik hoor, dezen naam draagt, slechts éenmaal gezien en, helaas, onder zeer onaangename omstandigheden.”

„Gij erkent dus, dat gij den jongen Hazlewood van Hazlewood de wond hebt toegebracht, waardoor zijn leven in gevaar gebracht, het sleutelbeen van zijn rechterschouder aanmerkelijk beschadigd is en tevens, volgens de verklaring van den wondarts, verscheidene groote hagels in den vooruitstekenden knobbel van het acromion gedrongen zijn?”

„Het is mij onbewust hoedanig en hoe gevaarlijk de wond was, welke de jonge heer, tot mijn groot leedwezen, ontvangen heeft. Ik ontmoette hem op een smal voetpad, waar hij met twee dames en een knecht wandelde; en vóor dat ik hen voorbijgaan, of spreken kon, nam deze jonge Hazlewood zijn knecht het geweer af, legde op mij aan en beval mij op zeer hoogen trotschen toon, mij te verwijderen. Ik had even weinig lust om aan zijn bevel te gehoorzamen, als hem in het bezit van een wapen te laten, waarvan hij zoo onbezonnen gebruik scheen te willen maken. Ik begon dus met hem te worstelen, om hem te ontwapenen, en had mijn doel bijna bereikt, toen het geweer toevallig afging en den jongen heer, tot mijn diep leedwezen, eene hardere tuchtiging deed ondergaan, dan ik wenschte, ofschoon de gevolgen, zoo als ik met genoegen hoor, niet erger schijnen dan zijne dwaasheid verdiende.”

„En dus,” vervolgde de baronet met een gelaat, dat van het gevoel van beleedigde waardigheid gloeide, „dus bekent gij, dat het uw voornemen en opzet, en het ware oogmerk en doel van uw aanval was, om den jongen Hazlewood van Hazlewood zijn geweer, jacht- of vogelroer, of hoe gij het gelieft te noemen, op den openbaren weg te ontnemen? – Ik denk dat dit voldoende is, geachte buurman! Ik denk, dat wij hem in hechtenis kunnen houden!”

„Gij kunt dit zeker verre weg het best beoordeelen, sir Robert; maar mag ìk u herinneren, dat er ook iets omtrent de smokkelaars aan te merken was.”

„Zeer waar, beste Mijnheer Glossin!” antwoordde de baronet en wendde zich hierop weder tot den gevangene: „en buitendien zijt gij, Van Beest Brown, die u ritmeester in dienst des konings noemt, niets meer en niets minder dan een ellendige stuurman op een smokkelschip!”

„Inderdaad, Mijnheer gij zijt een oud man en verkeert in eene zeldzame dwaling; anders zou ik zeer boos op u worden.”

„Een oud man! eene zeldzame dwaling!” riep sir Robert rood van toorn, „ik betuig en verklaar – Hoe! hebt gij papieren of brieven, waardoor gij uw voorgewenden rang, stand of waardigheid bewijzen kunt?”

„Op dit oogenblik niet, Mijnheer, maar binnen een paar dagen” –

„En hoe komt het, dat gij, indien gij werkelijk een officier in dienst des konings zijt, in Schotland reist zonder aanbevelingsbrieven, zonder reisgoed of iets anders, dat aan uw rang of stand past, of waarmede gij dezen kunt bewijzen, zoo als ik reeds gezegd heb?”

„Ik heb het ongeluk gehad, Mijnheer, van mijne kleederen en reisgoed beroofd te worden.”

„Aha! dan zijt gij de man, die een reiswagen van ** naar Kippletringan heeft genomen, den voerman op den weg heeft laten staan en twee van zijne medeplichtigen afgezonden, om den armen knaap te overvallen en de koffers weg te nemen.”

„Ik was in een rijtuig, zoo als gij beschrijft, Mijnheer, en verdwaalde terwijl ik den weg naar Kippletringan zocht. De waardin, bij wie ik den volgenden dag bij mijne aankomst aldaar mijn intrek nam, kan getuigen dat mijne eerste vraag was naar het lot van den voerman.”

„Dan moet ik u nog vragen waar gij den nacht doorgebracht hebt? niet in de sneeuw denk ik. Gij veronderstelt toch niet dat wij zoo iets voor goede munt aannemen, gelden laten en gelooven zullen?”

„Verschoon mij,” antwoordde Bertram, daar hij zich de Heidin en de belofte welke hij haar gedaan had, herinnerde, „houd het mij te goed, Mijnheer; het antwoord op deze vraag moet ik u schuldig blijven.”

„Dat dacht ik wel! Waart gij dien nacht niet in de bouwvallen van Derncleugh? In Derncleugh niet waar?”

„Ik heb u gezegd, dat ik op deze vraag niet verkies te antwoorden.”

„Best! dan blijft gij in hechtenis en wordt naar de gevangenis gebracht. Zie deze stukken in en antwoord of gij de daarin genoemde van Beest Brown zijt?”

Glossin had eenige papieren daaronder geschoven, welke Bertram werkelijk toebehoorden en door de gerechtsdienaren in het oude gewelf, waar de roovers zijn valies uitgeplunderd hadden, gevonden waren.

„Eenige van deze papieren,” hernam Bertram, terwijl hij ze doorzag, „behooren mij inderdaad toe, en lagen in mijne brieventasch toen die uit den wagen gestolen werd. Dit zijn aanteekeningen van weinige waarde en ik zie dat ze als geen bewijs voor mijn rang of stand, welken vele der overige papieren voldoende gestaafd zouden hebben, opleveren, zorgvuldig uitgezocht zijn. De overige stukken, scheepsrekeningen en dergelijken, behooren waarschijnlijk aan iemand anders, die denzelfden naam voert.”

„En wilt gij mij zoeken wijs te maken, dat zich hier op denzelfden tijd twee personen met denzelfden ongewonen wanklinkenden naam bevinden?”

„Ik zie niet in, Mijnheer, waarom er niet even goed een oude en jonge van Beest Brown zouden wezen, als er een oude en jonge Hazlewood zijn. En, ernstig gesproken, ik ben in Holland opgevoed en weet dat deze naam, hoe vreemd en onaangenaam die in Britsche ooren moge klinken –”

Toen Glossin bemerkte dat de gevangene eene gevaarlijke snaar begon te roeren, mengde hij zich, ofschoon geheel noodeloos, in het gesprek om de aandacht van sir Robert af te leiden: want deze was door verontwaardiging over de vermetele vergelijking en het laatste antwoord van Bertram spraaken bewegingloos geworden. Zijn hals- en hoofdaderen waren inderdaad tot barstens toe gezwollen en hij geleek op iemand, die zich doodelijk beleedigd acht door eenen persoon, van wien hij, naar zijne begrippen van eer, geene voldoening kan vorderen. Met een gefronsd voorhoofd en toornigen blik haalde hij langzaam en diep adem en scheen naar lucht te snakken. Nu kwam Glossin hem te hulp en zeide: „Mij dunkt, sir Robert, indien ik zoo vrij mag zijn, mijn gevoelen te zeggen dat de zaak nu als afgedaan kan worden beschouwd. Behalve de gewichtige bewijzen, die wij reeds hebben, biedt een der gerechtsdienaren aan bij eede te bevestigen, dat het zwaard, hetwelk den gevangene heden morgen ontnomen werd (terwijl hij het gebruikte, om zich tegen de wettige macht te verzetten) een houwer is, welken hij in een gevecht met de smokkelaars, kort voor hun aanval op Woodbourne, verloren heeft. Ik wil u met dat al niet tot eene overijlde gevolgtrekking uit deze omstandigheid verleiden; misschien kan deze persoon ophelderen, hoe hij aan dat wapen gekomen is.”

„Deze vraag moet ik mede onbeantwoord laten, Mijnheer!”

„Er is nog eene andere omstandigheid welke opgehelderd moet worden. Deze gevangene heeft een pakje, waarin een menigte gouden muntstukken en andere zaken van waarde, aan vrouw Mac-Candlish te Kippletringan in bewaring gegeven. Misschien zult gij het gepast oordeelen, sir Robert, om te vragen, hoe deze zeldzaam voorkomende voorwerpen in zijne handen gekomen zijn.”

„Van Beest Brown, – hoe heet ge ook – gij hoort de vraag die deze heer u doet.”

„Ik heb bijzondere redenen het antwoord op deze vraag schuldig te blijven.”

„Dan is het onze plicht, een hevel van voorloopige aanhouding tegen u uit te vaardigen.”

„Zoo als het u gelieft, Mijnheer! bedenk echter wel wat gij doet. Overweeg het wel! Ik ben, zoo als ik u reeds gezegd heb, ritmeester bij het koninklijke regiment **, voor korten tijd uit Indië teruggekomen, en kan dus onmogelijk met de smokkelaars van wie gij spreekt, in betrekking staan. Mijn luitenant-kolonel is tegenwoordig te Nottingham, de majoor en andere officieren bevinden zich te Kingston aan den Theems, en ik zal mij gewillig aan iedere onteerende straf onderwerpen, indien ik deze beide punten, na aankomst der posten uit Kingston en Nottingham, niet met voldoende bewijzen kan staven. Ook kunt gij wel aan den betaalmeester van het regiment schrijven, indien gij verkiest en –”

„Dit is alles goed en wel,” hernam Glossin, die begon te vreezen dat deze krachtige en standvastige verklaring van Bertram eenigen indruk zou maken op sir Robert, die bijna van schaamte sterven zou, als hij de onwelvoeglijkheid beging van een dragonder-officier in de gevangenis te zetten „Dit is goed en wel, maar woont hier niemand naderbij, tot wien gij ons verwijzen kunt?”

„Hier te lande zijn slechts twee personen, die iets van mij weten. De eene is een eenvoudige pachter in het Liddesdal, met name Dinmont van Charlies-hope; hij weet echter niets meer van mij, dan ik hem gezegd heb en nu ook zeg.”

„Al fraaier en fraaier, sir Robert! Ik denk dat hij ons dien dommen landman op den hals wil schuiven, opdat deze bezweren mag, dat hij gelooft wat men hem verhaald heeft, ha, ha, ha!”

„En wie is uw andere getuige, vriend?” vroeg de baronet.

„Een heer, dien ik om bijzondere redenen niet gaarne wil noemen, maar onder wiens bevel ik eenigen tijd in Indië gediend heb en die al te zeer man van eer is, om mij de getuigenis te weigeren dat ik officier en eerlijk man ben.”

„Maar wie is toch die gewichtige getuige? waarschijnlijk een gepensioneerde wachtmeester of korporaal?”

„De kolonel Guy Mannering, vroeger bevelhebber van het regiment **, waarbij ik, zoo als ik u zeide, een escadron kommandeer.”

„De kolonel Guy Mannering,” dacht Glossin, „wie drommel kon dat raden?”

„De kolonel Guy Mannering!” herhaalde de baronet, niet weinig aan het wankelen gebracht. „Waarde buurman!” (fluisterde hij Glossin in) „dit jonge mensch, met zijn verschrikkelijk gemeenen naam en zijne zedige vrijmoedigheid, heeft met dat al iets van den toon, de manieren en gevoelens van een fatsoenlijk man, of schijnt ten minste in goed gezelschap verkeerd te hebben. – In Indië gaat men dikwijls heel lichtzinnig, onnauwkeurig en achteloos te werk met het begeven van ambten. – Mij dunkt het was best, dat wij de terugkomst van den kolonel Mannering, die thans, geloof ik, te Edinburg is, afwachten.”

„Gij kunt dit zeker het best beoordeelen,” hernam Glossin, „in alle opzichten het best beoordeelen.” Ik wilde u enkel met allen eerbied onder het oog brengen, of wij recht hebben om dezen man op eene verklaring, welke hij met geene bewijzen staven kan, te ontslaan; en dat wij ons aan eene zware verantwoordelijkheid zullen blootstellen, indien wij hem in onze bijzondere bewaring houden en hem niet in eene openbare gevangenis doen brengen. Gij kunt dit zonder twijfel het best beoordeelen, Sir Robert, en ik wilde stechts zeggen, dat ik nog zeer onlangs een scherpe berisping ondergaan heb, omdat ik een persoon, ofschoon onder behoorlijk opzicht van gerechtsdienaren, op eene bijzondere plaats, welke ik voor volkomen veilig hield, in hechtenis gezet heb. De man ontvluchtte, en ik twijfel er niet aan of mijn goede naam als waakzaam en voorzichtig ambtenaar heeft eenigszins hierdoor geleden. Ik wilde dit slechts ter loops aanhalen; doch zal mij met elken maatregel, welken gij het voegzaamst oordeelt, vereenigen.”

Glossin was echter wel overtuigd dat deze wenk voldoende was om het besluit van zijn ambtgenoot, die wel een hoog denkbeeld van zijn gewicht maar weinig zelfvertrouwen had, te bepalen.

De uitkomst beantwoordde ook inderdaad aan Glossin’s verwachting, want sir Robert sloot de zitting met de volgende aanspraak, die ten deele op de veronderstelling dat de gevangene werkelijk een fatsoenlijk man, en ten deele op het tegenovergestelde gevoelen, dat hij namelijk een booswicht en moordenaar moest zijn, gegrond was:

„Mijnheer Van Beest Brown – ik zou u kapitein Brown noemen, indien er de minste grond, reden of oorzaak was, te veronderstellen dat gij kapitein zijt of een escadron bij het door u genoemde, zeer achtenswaardig regiment, of bij eenig ander regiment in dienst van Zijne Majesteit kommandeert, over welk punt ik, zoo als gij wel behoort op te merken, thans geene stellige verklaring, bepaald gevoelen of beslissend oordeel wil uitspreken. Ik zeg u dus, Mijnheer Brown, dat wij, in aanmerking nemende den onaangenamen en bedenkelijken toestand, waarin gij u op dit oogenblik bevindt, als zijnde, volgens uw zeggen, van alles beroofd (eene verklaring, waarover ik echter mijn oordeel opschort), doch tevens in het bezit van een aanzienlijken schat en van een houwer met een koperen gevest, en gij ons geene opheldering gelieft te geven, waar of hoe gij deze voorwerpen verkregen hebt – dat wij, zeg ik, alles wel overwogen hebbende, besluiten en concludeeren, u in de gevangenis te doen brengen, of liever, u een vertrek daarin aan te wijzen, tot dat gij, na de terugkomst van den kolonel Mannering, weder voor het gerecht zult kunnen verschijnen.”

„Mag ik met allen eerbied vragen, Sir Robert,” viel Glossin in, „of het uw voornemen is, dezen jongen man naar de algemeene gevangenis van het graafschap te doen brengen? Indien gij hierop niet gesteld zijt, wilde ik de vrijheid nemen, u, onder verbetering, voor te stellen, dat het minder hard zou zijn hem naar het huis van arrest te Portanferry te zenden, waar hij veilig bewaard kan worden zonder opzien te verwekken; eene omstandigheid die, om de bloote mogelijkheid dat zijn verhaal waar zou kunnen zijn, vooral in aanmerking behoort te worden genomen.”

„Wel nu, er is eene militaire wacht ter beveiliging der goederen in het tolhuis te Portanferry; en alles wel overwogen, en in aanmerking genomen dat het bedoelde huis voor zulk eene plaats nog al gemakkelijk ingericht is, zoo willen wij, alles wel overwogen zeg ik, dezen persoon in het huis van arrest te Portanferry doen zetten, of liever, hem machtigen, om aldaar voorloopig in bewaring te blijven.”

Het bevelschrift werd diensvolgens uitgevaardigd en den gevangene aangezegd, dat hij den volgenden morgen naar Portanferry gebracht zou worden, daar sir Robert besloten had, dat hij, uit vrees voor ontsnapping of gewelddadige bevrijding, niet gedurende den avond of nacht vervoerd zou worden. Tot zoo lang zou hij op Hazlewood-house bewaakt worden.

„Ik zal het daar toch wel beter hebben dan gedurende mijne gevangenschap bij de Looties in Indië,” dacht Bertram; „ten minste kan deze zoo lang niet duren. Maar de drommel hale den ouden domkop met alle zijne formaliteiten en zijn sluwen, altijd fluisterenden medehelper! Zij kennen den toon der waarheid niet, waarop een eerlijk man zijne geschiedenis ronduit verhaalt.”

Intusschen nam Glossin met ontelbare eerbiedige buigingen afscheid van den baronet en verontschuldigde zich, dat hij de uitnoodiging ter maaltijd niet kon aannemen, terwijl hij er op kruipenden toon bijvoegde, dat hij zich met de hoop vleide, bij eene volgende gelegenheid zijne opwachting bij den baronet zelven, bij lady Hazlewood en den jongen heer Hazlewood te mogen maken.

„Zonder twijfel, Mijnheer!” antwoordde de baronet zeer vriendelijk. „Onze familie heeft zich, hoop ik, nooit aan gebrek aan beleefdheid en vriendschapsbetooning jegens onze buren schuldig gemaakt, en zoodra ik in de nabijheid uwer woning kom, beste Mijnheer Glossin, zal ik u dat bewijzen door een zoo gemeenzaam bezoek, als bestaanbaar is (dat is als gehoopt of verwacht kan worden), bij u af te leggen.”

„En nu,” sprak Glossin tot zich zelven, „nu naar Dirk Hatteraick en zijn volk; nu middelen in het werk gesteld, om de wacht van het tolhuis weg te zenden en dan de groote zet gewaagd. Maar haast gemaakt, vooral haast! Van den spoed hangt alles af. Hoe gelukkig dat Mannering te Edinburg is! Zijne bekendheid met dezen jongen man vergroot mijn gevaar.” (Hier liet hij zijn paard stappen). „Maar hoe, indien ik mij met den erfgenaam kon verstaan? Misschien zou hij mij voor de teruggave van zijn eigendom eene zware som willen afstaan, en ik kon Hatteraick uitleveren. Maar neen, neen! er zijn te veel oogen op mij gericht – Hatteraick zelf, de Heidensche matroos en die oude heks. Neen, neen! ik moet bij mijn eerste plan blijven.” Hierop zette hij zijn paard de sporen in de ribben en reed op snellen draf naar huis, om zijne streken uit te gaan voeren.

VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

De gevangenis is een treurig oord, Waar niemand gelukkig leeft. Men hoort er nooit een vroolijk woord; Geen vriend, die troost daar geeft. Soms zijn het boeven die men daar ziet, Soms wel een eerlijk man; Soms is het billijk – en soms ook niet, Dat men niet vluchten kan.

Rijmen op de Gevangenis te Edinburg.

Den volgenden morgen werd Bertram bij het aanbreken van den dag door zijne beide zwijgende, norsche wachters met hetzelfde rijtuig, waarmede hij naar Hazlewood-House gevoerd was, naar het huis van arrest te Portanferry gebracht. Het lag in deze kleine haven naast het tolhuis, zeer dicht bij het strand, en beide gebouwen waren van achteren door eene steenen borstwering, die schuins naar den oever af helde, tegen de woede der baren, die dikwijls zoo hoog klom dat de golven tegen dit bolwerk braken, beveiligd. Van voren was het door een hoogen muur omringd, die eene kleine plaats insloot, waar de ongelukkige bewoners van het huis zich nu en dan in de vrije lucht mochten bewegen. Dit huis diende tot een verbeterhuis en bij gelegenheid tot eene noodhulp van de algemeene gevangenis van het graafschap, die oud was en zeer ongelegen lag voor het distrikt Kippletringan. Mac-Guffog, de gerechtsdienaar die Bertram het eerst aangehouden had en hem thans ook vergezelde, was cipier van dit rampzalig paleis. Hij liet het rijtuig bij de deur stil houden en klom er uit om de bewaarders te roepen. Zijn geklop riep een twintig of dertig straatjongens, die hunne kleine sloepjes en fregatjes in de poelen zout water, die bij het afloopen der eb bleven staan, lieten zeilen, bijeen, en zij kwamen aanloopen en drongen rondom het rijtuig, om te zien welk ongelukkig wezen in Glossin’s spiksplinternieuwe wagen naar de gevangenis gebracht werd. De poort werd na een hevig gerammel van ketenen en grendels door vrouw Mac-Guffog geopend, eene groote, forsche vrouw die, zoo als het heette, bij afwezigheid van haren man, of wanneer hij toevallig een glaasje te veel gedronken had, de goede orde en tucht onder hare oproerige kostgangers zeer goed wist te handhaven. Hare brommende stem, die met het gekras der grendels en sluitboomen in welluidendheid wedijverde, verdreef spoedig de kleine guiten, die zich bij de poort verzameld hadden, en nu sprak zij tot haren beminnelijken gemaal:

„Pas op, man! en laat den knaap uit het rijtuig komen. Vlug! hoort gij niet?”

„Houd uw mond en wees vervloekt gij ...,” antwoordde de teedere echtgenoot met nog een paar zeer krachtige, doch niet zoo fraaie bijnamen, dat ze verdienen hier herhaald te worden. Hierop wendde hij zich tot Bertram en zeide:

„Kom, zult gij uitstijgen, mijn lieve jongen! of moeten wij u helpen?”

Bertram steeg uit den wagen. Zoodra hij den voet op den grond zette, greep Mac-Guffog hem bij den kraag en sleurde hem, die geen wederstand bood, onder het gejuich der straatjongens, die zoo nabij stonden als de vrees voor vrouw Mac-Guffog toeliet, over den drempel. Oogenblikkelijk deed de portierster hare ketenen en grendels weder voor de deur, draaide den ontzaglijk grooten sleutel met beide handen om en stak dien daarop in haren rooden zak.

Bertram bevond zich nu op de kleine plaats. Twee of drie gevangenen slenterden hier heen en weder en schenen, als het ware, verkwikt door den vluchtigen blik op de overzijde van eene morsige straat, die de geopende poort hun gedurende eenige oogenblikken vergund had. Dit behoeft geene verwondering te baren, ais men bedenkt, dat hun uitzicht, behalve bij zulke gelegenheden, tot den betralieden gevel van hunne gevangenis, den hoogen, zwarten muur rondom de plaats, den hemel boven hen en de steenen onder hunne voeten, bepaald was; eene eentoonigheid van tooneel, die, volgens de uitdrukking eens dichters, „als lood op het vermoeide oog drukte” en bij sommigen een’ kouden en ongevoeligen menschenhaat, bij anderen die doffe moedeloosheid voortgebracht had, welke hem, die reeds in een levendig graf gekerkerd is, naar eene nog stillere en eenzamere rustplaats doet wenschen.

Mac-Guffog gunde zijn nieuwen kostganger eenige oogenblikken, om zijne lotgenooten te beschouwen. Toen Bertram zijn oog op deze aangezichten geslagen had, waarop misdaad, wanhoop en liederlijkheid hun brandmerk gedrukt hadden, op deze vergadering van verkwisters en lichtzinnigen, van dieven en bankroetiers, benevens eenige half versufte en luidruchtige krankzinnigen, wien overdrevene zuinigheid deze treurige verblijfplaats had aangewezen, gevoelde hij bij het denkbeeld, zelfs maar korten tijd in dit verachtelijk gezelschap te moeten leven, een hevigen afkeer.

„Ik hoop toch, dat gij mij een bijzonder verblijf zult aanwijzen,” zeide hij tegen den cipier.

„En welk voordeel zoude ik daarvan hebben?”

„Ik kan hier onmogelijk langer dan een paar dagen blijven, en het zou mij hoogst onaangenaam zijn, dezen tijd in het gezelschap, dat ik hier zie, te moeten doorbrengen.”

„En wat gaat mij dat aan?”

„Ik zal voor deze gunst u ruim beloonen.”

„Ja, maar wanneer, kapitein! wanneer en hoe? dit is de groote vraag.”

„Zoodra ik in vrijheid gesteld word en mijne wissels uit Engeland ontvang.”

Mac-Guffog schudde ongeloovig het hoofd.

„Hoe, vriend!” hernam Bertram, „gij gelooft toch niet, dat ik werkelijk een misdadiger ben?”

„Dat kan ik niet beslissen,” antwoordde de cipier; „maar indien het zoo is, dan zijt gij geen van de slimsten; dat is klaar als de dag.”

„En waarom zegt gij, dat ik geen van de slimsten ben?”

„Wel, wie anders dan een domkop, zou hen het geld hebben laten inpakken, dat gij in the Gordon Arms gelaten hebt? De drommel hale mij, ik zou het hun wel uit de klauwen gehaald hebben! Zij hadden geen recht on u van uw geld te berooven en u, zonder een duit om de onkosten te betalen, naar de gevangenis te zenden; het overige konden zij als bewijsstukken houden. Maar waarom, stommerik, vroegt gij niet om uw geld? Ik heb u ouder het geheele verhoor gewenkt en toegeknikt; maar ja wel, gij wildet mij net eens aanzien!”

„Indien ik recht heb om dit geld terug te vorderen, dan zal ik het doen; en er is veel meer dan noodig is, om u alles, wat gij eischen kunt, te betalen.”

„Daar weet ik niemendal van; maar gij kunt hier misschien lang genoeg zitten, dat weet ik wel. En als ik krediet geef, moeten de kosten daarnaar berekend worden. Maar het zij zoo, daar gij mij nog al wat meer dan een gewone klant schijnt te zijn. Mijne vrouw zegt wel, dat ik door mijne goedhartigheid te kort kom; maar dat moet ik dragen, als gij mij voor mijne kosten eene aanwijzing op dat geld geeft. Glossin zal mij zulk een briefje wel betalen. Ik weet zoo iets van zekeren gevangene, die van Ellangowan ontsnapt is. Ja, ja, hij zal mij gaarne helpen en mij dien dienst bewijzen.”

„Wel nu, als ik binnen een paar dagen niet anders geholpen word, zal ik u de verlangde aanwijzing geven.”