Guy Mannering of de Sterrewichelaar
Part 21
Hazlewood hoorde dezen nauwelijks hoorbaren zucht ook, Mathilda! Hij kreeg dadelijk berouw over de vluchtige oplettendheden, welke hij op zulk een onwaardig voorwerp als uwe Julia verspild had, en trad met eene waarlijk kluchtige uitdrukking van schuldbewustheid naar de werktafel van Lucie. Hij maakte eene onbeduidende aanmerking en haar antwoord was van dien aard, dat slechts het scherpe oor van een minnenden of nieuwsgierigen opmerker het iets koeler en droger dan gewoonlijk kon vinden. De held, die zich zelven beschuldigde, gevoelde het verwijt en stond beschaamd. Gij zult mij toestemmen, dat de edelmoedigheid van mij vorderde dat ik als bemiddelaarster optrad. Ik mengde mij dus op den kalmen toon van een onoplettenden, onverschilligen derden persoon in het gesprek, bracht het langzamerhand op den gewonen toon en plaatste hen eindelijk, nadat ik eene poos tot middel van gemeenschap, waardoor zij met elkander verkozen te spreken, gediend had, aan het ernstig en diepzinnig schaakspel. Ik ging toen zelve naar mijn vader, die nog steeds met zijne teekeningen bezig was, om hem, volgens mijn plicht, een weinig te plagen. De schaakspelers zaten in onze ruime, ouderwetsche woonkamer, niet ver van den haard, bij eene kleine werktafel; mijn vader op eenigen afstand aan eene groote tafel, waarop het licht stond en eenige boeken lagen. De kamer zelve is rijk aan allerlei donkere hoeken en met sombere, geborduurde tapijten behangen, die dingen voorstellen, welke de kunstenaar, die ze maakte, niet zonder moeite zou kunnen verklaren.
„Vader,” vroeg ik, „is het schaken een zeer onderhoudend spel?”
„Dat zegt men,” antwoordde hij, zonder mij met zijne oplettendheid te verwaardigen.
„Ik maak het op uit de aandacht, die Hazlewood en Lucie er aan wijden.”
Mijn vader keek haastig op en hield het penseel een oogenblik werkeloos in de hand. Waarschijnlijk ontdekte hij niets, dat zijn argwaan opwekte; want hij begon gerust weder voort te teekenen aan de plooien van een Mahrattentulband, toen ik hem weder stoorde met te vragen –
„Hoe oud is Lucie Bertram, vader?”
„Hoe zou ik dat weten? Naar ik veronderstel omstreeks zoo oud, als gij.”
„Ik zou denken, dat zij ouder moet zijn, vader! Gij houdt mij altijd voor, hoeveel beter zij de honneurs bij de theetafel weet waar te nemen, dan ik. Wel, vader! indien gij haar het recht eens gaaft, om altijd de eerste plaats te bekleeden?”
„Hoor, lieve Julia, gij zijt of eene volslagene zottin, of gij hebt meer lust om kwaad te stichten, dan ik tot nog toe van u gedacht heb.”
„O lieve vader! leg, wat ik zeg, op het gunstigst uit. Om alles in de wereld zou ik voor geene zottin gehouden willen worden.”
„Maar waarom spreekt gij dan als eene zottin?”
„Wel vader, ik vind waarlijk niet dat, hetgeen ik zoo even gezegd heb, zoo dwaas is. Een ieder weet, dat gij een zeer schoon man zijt” (een glimlach werd even zichtbaar), „namelijk voor uw leeftijd,” (hier betrok zijn gelaat weder), „welke nog geenszins ver gevorderd kan genoemd worden, en ik weet wezenlijk niet, waarom gij uwe neiging, indien gij er lust toe hebt, niet zoudt volgen. Ik gevoel, dat ik maar een onbezonnen meisje ben, en indien eene meer ernstige gezellin u gelukkiger kon maken –”
Mijn vader vatte mijne hand met een mengsel van misnoegen en liefderijken ernst, waarin eene scherpe berisping over mijn schertsen met zijn gevoel voor mij opgesloten lag. „Julia!” zeide hij, „ik zie veel van uwen moedwil door de vingers, daar ik me verbeeld dat ik het eenigermate verdiend heb, door niet nauwkeurig genoeg op uwe opvoeding te hebben gelet. Ik wil echter niet dat gij uw overmoed bij zulk een teeder onderwerp den teugel viert. Indien gij het gevoel van uwen vader jegens uwe gestorvene moeder niet eerbiedigt, vergeet dan ten minste de geheiligde rechten van het ongeluk niet, en bedenk dat Lucie Bertram, indien slechts éen woord van zulk eene scherts haar ter ooren kwam, zich gedwongen zou zien, hare tegenwoordige schuilplaats te verlaten en zich, zonder beschermer, in eene wereld te begeven, welke zij reeds als zoo onvriendelijk heeft leeren kennen.”
Wat kon ik hierop antwoordden, Mathilda? Ik weende oprechte tranen, bad om vergiffenis en beloofde in het vervolg een zoet kind te zijn. En zoo sta ik hier weder geheel alleen: want mijne eer en mijne goedaardigheid veroorloven mij nu niet de arme Lucie weder door schertsende aanvallen op Hazlewood te kwellen, ofschoon zij het, door haar gebrek aan vertrouwen jegens mij, wel verdiende, en even weinig kan ik het, na dit ernstig tooneel, wagen, met mijn vader over dit teedere punt te spreken. Tot tijdverdrijf steek ik nu kleine rolletjes papier in den brand, doof ze weder uit en teeken met het zwartgebrande eind Turken-koppen op visite kaartjes (ik verzeker u, dat mij gisteren avond de trotsche kop van Hyder Aly boven verwachting gelukt is): ik rammel op mijn ongelukkig klavier en neem tusschenbeide een ernstig boek in de hand, dat ik van achteren af begin te lezen.
Intusschen begint Brown’s stilzwijgen mij zeer te verontrusten. Ware hij gedwongen, dit oord te verlaten, dan zoude hij mij zeker geschreven hebben. Zou mijn vader misschien zijne brieven onderschept hebben? Doch neen, dat strijdt volstrekt tegen zijne grondbeginsels. Ik geloof niet, dat hij een brief, die heden avond aan mij gezonden werd zou openen, zelfs indien hij daardoor verhoeden kon, dat ik morgen uit het venster sprong. – Welk eene uitdrukking is daar aan mijne pen ontsnapt! Ik moest mij schamen, dat ik mij die zelfs jegens u Mathilda, en ook slechts in scherts, heb laten ontvallen. Maar ik kan het niet zeer verdienstelijk vinden, dat ik handel zoo als het behoort. Deze Mijnheer Van Beest Brown is immers geenszins zulk een vurig minnaar, dat hij het voorwerp zijner genegenheid door overijling tot zulke onberadene stappen zou verleiden. Men moet bekennen, dat hij overvloedig tijd gebruikt, om alles goed te overleggen. Ik wil hem evenwel niet ongehoord veroordeelen, noch twijfelen aan de mannelijke vastheid van een karakter, dat ik zoo dikwijls bij u geprezen heb. Ware hij in staat te twijfelen of te vreezen, of kon ik hem slechts van de schaduw van onbestendigheid beschuldigen, dan zou ik zijn verlies weinig beklagen.
En waarom, zult gij zeggen, waarom bekommer ik mij om hetgeen Hazlewood doet, of aan wie hij zijne oplettendheden bewijst, indien ik zulk eene vaste en onwankelbare liefde van mijn eigen minnaar verwacht? Ik vraag het mij zelve elken dag honderdmalen, en krijg steeds het zeer onnoozele antwoord, dat men niet gaarne verwaarloosd wil worden, ofschoon men geenszins de oorzaak van eene wezenlijke ongetrouwheid zou willen zijn.
Ik schrijf u alle deze kleinigheden, omdat gij zegt dat ze u vermaken: maar het verwondert mij hoe ze u dit kunnen doen. Ik herinner mij, hoe gij bij onze geheimzinnige reizen naar de wereld der verdichting, altijd het groote en romaneske bewonderdet, geschiedenissen van ridders, dwergen, reuzen, gevangene jonkvrouwen, waarzeggers, verschijningen, waarschuwende geesten en bloedige handen – terwijl ìk steeds met de ingewikkelde intrigues van het gewone leven en slechts met zooveel van het bovennatuurlijke ingenomen was, als aan een Oosterschen genius of eene weldadige toovergodin toegeschreven wordt. Gij wenschtet, dat uw levensloop u op den grooten oceaan, waar doodelijke stilte met huilenden storm, wervelwinden en hemelhooge golven afwisselen, mocht voeren, terwijl ik liever bij eene frissche koelte met mijn scheepje op een binnenlandsch meer of stille baai wilde zeilen, waar de vaart bezwaarlijk genoeg was, om belangwekkend te wezen en eenige bekwaamheid te vereischen, zonder juist zeer gevaarlijk te zijn. Me dunkt, Mathilda, dat mijn vader met zijne trotschheid op zijne voorouders en zijn krijgsroem, met zijn ridderlijk gevoel van eer, zijne groote talenten, zijne afgetrokkene en geheimzinnige studiën, uw vader moest zijn! Ook moest Lucie Bertram, wier voorouders met namen, die even moeielijk te onthouden als te spellen zijn, over dit romantisch land geheerscht hebben, en wier geboorte, zooals ik bij gerucht gehoord heb, onder zeer bijzondere en merkwaardige omstandigheden plaats had, – ook deze moest uwe vriendin zijn. Ja, zelfs onze woonplaats, omringd door bergen en met hare eenzame wandelingen naar spookachtige bouwvallen, moest uwe woonplaats zijn. Daarentegen moesten het schoone Dennen-park met zijne grasperken, heesters en oranjeriën, uwe goede, stille, zachtaardige tante met haar biduur des morgens, haar middagslaapje na den maaltijd, haar whistpartij des avonds, mij te beurt gevallen zijn, hare vette koetspaarden en nog vetter koetsier hierbij vooral niet te vergeten. In dezen ruil is Brown toch niet begrepen. Zijne vriendelijke geaardheid, zijne levendigheid en zijn rondborstig karakter passen even goed bij mijn levensplan, als zijne krachtige gestalte, zijn schoon gelaat en zijn verheven moed bij uw ridderlijken aard. Daar wij dus niet alles, zonder uitzondering, kunnen verruilen, is het dunkt mij het best, te blijven zoo als wij zijn.
DERTIGSTE HOOFDSTUK.
„Ik geef niet om uwe uittarting. Als gij zulke ruwe taal voert, zal ik de poorten tegen u sluiten – Ziet gij het groote venster dáar? – Beproef het daar binnen te stormen! Ik geef er niet om en sta in dienst van den dapperen hertog van Norfolk.
De vroolijke duivel van Edmonton.
Julia Mannering aan Mathilda Marchmont.
„Zoo even verlaat ik het ziekbed, lieve Mathilda, om u de verschrikkelijke tooneelen te beschrijven welke hier plaats gehad hebben. O, hoe weinig past het ons met de toekomst te schertsen! Met een opgeruimd gemoed sloot ik mijn laatsten brief aan u met eenige schertsende aanmerkingen over uw smaak voor het romantische en het buitengewone in verdichte verhalen, en dacht nergens minder aan, dan dat ik u binnen weinige dagen dergelijke voorvallen mede te deelen zou hebben. Het is geheel iets anders, getuige van verschrikkelijke tooneelen te zijn en ze door beschrijving te leeren kennen, even verschillend als boven een afgrond te zweven en zich enkel aan een’ half ontwortelden struik vast te houden, of denzelfden afgrond in een landschap van Salvator Rosa te bewonderen. Maar laat ik mijn verhaal niet voortuitloopen.
Het eerste gedeelte is verschrikkelijk genoeg, maar bevat niets waaraan mijn hart bijzonder deel neemt. Gij moet weten dat deze landstreek voor het handwerk van een hoop vermetele lieden van het naburige eiland Man bijzonder goed gelegen is. Deze talrijke, onverschrokkene en gevaarlijke smokkelaars zijn dikwijls de schrik van het geheele omliggende land geweest, als iemand het waagde hen in hun sluikhandel te bemoeilijken. Uit vrees, of uit nog erger beweegredenen, zijn de plaatselijken overheden schuw geworden, om iets tegen deze lieden te ondernemen, die door deze straffeloosheid nog driester en vermeteler geworden zijn. Men zou denken dat mijn vader, een vreemdeling, zonder rechterlijk gezag, met dit alles niets te doen had. Maar hij is, zoo als hij zich zelf uitdrukt, onder den invloed van Mars geboren, en men moet bekennen, dat strijd en bloedvergieten hem zelfs in de stilste afzondering en in den vreedzaamsten toestand vervolgen.
„Verleden Dinsdagmorgen om elf uur werden wij – terwijl mijn vader en Hazlewood zich gereed maakten om naar een meertje, omstreeks drie mijlen van hier, te gaan, en Lucie en ik bezig waren, om het plan voor ons werk en onze oefeningen voor dien dag te regelen – door het getrappel van paarden, welke de laan snel kwamen opdraven en dat door den hard gevroren grond nog sterker klonk, gestoord. Na eenige oogenblikken zagen wij drie gewapende ruiters, welke ieder een handpaard met pakgoederen bij den teugel hielden, op de open plaats voor ons huis. Zij reden, zonder den gewonen weg te houden, welke hier een kleinen bocht maakt, dwars over het grasperk tot vóor de huisdeur. Zij schenen zich, zoo veel mogelijk, gehaast te hebben en zeer ontsteld te zijn, en keken dikwijls om, alsof zij eene spoedige en gevaarlijke vervolging vreesden. Mijn vader en Hazlewood snelden naar de voordeur, om te vragen wie zij waren en wat zij wilden. Zij verklaarden dat zij tolbedienden waren, deze met sluikgoederen beladen paarden op eene, omstreeks drie mijlen van hier gelegen plek in beslag genomen hadden en nu door de versterkte bende smokkelaars vervolgd werden, die gezworen hadden, zich weder meester van de goederen te zullen maken en de tolbedienden, die zich verstout hadden hun plicht te doen, van het leven te berooven. Daar nu hunne paarden beladen waren en hunne vervolgers hen inhaalden, waren zij naar Woodbourne gevlucht, in de hoop dat mijn vader, die den koning gediend had, niet zou weigeren, hen, als ambtenaren der regeering, die bij de vervulling van hun plicht in levensgevaar gekomen waren, te beschermen.
„Mijn vader, die, bij zijne verhevene denkbeelden omtrent militair plichtbesef, zelfs een hond, indien deze in naam des konings kwam, als een zeer gewichtig wezen beschouwen zou, gaf aanstonds de noodige bevelen om de goederen te bergen, en wapende de dienstboden, ten einde het huis in geval van nood te verdedigen. Hazlewood hielp hem hierbij zoo veel mogelijk, en zelfs dat wonderlijke schepsel, Sampson genaamd, kwam uit zijn hol te voorschijn en greep een jachtgeweer, dat mijn vader weggelegd had, om zich met eene buks, zoo als men in Indië bij eene tijgerjacht gebruikt, te wapenen. Het geweer ging in de ongeoefende handen van den armen dominé (dezen bijnaam draagt hij) los en bijna was een der tolbedienden door het schot getroffen. Bij deze onverwachte losbranding riep hij zijn „ver–ba–zend!” uit, zoo als hij steeds gewoon is, als hem iets verrassends overkomt. Niets kon intusschen den man bewegen, om zijn geweer weer af te staan, zoo dat men hem het eindelijk liet behouden, doch tevens de voorzorg gebruikte om hem geen kruit en lood toe te vertrouwen. Hazlewood verhaalde ons naderhand al deze omstandigheden, waarvan ik toen, zoo als gij wel kunt denken, weinig meer dan den slag bij het losbranden van het geweer bemerkte, en vermaakte ons bijzonder door zijne beschrijving van de onhandige, maar vurige dapperheid van den armen dominé.
„Toen mijn vader alles tot de verdediging gereed en zijn volk met vuurwapens aan de vensters geplaatst had, wilde hij ons in veiligheid, ik geloof in den kelder, brengen; maar wij wilden het vertrek volstrekt niet verlaten. Ik heb zoo veel van den moed mijns vaders, dat ik ofschoon doodelijk beangst, liever het gevaar dat ons dreigde in de oogen wilde zien, dan het rondom mij hooren woeden, zonder den aard er van en de vorderingen, die het maakte te kennen. Lucie, bleek als een marmeren standbeeld, hield hare oogen onbeweeglijk op Hazlewood gevestigd en scheen zelfs niet te hooren, dat hij haar bezwoer zich achter in het vertrek te begeven. Intusschen was het gevaar niet zeer groot voor ons, tenzij de deur met geweld opengebroken werd: want alle vensters waren met kussens en bedden en, tot groot leedwezen van Sampson, met in der haast uit de bibliotheek gehaalde folianten zoo goed verschanst, dat er slechts kleine openingen gelaten waren, waardoor men op de aanvallers zou kunnen vuren.
„Alle schikkingen waren nu gemaakt en wij zaten in angstige verwachting in het donkere vertrek. De mannen stonden zwijgend op hunne posten. Mijn vader, die bij zulk een tooneel geheel te huis was, ging van den een naar den ander en herhaalde zijn bevel, dat niemand zou vuren voor dat hij het gelastte. Hazlewood, wiens moed door het voorbeeld mijns vaders scheen te ontvlammen, nam den post van adjudant waar en snelde heen en weder, om bevelen over te brengen en voor de uitvoering te waken. Onze macht, de vreemdelingen mede gerekend, bestond uit een twaalftal mannen.
„Eindelijk werd de stilte van dezen tusschentijd van angstige verwachting afgebroken door een geraas, dat uit de verte als het ruischen van een stroom klonk; maar toen het nader kwam, konden wij duidelijk de hoefslagen van vele paarden in den vollen ren onderscheiden. Ik had voor mij zelve eene kleine opening in een der verschanste vensters gemaakt, waardoor ik den vijand kon zien aankomen. Het gedruisch werd steeds sterker en naderde allengs. Eindelijk kwamen er meer dan dertig ruiters het plein voor het huis oprijden. Nooit hebt gij zulke verschrikkelijke booswichten gezien! Niettegenstaande de strenge koude, waren de meesten hunner half naakt. Zij hadden zijden doeken om het hoofd gebonden en waren allen goed met karabijnen, pistolen en houwers gewapend. Nog nooit in mijn leven heeft mij, de dochter van een krijgsman en van mijne jeugd af aan den oorlog gewoon, iets zoo zeer verschrikt als het woeste voorkomen van deze booswichten op hunne dampende paarden en de verschrikkelijke woede, waarin zij geraakten toen zij zagen dat hun prooi hun ontkomen was. Maar toen zij de toebereidselen tot hunne ontvangst bemerkten, aarzelden zij eenige oogenblikken en schenen onderling te raadplegen. Eindelijk trad één hunner, die om onbekend te blijven het aangezicht met buskruit zwart gemaakt had, met een’ witten doek op zijne karabijn vooruit en verzocht den kolonel Mannering te mogen spreken. Tot mijn onuitsprekelijken schrik opende mijn vader een venster waarbij hij stond, en vroeg den afgezant wat hij begeerde.
„Wij verlangen onze goederen, welke die schurken geroofd hebben, terug,” was het antwoord „en onze luitenant laat u zeggen dat wij, indien de boel teruggegeven wordt, voor dezen keer heengaan zullen zonder met de schelmen die ze gestolen hebben af te rekenen; maar zoo niet, dan steken wij het huis in brand en allen die er in zijn zullen wij doodslaan,” – eene bedreiging, welke de kerel met de verschrikkelijkste vloeken en de onmenschelijkste bijvoegsels, welke de wreedheid kan ingeven, meer dan eens herhaalde.
„En wie is uw luitenant?” vroeg mijn vader.
„De man op gindschen schimmel, met een rooden doek om het hoofd.”
„Zeg hem dan, dat indien hij niet oogenblikkelijk met de deugnieten die hem vergezellen, deze plaats verlaat, ik zonder verdere plichtplegingen op hen zal laten vuren.” Met deze woorden sloot mijn vader het venster en brak het gesprek af.
„Nauwelijks was de knaap weder bij zijn volk gekomen, of allen gaven met een luid hoera, of liever met een woest gehuil, vuur op onze bezetting. De vensterglazen vlogen aan alle kanten in stukken; maar de genomen voorzorgen bewaarden de verdedigers voor alle leed. Drie malen herhaalden zij dit algemeene salvo, zonder dat het door een enkel schot van binnen beantwoord werd. Toen zag mijn vader dat zij bijlen en breekijzers voor den dag haalden, waarschijnlijk om de deur te bestormen en riep nu: „Dat niemand vuur geve dan Hazlewood en ik. Hazlewood, leg gij op den afgezant aan.” Hij zelf mikte op den man op den schimmel en deze viel oogenblikkelijk. Hazlewood was even gelukkig; hij trof den spreker, die afgestegen was en met eene bijl in de hand nader kwam. Door hun val verloren de overigen den moed en begonnen hunne paarden om te draaien. Na eenige weinige schoten, die nog op hen gedaan werden, kozen zij het hazepad en namen hunne gesneuvelde, of gekwetste makkers mede. Wij konden niet ontdekken of zij andere verliezen geleden hadden. Kort na hun aftocht verscheen er, tot mijne groote vreugde, eene afdeeling soldaten, die op het eerste gerucht van het gevecht hierheen gesneld waren en in de omliggende dorpen gehuisvest werden. Eenigen van hen geleidden de beangste tolbedienden met de aangehouden goederen naar eene naburige zeehaven, die zij voor eene veilige schuilplaats hielden, en op mijn ernstig verzoek bleven eenige manschappen bij ons, om het huis tegen de wraak van deze booswichten te beveiligen.
„Dit was mijn eerste schrik, lieve Mathilda! Ik moet niet vergeten, u nog te zeggen, dat de roovers den man met het zwartgemaakte gezicht in eene hut aan den weg achterlieten, waarschijnlijk omdat hij niet vervoerd kon worden. Hij stierf na verloop van een half uur. Bij nader onderzoek van het lijk bleek het, dat het een losbandige boer uit de buurt, een beruchte strooper en smokkelaar was. Wij ontvingen vele gelukwenschingen van de naburige familiën en men was algemeen van gevoelen, dat een paar zulke voorbeelden van moedigen wederstand de vermetelheid van deze booswichten aanmerkelijk zouden beteugelen. Mijn vader deelde belooningen onder zijne dienstboden uit en verhief Hazlewood’s moed en koelbloedigheid tot aan de wolken. Lucie en ik kregen ook ons deel van zijne loftuitingen, omdat wij onder het schieten standvastig gebleven en hem door geen geschreeuw of geklaag gehinderd hadden. Mijn vader verzocht Sampson bij deze gelegenheid, om hunne snuifdozen met elkander te verruilen. De brave man gevoelde zich door dit aanbod zeer gevleid en prees de schoonheid van zijne nieuwe doos boven mate. „Dezelve,” zeide hij, „zag er zoo schoon uit, als of het echt goud van Ophir was.” Het zou ook inderdaad vreemd geweest zijn, indien dit het geval niet ware, daar de doos werkelijk van dat edele metaal was. Maar om den eerlijken man geen onrecht te doen, moet ik verklaren, dat ik niet geloof, dat hij de goedheid van mijn vader hooger waardeeren zou, indien hij de wezenlijke waarde gekend had, terwijl hij nu vooronderstelt dat de doos van verguld koper is. Het heeft hem veel moeite gekost, om de folianten, die tot beschutting gebruikt werden, weder op hunne plaats te brengen, de kreuken en vouwen er uit te maken en andere, gedurende hun dienst bij de verschansing ontvangene schade te herstellen. Hij bracht ons eenige stukken lood en kogels, welke deze zware boekdeelen onder het gevecht in hunne vaart gestuit hadden en die hij er zeer zorgvuldig had uitgetrokken. Indien ik lust tot schertsen had, zou ik u een vroolijk tafereel kunnen ophangen van zijne verwondering over de onverschilligheid, waarmede wij het verhaal der wonden en verminkingen, welke Thomas Aquinas of de heilige Chrysostomus ontvangen hadden, aanhoorden. Maar ik ben in geen vroolijken luim en heb u nog een ander en gewichtiger voorval mede te deelen. Ik gevoel mij echter door het schrijven van dezen brief zoo vermoeid, dat ik de pen niet voor morgen weder kan opvatten. Ik zal dezen brief voor’s hands terughouden, opdat gij u niet ongerust moogt maken voor uwe
Julia Mannering.”
EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
’t Is me een schoone wereld! – Weet gij van dit fraaie stuk wat af?
Shakspeare.
Julia Mannering aan Mathilda Marchmont.
„Ik vat den draad van mijn verhaal, dat ik gisteren moest afbreken, weder op.
„Gedurende een paar dagen spraken wij van niets anders, dan van de belegering en de waarschijnlijke gevolgen daarvan. Wij drongen er bij mijn vader sterk op aan, om ons voor eenigen tijd naar Edinburg of ten minste naar Dumfries, waar het gezellig verkeer ook bijzonder goed is, te begeven, tot de wraakzucht van de booswichten verkoeld zou zijn. Hij antwoordde zeer bedaard, dat hij geen lust had, om het huis, dat hij gehuurd had, en zijne bezittingen te Woodbourne te laten verwoesten; dat men hem steeds in staat geoordeeld had, de noodige maatregelen tot bescherming en beveiliging van zijne familie te nemen; dat hij begreep, dat de wijze, waarop de schelmen ontvangen waren, hen tot geen tweede bezoek zou uitlokken, als hij gerust te huis bleef. Indien hij echter eenige vrees liet blijken, zou dit juist het beste middel zijn, om ons het gevaar waarvoor wij vreesden, werkelijk op den hals te halen. Bemoedigd door zijne woorden en de volkomene onverschilligheid, waarmede hij het vermeende gevaar behandelde, verminderde onze vrees langzamerhand en begonnen wij onze gewone wandelingen weder. Soms verzochten wij echter de heeren om hun geweren mede te nemen, als zij ons vergezelden, en ik bemerkte, dat mijn vader, gedurende eenige avonden, er bijzonder scherp op lette, dat het huis goed gesloten was, en den dienstboden beval, hunne wapenen gereed te houden in geval van nood.