Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Part 30

Chapter 303,829 wordsPublic domain

De oude man, een voorstander van alles wat op smokkelhandel geleek, stond gaarne in voor de getrouwe en geheime bezorging van den brief. Zoodra zij nu te Allonby aanlandden, schreef Brown aan Julia Mannering. Hij betuigde diep berouw over zijne onbezonnenheid en bezwoer haar, hem eene gelegenheid te verschaffen, om zich te rechtvaardigen en hare vergiffenis voor zijne overijling af te smeeken. Hij oordeelde het niet veilig, zich nader over de omstandigheden, waardoor hij misleid was, uit te laten en drukte zich over het geheel zoo dubbelzinnig uit, dat, indien de brief in verkeerde handen viel, het niet gemakkelijk zou zijn, den waren zin te verstaan, of den schrijver op te sporen. De visscher beloofde dezen brief getrouw aan zijne dochter Peggy te overhandigen en tevens het antwoord, indien de dame het noodig vond te antwoorden, mede te brengen de eerste maal, dat hij weer te Allonby zou komen.

Brown zocht nu naar een geschikt verblijf, dat met zijne tegenwoordige armoede en zijn wensch om zoo veel mogelijk onopgemerkt te blijven, overeenkwam. Met dit oogmerk nam hij den naam van zijn vriend Dudley aan en gaf hij zich tevens voor schilder uit, daar hij genoeg van de behandeling van het penseel verstond, om zijn waard dit voorwendsel als waarheid te doen aannemen. Hij gaf voor, dat zijn reisgoed hem uit Wigton nagezonden zou worden, hield zich, zoo veel mogelijk, in huis en wachtte dus op antwoord op de brieven, die hij aan zijn zaakwaarnemer, aan Delaserre en aan zijn luitenant-kolonel gezonden had. Van den eersten verlangde hij geld; hij bezwoer Delaserre, zoo mogelijk, bij hem in Schotland te komen, en van den laatsten verzocht hij zoodanige getuigschriften, waardoor hij zijn rang als officier en zijn onberispelijk karakter en gedrag onwederlegbaar kon bewijzen. Zijn bijna dringend gebrek aan geld bewoog hem aan Dinmont te schrijven, dat hij, sedert zij van elkaâr afscheid hadden genomen, bestolen was geworden en hem om eene kleinigheid ter leen verzocht, geenszins twijfelende, of hij zou, bij den niet grooten afstand van een twintigtal uren, spoedig een gunstig antwoord ontvangen. Na dit gedaan te hebben, wachtte hij wel met hevig ongeduld, doch zonder ernstige bezorgdheid, naar antwoord op deze verschillende brieven.

Ter verontschuldiging van de ontvangers dezer brieven moet men in het oog houden, dat de loop der posten toen ten tijde nog zeer langzaam en op verre na niet zoo geregeld was, als thans, na de schrandere regeling van den heer Palme. Bovendien bleven de brieven van den braven Dinmont, daar hij zelden meer dan één brief in een vierendeeljaars ontving (tenzij hij in een rechtsgeding gewikkeld was, als wanneer hij geregeld naar het postkantoor zond), gewoonlijk een of twee maanden bij den postmeester voor het venster, onder weekbladen, peperkoek, valhoeden, liedjes, of waarin de man anders handel dreef, liggen. Daarbij had er toen de thans nog niet geheel verouderde gewoonte plaats, dat een brief naar een, misschien geene tien uren verwijderde stad, soms een’ weg van een vijftigtal uren rondgesleept werd, vóor dat die ter bestemde plaats aankwam, waaruit het dubbele voordeel ontstond, dat de brief door en door gelucht, het inkomen van het postwezen met eenige stuivers vermeerderd en het geduld der belanghebbenden geoefend werd. Ten gevolge van deze omstandigheden wachtte Brown verscheidene dagen te vergeefs op antwoord, en zijn voorraad van geld was, niettegenstaande de uiterste spaarzaamheid, bijna versmolten, toen hij door een jongen visscher den volgenden brief ontving:

„Hoe wreed en onvoorzichtig hebt gij gehandeld! Gij hebt getoond, hoe weinig ìk op uwe verzekeringen, dat mijne rust en mijn geluk u dierbaar zijn, kan vertrouwen; en uwe onbezonnenheid heeft eene zeer achtingwaardigen en eerlijken jongeling bijna het leven gekost. Moet ik nog meer zeggen? Moet ik hierbij voegen, dat uwe onbezonnen drift mij op het ziekbed geworpen heeft? en helaas! behoef ik u verder te zeggen, dat ik met angst aan de gevolgen gedacht heb, die hieruit waarschijnlijk voor u zullen voortvloeien, ofschoon gij mij zoo weinig reden gegeven hebt, om dit te doen? De K. is voor verscheidene dagen van huis gegaan. De heer H. is bijna geheel hersteld, en ik heb reden, te denken, dat men niet u, maar iemand anders verdenkt. Waag het nochtans niet, hier te komen! Wij hebben met te verschrikkelijke rampen te worstelen gehad, dan dat ik er aan denken zou, eene betrekking weder aan te knoopen, die zoo dikwijls door de ijselijkste ontknooping bedreigd is. Vaarwel en geloof, dat niemand uw geluk oprechter kan wenschen, dan

J. M.”

De in dezen brief vervatte raad behoorde tot die soort, welke dikwijls gegeven wordt met de bedoeling, dat de ontvanger daarin aanleiding tot een geheel daarmede strijdig gedrag zou vinden. Ten minste Brown was van dit gevoelen en vroeg dadelijk den jongen visscher, of hij van Portanferry kwam.

„Ja,” antwoordde deze, „ik ben een zoon van den ouden Willem Johnstone en ik heb dezen brief van mijne zuster Peggy, die als waschvrouw te Woodbourne dient, ontvangen.”

„Wanneer vertrekt gij weder?”

„Heden avond met de eb.”

„Ik zal met u varen; maar had gaarne, dat gij mij hier of daar aan de kust aan wal kondt zetten, daar ik niet naar Portanferry wensch te gaan.”

„Dat is zeer gemakkelijk te doen,” antwoordde de knaap.

Hoewel de prijs van alle levensbehoeften destijds zeer matig was, putte toch het betalen van kamerhuur en kostgeld, en het aanschaffen van nieuwe kleêren, hetwelk zijne veiligheid zoowel als de betamelijkheid vorderde, de beurs van Brown bijna geheelenal uit. Hij gaf bevel aan het postkantoor, dat zijne brieven hem te Kippletringan achterna gezonden zouden worden, werwaarts hij zich zelf begeven wilde, om den schat, welken hij vrouw Mac-Candlish ter bewaring had gegeven, terug te vorderen. Hij hield het ook voor plicht, om zoodra hij de noodige bewijsstukken ontvangen zou hebben, in zijn waar karakter op te treden en als officier in ’s Konings dienst iedere verklaring te geven en te ontvangen, welke zijn twist met den jongen Hazlewood noodig mocht maken. „Indien bij geen echt stijfhoofd is,” dacht Brown, „dan moet hij toestemmen, dat alles, wat ik gedaan heb, het noodzakelijke gevolg was van zijn ongepast gedrag.”

Hij begaf zich aan boord. Zij moesten de zeeëngte van Solway oversteken. Zij hadden weinig voordeel van het getij; en een sterke tegenwind, vergezeld van regen, deed de zwaar, waarschijnlijk ten deele met verboden waren geladen boot hevig tegen de golven worstelen. Brown, als zeeman opgevoed en bedreven in de meeste lichaamsoefeningen, verleende den schipper door raad en daad krachtdadigen bijstand, toen de vaart door het toenemen van den wind en den sterken stroom op de kust gevaarlijk werd. Zij brachten den ganschen nacht in de zeeëngte door, en bevonden zich des morgens in het gezicht van eene schoone baai aan de kust van Schotland. Het weder was thans vrij zacht. De sneeuw, die reeds sedert eenigen tijd was begonnen te smelten, was door den regen en wind van den vorigen nacht bijna geheel verdwenen. De verder afgelegen bergen waren nog wel in een wit kleed gehuld; maar het open veld was, op eenige weinige plaatsen na, waar de sneeuw door den wind tot eene buitengewone hoogte opgejaagd was, geheel ontbloot. De oever leverde, zelfs bij het tegenwoordig winterachtige aanzien, een bekoorlijk gezicht op. De omtrek der kust vormde met de veelvuldige krommingen, inhammen en baaien zoo ver het gezicht reikte, aan beide zijden eene bekoorlijk golvende lijn, welke het oog zoo gaarne volgt. Niet minder afwisselend dan de omtrek, was de oppervlakte der kust. Hier verhieven zich steile rotsen, ginds bestond de oever uit zacht hellend zand. Gebouwen van verschillenden aard werden door de stralen der opkomende winterzon verlicht en kaatsten het licht schilderachtig terug, terwijl de bosschen, ofschoon thans ontbladerd, de bekoorlijke afwisseling van het landschap verhoogden. Brown genoot dit gezicht met die aangename gewaarwordingen, welke de schoonheden der natuur bij ieder gevoelig en beschaafd mensch opwekken, als ze zich onverwacht, nadat men een duisteren, droevigen nacht op reis doorgebracht heeft, aan ons oog vertoonen. Misschien – want wie durft zich vermeten het onverklaarbare gevoel te ontleden, dat ieder in eene bergachtige landstreek geboren mensch aan zijne vaderlandsche bergen verbindt? – Misschien mengden zich ook nog sluimerende herinneringen, die nog in zijne ziel voortleefden, ofschoon hare oorzaak reeds lang vergeten was, bij het aangename gevoel, waarmede hij het vóor hem liggende tooneel beschouwde.

„En hoe heet dat schoone voorgebergte,” vroeg hij den schipper, „dat zich met zijne hellende oevers en boschrijke heuvels zoo ver in zee uitstrekt en de rechterzijde van de baai vormt?”

„Kaap Warroch,” antwoordde deze.

„En dat oude kasteel, met dat nieuwe huis, dáár iets lager? Het schijnt van verre een zeer groot gebouw te zijn.”

„Dat is het oude slot in de hoogte, en het nieuwe slot dáar beneden, Mijnheer. Wij kunnen hier wel landen, als gij het verkiest.”

„Niets liever, dan dat! Ik moet die bouwvallen bezoeken, eer ik verder reis.”

„Ja, het is een wonderlijk oud nest: en die hoogste toren dient ons, reeds van Ramsay, op het eiland Man, en de Punt van Ayr af, tot een goed baken. Jaren geleden heeft meer dan eens dáar een groot gevecht plaats gehad.”

Brown wilde gaarne meer bijzonderheden vernemen; maar een visscher is zelden een oudheidkenner. Ten minste, de plaatselijke kennis van zijn schipper bepaalde zich bij het gegeven bericht, dat de toren een goed baken was en dáar vele jaren geleden meer dan éen hevig gevecht had plaats gehad.

„Ik zal er wel meer van hooren,” dacht Brown, „als ik aan land kom.”

Zij voeren met de boot dicht langs de punt, waarop het kasteel lag en van eene steile rots somber op de nog beroerde golven nederzag.

„Ik geloof,” zei de stuurman, „dat gij hier even gemakkelijk en droog als elders aan land kunt komen. Vóor lange jaren pleegden hier vele schepen te liggen, maar thans wordt er geen gebruik van deze plaats gemaakt, omdat het zoo moeilijk is goederen den steilen trap op over de rotsen te brengen. Bij helderen maneschijn heb ik echter wel het een en ander hier aan wal gebracht.”

Intusschen voeren zij om eene rotspunt en vonden eene kleine haven, welke ten deele door de natuur, ten deele door den onvermoeiden arbeid der oude bewoners van het kasteel gevormd was, opdat hunne booten en kleine schepen hier veilig zouden kunnen liggen; zware schepen kon ze echter niet opnemen. De beide rotsen, welke den ingang vormden, stonden zoo dicht bij elkander, dat er slechts ééne boot te gelijk inloopen kon. Aan beide zijden waren nog twee zware ijzeren ringen in de rots vastgemaakt, in welke volgens het volksverhaal, eertijds des nachts eene zware ijzeren keten gespannen werd, om de haven en de daarin liggende schepen te beveiligen. Met behulp van houweel en beitel had men in de ééne zijde van de buitengemeen harde rots eene soort van kaai uitgehouwen. De steen was echter zoo hard, dat volgens verhalen der inboorlingen, een werkman, die den heelen dag er aan gearbeid had, ’s avonds gemakkelijk al de brokken in zijn pet naar huis kon dragen, die het hem gelukt was er af te slaan. Deze kleine kaai had gemeenschap met een ruwen trap (waarvan reeds meermalen melding is gemaakt), die naar het oude slot leidde. Men kon ook over de rotsen heen, na zwaar klauteren, de kaai bereiken.

„Hier moet gij maar aan wal gaan: want bij den Shellicoatsteen loopen de golven zoo hoog, dat wij geen droog draadje aan ’t lijf zullen hebben, als we de vracht lossen,” zei de schipper en weigerde het geld, dat Brown hem aanbood, met deze woorden: „Neen, neen, gij hebt voor uwe overvaart gewerkt, en beter gewerkt, dan één van ons. Vaarwel! Het ga u goed!” Dit zeggende verwijderde hij zich met zijne boot, om zijne lading aan de tegenovergestelde zijde van de baai te lossen, en liet Brown, met een klein pakje, waarin de weinige benoodigdheden waren, die hij te Allonby had moeten koopen, in de hand, op de rotsen onder de bouwvallen staan.

En zoo naderde de vermoeide reiziger, onkundig als een vreemdeling en in omstandigheden, die, zoo al niet hopeloos, ten minste voor het oogenblik zeer netelig waren, zonder vriend in den omtrek van vele mijlen, van eene zware misdaad beschuldigd en, wat nog haast het ergste van alles was, bijna zonder geld, de overblijfsels van het kasteel, waar zijne voorouders bijna als koningen geheerscht hadden.

EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

– Ja – gij met mos begroeide wallen, Gij vervallen torens, u zie ik weêr, En met diep berouw! – Waar is uw pracht en roem, Het dolle feest, – het bont gewoel en al De drukte, die van de grootheid sprak Van mijn geslacht en van alouden roem?

De geheimzinnige moeder.

Brown (die in het vervolg, nu hij het vaderlijke erf betreden heeft, den vaderlijken naam van Bertram voeren zal) trad door een, zoo als het scheen, voormaals zorgvuldig gesloten achterpoortje in het slot Ellangowan. Hij wandelde uit het eene vervallen vertrek in het andere, en verwonderde zich niet weinig over de hechtheid en sterkte van eenige gedeelten van het gebouw, over de ruwe en indrukwekkende pracht van andere gedeelten en over de groote uitgestrektheid van het geheel. Twee van deze vertrekken, welke aan elkander grensden, droegen sporen, dat ze onlangs bewoond waren geweest. In het eene lagen ledige flesschen, half afgekloven beenderen en uitgedroogde stukken brood; in het andere, waarvoor eene sterke deur was, die toen openstond, zag hij een grooten hoop stroo, en in beide uitgebrande vuren. Hoe weinig kon Bertram denken, dat deze nietsbeteekenende omstandigheden in verband stonden met gebeurtenissen, waarmede zijn geluk, zijne eer en misschien zelfs zijn leven gemoeid waren.

Nadat Bertram zijne nieuwsgierigheid door eene vluchtige bezichtiging van het inwendige van het slot bevredigd had, ging hij door de groote poort, welke aan de landzijde was, en bleef staan, om het heerlijke landschap, dat nu vóor hem lag, te bewonderen. Hij trachtte de ligging van Woodbourne te ontdekken; maar te vergeefs. Met Kippletringan gelukte hem dit beter. Nu keerde hij zich om, ten einde een’ afscheidsblik op de grootsche bouwvallen te werpen, welke hij zoo even doorkruist had. Hij bewonderde de grootsche en schilderachtige werking van de ontzaggelijke ronde torens, die op beide zijden van de poort staande, den hoogen en nochtans donkeren boog nog meer diepte en verhevenheid bijzetten. Het in steen uitgehouwen wapen van het oude geslacht, bestaande uit drie wolfskoppen, hing schuins onder den helm, die met een, met eene pijl doorboorden, liggenden wolf, in plaats van pluim, versierd was. Als schilddrager stond er aan iedere zijde een met een krans omgorde wilde man in levensgrootte met een ontwortelden eik in de hand.

„En zijn de nakomelingen van de machtige baronnen, welke dit wapen voerden,” zeide Bertram, den gewonen loop der gedachten volgende, die zulke tooneelen dikwijls opwekken, tot zich zelven, „nog steeds in het bezit van het gebied, dat hunne voorouders met zoo veel moeite hebben trachten te bevestigen? of dwalen zij, misschien, onbekend met den roem en de macht van hunne voorvaderen rond, terwijl een vreemd geslacht op hun voorouderlijk erfgoed huist? Hoe komt het,” vervolgde hij, „dat sommige tooneelen gedachten opwekken, die, als het ware, tot de droomen eener vroegere en schaduwachtige herinnering behooren, die mijn oude Bramin aan eenen staat van voorbestaan wilde toeschrijven? Zijn het de droombeelden van onzen slaap, die duister in ons geheugen liggen en door het aanschouwen van zoodanige wezenlijke voorwerpen, die eenigszins met de gestalten onzer verbeelding overeenstemmen, weder te voorschijn geroepen worden? Hoe dikwijls ontwaren wij, zelfs in het gezelschap van menschen, die wij nooit gezien hebben, zeker geheimzinnig en onverklaarbaar gevoel, dat ons schijnt te zeggen, dat noch de schouwplaats, noch de sprekers, noch het gesprokene ons geheel vreemd zijn; ja, het komt ons zelfs voor, dat wij het gesprek, dat nog niet begonnen is, woordelijk kunnen raden! Juist zoo gaat het mij, terwijl ik op deze bouwvallen staar; en ik kan de gedachte niet weren, dat deze hechte torens, deze donkere doorgang onder de hoog gewelfde poort, die door het slotplein slechts flauw verlicht wordt, mij niet geheel vreemd zijn. Zou het mogelijk zijn, dat ik ze reeds dikwerf in mijne jeugd gezien heb, en moet ik in de nabijheid daarvan die vrienden zoeken, van welke mij uit mijne kindschheid nog eene teedere, ofschoon flauwe herinnering is bijgebleven en welke ik zoo vroeg tegen strenge tuchtmeesters verwisselen moest? En toch heeft Brown, die, dunkt me, mij niet bedriegen wilde, mij altijd gezegd, dat ik, na eene schermutseling, waarin mijn vader sneuvelde, van de oostelijke kust medegenomen was; en ik herinner mij iets van zulk een verschrikkelijk tooneel, dat zijn gezegde schijnt te bevestigen.”

Toevallig was het standpunt, dat Bertram gekozen had om het kasteel des te beter te kunnen beschouwen, bijna dezelfde plek, waar zijn vader gestorven was. Een groote oude eik, de eenige op den heuvel en de gerechtsboom genaamd, omdat die onder de vroegere baronnen van Ellangowan als rechtsplaats gebruikt werd, overschaduwde deze plek.

Glossin had ook toevallig (en deze samenloop van omstandigheden was merkwaardig) juist dezen morgen iemand bij zich, dien hij over eene voorgenomene verbetering en aanzienlijke vergrooting van zijn woonhuis wilde raadplegen, en had besloten de steenen van het oude vervallen slot voor zijn nieuw gebouw te gebruiken, daar hij de bouwvallen, die zoo luide aan de grootheid der vroegere bezitters herinnerden, niet dan ongaarne zag. Met dit voornemen kwam hij, vergezeld door den reeds vroeger vermelden landmeter, die bij gelegenheid ook voor bouwmeester speelde, naar den heuvel; (bij het maken der bestekken en teekeningen vertrouwde Glossin op zijne eigene bekwaamheden). Bertram stond met den rug naar hen toegekeerd en zoo geheel achter de takken van den grooten boom verscholen, dat Glossin den vreemdeling niet eens bemerkte, vóor dat hij dicht bij hem was.

„Ja, Mijnheer,” zei de landmeter, „ik herhaal het nog eens; het oude slot zou overvloed van heerlijken gehouwen steen opleveren en het is voor u wezenlijk het beste, het geheel en al af te breken; daar het alleen tot een schuilplaats voor smokkelaars dient.”

Op dit oogenblik keerde Bertram zich om en vroeg Glossin, die geene drie schreden van hem verwijderd stond: „Wilt gij dit fraaie oude slot afbreken, Mijnheer?”

Gelaat, gestalte en stem, alles geleek zoo volkomen op die van zijn vader in diens beste dagen, dat Glossin, die bij het hooren van deze woorden en het zien van deze onverwachte verschijning, in de gedaante van zijn overleden beschermer, bijna op dezelfde plaats, waar deze ongelukkige gestorven was, in het eerst bijna dacht, dat het graf zijn prooi terug gegeven had. Hij waggelde eenige schreden achteruit, alsof hij plotseling door een doodelijken slag getroffen was. Hij herwon echter zijne tegenwoordigheid van geest spoedig weder bij de kwellende gedachte, dat het geen bewoner der andere wereld was, die vóor hem stond, maar een diep beleedigd man, dien hij misschien met zijne aanspraken en de middelen, om ze tot zijn’ eigen volkomen ondergang te doen gelden, bekend kon maken, indien zijne geslepenheid hem slechts een oogenblik verliet. Door den onverwachten schrik waren zijne gedachten echter zoo verward, dat hij, bij zijne eerste vraag, zijne ontroering niet kon verbergen.

„In ’s hemels naam, hoe zijt gij hier gekomen?” riep hij.

„Hier gekomen? ik ben voor een kwartier in de kleine haven hier beneden geland en wilde eenige oogenblikken vertoeven, om deze schoone bouwvallen te bezichtigen. Ik hoop toch niet, dat ik ongelegen kom?”

„Ongelegen, Mijnheer? neen, in het geheel niet,” antwoordde Glossin, eenigszins bedarende, en fluisterde hierop zijn begeleider eenige woorden in het oor, die zich oogenblikkelijk verwijderde en naar het woonhuis ging. „Ongelegen, Mijnheer?” herhaalde Glossin „neen, Mijnheer, gij zijt welkom, zoo als ieder fatsoenlijk man, die hier zijne nieuwsgierigheid bevredigen wil.”

„Zeer verplicht, Mijnheer! – Dit wordt het oude slot genoemd, naar ik gehoord heb?”

„Ja, ter onderscheiding van het nieuwe slot, mijn woonhuis.”

Glossin was, gedurende het volgende gesprek, aan de eene zijde zeer begeerig, om te vernemen welke plaatselijke herinneringen de jonge Bertram nog van de tooneelen zijner kindsheid had; terwijl hij aan den anderen kant zich tot de uiterste omzichtigheid in zijne antwoorden gedwongen zag, uit vrees dat hij door het noemen van een naam, of het verhalen van het een of ander voorval, deze sluimerende herinneringen opwekken of te hulp zou komen. Hij voelde gedurende het gansche tooneel een doodelijken angst, welken hij zoo rijkelijk verdiend had; maar zijn hoogmoed en eigenbelang gaven hem, even als onversaagdheid aan den Noord-Amerikaanschen Indiaan, de kracht, om de folteringen welke hij door den kamp van zijn knagend geweten met haat, vrees en argwaan leed, te verdragen.

„Ik zou gaarne den naam der familie weten, aan welke deze prachtige bouwvallen behooren,” vervolgde Bertram.

„Zij behooren mij, Mijnheer. Mijn naam is Glossin.”

„Glossin, Glossin?” herhaalde Bertram alsof hij een ander antwoord verwacht had. „Vergeef mij, Mijnheer Glossin; ik ben soms zeer afgetrokken. Mag ik vragen, of deze plaats reeds lang het eigendom van uwe familie geweest is?”

„Het is, geloof ik, voor lange jaren door eene familie, Mac-Dingawaie genaamd, gebouwd;” antwoordde Glossin. Hij vermeed dus, om zeer duidelijke redenen, den bekenden naam van Bertram, die wellicht herinneringen kon opwekken, welke hij zoo angstvallig in slaap zocht te wiegen, en poogde door deze uitvlucht het antwoord op de vraag, hoe lang hij het kasteel reeds bezeten had, te ontwijken.

„En hoe luidt die half uitgewischte zinspreuk, dáar boven het wapen?”

„Ik – ik weet het waarlijk niet goed,” antwoordde Glossin.

„Me dunkt,” hernam Bertram, „dat ik er uit lees: Ons recht is onze macht.”

„Ik geloof wel, dat het iets van dien aard is.”

„Mag ik vragen, Mijnheer, of dit de zinspreuk van uw geslacht is?”

„Neen – neen – niet van het onze. Het is, geloof ik, de zinspreuk van vroegere eigenaren. De mijne is – de mijne is – ik heb reeds eenige brieven daarover met het herauten-collegie te Edinburg gewisseld, en de heer Gumming heeft mij geschreven, dat de Glossins oudtijds tot zinspreuk hadden: „Die het neemt, die het heeft.”

„Als dat slechts eenigszins twijfelachtig is en ik in uw geval ware, Mijnheer, dan zou ik de oude zinspreuk aannemen, die mij verre weg verkieselijk voorkomt.”

Glossin, wiens tong van angst aan zijn gehemelte kleefde, antwoordde slechts met eene kleine buiging.

„Het is wonderlijk,” hernam Bertram, met de oogen op het geslachtswapen boven de poort gevestigd, en, als het ware, half overluid denkende, half tot Glossin sprekende – „het is toch wonderlijk, welke streken ons geheugen ons soms speelt. Bij deze zinspreuk schiet mij een brok van een oud lied, eene voorspelling, of iets van dien aard te binnen. Het begint geloof ik:

Wat donker is, zal licht, En ’t onrecht worden recht, Als Bertram’s recht en Bertram’s macht Wordt eind’lijk –

„De laatste regel wil mij niet invallen – – ja, bracht is het rijmwoord, dat weet ik zeker; maar ik kan de voorafgaande woorden niet vinden.”

„Verwenscht zij uw geheugen!” dacht Glossin, „gij herinnert u er reeds veel te veel van.”

„Mij komen hierbij nog andere rijmen voor den geest. Mag ik u vragen, Mijnheer, is hier ook een oud lied van eene koningsdochter van het eiland Man, die met een Schotschen ridder heimelijk wegliep, algemeen bekend?”