Guy Mannering of de Sterrewichelaar
Part 33
„Goed, goed, dan zult gij het hebben als een prins! Maar eerst moet ik u zeggen, opdat wij daarover naderhand geen verschil krijgen, hoeveel ik iemand, die een kooi voor zich alleen wil hebben, altijd in rekening breng: – des weeks anderhalf pond sterling voor de kamer en eene guinje voor de meubels en oppassing; voor het volle gebruik van het bed eene halve guinje – en deze behoud ik niet geheel: want ik moet daarvan aan Donald Laider afstaan een daalder, die hier zit, om het stelen van schapen, en naar den regel bij u moest slapen. Die zal dan ook nog versch stroo en misschien een slok brandewijn er bij verlangen, zoo dat ik niet veel overhoud.”
„Best, en verder?”
„Dan het eten en drinken. Dit kunt gij zoo goed krijgen, als gij verkiest. Ik laat het ten behoeve van een fatsoenlijk man, zoo als gij zijt, uit de herberg halen en neem nooit meer dan twintig percent boven den prijs, dien ik betalen moet; en dat is weinig genoeg voor het halen en brengen; het meisje slijt bijna zoo veel aan schoenen En als de tijd u verveelt, of gij eens in een verdrietige bui zijt, dan wil ik wel een gedeelte van den avond bij u zitten en u uwe flesch helpen ledigen. (Ik heb menig glas met Glossin, die u hierheen gezonden heeft, gedronken, hoewel hij nu vrederechter is) In deze lange koude avonden zult gij ook wel vuur en licht verlangen, en dat moet goed betaald worden, omdat de gevangenen eigenlijk zoo iets niet mogen hebben. Nu heb ik u alle hoofdzaken opgenoemd en denk niet, dat ik veel vergeten heb, ofschoon er nog wel eenige kleinigheden bij zullen komen.”
„Die moet ik dan aan uw geweten overlaten, als gij weet, wat dat is. Ik kan niet anders.”
„Neen, neen, Mijnheer, dat wil ik niet gezegd hebben. Ik dring u niets op. Staat u de prijs van het een en ander niet aan, dan behoeft gij het niet te nemen. Ik dwing geen mensch: ik wilde u slechts zeggen wat een fatsoenlijk man hier noodig heeft. Wilt gij het echter met den gewonen gang van het huis voor lief nemen, het is mij wel; dan bespaar ik mijne moeite en daarmede afgedaan!”
„Neen, neen, vriend! ik heb, zoo als gij wel begrijpen kunt, geen lust om op zulk eene straf over uwe voorwaarden te twisten. Kom, breng mij naar het voor mij bestemde vertrek; ik wilde gaarne een weinig alleen zijn.”
„Volg mij dan maar,” antwoordde Mac-Guffog, met een grijnzenden glimlach; „en om u te toonen dat ik een geweten heb, zoo als gij het straks noemdet, zal ik u, de drommel hale mij! niet meer dan een schelling daags in rekening brengen voor de vrijheid die ik u geef, om dagelijks drie uren op de plaats te wandelen en u daar met het balspel of iets anders te vermaken.”
Onder deze vriendelijke belofte liet hij Bertram een steilen, nauwen, steenen trap opklimmen, die van boven door eene sterke, dicht met zware ijzeren spijkers beslagene deur afgesloten was. Deze deur bracht hem op een nauwen gang met drie ellendige zoogenaamde kamertjes of cellen, waarin ijzeren kribben met stroozakken waren, aan elke zijde. Aan het einde van den gang was echter een beter vertrekje, dat, behalve het zware slot en de keten aan de deur en de ijzeren traliën voor het venster, niet op een gevangenvertrek, maar veeleer op de slechtste kamer in de slechtste herberg geleek. Het diende tot eene soort van ziekenkamer voor gevangenen, wier gezondheidstoestand eenige toegevendheid vorderde. Op dit oogenblik werd het nog door Donald Laider, den naar den regel voor Bertram bestemden kamergezel, bewoond, die juist uit een der beide bedden gesleept was, om te beproeven of versch stroo en brandewijn zijne koortsen zouden genezen. Deze taak was met eigene sterke hand door vrouw Mac-Guffog, onder het gesprek van haren echtgenoot met Bertram, waarvan zij den afloop zeer juist voorzag, volbracht. Naar alle waarschijnlijkheid was het hierbij niet zonder geweld toegegaan; ten minste was één der stijlen van eene soort van ledikant afgebroken, zoo dat het verhemelte met de gordijnen tot midden in het vertrek, even als de in de verwarring van een gevecht halfzinkende banier van eenen aanvoerder, naar beneden hing.
„Gij moet u daaraan niet storen, kapitein!” zeide vrouw Mac-Guffog, die nu bij hen in het vertrek kwam, en den gevangene den rug toekeerende, gebruikte zij haren kouseband om den gebroken stijl weder vast te binden. Zij bracht hierop de gordijnen ook weder in de behoorlijke plooien door middel van de spelden, waarvan zij haar eigen gewaad roekeloos beroofde, legde de lakens zoo wat te recht, wierp eene havelooze, met lappen van allerhande kleuren versierde deken over alles heen, en verklaarde dat alles nu weder behoorlijk in orde was. „Daar is uw bed, kapitein!” zeide zij en wees naar den zwaren, plompen bak, die slechts op drie pooten stond, terwijl de vierde door den hellenden vloer (het huis was, ofschoon nieuw, bij aanbesteding gebouwd) als het ware in de lucht zweefde even als de poot van een geschilderden olifant op het paneel eener koets – „daar is uw bed; wilt gij echter schoone lakens, kussens, tafellinnen of een’ handdoek hebben, dan moet gij dat met mij afspreken; dat gaat mijn’ man niet aan en hij laat zich er nooit mede in.”
Mac-Guffog had zich intusschen verwijderd, waarschijnlijk opdat de gevangene zich bij deze nieuwe afpersing niet op hem zou kunnen beroepen.
„In ’s Hemels naam,” antwoordde Bertram, „breng alles behoorlijk in orde, en reken er voor, wat gij verkiest.”
„Goed, goed, dat is vlug afgedaan! Wij rekenen ook niet hoog, ofschoon wij zoo dicht bij het tolhuis wonen. Ik moet nu ook zorgen dat gij vuur en een middagmaal krijgt, hoewel dit laatste heden niet uitstekend zal zijn, daar er geen gezelschap verwacht wordt, dat iets keurigs en lekkers verlangen zou.”
Met deze woorden liep zij ijlings heen, haalde eenige gloeiende kolen en legde vuur aan op een ouden, roestigen haard, die sedert maanden niet warm geweest was. Hierop legde zij het noodige linnen (dat, helaas! niet weinig van dat van Ailie Dinmont verschilde) met ongewasschen handen op het bed; en morde – zoo zeer was het morren haar tot eene tweede natuur geworden – nog over deze moeite, welke haar zoo ruim beloond zou worden. Eindelijk vertrok zij echter, tusschen de tanden mompelende, „dat zij liever een geheelen vleugel van de gevangenis wilde bedienen, dan één zulk heertje, dat haar met zijne zotte kuren zoo veel werk verschafte.”
Thans bevond Bertram zich alleen. Om zich toch eenigszins bezig te houden, bleef hem geene andere keuze over, dan in het kleine vertrek op en neder te wandelen, of door het kleine, door morsigheid en dicht geplaatste ijzeren staven nog verduisterde venster op de zee uit te zien, of de proeven van ruwe geestigheid, die uit wanhoop op de half gewitte muren gekrabbeld waren, te lezen. De tonen, welke in zijn oor drongen, waren even onaangenaam als alles, wat hij zag. Nu hoorde hij het doffe geklots der golven, dan het gekras en geknars van grendels en hengsels, als er eene deur open of toegesloten werd; nu de schorre stem van den cipier, of de gillende tonen van zijne bijna altijd knorrende, brommende of scheldende wederhelft, en dan weder het woedende geblaf van den grooten hond, die op de plaats vast geketend lag en dikwijls door de lediggangers gekweld werd.
Eindelijk werd Bertram in zijne vervelende eenzaamheid gestoord door de komst van eene morsige dienstmaagd, die zijn maal gereed zou zetten. Zij bedekte de morsige houten tafel met een half morsig tafellaken, legde mes en vork, die niet door te veel schuren afgesleten waren, naast een gebarsten bord en plaatste een bijna ledigen mosterdpot en een zoutvat er bij, welks inhoud, in plaats van eene witte, eene grijze of liever zwartachtige kleur had, en beide sporen van versch gebruik droegen. Hierop verwijderde deze beminnelijke Hébe zich en kwam spoedig terug met een schotel in de pan gebakken runderlappen, welke in eene zee van lauw water zwommen, waarop nauwelijks een greintje vet zichtbaar was. Bij dezen heerlijken kost voegde zij een grof brood en vroeg, wat Mijnheer verkoos te drinken. Hij kreeg op zijn verlangen eene flesch wijn dien hij tamelijk goed vond en deed, daar het hoofdgerecht van dezen prachtigen disch hem niets minder dan uitlokkend voorkwam, zijn maaltijd hoofdzakelijk met het grijze brood en een stukje middelmatige kaas. Na geëindigden maaltijd vroeg de dienstmaagd hem uit naam haars meesters, of het hem gelegen zou komen, dat deze den avond bij hem doorbracht. Bertram verontschuldigde zich en verzocht om licht, papier, pennen en inkt. Het licht, eene gebroken vetkaars op een met vet bemorsten blikken kandelaar, werd hem gebracht en hem tevens bericht dat hij het overige wel den volgenden dag kon krijgen, als hij het zelf wilde laten koopen. Nu verzocht hij de dienstmaagd hem een boek te bezorgen en zette dit verzoek klem bij door een schelling, welke hij haar in de hand duwde. Zij bracht eindelijk na lang wachten twee niet op elkander volgende deelen van den Newgate Kalender, welke zij van Sam Silverquill, een kantoorbediende die om het vervalschen van een handschrift gevangen zat, geleend had. Zij legde de boeken voor Bertram op de tafel en liet hem met deze treurige lettervruchten, die niet kwaad bij zijn treurigen toestand pasten, alleen.
VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Al sleept men u ten doode Op des rechters wreed gebod, Eén vriend zal bij u blijven En deelen in uw lot.
Shenstone.
De treurige denkbeelden, die bij het doorbladeren dezer boeken natuurlijk bij Bertram ontstaan moesten, gepaard met het drukkende gevoel van den hoogst onaangenamen toestand waarin hij zich bevond, maakten hem voor de eerste maal van zijn leven kleinmoedig. „Ik ben wel in erger omstandigheden geweest dan thans,” zeide hij bij zich zelven; „in gevaarlijker, want hier is geen gevaar; in omstandigheden, waarin het vooruitzicht veel akeliger was want hier kan ik niet lang in hechtenis blijven; in eene veel harder en onverdragelijker gevangenschap, want ik heb hier ten minste vuur, voedsel en kleeding. En toch voel ik mij bij het lezen van deze bloedige verhalen van misdaden en ellende, op eene plaats, welke voor de gedachten, die zij opwekken, zoo geschikt is, en bij het hooren van de treurige geluiden, die in mijn oor dringen, meer dan ooit tot droefgeestige zwaarmoedigheid gestemd. Maar ik wil mij er niet aan overgeven. – Weg met deze verhalen der schandelijkste misdaden’” riep hij, en wierp het boek op het ledige bed. „Eene Schotsche gevangenis zal niet reeds op den eersten dag den moed doen zinken, waarmede ik in een vreemd land het ongewone klimaat, gebrek, ongemak en gevangenschap getrotseerd heb. Ik heb reeds zoo menigen harden strijd met Mevrouw Fortuna gestreden; zij zal mij ook nu niet overwinnen, indien ik er iets aan doen kan.”
Hij spande nu ook alle krachten in om zijn moed weêr op te wekken en zijn toestand in het gunstigste licht te beschouwen. „Delaserre moet weldra in Schotland zijn,” dacht hij; „de getuigschriften van den bevelhebbenden officier moeten spoedig aankomen; en als Mannering tot getuige geroepen wordt, wie weet of dat niet den weg tot eene verzoening banen kon?”
Hij had dikwijls opgemerkt, en stelde zich dit nu levendig voor den geest, hoe de kolonel, wanneer hij partij voor iemand trok, dat nooit ten halve deed; en dat hij diegenen het meest scheen te beminnen, die eenige verplichting aan hem hadden. En kon thans eene gunst, die met eer gevraagd en gereedelijk verleend kon worden, niet misschien de eerste schrede tot eene verzoening worden? Deze bespiegelingen brachten hem natuurlijk Julia voor den geest en hij bouwde, zonder den afstand tusschen een soldaat zonder fortuin, die van de getuigenis van haar vader zijne vrijheid verwachtte, en de erfgename van den rijkdom en de uitzichten van dien zelfden vader nauwkeurig te berekenen, de heerlijkste luchtkasteelen en versierde ze met alle kleuren van een schoonen zomerschen avondhemel, tot hij door een hevig kloppen aan de buitendeur en het blaffen van den mageren, halfverhongerden, doch waakzamen hond op de plaats, in zijne wakende droomen gestoord werd. Na vele voorzorgen werd de deur geopend en iemand binnengelaten. Vervolgens werd ook de huisdeur ontgrendeld, ontsloten en ontketend. Een hond kwam de trap opvliegen en bleef bij de deur van Bertram’s vertrek slaan krabben en huilen. Hij hoorde tevens iemand met zwaren tred den trap langzaam opklimmen en Mac-Guffog met zijne schorre stem zeggen: „Hierheen, hier moet gij heen; pas op deze trede. Daar is de kamer!” – Bertram’s deur werd ontgrendeld, en tot zijne groote verwondering en vreugde snelde zijn hond, zijn getrouwe Wesp, in het vertrek, sprong tegen hem op en wist niet hoe hij hem zijne blijdschap zou betuigen.
Hierop trad ook zijn getrouwe vriend, de wakkere pachter van Charlies-hope binnen en riep, toen hij in het ellendige vertrek rondzag, uit: „Hoe! hoe? was is dit! was is dit?”
„Een streek van het noodlot, waarde vriend!” antwoordde Bertram, terwijl hij opstond en hem hartelijk de hand schudde; „anders niets.”
„Maar wat moet hieraan gedaan worden, of liever wat kan hieraan gedaan worden? Is het om schulden, of wat anders?” vroeg Dinmont.
„Neen, het is niet om schulden; en als gij tijd hebt, om bij mij te gaan zitten, zal ik u alles zeggen, wat ik zelf van de zaak weet.”
„Of ik tijd heb? – De drommel! waarom ben ik hier gekomen, dan om u te spreken en om alles te onderzoeken? Maar mij dunkt, wij moesten eerst iets eten: het wordt al laat. Ik heb den menschen in de herberg, waar ik mijn paard heb laten staan, gezegd mij mijn avondmaal hierheen te brengen en Mac-Guffog zal het binnen laten. Dat alles heb ik reeds afgesproken. – Laat mij nu uw lotgevallen vernemen. – Stil, Wesp! stil. – Wat is het arme dier blijde, dat het u ziet!”
Bertram had zijne geschiedenis, die zich tot zijne ongelukkige ontmoeting met den jongen Hazlewood en de verwarring van zijn persoon met dien van een smokkelaar bepaalde, die bij den aanval op Woodbourne eene voorname rol gespeeld had en toevallig denzelfden naam droeg, spoedig verhaald.
Dinmont luisterde zeer aandachtig. „Wel, wel, daar behoefde men zeker zoo veel ophef niet van te maken, te meer daar de knaap, die de wond ontving, hersteld is. Wat beteekenen een paar hagelkorrels in den schouder? Als hij een oog verloren had, dan zou het iets anders zijn. Ik wenschte wel, dat de oude heer Pleydell hier ware; dat zou de rechte man zijn om hen uit te hooren; die heeft den mond op de rechte plaats!”
„Maar zeg mij nu vriend, hoe hebt gij vernomen dat ik hier was?”
„Ja, man! wonderlijk genoeg. Dat zal ik u zeggen, als wij met eten gedaan hebben. Het is beter daarover niet te spreken, zoo lang die groote slons van eene meid hier in- en uitsluipt.”
Bertram’s nieuwsgierigheid werd eenigszins tot bedaren gebracht door het verschijnen van het avondmaal, dat, ofschoon slechts eenvoudige kost, zich door eene uitstekende zindelijkheid, welke der kookkunst van vrouw Mac-Guffog geheel en al ontbrak, aanbeval. Dinmont, die zeide dat hij den geheelen dag gereden had zonder iets te gebruiken sedert het ontbijt, „waarvan het de moeite waard zou zijn te spreken,” (hieronder verstond hij een paar pond koud vleesch, dat hij op zijne middags pleisterplaats genuttigd had) – Dinmont, zeggen wij, viel moedig op het lekkere maal aan, en sprak, als een Homerische held, weinig, goeds noch kwaads, vóor dat honger en dorst gestild waren. Eindelijk zeide hij, na eene lange teug bier en wijzende op de armzalige overblijfsels van een gebraden kip: „voor een steedsche vogel was het niet slecht, ofschoon het bij onze kippen te Charlies-hope niet vergeleken kan worden, en het verheugt mij, ritmeester, dat deze tegenspoed u den eetlust niet benomen heeft.”
„Mijn middagmaal was ook niet zoo lekker, dat ik mijn avondmaal daardoor bederven zou.”
„Dat geloof ik wel; dat geloof ik wel,” hernam Dinmont en wendde zich nu tot de dienstmaagd: „hoor eens, meisje, nu gij ons brandewijn, heet water, suiker en al het noodige gebracht hebt, kunt gij de deur wel sluiten; wij wilden nu alleen zijn en over onze zaken spreken.”
Het meisje vertrok, sloot de deur en schoof er, tot meerdere zekerheid, nog een zwaren grendel aan den buitenkant voor. Zoodra zij heen gegaan was, ging Dandie de posten verkennen en luisterde door het sleutelgat. Toen hij zich overtuigd had, dat zij niet beluisterd werden, ging hij naar de tafel terug, maakte, zoo als hij het noemde, eene flinke hartsterking gereed, wakkerde het vuur wat op en begon zijn verhaal op een ernstigen, veelbeteekenenden toon, wat bij hem iets zeer ongewoons was.
„Hoor eens, ritmeester, ik was een paar dagen in Edinburg geweest, om de begrafenis van een vriend, dien wij verloren hebben, bij te wonen. Ik dacht ook nog iets voor mijn rid te krijgen; maar dat was mis. Maar, wie kan dat helpen? Ik had buitendien ook eene kleine rechtszaak, maar die was nog niet beslist en daarover behoef ik niet te praten. Om kort te gaan, ik had mijne zaken afgedaan en kwam weder te huis. Den volgenden morgen ging ik uit, om naar het vee te zien, en toen dacht ik, dat ik ook wel eens naar de weide op den top van den Touthoprigg, waarover Jock van Dawstoncleugh en ik dat proces hebben, kon gaan; en zie, juist toen ik daar kwam, zag ik een man voor mij staan, die, zoo als ik best zien kon, niet tot onze herders behoorde, en het is een zeldzaam iets, hier iemand anders te ontmoeten. Toen ik bij hem kwam, ontdekte ik dat het Gabriël de vossenjager was. Dit verwonderde mij zeer en ik vroeg hem: Wat doet gij hier onder de kraaien en zonder uwe honden, man? zoekt gij den vos zonder honden?”
„Neen, neen!” antwoordde hij, „ik zocht juist naar u.”
„Zoo,” zeide ik, „dan hebt gij zeker iets noodig om den winter door te komen?”
„Neen, neen!” zeide hij, „dat zoek ik niet. Maar gij stelt veel belang in dien kapitein Brown, die hier bij u geweest is, niet waar?”
„Dat doe ik wel degelijk, Gabriël!” zeide ik, „en wat is er met hem te doen?”
Toen zeide hij: „Er zijn ook anderen, die belang in hem stellen, en ook iemand, dien ik moet gehoorzamen; en het is mijn eigen wil niet dat ik hier ben, om u iets van hem te zeggen, dat u niet aanstaan zal.”
„Zoo!” zeide ik, „niets staat mij aan, dat hem onaangenaam is.”
„Dan zal het u zeker niet best bevallen,” zeide hij, „te hooren, dat hij waarschijnlijk in de gevangenis te Portanferry komt, als hij zich niet in acht neemt: want er is bevel gegeven, om hem gevangen te nemen, zoodra hij over het water van Allonby komt. Als gij het dus goed met hem meent, moet gij naar Portanferry rijden en geen gras onder de hoeven van uw paard laten groeien, en als gij hem in de gevangenis vindt, moet gij een paar dagen, nacht en dag, bij hem blijven: want hij zal vrienden noodig hebben, die beide hart en hand hebben. En als gij dit verzuimt, zal het u slechts eenmaal berouwen: want uw berouw zal uw geheele leven lang duren.”
„De hemel beware ons, Gabriël!” zeide ik; „hoe hebt gij dit alles vernomen? het is een lange weg van hier naar Portanferry.”
„Bekommer u daar niet over,” zeide hij; „zij, die ons die tijding brachten, hebben nacht en dag gereden en gij moet u oogenblikkelijk op weg begeven, indien u eenig goed wilt doen; en nu heb ik u niets meer te zeggen.” –
En daarop holde hij naar beneden in het dal, waar ik hem met mijn paard bezwaarlijk volgen kon; en ik keerde terug naar Charlies-hope, om het mijne vrouw te vertellen, want ik wist niet, wat te doen. Ik dacht, het zou toch gek zijn, als ik mij door zulk een’ landlooper liet foppen. Maar, lieve hemel! toen moest gij mijn vrouwtje gehoord hebben! Die zette een keel op! Het zou schande zijn, zeide zij, als u een ongeluk overkwam en ik u had kunnen helpen; en toen kwam uw brief, die alles bevestigde. Dus ging ik dadelijk naar de geldkist en nam er een pakje banknoten uit, die misschien noodig zouden zijn, en alle kinderen liepen naar den stal, om mijn paard op te zadelen. Bij geluk had ik een ander paard naar Edinburg medegenomen; dus was dit zoo frisch als eene roos. Zoo begaf ik mij op reis en nam Wesp met mij (men zou bijna denken, dat het arme dier wist, waar ik heen ging), en nu ben ik hier, na een rid van ten naastenbij twintig uren.
Bertram begreep uit dit vreemd verhaal duidelijk (verondersteld, dat de waarschuwing goed gemeend was), dat hem een grooter en vreeselijker gevaar boven het hoofd hing, dan uit eene gevangenhouding van weinige dagen scheen te kunnen ontstaan. Het was tevens even blijkbaar, dat een onbekend vriend ten zijnen behoeve werkzaam was. „Zeidet gij niet,” vroeg hij Dinmont, „dat deze Gabriël van Heidensch bloed was?”
„Zoo zegt men,” antwoordde Dinmont, „en dit maakt het, dunkt mij, zeer waarschijnlijk: want die weten elkander altijd te vinden en kunnen de tijdingen als een bal door het land laten vliegen, zoo als zij willen. En ik heb nog vergeten u te zeggen, dat er veel naar het oude wijf, dat wij te Bewcastle gezien hebben, gezocht en gevraagd is. De sheriff heeft haar zijn volk over de Limestaner berg, naar de Hermitage en langs de Liddel en overal achterna gezonden en eene belooning van vijftig pond voor haar aanhouding uitgeloofd, indien zij terugkwam; de vrederechter Forster heeft ook, zoo als ik gehoord heb, bevel tot hare inhechtenisneming in Cumberland rondgezonden en haar op alle wegen laten zoeken; maar men zal haar daarom toch niet krijgen, als zij niet wil.”
„Hoe komt dat?” hernam Bertram.
„Ja, dat weet ik niet. Ik zeg, dat het ongerijmd is, maar de menschen zeggen, dat zij zaad van varenkruid verzameld heeft en door elke deur kan sluipen en overal heen kan komen, als zij verkiest, even zoo als Jack, de reuzendooder in het oude verhaal, met zijn kleed van onzichtbaarheid en zijne zevenmijls-laarzen. Zij is, zoo als de menschen zeggen, eene soort van koningin onder de Heidenen en meer dan honderd jaren oud; en weet nog als ooggetuige van de partijgangers uit de onrustige tijden, toen de Stuart’s weggejaagd werden, te verhalen. Indien zij zich zelve dan niet verbergen kan, kunnen anderen haar wel verbergen; daar is geen twijfel aan. Ja! had ik geweten dat het Meg Merrilies was, die wij dien avond bij Tibb Mumps aantroffen, dan zou ik haar wel vriendelijker behandeld hebben!”
Bertram luisterde zeer opmerkzaam naar dit verhaal, dat in vele opzichten met alles, wat hij zelf van deze Heidin gezien had, zoo goed overeenkwam. Na eenig overleg begreep hij, dat het niet als trouweloosheid behoefde aangemerkt te worden, indien hij datgene, wat hij te Derncleugh gezien had, aan een man verhaalde, die zoo veel ontzag voor de Heidin had, als Dinmont blijkbaar betoonde. Hij verhaalde hem dus zijn avontuur, waarbij hij dikwijls door zijn vriend gestoord werd, die zijne verwondering door uitroepingen, zoo als: „Wie heeft ooit zoo iets gehoord!” of, „De drommel, wie kon zoo iets denken?” lucht gaf.
Toen Dinmont het geheele verhaal gehoord had, schudde hij de zwarte lokken en zeide; „Ja, ik houd staande, dat er zoo wel goeds als kwaads onder de Heidenen is; en hebben zij gemeenschap met den booze, dat is hunne zaak, en niet de onze. Ik weet best, welke grillen zij met hunne dooden hebben. Wanneer een van die drommelsche smokkelaars in een gevecht sneuvelt, laten zij, hoe ver zij er somtijds ook om moeten loopen, een wijf, zoo als Meg, halen, om het lijk te kleeden. Dat is de geheele plechtigheid, waarom zij zich bij de begrafenis bekommeren: want dan stoppen zij het zonder verdere plechtigheden als een’ hond onder den grond. Maar, zij zijn er op gesteld, dat het lijk naar hunne manier behoorlijk in orde gebracht wordt en dat er bij het sterven zulk een oud wijf tegenwoordig is, om gebeden en oude liedjes en tooverspreuken, zoo als zij ze noemen, op te zeggen; maar een geestelijke, die met en voor hen bidt, verkiezen zij niet. Zij blijven bij hunne oude gewoonte. En ik geloof zeker, dat die stervende één van de mannen geweest is, die gekwetst zijn, toen Woodbourne afgebrand is.”