Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Part 31

Chapter 313,777 wordsPublic domain

„Gij ziet in mij den meest ongeschikten man van de wereld om u daarop te antwoorden; ik ben geheel onbekend met oude volksfabelen.”

„In mijne kindschheid kon ik zulk een lied van het begin tot aan het einde zingen,” hernam Bertram. „Ik ben in Schotland geboren, maar heb dit land zeer jong verlaten, en mijne opvoeders trachtten alle herinneringen aan mijn vaderland zoo veel mogelijk in mij te verstikken, waarschijnlijk omdat ik, als knaap, hun opzicht wenschte te ontvluchten.”

„Zeer natuurlijk,” antwoordde Glossin, maar sprak zoo zacht, als of hij den mond met de grootste moeite maar even openen kon, zoo dat deze half gemompelde woorden zeer veel verschilden van den luiden, vrijpostigen toon, waarop hij gewoonlijk sprak. Gedurende dit geheele gesprek schenen zijne krachten hem bijna te begeven. Hij was geheel verlegen en wist niet welke houding hij zou aannemen; nu zette hij den éenen, dan den anderen voet vooruit, dan bukte hij zich, of trok met de schouders, of speelde met de knoopen van zijn vest, of wreef zich in de handen – met één woord, hij was het levendig beeld van een kleinmoedigen schurk, die sidderend voor ontdekking vreest. Bertram bemerkte van dit alles niets, daar hij zich te zeer door den stroom van zijn eigen gevoel liet wegslepen; en ofschoon hij tegen Glossin scheen te spreken, dacht hij veel minder aan dezen dan aan zijne eigene aandoeningen en verwarde herinneringen. „Ja,” zeide hij, „ik behield mijne moedertaal onder deze lieden, van wie de meesten Engelsch spraken, en als ik alleen in een hoek kon sluipen, zong ik dat lied van het begin tot het einde. Ik heb de woorden nu geheel vergeten; de wijze ken ik echter nog wel, maar begrijp niet, waarom mij dit alles thans zoo levendig voor den geest komt.”

Hij haalde zijne fluit uit den zak en speelde eene eenvoudige zangwijze. Waarschijnlijk wekten de tonen den zanglust op van een meisje, dat niet ver van daar bij eene heldere bron, die eens het kasteel van water voorzien had, bezig was linnen te bleeken. Zij begon dadelijk te zingen:

„Zijn dit de stranden niet van Forth? Of is ’t de bocht van Dee? Of ’t schoone bosch van Warroch’s kaap, Dat ik zoo gaarne zie?”

„Bij den hemel!” riep Bertram uit, „dat is het lied. Dat meisje moet mij de woorden zeggen.”

„Vervloekt!” dacht Glossin, „als ik dit niet verhinder, dan is alles verloren. De duivel hale alle liedjes, liedjesmakers, liedjeszingers en die verwenschte deern met haar gekraai er bij! – Daartoe zult gij naderhand wel tijd hebben,” zeide hij overluid, toen hij zijn afgezant met een paar mannen den heuvel zag opkomen, „thans moeten wij over ernstiger dingen met elkander spreken.”

„Wat moet dit beteekenen, Mijnheer?” vroeg Bertram, terwijl hij zich tot hem wendde, beleedigd door den toon, dien Glossin zich aanmatigde.

„Wat dit beteekent? ... Uw naam is, geloof ik, Brown?”

„En waartoe die vraag, Mijnheer?”

Glossin wierp een blik over den schouder, om te zien hoe ver deze met smart gewachte mannen nog af waren. „Van Beest Brown, indien ik mij niet vergis?”

„En waartoe die vraag, Mijnheer?” herhaalde Bertram met toenemende verbazing en klimmend misnoegen.

„In dat geval,” antwoordde Glossin, daar hij zag dat zijne vrienden dicht achter hem waren, „in dat geval zijt gij mijn gevangene in naam des Konings!”

Op hetzelfde oogenblik wilde hij Bertram bij den kraag grijpen, terwijl twee der mannen zijne beide armen vatten. Bertram scheurde zich echter weder los, wierp den éenen aanvaller van den heuvel af en trok zijn houwer, om zich te verdedigen, terwijl zijne aanvallers, die zijne kracht gevoeld hadden, terugweken en hem uit een veiligen afstand aanstaarden. „Weet,” riep Bertram uit, „dat het mijn voornemen niet is, mij tegen de wettig ingestelde macht te verzetten. Bewijs mij, dat gij wettig gemachtigd zijt, om mij in hechtenis te nemen, en ik zal zonder tegenstand gehoorzamen; maar dat niemand, die zijn leven lief heeft, het wage mij te naderen, vóor dat ik weet, om welke misdaad en op welk gezag gij mij aanhouden wilt.”

Op Glossin’s bevel toonde een der gerechtsdienaren een wettig bevelschrift, om van Beest Brown, beschuldigd van opzettelijk en boosaardig op den jongen Karel Hazlewood van Hazlewood geschoten te hebben, met het voornemen om hem te dooden, en van meer andere misdaden en wanbedrijven, te vatten en tot nader onderzoek aan de naaste overheid op te zenden. Daar dit bevel in den behoorlijken, wettelijken vorm was, en de daad zelve niet geloochend kon worden, wierp Bertram zijn wapen weg en gaf zich vrijwillig aan de gerechtsdienaren over, die thans met even veel drift, als zij voor eenige oogenblikken kleinmoedigheid getoond hadden, op hem aanvielen en hem wilden boeien, onder voorwendsel, dat zijne betoonde sterkte dezen maatregel noodzakelijk maakte. Glossin schaamde zich echter deze noodelooze beschimping te dulden, en beval hun den gevangene met verschooning en eerbied te behandelen, zooveel dat met zijne veilige bewaking bestaanbaar was. Daar hij er voor vreesde, den gevangene in zijn eigen huis, waar zoo vele voorwerpen nieuwe herinneringen konden opwekken, te doen brengen en hij er tevens op bedacht was, zijne handelwijze door het gezag van iemand anders te rechtvaardigen, liet hij zijn rijtuig (hij had zich onlangs paarden en rijtuig aangeschaft) gereed maken en den gevangene benevens den gerechtsdienaren, die intusschen een vertrek in het oude kasteel betrokken hadden, eenige ververschingen aanbieden!

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Brengt den getuige hier – Gij rechter, in uw zwarten tabbard, neem plaats, En gij, zijn ambtgenoot, – zijt ook lid van het hof, – Neem ook hier zitting.

Koning Lear.

Terwijl het rijtuig ingespannen werd om den gevangene te vervoeren, schreef Glossin een brief, die hem niet weinig tijd en moeite kostte, aan zijn buurman (zoo als hij hem gaarne noemde), Sir Robert Hazlewood van Hazlewood, het hoofd van een oud, aanzienlijk geslacht dat, door het verval van de familie Ellangowan, langzamerhand veel gezag en invloed verkregen had. Sir Robert, een bejaard man, was verzot op zijne kinderen, een zoon en eene dochter, maar koel en onverschillig omtrent het lot van alle andere menschen. Voor het overige was zijn gedrag lofwaardig, omdat hij het oordeel der wereld vreesde, en rechtvaardig uit een betere beweegreden. Hij was bovenmate trotsch op het aanzien en gewicht van zijn geslacht, en dit gevoel was niet weinig verhoogd, sedert hij den titel van Baronet verkregen had. Hierbij haatte hij de nagedachtenis van de familie Ellangowan, dewijl, volgens eene oude overlevering, een baron van dat geslacht den stichter van het geslacht Hazlewood gedwongen had, hem den stijgbeugel te houden terwijl hij te paard steeg. In zijn gedrag legde hij over het algemeen veel praalzucht en een hoog denkbeeld van zich zelven aan den dag, en zocht door eene weidsche woordenkeuze te schitteren, die echter dikwijls in het belachelijke ontaardde door een vervelende opeenstapeling van woorden van dezelfde beteekenis, waarmede hij zijne volzinnen trachtte af te ronden.

Na rijpe overweging, hoe hij den gunstigsten indruk op de ijdelheid en den familiehoogmoed van dezen man zou kunnen maken, schreef Glossin hem den volgenden brief:

„Aan Sir Robert Hazlewood van Hazlewood, Baronet, Huize-Hazlewood, enz. enz.

„De heer Gilbert Glossin,” (hij zou er gaarne van Ellangowan bijgevoegd hebben, maar zijne voorzichtigheid was grooter dan zijne ijdelheid, en hij liet dit bijvoegsel weg) – „de heer Gilbert Glossin heeft de eer Sir Robert Hazlewood zijne eerbiedigste groeten te zenden en hem te berichten, dat hij heden morgen zoo gelukkig is geweest, den persoon te vatten, die den heer K. Hazlewood gekwetst heeft. Daar sìr Robert Hazlewood waarschijnlijk verkiezen zal zelf het verhoor van dezen misdadiger af te nemen, zal de heer G. Glossin den gevangene naar de herberg te Kippletringan, of naar Hazlewood-house doen brengen, zoo als Sir Robert Hazlewood zal verkiezen te bevelen. En indien Sir Robert Hazlewood zulks veroorlooft, zal de heer G. Glossin hem op eene van deze beide plaatsen, met de bewijzen en stukken, welke hij het geluk gehad heeft omtrent deze schandelijke zaak te verzamelen, opwachten.

Elln. Gn. Donderdag.”

Dezen brief zond hij met een knecht te paard af, met bevel om zich zoo veel mogelijk te spoeden. Nadat hij dezen behoorlijk tijd gegeven had, om een goed eind wegs vooruit te komen, beval hij twee gerechtsdienaren, met Bertram in het rijtuig te stappen. Hij steeg zelf te paard en vergezelde hen langzaam rijdende naar de plaats, waar de wegen naar Kippletringan en Hazlewood-house van elkander scheidden. Hier liet hij stilhouden, om de terugkomst van den bode af te wachten, daar de verdere weg door het antwoord van den baronet bepaald moest worden. Na verloop van een half uur kwam zijn knecht terug en bracht hem het volgende antwoord, sierlijk toegevouwen en met het geslachtswapen van den Baronet dichtgelakt.

„Aan Den Heer Gilbert Glossin, enz.

Sir Robert Hazlewood van Hazlewood verzekert den heer G. Glossin wederkeerig van zijne hoogachting en betuigt hem zijn dank voor de moeite, welke hij zich in zijne zaak, de veiligheid van sir Robert’s familie betreffende, getroost heeft. Sir R. H. verzoekt den heer G. G. de goedheid te hebben, den gevangene, benevens de bewijzen en stukken waarvan hij in zijn brief melding maakt, naar Hazlewood-house te brengen. En in geval de heer G. G. niet anders bezet is, verzoeken Sir R. en Lady Hazlewood hem aan tafel te mogen zien, als het verhoor afgeloopen is.

Huize-Hazlewood, Donderdag.”

„Aha!” dacht Glossin, „éen vinger heb ik er reeds in en zal nu wel maken, dat ik de geheele hand er in krijg. Maar eerst moet ik mij van dezen onheilspellenden jongen ontslaan. Sir Robert zal ik, dunkt mij, wel naar mijn zin kunnen leiden. Hij is dom en deftig; hij zal mijn raad bij de gerechtelijke behandeling van deze zaak gaarne willen volgen en zich den schijn geven alsof hij naar eigen inzicht handelde. Dus zal ik het voordeel hebben de eigenlijke rechter te zijn, zonder het hatelijke der verantwoordelijkheid op mij te laden.”

Terwijl hij deze blijde verwachtingen koesterde, naderde het rijtuig, door eene schoone laan van oude, eerbiedwaardige eiken, het slot Hazlewood-house, dat geheel en al verscholen lag achter deze boomen. Dit kasteel bestond uit een groot, op verschillende tijden opgericht gebouw en had vroeger gedeeltelijk tot een klooster gediend. Ten tijde van koningin Maria werd dit klooster opgeheven en, benevens de omliggende landen, aan den stamvader van deze familie door de kroon geschonken. Het lag bekoorlijk in een groot park aan den oever eener rivier. Het omliggende landschap was somber en ernstig, en paste zeer goed bij de bouworde van het huis. Alles scheen in de schoonst mogelijke orde gehouden te worden en verkondigde den rijkdom en het aanzien van den eigenaar.

Toen Glossin bij den ingang van het slot stil deed houden, zag sir Robert het nieuwe rijtuig uit het venster. Naar zijn gevoelen was het reeds aanmatigend van dezen opkomeling, dezen Mijnheer G. Glossin, voormalig notarisklerk, dat hij de vrijheid genomen had, rijtuig en paarden aan te schaffen; maar zijn misnoegen verminderde, toen hij zag dat er op de paneelen niets dan de eenvoudige naamletters G. G. geschilderd was. Deze schijnbare nederigheid, welke der trotschen baronet gunstig voor Glossin innam, was eigenlijk enkel te danken aan het dralen van den heer Gumming, voorzitter van het Herauten-college dat, op dit tijdstip met bezigheden overkropt, tot nog toe geen geslachtswapen voor den nieuwen heer van Ellangowan gevonden had, daar men vooreerst zorgen moest voor de wapenschilden van twee Noord-Amerikaansche commissarissen, drie nieuwe Engelsch-Iersche pairs en twee groothandelaren uit Jamaika.

Terwijl de gerechtsdienaren met hun gevangene in een net vertrek van den hofmeester bleven, werd Glossin in de zoogenaamde eiken zaal, eene groote kamer met eene fraai verniste lambrizeering en versierd met de sombere portretten der voorouders van Sir Robert Hazlewood, geleid. Glossin, bij wien geen gevoel van eigen waarde tegen zijne lage geboorte opwoog, gevoelde zijne minderheid en toonde door zijne diepe buigingen en nederige houding, dat de heer van Ellangowan op dit oogenblik onder de vroegere onderdanige manieren van den voormaligen notarisklerk verloren ging. Hij zocht zich te overreden, dat hij de trotschheid van den ouden baronet slechts vleide, om zijn eigen voordeel te behartigen; maar zijne aandoeningen waren van gemengden aard, en hij gevoelde zelf den invloed juist dier zelfde vooroordeelen, welke hij waande te vleien. De baronet ontving hem met die hoogmoedige nederbuigendheid, welke in de eerste plaats zijne eigene groote meerderheid bewijzen, maar tevens toonen zou, dat hij grootmoedig en beleefd genoeg was, om ze ter zijde te stellen en tot den toon van een gewoon onderhoud met gewone menschen af te dalen. Hij bedankte Glossin voor zijne oplettendheid in eene zaak, die den jongen Hazlewood zoo nauw betrof, en voegde er een genadigen glimlach, terwijl hij op de familie portretten wees, bij: „Waarlijk, Mijnheer Glossin, deze eerbiedwaardige heeren zijn u even zeer verplicht als ik, voor den arbeid, de zorg en moeite, welke gij om hunnentwil aangewend hebt; en ik twijfel geenszins, of zij zouden indien zij spreken konden, hun dank bij den mijnen voegen voor den dienst, welken gij de familie Hazlewood bewezen hebt door uwe betoonde belangstelling in en uwe genomene moeite ten behoeve van den jongeling, die hunnen naam en hun geslacht moet ophouden.”

Glossin boog driemalen en ieder keer dieper, éens ter eere van den ridder die rechtop voor hem stond, éens om de stomme personaadjen, welke geduldig aan het beschot hingen, zijne achting te bewijzen, en ten derde maal om zijne eerbied voor den jongeling te betoonen, die hun naam en geslacht ophouden moest. Sir Robert vond zich aangenaam gestreeld door de hulde die Glossin, ofschoon maar van geringe burgerlijke afkomst, hem bewees en vervolgde op den toon eener genadige gemeenzaamheld: „en nu, Mijnheer Glossin, mijn uitmuntende vriend, moet gij mij veroorloven, van uwe rechtsgeleerde kennis bij deze zaak partij te trekken. Ik ben niet gewoon de werkzaamheden van vrederechter uit te oefenen; dat voegt beter aan andere heeren, wier huiselijke en familiezaken een minder onafgebroken opzicht en nauwkeurige oplettendheid vorderen, dan de mijne.”

Glossin antwoordde dat sir Robert vrij over hem kon beschikken, doch dat hij, daar de naam van den baronet als rechtsgeleerde met zoo veel roem bekend was, nauwelijks hopen durfde, dat zijne hulp noodig of nuttig kon zijn.

„Gij moet mij goed verstaan, Mijnheer Glossin! Ik bedoel eigenlijk slechts, dat de practische kennis van den gewonen loop der rechtszaken mij niet gemeenzaam bekend is. Ik ben wel voor de balie opgevoed en durf mij beroemen, dat ik aanmerkelijke vorderingen in de theoretische en bespiegelende kennis van onze wetten gemaakt heb; maar er is thans zoo weinig gelegenheid voor een man van rang en vermogen om als rechtsgeleerde zoo hoog te klimmen als – gelukzoekers, die even gaarne voor geringe lieden als voor den eersten edelman van het land pleiten, dat ik zeer spoedig een afkeer van de practijk gekregen heb. De eerste zaak, welke mij opgedragen werd, deed mij inderdaad walgen. Het was over het koopen en verkoopen van smeer, tusschen een slager en een kaarsenmaker, en men verwachtte dat ik mijne lippen niet alleen met hunne gemeene namen, maar ook met alle kunstwoorden en uitdrukkingen van hunne morsige beroepen zou bezoedelen. Op mijn woord van eer, Mijnheer Glossin, ik heb sedert dien tijd de reuk van eene vetkaars nooit kunnen verdragen.”

Glossin betuigde, zoo als verwacht scheen te worden, zijn leedwezen over het onwaardige doel waartoe de baronet zijne kundigheden bij die ongelukkige gelegenheid had moeten vernederen en bood aan, om in de tegenwoordige zaak als griffier of bijzitter, of hoe hij slechts van nut kon zijn, te dienen. „Ik zal u met korte woorden een volledig overzicht van de zaak geven,” vervolgde hij. „In de eerste plaats geloof ik, dat het niet moeielijk zal zijn, de hoofdzaak, dat de gevangene dezelfde persoon is die het geweer afgeschoten heeft, te bewijzen. Zou hij het ontkennen, dan kan de heer Hazlewood, naar ik vertrouw, het door zijne getuigenis bewijzen.”

„Mijn zoon is heden niet te huis, Mijnheer Glossin!”

„Dan kan de bediende, die hem vergezeld heeft, als getuige dienen; maar ik geloof niet, dat de daad zelve ontkend zal worden. Ik vrees veeleer dat de ontmoeting, uithoofde van het al te gunstige en verschoonende licht, waarin de heer Hazlewood de zaak gelieft voor te stellen, als enkel toevallig, en het toebrengen der wond als onopzettelijk en onvoorbedachtelijk beschouwd, en dus de dader aanstonds op vrije voeten gesteld zal moeten worden, om nog meer onheil aan te richten.”

„Ik heb de eer niet den tegenwoordigen procureur-generaal te kennen,” hernam sir Robert ernstig; „maar ik vertrouw, ja ik ben overtuigd, dat hij het bloote feit, dat de jonge Hazlewood van Hazlewood, ofschoon, om de zaak uit het zachtste, gunstigste en onwaarschijnlijkste oogpunt te beschouwen, door onachtzaamheid of onvoorzichtigheid gekwetst is, als eene misdaad beschouwen zal, waarvoor gevangenis een veel te lichte straf en deportatie naar een strafkolonie nauwelijks zwaar genoeg zou zijn.”

„Ik ben volkomen van uw gevoelen, sir Robert,” antwoordde de gedienstige Glossin; „maar ik weet niet, hoe het is; ik heb opgemerkt, dat de rechtsgeleerden te Edinburg, en zelfs koninklijke ambtenaren, er eene eer in schijnen te stellen, bij de rechtspleging geene acht op rang en familie te slaan, en ik zou vreezen” –

„Hoe, Mijnheer! geen rang of aanzien in aanmerking nemen? Wilt gij mij diets maken, dat zulk eene leer door mannen van stand en eene beschaafde opvoeding opgevolgd kan worden? Neen, Mijnheer! even als het stelen van eene kleinigheid op straat eenvoudig diefstal is, maar heiligschennis wordt, wanneer dezelfde misdaad in eene kerk gepleegd wordt, even zoo behoorde, wegens de verschillende standen in de maatschappij, de strafwaardigheid van eene misdaad grooter te zijn, naar gelang van den rang van dengenen tegen wien ze bedreven of beraamd is.”

Glossin gaf zijne goedkeuring door eene diepe buiging te kennen en verklaarde tevens, dat er in het ergste geval, indien namelijk deze onnatuurlijke leer thans werkelijk beleden zou worden, nog eene andere reden bestond, om den heer Van Beest Brown in handen der gerechtigheid te doen blijven.

„Van Beest Brown? heet de kerel zoo? Goede hemel! en door zulk een onbekenden ellendeling, Van Beest Brown genaamd, moest het leven van den jongen Hazlewood van Hazlewood ìn gevaar gebracht worden! Het sleutelbeen van den rechterschouder was aanmerkelijk beschadigd en verscheidene groote hagels waren in den vooruitstekenden knobbel van het acromion gedrongen, zoo als het bericht van onzen wondarts uitdrukkelijk vermeldt.”

„Waarlijk, Sir Robert, de gedachte aan zoo iets is nauwelijks te verdragen; maar ìk verzoek tienduizend male verschooning, dat ik nog eens terugkom op hetgeen ik zeggen wilde. Een persoon van denzelfden naam is, zoo als uit deze papieren,” (het zakboek van Dirk Hatteraick voor den dag halende) „blijkt, stuurman op het smokkelschip geweest, waarvan de manschappen zulk een gewelddadigen aanval op Woodbourne deden; en ik twijfel geenszins, of het is éen en dezelfde persoon. Uw scherpziendheid zal u hiervan gemakkelijk overtuigen.”

„Dezelfde, mijn goede man! het moet zeker dezelfde zijn. Men zou zelfs den geringsten lieden onrecht doen, indien men veronderstelde, dat er onder hen twee personen gevonden konden worden, die gedoemd waren zulk een wanklinkenden naam te dragen als die van Beest Brown.”

„Zeer waar, Sir Robert! het is buiten twijfel. En deze omstandigheid verklaart de wanhopige houding van dezen mensch. Gij, Sir Robert, zult de beweegredenen dezer misdaad wel ontdekken, als gij de zaak onderzoekt. Ik, voor mij, kan het vermoeden niet weren, dat wraak over de dapperheid, waarmede de heer Hazlewood met al den moed zijner beroemde voorvaderen Woodbourne tegen dezen schurk en zijne nietswaardige makkers verdedigd heeft, de eigenlijke drijfveer geweest is.”

„Ik zal het onderzoeken,” hernam de baronet, „en waag het reeds te vermoeden, dat de oplossing van dit raadsel, vraagstuk of geheim, welke gij als het ware reeds gegeven hebt, de juiste is. Ja! wraak moet het zijn. En, goede hemel! door wien en tegen wien gekoesterd? Gekoesterd, gevoed en gekweekt tegen den jongen Hazlewood van Hazlewood, en gedeeltelijk volbracht, uitgevoerd en voltrokken door de hand van Van Beest Brown! Het zijn thans verschrikkelijke tijden, geachte buurman!” (dit bijvoegsel bewees, hoe snel Glossin in de gunst van den baronet steeg) – „tijden, waarin de bolwerken der maatschappij tot in hunne hechtste grondvesten geschokt worden, en rang en aanzien, de grootste sieraden van het maatschappelijk gebouw, met de geringere deelen daarvan verward en vermengd worden. O, beste Mijnheer Gilbert Glossin! in mijn tijd was het gebruik van degen en pistolen en soortgelijke eervolle wapens alleen voor den adel en de aanzienlijken bewaard, en werden de geschillen van het gemeen met de wapens, die de natuur geeft, of met knuppels, in het naaste bosch afgebroken of gesneden, beslist. Maar thans, Mijnheer, thans durft een boer met zijne bespijkerde schoenen een hoveling op de teenen trappen. De lagere standen hebben hunne geschillen, hun punt van eer, en vorderen voldoening, die waarlijk door een tweegevecht gegeven moet worden. Het zal, helaas, mijn tijd wel uit duren – maar laat ons den gevangene, dezen Van Beest Brown, doen binnen brengen en de zaak met hem, ten minste vooreerst, afdoen.”

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

– Hij was het, Die het vuur ontstak, waardoor hij zelf Gekwetst werd, – naar ik hoop Gevaarlijk noch onherstelbaar.

De schoone uit de herberg.

De gevangene werd voor de beide waardige rechters gebracht. Glossin, wiens geweten in deze oogenblikken niet geheel zweeg, en die volgens zijn plan het geheele verhoor schijnbaar aan sir Robert Hazlewood overliet, keek voor zich op de tafel. Hij hield zich schijnbaar bezig met het lezen en schikken der papieren betrekkelijk de zaak, en sprak slechts nu en dan een enkel woord, wanneer hij zag, dat de edele rechter, in schijn de hoofdpersoon, een wenk noodig had. Sir Robert poogde in zijn geheele gedrag den strengen ernst van den rechter met de waardigheid, die hem als baronet van oude afkomst toekwam, te vereenigen.

„Plaats hem dáar onder aan de tafel,” sprak hij tot de gerechtsdienaren, en vervolgens tot den gevangene: „Zie mij aan en verhef uwe stem, als gij antwoordt op de vragen, die ik u doen zal.”

„Mag ik eerst weten,” hernam Bertram, „wie het is, die zich de moeite geeft om mij te ondervragen? De mannen, die mij hier gebracht hebben, hebben mij op dit punt geene opheldering willen geven.”

„En wat heeft mijn naam of stand met mijne vragen te doen?”

„Misschien niets, Mijnheer, maar beide kunnen grooten invloed hebben op mijn wil, om ze te beantwoorden, of niet.”

„Nu, dan verklaar ik u, dat gij voor sir Robert Hazlewood van Hazlewood en een anderen vrederechter van dit graafschap staat. Meer heb ik u niet te zeggen.”

Daar deze verklaring geenszins den indruk scheen te maken, welken sir Robert verwacht had, zette deze het verhoor met een klimmend misnoegen tegen den gevangene voort, en vroeg:

„Is uw naam Van Beest Brown?”

„Ja.”

„Goed. En verder uw stand, uw beroep?”