Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Part 20

Chapter 203,757 wordsPublic domain

Brown kon dit winterachtig, treurig tooneel slechts vluchtig beschouwen, daar zijne leidsvrouw, na een oogenblik stil gestaan te hebben als het ware om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, nu weder met snelle schreden haren weg vervolgde. Hij bemerkte, niet zonder argwaan, dat zij een pad koos, waarop reeds onderscheidene voetstappen gedrukt stonden, welke, naar zijne gedachten, van niemand anders dan van de booswichten, die den nacht in den toren doorgebracht hadden, konden zijn. Zijn argwaan verdween na eenig nadenken. Het was niet te vermoeden, dat de vrouw, die hem in eenen volkomen weerloozen toestand aan hare bende kon overgeleverd hebben, hem nu, terwijl hij gewapend en in het vrije veld was, en veel meer kans had, om zich met goed gevolg te verdedigen of te ontvluchten, verraden zou. Hij volgde haar dus met vertrouwen, zonder een woord te zeggen. Zij gingen over de beek op dezelfde plaats, waar hunne voorgangers waarschijnlijk ook gegaan waren. De voetstappen liepen vervolgens door het verwoeste dorp en vandaar dieper in het dal, dat hier weder zeer nauw werd. De Heidin volgde echter dit spoor niet verder, maar sloeg een zeer ruw en oneffen zijpad in, dat tegen de hoogte, welke over het gehucht hing, opliep. Dit voetpad was op vele plaatsen geheel door sneeuw bedekt en verborgen, waardoor het gaan onzeker en onveilig werd. Dit verhinderde evenwel Meg Merrilies niet, haren weg met vaste en zekere schreden te vervolgen; een bewijs, dat zij met de streek volkomen bekend was. Toen zij eindelijk den top der hoogte langs een steil en gevaarlijk pad, hetzelfde waar langs Brown den vorigen avond in het dal gekomen was, bereikt hadden, kon hij zich niet genoeg verwonderen, hoe hij hier zonder halsbreken afgekomen was. Hier breidde zich eene uitgestrekte opene vlakte uit, welke aan de eene zijde door dichte, uitgestrekte plantsoenen omringd was.

Meg ging nog steeds langs den rand, tot dat zij stemmen van beneden hoorde. Toen wees zij op een naburig, vrij groot bosch en zeide: „de weg naar Kippletringan is aan de andere zijde van dit bosch. Haast u, zoo veel gij kunt! Er ligt meer aan uw leven gelegen, dan aan dat van andere lieden. Maar – gij hebt alles verloren – wacht een oogenblik!” Zij zocht in een grooten zak en haalde eene morsige beurs voor den dag. „Menige aalmoes hebben Meg en de haren van uw geslacht ontvangen. Gelukkig heeft zij lang genoeg geleefd, om dit, ofschoon in geringe mate, te vergelden!” Met deze woorden stopte zij hem de beurs in de hand.

„De vrouw is krankzinnig,” dacht Brown; maar het was thans de tijd niet om dit nader te onderzoeken, daar de stemmen, welke hij beneden in het dal hoorde, zeer waarschijnlijk die van de roovers waren. „Hoe zal ik u dit geld teruggeven?” zeide hij, „op welke wijze den dienst vergelden, dien gij mij bewezen hebt?”

„Ik verlang slechts twee dingen,” antwoordde de Heidin snel en zacht. „Het eerste is, dat gij nooit éen woord spreken zult van alles, wat gij dezen nacht gezien hebt; het andere, dat gij dit oord niet verlaten zult, voor dat gij mij weerziet en dat gij in de herberg, the Gordon Arms, bericht laat, waar gij te vinden zijt; en dat gij, als ik u roep, hetzij in de kerk of op de markt, op eene bruiloft of bij eene begrafenis, op Zondag of op Zaterdag, hetzij gij gegeten hebt of honger lijdt, – dat gij dan alles laat staan en tot mij komt.”

„Dat zal u echter weinig nut en voordeel aanbrengen, moeder!”

„Maar u des te meer; en daarop komt het aan. Ik ben niet krankzinnig, ofschoon ik genoeg ondervonden heb, om mij het verstand te doen verliezen. Ik ben niet krankzinnig, ik raaskal niet en ben niet dronken; ik weet, wat ik verlang! Ik weet ook, dat het Gods wil geweest is, u in groote gevaren te beschermen, en dat ik het werktuig zijn zal, om u weder in uws vaders plaats te herstellen. Geef mij dus uw woord en bedenk, dat gij mij dezen gezegenden nacht uw leven te danken hebt!”

„Er is zeker wel wat woeste hevigheid in haar gedrag,” dacht Brown, „maar die schijnt eerder uit bewustzijn van kracht, dan uit krankzinnigheid voort te spruiten.”

„Welaan dan, moeder!” zeide hij, „de gunst, welke gij verlangt, is zoo klein en onbeduidend, dat ik geene reden vind, om die niet toe te staan. Ik zal daardoor ten minste gelegenheid hebben, om u uw geld met interest terug te geven. Gij zijt wel eene wonderlijke schuldeischer, maar –”

„Maak maar, dat gij voortkomt,” riep zij, met de hand wenkende. „Bekommer u niet om het geld; het is uw eigen: maar denk aan uwe belofte en waag het niet, mij te volgen of mij achterna te zien.” Dit zeggende daalde zij zoo snel weder in het dal af, dat de ijskegels en sneeuwklompen haar achterna rolden.

Ondanks haar verbod, zocht Brown eene plaats, vanwaar hij ongezien in het dal kon kijken, en niet zonder moeite (daar hij zeer voorzichtig te werk moest gaan) slaagde hij eindelijk. Hij vond eene geschikte plaats op de punt van eene vooruitspringende rots, die zich steil tusschen de boomen verhief. Hier knielde hij in de sneeuw neder, stak het hoofd voorzichtig vooruit en kon op deze wijze alles waarnemen, wat beneden in het dal voorviel. Hij ontdekte, zoo als hij wel verwacht had, het gezelschap van den vorigen nacht, waarbij zich een paar andere mannen gevoegd hadden. Zij hadden de sneeuw aan den voet van de rots weggeruimd en een diep gat gegraven, dat tot een graf dienen moest. Zij stonden nu daaromheen en lieten er iets, in een’ schippersmantel gewikkeld, in neder, dat Brown dadelijk begreep het lijk van den man te zijn, dien hij had zien sterven. Nu bleven zij eenige oogenblikken in die diepte stilstaan, alsof zij door het verlies van hun makker eenigszins getroffen waren. Maar indien zulk een gevoel bij hen ontwaakt was, gaven zij zich niet lang daaraan over: want spoedig kwamen aller handen in beweging, om het graf te vullen. Toen Brown bemerkte, dat zij hiermede bijna gereed waren, vond hij het geraden, den wenk van de Heidin te volgen en zoo spoedig mogelijk het bosch in te snellen.

Zoodra hij zich onder de boomen in veiligheid achtte, was zijne eerste gedachte, de beurs van de Heidin te onderzoeken. Hij had ze zonder bezwaar aangenomen, ofschoon er, bij de gedachte aan den stand en het karakter van de geefster, een gevoel bij hem ontwaakte, als of zijn eer daardoor gekrenkt werd. Maar hij vond zich uit eene ernstige, ofschoon slechts oogenblikkelijke verlegenheid gered. Zijn geld was, op eenige weinige zilverstukken na, in zijn valies, en dus in de handen der vrienden van Meg. Het moest eenigen tijd duren, vóor dat hij antwoord kreeg, wanneer hij aan zijn zaakwaarnemer schreef, en ook, indien hij zich aan zijn vriendelijken gastheer te Charlies-hope wenden wilde, die hem zeer gaarne met eenig geld helpen zou. Hij besloot zich intusschen van Meg’s beurs te bedienen, vertrouwende, dat hij haar die spoedig, met ruime winst, weder ter hand zou kunnen stellen. „Er zal zeker niet veel in zijn,” zeide hij bij zich zelven, „en ik durf wel wedden, dat de goede vrouw ook haar aandeel van mijne banknoten heeft, om zich voor dit offer schadeloos te stellen.”

Met deze gedachten opende hij de lederen beurs, en verwachtte er op het meest drie of vier guinjes in te vinden. Maar hoe groot was zijne verbazing toen hij, behalve een aantal goudstukken uit onderscheidene landen, die te zamen omstreeks honderd pond sterling uitmaakten, ook nog verscheidene kostbare ringen en andere met juweelen bezette kleinooden daarin vond, die hem bij de vluchtige beschouwing, welke de tijd hem veroorloofde, zeer kostbaar voorkwamen.

Hij was even verlegen als verwonderd, toen hij zich dus in het bezit van een vermogen zag, dat het zijne, naar het hem voorkwam, verre overtrof, maar dat, naar alle waarschijnlijkheid, door dezelfde verfoeielijke middelen verworven was, waardoor hij zijn eigendom verloren had. Zijne eerste gedachte was, zich bij den naasten vrederechter te vervoegen, den schat, welken hij zoo onverwacht in zijne bewaring gekregen had, in diens handen te stellen en tevens eene verklaring af te leggen aangaande de merkwaardige omstandigheden, die hierbij plaats gevonden hadden. Een kort nadenken deed hem echter van besluit veranderen. Vooreerst zou hij daardoor zijne belofte van stilzwijgen verbreken en de veiligheid, ja misschien het leven van deze vrouw in gevaar brengen, die haar eigen leven gewaagd had om het zijne te redden, en hem vrijwillig met dezen schat begiftigd had. Hare edelmoedigheid zou dan de oorzaak van haar verderf zijn; en daaraan viel niet te denken. Daarbij was hij een vreemdeling en, ten minste vooreerst, buiten staat om zijn stand en zijne geloofwaardigheid met voldoende bewijzen tot genoegen van een dommen of eigenzinnigen dorpsrechter te staven.

„Ik zal de zaak rijpelijk overwegen,” zeide hij; „misschien ligt er hier in de omstreken, in het een of ander dorp, een regiment, in welk geval mijne kennis van den dienst en mijne vriendschap met zoo vele officieren van het leger ongetwijfeld voldoende zullen zijn, om mijn stand en rang door middelen, welke een burgerlijk ambtenaar misschien niet zou weten te waardeeren, te bewijzen. En dan zal ik ook, met behulp van den bevelhebber, de zaak wel zoo kunnen plooien, dat de arme krankzinnige Heidin, wier dwaling, of vooringenomenheid, zoo gelukkig voor mij geweest is, gespaard blijft. Een burgerlijke rechter kon zich verplicht rekenen, haar dadelijk te laten vatten; en welke gevolgen dat voor haar hebben zou, is vrij zeker. Neen! zij heeft mij eerlijk behandeld; zij verlaat zich op mijne eer, en al ware zij de duivel zelf, zij zal zich hierin niet bedrogen vinden. Zij zal het voorrecht van een krijgsgerecht genieten, waar het punt van de eer de gestrengheid der wet kan matigen. Buitendien zie ik haar misschien te Kipple – Couple – of hoe zij de plaats noemde – weder; dan kan ik haar alles weder ter hand stellen, en laat de wet het dan naderhand terug eischen, als zij eens opgepakt wordt. Intusschen maak ik eene slechte figuur voor iemand, die de eer heeft in dienst van zijne Majesteit te zijn, daar ik inderdaad thans niet veel beter dan een heeler van gestolen goederen ben.”

Na deze overwegingen nam Brown drie of vier guinjes uit den schat van de Heidin, om daarmede vooreerst in zijne behoeften te voorzien, maakte de beurs weder dicht en besloot ze niet weder te openen, vóor dat hij het hem toevertrouwde goed weder aan haar, van wie hij het ontvangen had, teruggeven, of in landen van een openbaren ambtenaar overgeven kon. Toen dacht hij aan den medegenomen houwer en wilde dien eerst in het bosch laten liggen; maar, bij nadere overweging, kon hij niet besluiten, zich van dit wapen te ontdoen, zoo lang hij niet buiten gevaar was de roovers weder te ontmoeten. In zijne, hoewel eenvoudige, reiskleeding blonk de krijgsman ook wel zoo veel door, dat zulk een wapen hem niet vreemd stond. Buitendien was het dragen van wapens bij eene burgerlijke kleeding, ofschoon eene verouderde gewoonte, toch nog niet zóo geheelenal in onbruik geraakt, dat iemand, die dat verkoos te doen, bijzonder in het oog liep. Hij besloot dus zijn zwaard te behouden, stak de beurs van de Heidin in een verborgen zak, en ging opgeruimd door het bosch, om den weg naar Kippletringan te zoeken.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Als schoolvriendinnen, in der kindschheid onschuld, Hebben we, Hermia, gelijk aan twee godinnen, Op een stuk doek de bloem geschapen Met onze naalden. Op een kussen zittend Hebben we hetzelfde lied gezamenlijk gezongen, In handenarbeid, stem, gedachte en beweging Steeds eensgezind.

Shakspeare.

Julia Mannering aan Mathilda Marchmont.

„Hoe is het mogelijk, waarde Mathilda, dat gij mij verdenkt, alsof mijne vriendschap verkoeld en mijne genegenheid onbestendig ware? Zou ik kunnen vergeten, dat gij de vriendin zijt, de uitverkorene van mijn hart, in wier trouwen boezem ik ieder gevoel, dat uwe arme Julia zich bewust is, uitgestort heb? Even zoo onrechtvaardig beschuldigt gij mij, dat ik uwe vriendschap aan mijne genegenheid voor Lucie Bertram opoffer. Ik verzeker u, dat zij de eigenschappen niet bezit, welke ik in eene boezemvriendin verlang. Zij is zeker een beminnelijk meisje; ik houd veel van haar en ik moet bekennen, dat onze morgen- en avondbezigheden mij minder tijd tot schrijven overgelaten hebben, dan tot onze afgesprokene regelmatige briefwisseling vereischt wordt. – Het ontbreekt haar geheel aan de talenten eener hoogere beschaving, behalve eene meer dan gewone kennis der Fransche en Italiaansche talen, welke zij aan het zeldzaamste menschelijk gedrocht, dat gij ooit gezien hebt, te danken heeft. Dezen man heeft mijn vader als eene soort van bibliothecaris aangesteld en beschermt hem, geloof ik, enkel om te toonen, dat hij zich om het oordeel der wereld niet bekommert. Mijn vader schijnt besloten te hebben, dat niets voor belachelijk gehouden zal worden, zoo lang het hem toebehoort of tot hem in betrekking staat. Zoo herinner ik mij, dat hij in Indië eens ergens een hond met kromme beenen, een langen rug en groote, neerhangende ooren gevonden had. Allen smaak en het gevoelen van anderen ten trots, maakte hij dit leelijke dier tot zijn lieveling en voerde het eens als een bewijs van Brown’s moedwil, zoo als hij het noemde, aan, dat deze het gewaagd had, Bingo’s kromme beenen en hangende ooren te berispen. Op mijn woord, Mathilda, ik geloof dat zijne ingenomenheid met dezen wonderlijken schoolgeleerde op een soortgelijken grond rust. Dit schepsel eet met ons aan tafel, waar hij eerst een gebed uitspreekt op een toon, die bijna even hard klinkt als het geschreeuw van den vischverkooper op het plein. Vervolgens werpt hij het eten bij brokken door de keel, alsof hij eene kar moest laden, waarschijnlijk zonder te beseffen wat hij verzwelgt. Na den maaltijd laat hij weder eenige onnatuurlijke geluiden hooren, welke eene dankzegging moeten verbeelden, verlaat dan met groote schreden de kamer, om zich onder een hoop zware, oude folianten te begraven, die er even zoo onhebbelijk uitzien als hij zelf. Ik zou dit schepsel nog wel mogen lijden, als ik maar iemand bij mij had met wien ik lachen kon; maar als ik slechts iets zeg, dat zelfs maar zweemt naar schertsen over Mijnheer Sampson (zoo is de afschuwelijke naam van den afschuwelijken man), trekt Lucie Bertram zulk een jammerlijk gezicht, dat ik allen moed verlies om verder te gaan, en mijn vader fronst het voorhoofd, zijne oogen schieten vlammen, hij bijt zich op de lip en zegt dan iets, dat zeer krenkend en beleedigend voor mijn gevoel is.

„Maar het was mijn voornemen niet, u over dezen geleerden, zoo wel in de nieuwe als oude talen bedreven man te onderhouden: ik wilde u alleen zeggen, dat hij Lucie Bertram heel grondig in de eerste onderwezen heeft, en ik geloof dat zij het enkel aan haar eigen gezond verstand, of stijfhoofdigheid, te danken heeft, dat zij ook niet Grieksch en Latijn – misschien zelfs Hebreeuwsch, wat weet ik het! – heeft moeten leeren. Zij bezit inderdaad veel kennis en ik verzeker u, dat ik mij dagelijks verwonder over de gave, welke zij schijnt te bezitten, om zich zelve bezig te houden door het vroeger gelezene in hare gedachten terug te roepen en te regelen. Wij lezen elken morgen te zamen en ik begin veel meer van het Italiaansch te houden, dan toen wij – gij en ik namelijk – door dien ingebeelden zot Cicipici (zóó moet zijn naam gespeld worden en niet Chichipichi; gij ziet hieruit, dat ik reeds vrij wat geleerd heb) gekweld werden.

„Maar misschien bemin ik Lucie Bertram minder om de bekwaamheid, welke zij bezit, dan om haar gebrek aan andere talenten. Zij weet niets van de muziek, en van het dansen niet meer dan de geringste boer hier uit den omtrek, waar de landlieden echter, over het algemeen hartstochtelijke dansers zijn. Ik ben dus op mijne beurt ook hare leermeesteres. Zij neemt zeer dankbaar mijn onderricht op het klavier aan en ik heb haar ook reeds eenige passen van onzen dansmeester La Pique geleerd, die mij, zoo als gij weet, voor eene veelbelovende leerling hield.

Des avonds leest mijn vader ons dikwijls iets vóor, en ik verzeker u, dat hij beter poëzie voordraagt, dan iemand anders dien ik ooit gehoord heb, – niet zoo als zekere toneelspeler, die bij het lezen staroogde, het voorhoofd fronste, zijn gezicht verdraaide, met handen en voeten werkte, en zulke hevige gebaren maakte, alsof hij, geheel gekleed, zijne rol op het tooneel speelde. Mijn vader heeft eene geheel andere manier. Hij leest als een beschaafd man, die door gevoel, door smaak, door stembuiging, en niet door gebaren of geschreeuw indruk maakt. Lucie Bertram rijdt bijzonder goed en, door haar voorbeeld aangemoedigd, kan ik haar thans op hare tochtjes te paard vergezellen. Ook gaan wij, in weêrwil van de koude, dikwijls wandelen. Ik heb dus, over het geheel, niet zoo veel tijd meer om te schrijven, als vroeger.

Buitendien, lieve Mathilda, moet ik de gewone verontschuldiging van alle geestelooze briefschrijvers inbrengen, namelijk, dat ik niets te zeggen heb! Mijne hoop, mijne vrees, mijne bezorgdheid aangaande Brown hebben veel van haar gewicht verloren, sedert ik weet, dat hij in vrijheid en gezond is. En mij dunkt ook, dat hij mij nu ook wel eens bericht van zijn doen en laten had mogen geven. Onze betrekking tot elkaâr moge onvoorzichtig zijn; het zou echter in het geheel niet vleiend voor mij zijn, als de heer Van Beest Brown dit het eerst inzag en zich dien ten gevolge terugtrok. Indien hij zoo denkt, kan ik hem verzekeren, dat wij niet veel in gevoelen verschillen: want het komt mij soms voor, dat ik mij in deze zaak zeer onverstandig gedragen heb. Ik heb evenwel zulk eene gunstige gedachte van den armen Brown, dat ik niets anders denken kan, dan dat zijn stilzwijgen door iets bijzonders veroorzaakt wordt.

Maar om weder op Lucie Bertram terug te komen, – Neen, zij kan nooit uwe mededingster in mijne genegenheid worden, liefste Mathilda! en uwe teedere ijverzucht is dus geheel ongegrond. Zij is, ik beken het, een zeer aardig, gevoelig en teêrhartig meisje, en er zijn weinig menschen in wier vriendschap ik, bij wezenlijke rampen, liever troost zoude zoeken. Maar deze overkomen ons zoo zelden, dat men eene vriendin noodig heeft, die zoo wel voor onze ingebeelde ongelukken als voor wezenlijke rampen deelneming betoont. De hemel weet het en gij weet het, lieve Mathilda, dat deze kwalen van het hart even zeer den balsem der deelneming en vriendschap behoeven, als meer zichtbare en ernstige rampen. Lucie Bertram heeft niets van deze vriendelijke deelneming, in het minste niet, lieve Mathilda! Als ik aan de koorts ziek lag, zou zij nacht op nacht bij mij waken, om mij met onvermoeid geduld op te passen; maar voor de koorts van het hart, die mijne Mathilda zoo dikwijls verzacht heeft, heeft zij niet meer gevoel, dan haar oude leermeester. En dit ergert mij nog te meer, daar deze deftige juffer zelve ook een’ minnaar heeft, en dat hunne wederzijdsche genegenheid (want voor wederkeerig houd ik ze) zeer vele bezwaren oplevert, romanesk en daardoor belangwekkend is. Zij was eens, zoo als gij zonder twijfel weet, de erfgename van een groot vermogen, dat, deels door de verkwisting haars vaders, deels door de laagheid van een nietswaardigen, in wien hij blind vertrouwen stelde, verloren gegaan is. Een der schoonste jongelingen, hier in den omtrek, bemint haar; maar, daar hij de erfgenaam van groote goederen is, wil zij, uit hoofde van de ongelijkheid van hun vermogen, zijne liefde niet begunstigen.

Bij al deze bescheidenheid, zelfbeheersching, zedigheid en zoo voort, is Lucie echter een slim meisje. Ik houd mij verzekerd, dat zij den jongen Hazlewood bemint, en even zeker weet ik dat hij het gist, of liever er van overtuigd is, en haar naar alle waarschijnlijkheid tot de bekentenis van hare liefde brengen zou, indien mijn vader, of zij zelve hem hiertoe gelegenheid wilde geven. Maar gij moet weten, dat mijn vader er altijd op uit is, om Lucie Bertram die oplettendheden te bewijzen, welke een jongeling, in de omstandigheden van Hazlewood, anders de beste gelegenheden tot eene verklaring zouden aanbieden. Ik wenschte wel, dat mijn lieve vader er voor zorgde, zich zelven de straf niet op den hals te halen, welke er gewoonlijk op volgt, wanneer men zich, zonder noodzaak, in eens anders zaken mengt. Ik verzeker u, ware ik in Hazlewood’s plaats, ik zou zijne komplimenten, zijne buigingen, dat mantel omhangen, dat shawl omdoen en bij de hand opleiden, niet zonder argwaan aanzien, en waarlijk, ik geloof, dat Hazlewood er soms even zoo over denkt. Verbeeld u nu eens, welk eene zotte figuur uwe arme Julia bij zulke gelegenheden maakt! Hier bewijst mijn vader mijne vriendin alle mogelijke oplettendheden; dáar bewaakt Hazlewood iederen blik uit haar oog, ieder woord, dat van hare lippen vloeit; en ik heb niet eens de ellendige voldoening, de aandacht van éen menschelijk wezen tot mij te trekken, zelfs niet die van onzen wonderlijken geestelijke: want ook deze zit met open mond en vestigt zijne groote, uitpuilende oogen, onbewegelijk als een standbeeld, bewonderend op Lucie Bertram.

Dit alles maakt mij soms boos en soms doet het mijne zenuwen aan. Vóor eenige dagen was ik zoo verstoord op mijn vader en de beide minnenden, omdat zij in het geheel niet aan mij dachten of mijne tegenwoordigheid schenen te bemerken, dat ik een aanval op Hazlewood deed, welken hij, zonder onbeleefd te zijn, niet ontwijken kon. Bij zijne verdediging werd hij ongevoelig warm. Ik verzeker u, Mathilda, dat hij een even geestig, als schoon mensch is, en dat ik mij niet kan herinneren, hem ooit in zulk een voordeelig daglicht gezien te hebben. Maar midden onder ons levendig en aangenaam gesprek trof een zachte zucht van juffer Lucie mijn oor. Ik was veel te edelmoedig, om verder gebruik van mijne overwinning te maken, al ware ik ook niet bang geweest voor mijn vader. Tot mijn geluk was hij juist verdiept in eene uitvoerige beschrijving der bijzondere zeden en gewoonten van zekeren Indiaanschen volkstam, in de binnenlanden, en juist bezig om ze door teekeningen op Lucie Bertram’s borduurpatronen op te helderen, waarvan hij drie geheel en al bedierf, door zijne schetsen der Oostersche kleeding over de teekening van hare patronen heen te maken. Maar ik denk, dat zij op dat oogenblik even weinig aan haar eigen kleed, als aan de Indiaansche tulbanden dacht. Het was echter gelukkig voor mij, dat mijn vader niet alles bemerkte: want hij ziet anders zoo scherp als een valk, en is een gezworen vijand van alles, wat maar eenigszins naar koketterie zweemt.