Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Part 22

Chapter 223,891 wordsPublic domain

Drie dagen later gebeurde er echter iets, dat mij veel grooter schrik aanjoeg, dan de aanval van de smokkelaars.

„Ik heb u reeds gezegd, dat er niet ver van Woodbourne een meertje ligt, waarheen de heeren soms gaan om watervogels te schieten. Ik zei toevallig bij het ontbijt, dat ik dit meer thans gaarne eens wilde zien, terwijl het dicht gevroren was en tot verzamelplaats voor liefhebbers van schaatssenrijden en andere ijsvermaken diende. De grond was wel met sneeuw bedekt, maar zoo hard bevroren en het voetpad, door den grooten toevloed van menschen, die het oord tot tijdverdrijf bezochten, zoo vast getreden, dat Lucie en ik, naar mijn gevoelen, deze wandeling gerust konden ondernemen. Hazlewood bood zich aan, om ons te vergezellen, en wij bedongen, dat hij zijn jachtgeweer zoude medenemen. Hij lachte hartelijk over het denkbeeld van in de sneeuw op de jacht te gaan, maar beval toch, om ons gerust te stellen, een stalknecht, die soms den post van jager waarneemt, ons met zijn geweer te volgen. Mijn vader, die niet van groote volksverzamelingen houdt behalve bij eene wapenschouwing, verkoos niet van de partij te zijn.

„Wij begaven ons zeer vroeg op weg. Het was een koude, maar zeer schoone en heldere morgen, en onze opgeruimdheid werd vermeerderd, even als onze zenuwen versterkt werden door de zuivere lucht. Onze wandeling naar het meer was bekoorlijk, of ten minste waren de moeielijkheden van zulken aard, dat ze ons vermaakten. Soms was er eene gladde helling of eene dicht gevroren sloot, waarover wij moesten, waarbij Hazlewood’s hulp dan volstrekt onontbeerlijk was; en ik geloof niet, dat deze toevallige hindernissen de wandeling minder aangenaam voor Lucie maakten.

„Het gezicht op het meer was verrukkelijk. Aan de eene zijde wordt het ingesloten door steile rotsen, waaraan ontelbare, geweldige ijskegels hingen, die als juweelen in de zon schitterden; aan de andere zijde was een boschje van pijnboomen, welker witbesneeuwde takken een treffend gezicht opleverden. Op het met ijs bedekte meer zelf bewogen zich ontelbare gestalten; sommigen vlogen met de snelheid der zwaluwen over de gladde oppervlakte; anderen bewogen zich in sierlijke kringen, en nog anderen stonden vol belangstelling rondom de plaats, waar de bewoners van twee naburige dorpen in het balspel naar den prijs dongen – eene eer, welke, naar de belangstelling zoo wel der omstanders als der medespelers te oordeelen, op geen geringen prijs gesteld werd. Wij wandelden aan den arm van Hazlewood rondom het meer. Hij sprak zeer vriendelijk met oud en jong en scheen, met recht, zeer bemind bij de menigte te zijn. Eindelijk begonnen wij aan terugkeeren te denken.

„Maar, waarom schrijf ik u alle deze kleinigheden? Niet omdat ik ze zoo belangrijk vind, neen, de hemel weet het, maar omdat ik als drenkeling, die naar een broos takje grijpt, om zich vast te houden, alles aanvat om het volgende en verschrikkelijke gedeelte van mijn verhaal uit te stellen. Maar ik moet het u mededeelen; ik moet in dit hartverscheurend ongeluk door de deelneming van ten minste ééne vriendin getroost worden.

„Wij gingen langs een voetpad, dat door een dennenboschje loopt, terug. Lucie had Hazlewood’s arm los gelaten: want alleen bij dringende noodzakelijkheid neemt zij zijn bijstand aan. Ik leunde nog op zijnen anderen arm. Lucie volgde dicht achter ons en de knecht bleef een paar schreden achter. Zoo wandelden wij welgemoed naar huis, toen bij eene kleine kronkeling in het pad, plotselings Brown, alsof hij uit de aarde opgestegen was, voor ons stond. Hij was eenvoudig, ja, ik mag zeggen slecht gekleed, en er was in zijn geheel voorkomen iets woests en gejaagds. Half van verrassing, half van schrik, gaf ik een gil. Hazlewood begreep de reden van mijne ontroering niet en beval Brown, toen deze naar mij toekwam alsof hij mij aanspreken wilde, op hoogen toon, zich te verwijderen en mij niet te verontrusten. Brown antwoordde even trotsch, dat hij van hem niet behoefde noch verlangde te leeren, hoe hij zich jegens dames gedragen moest. Ik geloof dat Hazlewood, met het denkbeeld bezield dat Brown tot de bende smokkelaars behoorde en een kwaad oogmerk had, hem niet verstond. Hij rukte den knecht, die op dit oogenblik naast hem stond, het geweer uit de hand, legde op Brown aan en beval hem nogmaals zich te verwijderen, als hij zijn leven lief had. Ik kon van schrik geene samenhangende woorden uitbrengen: ik kon niets dan angstig gillen, en verhaastte daardoor slechts de ongelukkige ontknooping. Toen Brown zich dus bedreigd zag, sprong hij op Hazlewood toe, worstelde met hem en had hem bijna het geladen geweer ontwrongen, toen het ongelukkig losging en Hazlewood in den schouder trof. Deze viel oogenblikkelijk. Ik zag niets meer; alles schemerde mij voor de oogen en ik zeeg onmachtig neder. Maar zoo als Lucie mij naderhand verhaalde, staarde de ongelukkige dader eenige oogenblikken op het verschrikkelijke schouwspel, tot haar angstig gegil op het meer gehoord werd en verscheidene menschen kwamen toesnellen. Toen sprong hij over de heg, die het voetpad van het bosch afscheidde, en tot nog toe heeft men niets meer van hem gehoord. De knecht deed geene poging om hem terug te houden of te vatten, en het verhaal dat hij de lieden die toegeschoten waren van de geheele zaak deed, was eerder geschikt om hen te bewegen mij in het leven terug te roepen, dan hun moed te toonen door het vervolgen van een vermetelen booswicht, die naar de beschrijving van den knecht, eene verbazende lichaamskracht bezat en zwaar gewapend was.

„Hazlewood werd veilig naar huis, namelijk naar Woodbourne, gebracht. Ik vertrouw dat zijne wond in het geheel niet gevaarlijk is, ofschoon hij veel lijdt. Voor Brown moeten de gevolgen evenwel zeer ongelukkig zijn. Hij is buitendien reeds een voorwerp der verbittering van mijn vader, en nu wordt hij zoo wel door de wetten des lands als door de bittere wraak van den ouden Hazlewood vervolgd, die dreigt hemel en aarde te bewegen om den dader te doen vatten. Hoe zal het hem mogelijk zijn, aan de ijverige nasporingen van zijne wraakzuchtige vervolgers te ontsnappen? Hoe zal hij zich, indien hij gevat wordt, tegen de gestrengheid der wetten kunnen verdedigen, die, zooals ik gehoord heb, zelfs zijn leven bedreigen, en hoe zal ik middelen vinden om hem voor deze gevaren te waarschuwen? Bovendien bedroeft Lucie’s slecht verborgen kommer over de wond van haren beminde mij ook ten hoogste, en zoo schijnt alles rondom mij te getuigen tegen den onbezonnene, die de oorzaak van dit ongeluk is.

„Ik ben twee dagen lang wezenlijk erg ziek geweest; maar het bericht dat Hazlewood aan het beteren en er volstrekt geen spoor te vinden was van den man, die op hem geschoten had, en die, zoo als men zeker wist, tot de smokkelaars behoorde, had een heilzamen invloed op mijne gezondheid. Brown kan natuurlijk des te gemakkelijker ontsnappen, daar alleen deze lieden nu verdacht en vervolgd worden, en ik hoop dat hij reeds in veiligheid zal zijn. Maar ruiters en soldaten doorkruisen het land in alle richtingen, en ik word onophoudelijk gepijnigd door duizenderlei verwarde en onzekere geruchten van gevangennemingen en ontdekkingen.

„Ik schep nochtans mijn’ grootsten troost in Hazlewood’s edelmoedige oprechtheid. Hij volhardt bij zijne verklaring dat, met welk oogmerk de persoon die hem gewond heeft ons ook genaderd moge zijn, hij stellig overtuigd is dat het geweer onder de worsteling bij toeval losgegaan en de wond hem niet voorbedachtelijk toegebracht is. De knecht houdt daarentegen staande, dat het geweer uit Hazlewood’s handen gewrongen en opzettelijk op hem aangelogd was. Lucie helt tot hetzelfde gevoelen over. Ik beschuldig hen niet, dat zij de zaak met voordracht overdrijven. Het bewijst alleen hoe onzeker alle menschelijke getuigenis is: want het is zonder eenigen twijfel, dat het schot toevallig was. Misschien zou het beste zijn, dat ik Hazlewood het geheele geheim ontdekte; maar hij is nog zeer jong en ik gevoel den hevigsten weerzin, om hem mijne dwaasheid te bekennen. Ik heb reeds eenmaal het voornemen gehad om Lucie het geheim te openbaren, en begon met haar te vragen wat zij zich van de gestalte en de gelaatstrekken van den man, met wien wij zulk eene ongelukkige ontmoeting hadden gehad, herinnerde? maar zij gaf eene afzichtelijke beschrijving van een struikroover, dat ik allen moed en allen lust verloor om haar tot de vertrouwde van mijne liefde te maken. Ik moet zeggen dat Lucie Bertram in hare vooringenomenheid wonderbaarlijk verblind is geweest, want er zijn weinige mannen schooner dan de arme Brown. Ik had hem sedert lang niet gezien, maar ofschoon hij zich bij deze zonderlinge en plotselinge verschijning in een zeer ongunstig licht vertoonde, komt het mij voor dat zijne gestalte nog bevalliger en zijn gelaat nog edeler geworden is.

„Zullen wij elkander ooit wederzien? Wie kan deze vraag beantwoorden?... Schrijf mij iets hartelijks, liefste Mathilda! Maar deedt gij ooit anders? Nog eens, schrijf mij spoedig en schrijf mij hartelijk! Ik ben in geen toestand, waarin raad of berisping mij van dienst kan zijn, en ik heb te veel van mijne gewone vroolijkheid verloren, om ze met scherts te beantwoorden. Ik ben angstig als een kind, dat onder het spelen onwetend een machtig werktuig in beweging gebracht heeft en nu, terwijl het de raderen rondom zich ziet rollen, de ketenen hoort rammelen en de cilinders wentelen, ten uiterste verbaasd is over de verschrikkelijke krachten, die het met zijne zwakke hand aan het werk gebracht heeft, en voor de gevolgen siddert, welke het moet afwachten, zonder ze te kunnen afwenden.

„Ik moet u nog melden, dat mijn vader zeer vriendelijk en liefderijk jegens mij is. De angst, dien ik uitgestaan heb, is eene geldige verontschuldiging voor mijne klachten over zenuwachtigheid. Ik hoop, dat Brown naar Engeland, of anders naar Ierland of het eiland Man ontsnapt is. Hij kan dan geduldig en veilig afwachten, welke gevolgen de wond van Hazlewood heeft: want die landen staan, wat de rechtspleging aangaat, met Schotland, God dank! in geene zeer nauwe gemeenschap. Indien men hem op dit oogenblik in handen kreeg, zouden de gevolgen verschrikkelijk zijn. Ik zoek mij door allerlei argumenten tegen de mogelijkheid van zulk een ongeluk te versterken. Helaas! hoe schielijk hebben wezenlijke en ernstige rampen en bekommeringen het eentonige en geruste leven, waartegen ik nog onlangs geneigd was te morren, opgevolgd! Maar ik wil u met mijne klachten niet langer lastig vallen. Vaarwel, waarde Mathilda!

Julia Mannering.”

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

„Een mensch kan ook zonder oogen zien, hoe het in deze wereld toegaat. – Zie maar – met uwe ooren! Ziet ge hoe de rechter den armen dief uitscheldt? – Laat ik u een woordje influisteren! Doe hen maar van plaats veranderen: een, twee, drie! Wie is nu de rechter? Wie de dief?”

Koning Lear.

Niemand deed meer moeite, om den persoon, die den jongen Hazlewood aangevallen en gewond had, te ontdekken, dan de heer Gilbert Glossin, voorheen zaakwaarnemer te –, nu heer van Ellangowan, en een der achtbare vrederechters van het graafschap **. Verscheidene redenen bewogen hem hiertoe; maar, na alles wat van dezen man reeds gezegd is, mag men veilig veronderstellen, dat geen heilige en vurige liefde voor de gerechtigheid de drijfveer van zijn ijver was.

Het ware van de zaak is, dat deze achtbare man zich niet zoo gelukkig gevoelde, als hij in het begin verwachtte, toen hij zich door zijne slinksche streken in het bezit der goederen van zijn weldoener gevestigd zag. Als hij zich te huis bevond, waar zoo veel hem aan vorige tijden herinnerde, waren de overdenkingen, die bij hem opkwamen, dikwijls van geheel anderen aard dan inwendige tevredenheid over het welslagen zijner listen; en als hij de oogen op zijne positie buitenshuis vestigde, bemerkte hij met geene aangename gewaarwordingen, dat de aanzienlijken van het land, tot wier stand hij meende zich verheven te hebben, hem van hun omgang uitsloten. Hij werd niet tot het gezellige verkeer met hen toegelaten, en bij openbare bijeenkomsten dwarsboomden zij hem zoo veel mogelijk, en zagen koel en met verachting op hem neder. Deze afkeer ontstond én uit grondbeginsel én uit vooroordeel: want de aanzienlijken verachtten hem om zijne lage geboorte en haatten hem om de middelen, waardoor hij zich tot een hoogeren stand verheven had. Bij de geringere volksklasse stond hij in een nog veel slechter naam. Deze menschen wilden hem den titel „Ellangowan,” die hem door zijne bezittingen toekwam, niet geven en hem zelfs geen „Mijnheer” Glossin noemen; bij hen heette hij eenvoudig Glossin. En zijne ijdelheid was zoo ongeloofelijk gekrenkt door deze kleinigheid, dat hij een bedelaar wel eens een daalder gaf in plaats van een stuiver, omdat deze hem, bij het vragen om eene aalmoes, driemaal „Ellangowan” genoemd had. Dit algemeene gebrek aan achting viel hem nu zeer smartelijk en hij gevoelde dit nog te dieper, wanneer hij zich bij Mac-Morlan vergeleek, die, ofschoon met veel minder wereldsche goederen gezegend, zich door rijk en arm bemind en geëerd zag, en langzaam, maar zeker, den grond tot een matig vermogen legde, dat hem door niemand, die hem kende, misgund werd.

Maar hoezeer Glossin zich innerlijk ook ergerde over deze vooroordelen des lands, zoo als hij het gaarne noemen wilde, was hij toch te verstandig, om hierover openlijk te klagen. Hij gevoelde dat zijne opkomst nog te nieuw was om vergeven, en de middelen, waardoor hij zich verheven had, te verfoeielijk waren, om zoo spoedig vergeten te worden. Maar de tijd, dacht hij, verkleint het wonder en omsluiert de middelen. Met de sluwheid van iemand, die door het waarnemen van de zwakke zijde der menschelijke natuur fortuin gemaakt heeft, nam hij zich voor, om elke gelegenheid aan te grijpen, waarbij hij zelfs hen, die den grootsten afkeer van hem hadden, van nut kon zijn; vertrouwende dat zijne eigene bekwaamheden de neiging tot twisten onder de aanzienlijken van het land, waarbij de raad van een rechtsgeleerde dikwijls onschatbaar wordt, en duizend andere toevallige omstandigheden, waarvan hij met geduld en behendigheid partij zou kunnen trekken, hem spoedig meer invloed en achting bij zijne buren zouden verschaffen.

De aanval op het huis van den kolonel Mannering en Hazlewood’s wonde schenen Glossin eene gunstige gelegenheid te zijn, om het geheele land te bewijzen welke gewichtige diensten een werkzaam ambtenaar kon bewijzen, die én met de wetten, én met de schuilhoeken en gewoonten der sluikhandelaars bekend is. Dit laatste had hij aan eene vroegere, nauwe betrekking tot eenige der vermetelste smokkelaars te danken, wier deelgenoot of raadsman hij dikwijls geweest was, al naar de omstandigheden zulks vereischten. Hij dacht echter geenszins, dat hij gevaar zou loopen een ouden vriend, die in staat was wedervergelding uit te oefenen, door zijne tegenwoordige navorschingen in ongelegenheid te brengen, daar zijne betrekking tot de smokkelaars sedert verscheidene jaren niet meer bestond en vele omstandigheden dezen lieden zelden veroorloofden, hunne rol lang op hetzelfde tooneel te spelen. Naar zijn gevoelen dus behoefde zijne vroegere deelneming in dezen sluikhandel hem geenszins terug te houden, om thans van zijne ondervinding ten beste van het algemeen, of liever om zijne eigene oogmerken te bevorderen, gebruik te maken. Hij, een man, die reeds verheugd moest zijn, als men eenige notitie van hem nam, moest het als eene zaak van geen gering belang beschouwen, de gunst en achting van den kolonel Mannering te verwerven; en nog gewichtiger was het voor hem, de genegenheid en bescherming van den ouden Hazlewood, die veel invloed in het graafschap had, te winnen. En bovendien zou hij, indien het hem gelukte de schuldigen te ontdekken, te vatten en te doen vonnissen, de voldoening smaken, Mac-Morlan, die als ondersheriff van het graafschap eigenlijk met het onderzoek der zaak belast was, te krenken en waarschijnlijk zelfs eenigermate in de algemeene achting te doen dalen.

Door zulke verleidelijke beweegredenen aangespoord, en goed bekend met het personeel der gerechtsdienaren, stelde Glossin alle middelen in het werk, om zoo mogelijk eenigen van de bende, welke Woodbourne aangevallen hadden, en hoofdzakelijk hem, door wien de jonge Hazlewood gekwetst was, te ontdekken en te vatten. Hij loofde groote belooningen uit, gaf verscheidene plannen en ontwerpen aan de hand, bediende zich van zijn persoonlijken invloed bij zijne oude kennissen, die den verboden handel begunstigden, en spiegelde hun met vele drangredenen voor, dat zij veel beter deden een paar van deze knapen op te offeren, dan den blaam op zich te laden, dat zij zulke afschuwelijke daden begunstigden. In het eerst evenwel waren alle zijne pogingen vruchteloos. Het volk begunstigde of vreesde de smokkelaars te zeer, om als getuige tegen hen op te treden. Eindelijk echter vernam de ijverige ambtenaar dat een man, die in kleeding volkomen geleek op den onbekende, die Hazlewood gewond had, den nacht vôor die ongelukkige gebeurtenis in de herberg, the Gordon Arms, te Kippletringan zijn intrek genomen had, Zonder dralen begaf Glossin zich daarheen, ten einde onze oude kennis, de waardin, vrouw Mac-Candlish, te ondervragen.

De heer Glossin stond bij vrouw Mac-Candlish, om hare eigene spreekwijze te bezigen, niet best te boek. Zij ontving hem dus zeer droogjes en volgde hem langzaam en niet dan ongaarne, toen hij haar om een afzonderlijk onderhoud verzocht, naar de huiskamer.

„Een schoone wintermorgen, niet waar, vrouw Mac-Candlish?” zei Glossin.

„Ja, Mijnheer, het is zeer schoon weer.”

„Ik wilde gaarne weten, of de heeren vrederechters volgens gewoonte, na de dinsdagsche zitting hier gezamenlijk het middagmaal zullen houden.”

„Ik geloof – ik meen, Mijnheer – als naar gewoonte,” – antwoordde zij en wilde de kamer verlaten.

„Wacht toch een oogenblik, vrouw Mac-Candlish! wat zijt gij verschrikkelijk haastig? Ik heb er over gedacht, dat als een vast gezelschap hier iedere maand eens het middagmaal hield, dat niet onaardig zou zijn.”

„Zeker niet Mijnheer, wanneer het een gezelschap van fatsoenlijke heeren is.”

„Ja, ja! Ik bedoel bezitters van landgoederen en aanzienlijke lieden in het graafschap; ik had wel lust om zoo iets gedaan te krijgen.”

Door een droog kuchje, waarmede de waardin dit voorstel beantwoordde, wilde zij niet te kennen geven dat het op zich zelf haar mishaagde, maar alleen dat zij er sterk aan twijfelde, of zoo iets onder de leiding en bescherming van den voorsteller tot stand zou komen. Het was geen ontkennend, maar twijfelend kuchje. Dit gevoelde Glossin zeer goed; maar het paste niet in zijn rol, om zijne gevoeligheid te laten blijken.

„Zijn er in den laatsten tijd vele reizigers geweest, vrouw Mac-Candlish? Gij hebt geloof ik steeds overvloed aan gezelschap?”

„Dat gaat wel, Mijnheer! – maar ik meen dat de menschen op mij wachten.”

„Neen, neen, kunt gij niet een oogenblik blijven om een ouden klant te verplichten? Herinnert gij u ook nog, dat er verleden week een bijzonder groot jongmensch een nacht in uw huis doorgebracht heeft?”

„Waarlijk, Mijnheer, dat kan ik niet zeggen. Ik bekommer mij er nooit over of mijne gasten groot of klein zijn, als zij maar groote rekeningen maken.”

„En indien zij het niet doen, dan kunt gij het voor hen doen, niet waar, vrouw Mac-Candlish? Ha, ha, ha! Maar de jongeling, naar wien ik vraag droeg een donkeren rok met blinkende knoopen, had licht bruin, ongepoederd haar, blauwe oogen, een rechten neus en reisde te voet, zonder bediende en zonder koffer of valies. Gij zult u zeker dezen reiziger herinneren.”

„Wel, Mijnheer! ik kan mijn geheugen met zulke dingen niet bezwaren, Ik verzeker u, dat er in een huis als dit, meer te doen valt dan te denken om het haar, de oogen, of den neus van elken reiziger” hernam de waardin, die geen lust had om hem eenige inlichtingen te geven.

„Dan moet ik u maar ronduit zeggen, vrouw Mac-Candlish, dat deze persoon van eene zware misdaad verdacht gehouden wordt; en het is ten gevolge van deze verdenking, dat ik u hierover, als vrederechter, ondervraag. Zoo gij weigert op mijne vragen te antwoorden, moet ik u onder eede drijven.”

„Ik heb geene vrijheid om een eed te doen, Mijnheer! Wij behooren tot de Antiburgher-vergadering. Toen mijn goede man zaliger nog leefde, hielden wij ons wel aan de heerschende kerk, daar dat, wegens zijn ambt als gerechtsbode, beter paste; maar, nadat hij naar betere gewesten dan Kippletringan opgeroepen is, ben ik weder tot den eerwaarden Mac-Crainer overgegaan. Gij ziet dus, Mijnheer, dat ik niet zweren kan, zonder er met den predikant over te spreken; vooral niet tegen een armen jongen bloed, die als vreemdeling en zonder vriend door het land reist.”

„Ik zal uwe zwarigheden misschien uit den weg ruimen zonder dominé Mac-Crainer lastig te vallen, als ik u zeg, dat deze knaap, naar wien ik onderzoek doe, de persoon is, die uw jongen vriend Hazlewood gekwetst heeft.”

„Lieve hemel! wie zou zoo iets van hem gedacht hebben? Neen, indien het om schulden, of zelfs om eene vechtpartij met de tolbedienden geweest was, dan zoudt ge geen woord tot zijn nadeel over mijne lippen gekregen hebben. Maar als hij wezenlijk op den jongen Hazlewood geschoten heeft – ik kan het toch niet gelooven, Mijnheer Glossin! het is zeker een streek van u – ik kan het van dien goeden jongen niet denken; – neen, neen, dat is juist een van uwe oude streken. Het is er u om te doen, om hem in handen te krijgen.”

„Ik zie, dat gij geen vertrouwen in mij stelt, vrouw Mac-Candlish. Lees dan deze verklaringen van de personen, die ooggetuigen van de misdaad waren, en oordeel zelve, of de beschrijving van den booswicht niet volkomen op uw gast past.”

Hij overhandigde haar de papieren, welke zij zeer aandachtig doorlas. Onder dit lezen zette zij meermalen den bril af, om de oogen ten hemel te heffen, of misschien om er een’ traan uit te wisschen: want de jonge Hazlewood was een lieveling der goede vrouw. „Wel, wel,” zeide zij, toen zij met lezen gedaan had, „nu het inderdaad zoo is, geef ik hem op, dat slechte mensch! Maar hoe kunnen wij stervelingen toch dwalen! Ik heb nooit een gelaat gezien dat mij beter beviel, zóo zacht, zóo vriendelijk! Ik dacht dat het een fatsoenlijk man was, die zich in ongelegenheid bevond. Maar ik geef hem op den booswicht! – Op den jongen Hazlewood te schieten, en dat voor de oogen van de jonge dames, die arme onschuldige schapen! – Ja, ik geef hem op!”

„Gij stemt dus toe dat zulk een persoon den nacht vóor die afschuwelijke daad hier gelogeerd heeft?”

„Ja, dat is wel het geval Mijnheer! en alle menschen in huis waren met hem ingenomen, zoo vroolijk en rondborstig was hij. Het was zeker niet om de verteering die hij maakte, want hij heeft niets gebruikt dan een stukje koud vleesch met een glas bier en een paar glazen wijn, geloof ik. Ik heb hem ook nog verzocht om thee met mij te drinken en dat niet in rekening gebracht. Ook heeft hij des avonds niet gegeten; hij zeide dat hij dood moede was, omdat hij den geheelen vorigen nacht onderweg geweest was. Wie weet, op welken rooftocht hij toen uit geweest is!”

„Hebt gij bij geval zijn naam ook vernomen?”

„Ja zeker heb ik dat. Hij zeide dat er waarschijnlijk een oude vrouw, die er als eene Heidin uitzag, naar hem zou vragen. – Ja, ja, soort zoekt soort; daar men meê verkeert, daar wordt men meê geëerd; die schelm! – Toen hij ’s morgens vroeg wegging, betaalde hij eerlijk zijne rekening en gaf eene fooi aan de meid. Die verdient ook niets bij mij dan twee paar schoenen in het jaar en de fooitjes, die zij zoo nu en dan krijgt.”

Hier vond Glossin het wenschelijk de woordenvloed der waardin te beteugelen en haar op het gewichtige punt, van hun gesprek terug te brengen.