Guy Mannering of de Sterrewichelaar
Part 19
Eene laatste poging willende wagen, ging hij nog een weinig verder en ontdekte tot zijne groote vreugde op geringen afstand het licht weder, dat op dezelfde hoogte scheen te zijn als hij. Hij vond nochtans spoedig, dat hij zich hierin bedroog. De grond liep verder zoo steil naar beneden, dat het bleek, dat er een diep dal tusschen hem en het voorwerp zijner nasporingen was. Voorzichtig verder afdalende, kwam hij eindelijk beneden in een zeer diep, nauw dal, waardoor een beekje kronkelde, welks loop bijna door de sneeuw gestremd was. Hij kwam nu bij eenige verwoeste hutten, van welke de zwarte gevels, die bij de witte oppervlakte, waarboven zij zich verhieven, sterk afstaken, alleen nog stonden en waarvan de puinhoopen, welke verstrooid in het rond lagen en met sneeuw bedekt waren, zijne schreden dikwijls zeer belemmerden. Maar alle zwarigheden moedig trotseerende, ging hij door de beek, kwam, na veel moeite en gevaar, op den anderen ruwen oever en vervolgde zijnen tocht, tot dat hij het gebouw, vanwaar het licht scheen, bereikte.
Bij het flauwe licht was: het moeielijk te ontdekken, welk soort van gebouw dit was. Het scheen echter vierkant, niet groot en van boven geheel vervallen te zijn. Het was waarschijnlijk in vroegere tijden de woning van een geringen landedelman geweest, of had een aanzienlijk man, in geval van nood, tot schuilplaats gediend. Het onderste gewelf alleen was nog onbeschadigd en diende het gebouw, in zijn tegenwoordigen toestand, tot dak. Brown ging op het licht af, dat door eene lange, smalle spleet, of schietgat, zoo als men gewoonlijk in oude kasteelen vindt, straalde. Door nieuwsgierigheid gedreven, keek hij door deze opening, om, voor dat hij binnentrad, het inwendige van deze vreemde plaats op te nemen. Een erger tooneel van verwoesting laat zich bijna niet denken. Op den grond lag een vuur te branden. De rook trok door het geheele vertrek, voor dat hij door een in een boog van het gewelf gebroken gat een uitgang vond. Bij dit walmende licht hadden de muren het woeste voorkomen van ten minste driehonderdjarige bouwvallen. Een paar vaten, eenige gebroken kisten en pakken lagen in wanorde door elkander. Maar nog meer trokken de bewoners van dit gebouw Brown’s aandacht tot zich. Op een strooleger, waarover een deken gespreid was, lag eene menschelijke gestalte zoo stil en onbeweeglijk, dat Brown ze voor een lijk gehouden zou hebben, indien het gewone lijkgewaad niet ontbroken had. Maar spoedig verried een zwaar en diep zuchten en kermen, die den naderenden zwaren doodstrijd aankondigden, dat de zieke nog leefde. Eene vrouwelijke gedaante, in een langen mantel gehuld, zat op een steen bij dit ellendig leger. Zij rustte met de ellebogen op de knieën, wendde haar gelaat van het licht eener ijzeren lamp, welke naast haar stond, af en hield hare blikken op den stervende gevestigd. Van tijd tot tijd bevochtigde zij hem de lippen en zong tusschenbeide, op eene zachte, eentonige wijze, een van die gebeden of liever tooverspreuken, welke in eenige gedeelten van Schotland en het noorden van Engeland ìn gebruik zijn, om daardoor, zoo als het bijgeloof waant, het scheiden der ziel van het lichaam te verlichten, even als met het kleppen der klok geschiedde in de tijden van het katholicisme. Zij vergezelde deze treurige tonen met eene langzame, wiegende beweging van haar lichaam, alsof zij daardoor de maat van haar gezang wilde aangeven. De woorden luidden bijna als volgt:
„Wat, vermoeide! toeft gij toch? Kampt met stof en aarde nog? Schei van ’t lichaam, loom en log! Hoor de Misse zingen!
Maak u van uw hulsel vrij; Sta de Moeder Gods u bij! Heil’gen staan aan uwe zij – Hoor de doodklok luiden!
Vrees noch sneeuw, noch hageljacht, Noch den langen winternacht! In de doodkist slaapt men zacht, Om niet weer te ontwaken.
Haast u! dat geen vrees u stuit’! De aard’ snelt voort – ’t is tijd – besluit! Blaas den laatsten adem uit – Zie den morgen naken!
Hier zweeg de zangster en werd door een diep, hol zuchten en steunen beantwoord, dat den laatsten doodstrijd scheen aan te kondigen.
„Het gaat nog niets mompelde zij bij zich zelve. „Hij kan niet sterven met zulk een zwaren last op zijne ziel. Dat houdt hem hier vast.” –
Ach, de Hemel duldt hem niet! De aarde ontzegt hem haar gebied [14]!
„Ik moet de deur opendoen.” Zij stond op, ging naar de deur, zorg dragende haar hoofd niet om te draaien, en lichtte, nadat zij een paar sterke grendels voor de deur, welke, niettegenstaande het armoedige voorkomen van het vertrek, zeer zorgvuldig gesloten was, weggeschoven had, de klink op, waarbij zij zong;
„Slot, ontsluit u! – Strijd, bezwijk! Kom, o Dood! en, Leven, wijk!”
Brown had intusschen zijne standplaats verlaten en stond vlak voor haar, toen zij de deur opendeed. Zij deinsde van verbazing eene schrede achteruit, waarop hij binnentrad en dadelijk, maar met geene aangename gewaarwording, dezelfde oude Heidin herkende, die hij vroeger te Bewcastle ontmoet had. Zij herkende hem oogenblikkelijk. In hare houding en blikken verried zij eene angstige bezorgdheid, en had geheel het voorkomen van de goedaardige reuzin in het tooversprookje, die den vreemdeling waarschuwt, het gevaarlijke paleis van haren gemaal niet binnen te treden. Het eerste dat zij zeide (terwijl zij de hand bestraffende ophief) was: „Heb ik u niet gezegd, bemoei u nergens mede? – Wacht u voor bloedige slagen. Gij komt hier bij geen vreedzaam sterfbed.”
Bij deze woorden hief zij de lamp op en liet het licht op de woeste en ruwe gelaatstrekken van den stervende vallen, die onder stuiptrekken den laatsten adem uitblies. Een lap linnen, waarmede zijn hoofd omwonden was, was met bloed bevlekt. Zelfs de dekens en het stroo waren vol bloed, zoo dat alles verried, dat deze ongelukkige een geweldigen dood stierf. Brown huiverde bij dit verschrikkelijk gezicht terug en riep, zich tot de Heidin wendende: „Ellendig wijf, wie heeft dit gedaan?”
„Zij, aan wie dit veroorloofd werd,” antwoordde Meg Merrilies, terwijl zij een scherpen, vorschenden blik op den stervende sloeg. – „Hij heeft een zwaren strijd gehad. Maar het is voorbij. Ik wist, dat hij den geest zou geven, toen gij binnentradt. Dat was de laatste doodsnik – hij is dood!”
Op dit oogenblik lieten zich van verre stemmen hooren. „Zij komen,” zei de Heidin tegen Brown; „gij zijt een man des doods, al hadt gij zoo vele levens, als haren op uw hoofd.”
Brown zag schielijk naar eenig wapen tot zijne verdediging rond, maar vond niets. Nu snelde hij naar de deur, om zich achter de boomen te verbergen er dan door eene snelle vlucht dit verblijf, dat hij voor een moordenaarshol hield, te ontvluchten. Maar Meg Merrilies hield hem met een krachtigen arm terug en zeide: „Hier! hier! Wees stil en gij zijt veilig – verroer u niet, wat gij ook hoort of ziet, en u zal geen leed geschieden.”
In deze wanhopige omstandigheden herinnerde Brown zich den vroegeren goeden raad van de oude vrouw, en geloofde dat gehoorzaamheid het eenige middel tot zijne redding was. Hij moest zich in een’ hoop stroo, dat in een hoek van het vertrek tegenover den doode lag, nederleggen, waarop zij hem zorgvuldig bedekte en eenige oude zakken, die op den grond lagen, over hem heen wierp. Zeer begeerig te weten, wat er gebeuren zou, schikte Brown zoo zacht mogelijk de zakken, waaronder hij verborgen lag, zoodanig, dat hij toch iets zien kon, en verbeidde met een kloppend hart den afloop van dit vreemd en zeer onaangenaam voorval. De oude Heidin hield zich intusschen met den overledene bezig, legde het lijk terecht en de armen langs de zijden, terwijl zij bij zich zelve mompelde: „Het is best dat te doen, voor dat hij stijf wordt.” Zij legde een houten bord met een weinig zout op de borst van den doode, plaatste eene kaars bij zijn hoofd en eene andere bij zijne voeten en stak beide aan. Na gedaan te hebben, begon zij weder te zingen en wachtte de komst af van hen, wier stemmen zij van buiten gehoord hadden.
Hoe dapper en onversaagd Brown ook was, begaf hem op dit oogenblik de moed en vermeesterde de vrees hem zoodanig, dat het koude angstzweet hem aan alle leden uitbrak. Het denkbeeld, door booswichten, wier handwerk de nachtelijke moord was, uit zijn ellendigen schuilhoek gesleept te worden, zonder wapens of het geringste middel tot zijne verdediging dan gebeden, waarmede zij slechts zouden spotten, of hulpkreten, die tot geen ander oor dan het hunne, konden doordringen; de gedachte, dat zijne veiligheid enkel op het onzekere medelijden van een wezen berustte, dat met deze schelmen in verstandhouding leefde en wier hart door gewoonte aan roof en bedrog voor alle menschelijk gevoel verstompt moest zijn – deze bittere gedachten doodden hem bijna. Hij beschouwde het rimpelig, somber gelaat van de Heidin, waarop nu het licht der lamp viel, om er iets in te vinden, ’t welk dat meêwarig gevoel verried, dat vrouwen, zelfs de meest verdorvene, zelden geheel kunnen onderdrukken. Er was geen enkele zachte, menschelijke trek in het gelaat van deze vrouw. De opwelling, of wat het ook zijn mocht dat haar gunstig voor hem innam, sproot niet uit medelijden, maar uit eene geheime, zonderlinge mengeling van aandoeningen, welke hij zich niet verklaren kon. Misschien had het geen anderen grond, dan eene denkbeeldige gelijkenis, even als die welke Lady Macbeth in den slapenden koning met haren vader meende te vinden. Soortgelijke gedachten verdrongen elkander in zijne ziel, terwijl hij deze wonderlijke vrouw uit zijn schuilhoek waarnam. Intusschen kwam de bende nog niet nader en kreeg Brown grooten lust, om zijn eerste voornemen, dit verblijf te ontvluchten, nu nog uit te voeren, bij zich zelven de besluiteloosheid verwenschende, welke hem in een toestand gebracht had, waar geen wederstand of vlucht mogelijk zou zijn.
Meg Merrilies scheen ook zeer waakzaam te zijn. Zij luisterde ingespannen naar ieder geluid, dat zich buiten de oude muren hooren liet. Soms ging zij weder naar het lijk en vond er nog steeds iets aan te schikken en te veranderen. „Het is toch een schoon lijk!” mompelde zij bij zich zelve, „en wel waard, dat men het goed bezorge!” Zij haalde een langen, donkeren schippersmantel uit een hoek en gebruikte dien tot een doodskleed. Zij liet het aangezicht bloot en legde de kraag zoo, dat het bloedige verband daarmede bedekt werd en het lijk, zoo als zij het noemde, „er fatsoenlijk uitzag.”
Plotseling traden eenige mannen, naar hunne kleeding en geheel voorkomen te oordeelen roovers, in het vertrek. „Meg, gij satanskind, hoe durft gij de deur open laten?” was de eerste begroeting, die zij van hen ontving.
„En wie heeft ooit gehoord,” antwoordde zij, „dat men de deur van een vertrek sluit, als er iemand ligt te sterven? Denkt gij, dat de ziel door zulk een slot en grendels weg kan komen?”
„Is hij dan dood?” vroeg éen van hen, en ging naar het strooleger, om naar het lijk te zien.
„Ja, ja! dood genoeg,” hernam een ander; „maar hier is iets, om ons onder het waken bij zijn lijk wakker te houden.”
Met deze woorden haalde hij een vaatje brandewijn uit een hoek, terwijl Meg Merrilies zich haastte, om pijpen en tabak rond te deelen. De haast, waarmede zij dit deed, gaf Brown veel hoop, dat zij haren gast getrouw zou zijn. Het was blijkbaar haar doel, de roovers aan het drinken te zetten, en om op deze wijze eene ontdekking te verhoeden, indien misschien één hunner bij toeval Brown’s schuilplaats te na mocht komen.
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Geen huis of haard bezitten wij, Geen vrouw, geen kind, geen goed De donkre nacht is dag voor ons, Wij schuw’n des daglichts gloed.
Joanna Baillie.
Brown kon nu zijne vijanden tellen. Zij waren vijf in getal. Twee van hen, groote, forsche mannen, schenen òf echte zeelieden te zijn, òf waren landloopers, die daarvoor wilden doorgaan. De drie anderen, een oud man en twee jongens, waren veel tengerder en schenen, naar hun zwart haar en de donkere kleur van hun gelaat te oordeelen, tot den stam van Meg te behooren.
De beker, waaruit zij brandewijn dronken, ging vlijtig rond. „Op zijne gelukkige reis!” riep een van de zeelieden, terwijl hij den beker aan de lippen zette; „hij heeft een onstuimigen nacht getroffen om naar den hemel te varen.”
Wij laten de schrikbarende verwenschingen weg, waarmede deze eerlijke lieden hun gesprek kruidden, en geven slechts hetgeen minder aanstootelijk luidt weêr.
„O! die geeft om geen weer of wind. Bij zijn leven heeft hem zoo menige noordoosten-storm om de ooren geblazen.”
„Gisteren voor de laatste maal,” hernam een ander op norschen toon; „en nu mag de oude Meg om een laatsten goeden wind voor hem bidden, even als zij zoo dikwijls gedaan heeft.”
„Voor hem zal ik niet bidden,” zeide Meg, „en ook voor u niet. De tijden zijn, sedert langen tijd, ten kwade veranderd. Voorheen waren de mannen nog mannen en streden in het open veld, maar waren geene sluipmoordenaars. Toen waren de aanzienlijken goedhartig en lieten een armen Heiden met geene ledige handen gaan; maar onder deze was ook niemand, van den grooten Johnnie Faa af tot aan den kleinen Christiaan toe, die nog in de mand gedragen werd, welke hun de geringste kleinigheid ontstolen zou hebben. Maar gij hebt den goeden ouden weg verlaten, en geen wonder, dat gij zoo dikwijls de ketenen moet schuren of aan den galg komt. Ja gij zijt geheel veranderd. Gij eet des landmans brood, gij drinkt zijn drank, gij slaapt op het stroo in zijne schuur, en tot belooning breekt gij zijn huis in en snijdt hem de keel af! Bedenkt, hoe gij eens sterven zult! Hij worstelde lang met den dood en had een zwaren strijd. Hij kon noch leven, noch sterven. Maar gij – het halve land zal nog bijeen komen, om u lieden aan den galg te zien bengelen!”
Bij deze voorzegging van Meg barstten de mannen in een woest gelach uit.
„Waarom zijt gij dan weder hier gekomen, vervloekte oude heks?” zei een van de Heidenen. „Kondt gij niet blijven, waar gij waart, en bij de Cumberlandsche boeren voor waarzegster spelen? Scheer u naar buiten, oude draak, en pas op, of er ook iemand op ons spoor is. Dat is het eenige, waarvoor gij nu goed zijt.”
„Is dat het eenige, waarvoor ik nu goed genoeg ben? In het groote gevecht tusschen ons volk en dat van Patrico Salmon, was ik wel tot iets beters te gebruiken. Indien deze vuisten,” (hier hief zij de handen omhoog), „je toen niet geholpen hadden, zou Jean Baillie je geworgd hebben, bespottelijke zwetser dat gij zijt!”
Hier brak de troep weder in een schaterend gelach uit ten koste van den held, dien deze amazone, volgens haar zeggen, geholpen had.
„Hoor, moeder!” zeide een van de zeelieden, „hier is een volle beker voor u; laat nu dien lummel met rust!”
Meg dronk den beker ledig en ging voor den schuilhoek van Brown zitten, zoodat het moeilijk was dien te naderen, zonder dat zij opstond. Niemand scheen haar echter te willen storen.
De mannen gingen rondom het vuur zitten en schenen met elkander te raadplegen, maar spraken zoo zacht en in zulk eene wonderlijke gauwdieventaal, dat Brown niet veel van hun gesprek verstaan kon. Hij begreep evenwel, dat zij zeer verbitterd waren op iemand. „Hij zal zijn deel wel krijgen,” zeide de eene, en fluisterde zijn kameraad iets in het oor.
„Daar wil ik niets mede te doen hebben,” antwoordde de andere.
„Wordt gij bang, Jaap?”
„Neen, waarachtig, niet banger dan gij! Maar ik wil niet! Voor vijftien of twintig jaren geleden, heeft iets soortgelijks ons geheele handwerk ook bedorven. – Hebt gij wel van den Sprong gehoord?”
„Die dáar ligt” antwoordde hij, op het lijk wijzende, „heeft mij er van verhaald. – Wat lachte hij, toen hij ons toonde, hoe hij hem naar beneden wierp!”
„Dat kan zijn; maar het bedierf ons handwerk voor langen tijd.”
„Hoe kon dat wezen?” vroeg de andere boef.
„Het volk trok zich terug en wilde zich nergens mede inlaten, en het gerecht zat ons zoo na op de hielen, zoo dat –”
„Ik ben toch van gedachte, dat wij den kerel in een donkeren nacht overvallen en hem niet verschoonen moeten.”
„Maar de oude Meg is ingeslapen,” zeide een ander. „Zij begint te suffen en vreest voor hare eigene schaduw. Zij zal nog uit de school klappen, als wij niet goed oppassen.”
„Vrees daar niet voor,” hernam de oude Heiden. „Meg is van de echte soort; zij is de laatste van de bende, die afvallig zou worden. Maar zij heeft hare eigene grillen en zegt soms rare dingen.”
Hun gesprek duurde nog eenigen tijd in hunne dieventaal vol teekenen en wenken voort, zonder dat zij het onderwerp, waarover zij spraken, eene enkele maal met klare en duidelijke woorden noemden, tot dat eindelijk een van hen aanmerkte, dat Meg nu vast sliep, of ten minste scheen te slapen en een’ van de jongens beval den zwarten Peter binnen te brengen om hem te onderzoeken. De kerel ging naar de deur en kwam met een valies terug, dat Brown oogenblikkelijk als zijn eigen herkende. Aanstonds kwam hem de ongelukkige voerman, welken hij bij het rijtuig gelaten had, in de gedachten. Hadden de roovers hem vermoord, of zou hij zich misschien door de vlucht gered hebben? Zulke akelige denkbeelden doorsneden zijne ziel. Vol angst gaf hij op alles, wat er voorviel, nauwkeurig acht en luisterde, terwijl de booswichten den inhoud van het valies uitpakten en bewonderden ingespannen toe, of hij ook iets hoorde, waaruit hij het lot van den voerman zou kunnen opmaken. Maar de roovers waren te verheugd over hun buit en hielden zich te veel met het beschouwen en nazien er van bezig, om zich over de wijze, hoe zij dien gekregen hadden, uit te laten. Het valies bevatte onderscheidene kleedingstukken, een paar pistolen, eene lederen tasch met eenige papieren, eenig geld en enkele kleinigheden. Op een anderen tijd zou Brown niet zoo geduldig aangezien hebben, dat zulke schelmen zijn eigendom zoo, zonder plichtplegingen, verdeelden en zich nog ten koste van den beroofde vroolijk maakten; maar op dit gevaarlijk oogenblik kon hij aan niets dan aan zelfbehoud denken.
Nadat de roovers den inhoud van het valies nauwkeurig onderzocht en onderling verdeeld hadden, gingen zij weder aan het drinken, waarmede zij het grootste gedeelte van den nacht doorbrachten. Brown vleide zich eene poos, dat zij zich zóó dronken zoude drinken, dat zij alle besef verloren, en dat hij dan gemakkelijk zou kunnen ontvluchten; maar hun gevaarlijk handwerk had hen zoo voorzichtig gemaakt, dat zij het bij eenen duchtigen roes lieten en toen met drinken uitscheidden. Vier van hen gingen eindelijk liggen slapen, terwijl de vijfde de wacht hield. Na eene wacht van twee uren, werd hij door een’ ander’ afgelost. De schildwacht maakte de slapenden, na afloop van de tweede wacht, wakker, en tot Brown’s groote vreugde schenen zij zich allen tot het vertrek gereed te maken, daar ieder de goederen, die hem ten deel gevallen waren, oppakte. Er was echter eerst nog iets te verrichten. Twee van hen haalden, na eenig zoeken, wat Brown niet weinig beangstigde, een houweel en eene spade voor den dag; een derde vond een steekbijl van achter het stroo, waarop het lijk lag. Met deze werktuigen verlieten zij het vertrek, terwijl de beide zeelieden, als wachters, achterbleven. Een half uur later kwam een van de eersten terug en fluisterde de anderen iets in het oor. Hierop wikkelden zij het lijk in den mantel en droegen het weg.
Nu ontwaakte Meg Merrilies uit haren wezenlijken of geveinsden slaap en beval Brown, nadat zij eenige oogenblikken buiten de deur rondgezien had met eene zachte stem, haar oogenblikkelijk te volgen. Hij gehoorzaamde; maar toen hij de hut verliet, wilde hij gaarne zijn geld, of ten minste zijne papieren weder medenemen; zij verbood het echter ten stelligste. Hij bedacht nu ook, dat alle verdenking op de oude vrouw, die naar alle waarschijnlijkheid zijn leven gered had, moest vallen, als er iets vermist werd, en gaf zijn voornemen, om zich van een gedeelte van zijn eigendom weder meester te maken, op, terwijl hij alleen een houwer medenam, welken een van de roovers tusschen het stroo geworpen had. Thans, uit zijne benauwde ligplaats verlost en in het bezit van dit wapen, gevoelde hij zich zoo gerust, alsof hij reeds meer dan ten halve aan het gevaar, waarin hij verkeerd had, ontsnapt was. Hij was nog wel wat stijf door de koude en door de gedwongen houding, waarin hij den geheelen nacht had moeten liggen, maar de frissche morgenlucht en de beweging herstelden spoedig het gebrek aan doostraling in zijne verkleumde en verdoofde ledematen, toen hij de Heidin naar buiten volgde.
Het was een koude wintermorgen. De sneeuw, die alles bedekte, vermeerderde het flauwe licht der morgenschemerìng. Brown keek opmerkzaam rond, ten einde de plek bij gelegenheid te kunnen herkennen. De kleine, bijna geheel vervallen toren, waarin hij dezen merkwaardigen nacht doorgebracht had, stond op de punt van eene vooruitspringende rots, die over de beek hing. Slechts aan de zijde van het dal was de rots beklimbaar; aan de andere drie zijden was die zoo steil, dat Brown den vorigen avond aan meer dan één gevaar ontsnapt was: want had hij, zoo als hij werkelijk eenmaal voornemens was, beproefd om rond het gebouw heen te gaan, dan zou hij onvermijdelijk door een vreeselijken val verpletterd zijn geworden. Het dal was zoo nauw, dat de met sneeuw, in plaats van met bladen, beladen toppen der van weerskanten staande boomen elkander op sommige plaatsen raakten en dus een soort van bevroren gewelf over het beekje vormden, dat langzaam beneden door het dal kronkelde en door de donkere kleur van onder de sneeuw te onderscheiden was. Op éene plaats was het dal iets wijder. Hier lagen op eene kleine vlakte, tusschen de beek en den steilen rand van het dal, de bouwvallen van het gehucht, waardoor Brown den vorigen avond gekomen was. De vervallene, aan de binnenzijde zwart berookte gevels schenen nog zwarter door de sneeuw, welke hier en daar tegen de muren aangewaaid was en alles in den omtrek met een helder wit kleed bedekte.