Guy Mannering of de Sterrewichelaar
Part 18
Dit tooneel, ofschoon vreemd voor het oog van een ervaren jager, had niettemin veel bekoorlijks. Tegen den blauwen hemel schenen de heen en weder loopende gestalten op den bergrug zich, als het ware, in de lucht te bewegen. De ongeduldige honden, door het geblaf in de diepte nog woedender geworden, sprongen heen en weder en rukten aan de touwen, waarmede zij teruggehouden werden. Niet minder treffend was het gezicht, wanneer men naar beneden zag. Een dunne nevel hing nog over het dal, zoodat men de bewegingen der jagers daar beneden dikwijls door dezen doorschijnenden sluier moest trachten te volgen. Soms verstrooide een windvlaag den nevel; dan werd het geheele tooneel zichtbaar en men ontdekte het heldere beekje, als eene glinsterende streep, door het woeste eenzame dal kronkelen. Dan zag men de jagers, die in de diepte wegens den grooten afstand wel dwergen schenen, vroolijk en onbeschroomd van het eene gevaarlijke punt op het andere springen, om de honden op het spoor te leiden. Dan werden zij weder door den nevel verborgen en men vernam niets van het voortzetten der jacht dan het geroep der mannen en het geblaf der honden; stemmen, die als het ware, uit het binnenste der aarde schenen op te stijgen. Toen de vos eindelijk van het eene hol tot het andere vervolgd, genoodzaakt was het dal te verlaten en eene verder afgelegen schuilplaats op te zoeken, lieten de jagers, die al zijne bewegingen van boven af nauwkeurig gade sloegen, hunne windhonden los, die, daar zij vlugger dan de vos en even zoo wreed en moedig waren, hem spoedig afmaakten.
Op deze wijze werden er, tot groot genoegen van de jagers, vier vossen gedood: en zelfs Brown, die in Indië vorstelijke jachtfeesten bijgewoond en den Nabob van Arcof bij eene tijgerjacht op een olifant vergezeld had, betuigde dat hij zich dezen morgen uitnemend vermaakt had. Toen de jacht geëindigd was, gingen de meeste jagers, overeenkomstig de gastvrije gewoonten des lands, met den pachter naar Charlies-hope, om het middagmaal te houden.
Onder het naar huis rijden reed Brown eenigen tijd naast den districtsjager en deed hem onderscheidene vragen aangaande zijn beroep. Weldra bemerkte hij, dat deze man zijne blikken zocht te vermijden en scheen het hem alsof hij gaarne van zijn gezelschap en zijne gesprekken ontslagen wilde zijn, waarvoor Brown volstrekt geene reden kon vinden. De jager was een magere maar gespierde knaap, naar het uiterlijke zeer geschikt voor zijn vermoeiend beroep; zijne trekken vertoonden niets van de openhartige uitdrukking van den vroolijken jachtgezel; hij sloeg de oogen steeds neder, en was verlegen en scheen de blikken van dengenen, die hem sterk aanzag, te willen vermijden. Na eenige onbeduidende woorden over de goede vangst van den dag, gaf Brown hem eene kleinigheid en reed verder met zijn gastheer naar Charlies-hope, waar de huisvrouw reeds alles tot hunne ontvangst gereed had.
Het vriendelijke en gulle onthaal vergoedde het gebrek aan pracht en goeden smaak bij dit feestmaal, waartoe de schaapskooi en het hoenderhok rijkelijk het hunne hadden bijgedragen.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De Elliotts en Armstrongs waren allen bij elkaâr, Een schoone troep van dappre liên, dat wist men wel, voorwaar?
Ballade van Johnnie Armstrong.
De beide volgende dagen werden met de gewone landelijke vermaken doorgebracht en leveren dus weinig aantrekkelijks voor den lezer op; maar Brown moest nog een feest bijwonen, dat haast alleen aan Schotland eigen is en eene soort van zalmjacht genoemd kan worden. Deze jacht, waarbij de visch met eene speer met weerhaken, of een soort van drietand met langen steel, vervolgd en gedood wordt, is in de monding van de Esk en andere zalmrijke rivieren in Schotland veel in gebruik. Soms heeft ze bij dag, doch meestentijds des nachts plaats. De visch wordt dan bij het licht van fakkels, of van bekkens, gevuld met brandende stukken van teertonnen, welke een sterk maar ongelijk licht over het water verspreiden, opgespoord.
Bij deze gelegenheid was eene breede, vrij diepe plaats der rivier tot de zalmvangst uitgekozen. Eenigen van het gezelschap zaten in eene oude wrakke boot, terwijl de anderen langs den oever liepen, met hunne toortsen en speren zwaaiden en dus de zalmen vervolgden, waarvan sommigen zochten te ontsnappen door tegen den stroom op te zwemmen, terwijl anderen zich voor de nasporingen hunner vervolgers onder boomwortels en groote stukken steen zochten te verbergen. Deze laatsten werden bij het geringste teeken door de visschers in de boot ontdekt; de beweging van eene vin, het opstijgen van eene luchtbel was genoeg, om dezen ervarenen jagers te doen weten, welke richting zij aan hunne harpoenen moesten geven
Allen, die aan deze zalmjacht gewoon waren, vonden er een bijzonder vermaak in. Maar Brown, die in de behandeling van de speer of drietand niet geoefend was, werd zijne vergeefsche pogingen spoedig moede, daar hij, in plaats van den bedoelden zalm, meestal de stukken rots op den bodem der rivier trof, en de schok hem alles behalve prettig door den arm voer. Ook smartte het hem, de doodstuipen der getroffen zalmen, welke in de boot lagen te spartelen en die met hun bloed verfden, van zoo nabij te aanschouwen, ofschoon hij dit gevoel, hetwelk toch niemand verstaan zou hebben, zorgvuldig verborg. Hij verzocht dus dat men hem aan wal zou zetten, en beklom den steilen oever, vanwaar hij het tooneel veel beter overzien kon. Dikwijls dacht hij aan zijn vriend Dudley, als hij de schilderachtige werking van het sterke roode licht op de schoone oevers, waaronder de boot voortgleed, beschouwde. Nu verdween het licht bijna in de verte en geleek op een ster, die op het water scheen te zweven, even als de lichtjes, welke de watergod, volgens de oude volksvertelling, uit de diepte doet opstijgen, om het vochtige graf zijner offers aan te wijzen. Dan naderde het weder en werd al grooter en helderder, tot dat de hoogflikkerende vlam oever, rotsen en boomen zichtbaar maakte en een roodachtigen gloed daarover verspreidde, en ze vervolgens, onder het verder gaan, langzamerhand weder met schemering en duisternis bedekte. Bij hetzelfde licht zag hij de gestalten in de boot, die nu hunne wapens opgeheven hielden, zich dan bukten om toe te stooten en dan weder rechtop stonden, allen door denzelfden rooden gloed gekleurd, welke hun het voorkomen van verschijningen uit het Pandaemonium gaven.
Na zich eenigen tijd met dit gezicht vermaakt te hebben, keerde Brown langzaam naar de pachthoeve terug en bleef van tijd tot tijd stil staan, om naar de bezige visschers te zien. Gewoonlijk zijn er twee of drie bij elkander, waarvan de eene de toorts draagt, terwijl de anderen hunne speren gereed houden, om naar den visch te steken. Brown bemerkte een visscher, die eenen zwaren zalm, welken hij reeds getroffen had, maar niet geheel en al uit het water kon krijgen, niet meester kon worden, en trad nader bij den oever, om den uitslag te zien. De man, die op dit oogenblik de fakkel hield, was de districtsjager, wiens norsch: en onvriendelijk gedrag Brown vroeger reeds met verwondering opgemerkt had. „Hier, Mijnheer! kom hier! zie eens wat een visch!” „Hij heeft een’ rug als een gemest varken!” riepen de omstanders Brown toe, toen zij hem zagen aankomen.
„Druk den drietand neer! druk hem beter neer! Houd hem toch vast! Hebt gij dan geen merg meer in de beenderen?” riepen de jagers, die op den oever waren, den man toe, die tot aan de heupen tusschen ijsschotsen in het water tegen de kracht van den visch en den sterken stroom stond te worstelen en niet best wist, hoe hij zijn buit in veiligheid zou brengen. „Houd uw fakkel omhoog, jager!” riep Brown, toen hij naderbij kwam, den fakkeldrager toe, wiens norsch gelaat hij reeds bij het sterke licht herkend had. Maar nauwelijks hoorde en herkende de kerel Brown’s stem, of hij liet de fakkel, in plaats van die hooger te houden, schijnbaar toevallig in het water vallen.
„Dat u de duivel –!” riep de visscher, toen de brandende toorts voor den stroom afdreef en spoedig uitdoofde; „plaagt u de duivel, Gabriël? Ik kan hem zonder licht niet meester worden! Een schooneren zalm hebt gij nooit gezien; als ik hem maar aan land kon krijgen om hem in den schoorsteen te hangen” [11].
Eenige mannen sprongen in het water om den visscher te helpen, en de zalm, die, toen hij gewogen werd, dertig pond zwaar was, werd gelukkig op den oever gebracht.
Dit gedrag van den jager verwonderde Brown niet weinig. Hij herinnerde zich echter niet, dat hij zijn gelaat ooit vroeger gezien had, en kon volstrekt niet begrijpen, waarom deze man, zoo als klaarblijkelijk het geval was, zijne blikken zocht te vermijden. Was het misschien een van de roovers, die hem weinige dagen te voren aangerand hadden? Dit vermoeden was niet geheel onwaarschijnlijk, ofschoon Brown in des mans gestalte en gelaat geene bewijzen daarvoor vond. Maar met grond kon hij ook geene vergelijking maken: de roovers hadden hunne hoeden te diep in de oogen getrokken, wijde jassen aan en geene bijzonder kennelijke gestalte gehad. Hij besloot hierover met zijn gastheer te spreken, maar begreep, dat het, om zekere redenen, verstandig zou zijn, dat tot den volgenden morgen uit te stellen.
Met rijken buit beladen, keerden de visschers huiswaarts. Meer dan honderd zalmen waren er bij deze gelegenheid gevangen. De beste werden voor de pachters zelven uitgezocht; de overige onder hunne herders, arbeiders en andere geringe lieden, die bij de jacht tegenwoordig geweest waren, verdeeld, die ze in hunne hutten rookten, om ze, als een lekker beetje, bij hunne gewone winterspijs, aardappelen en uien, te nuttigen. Intusschen liet Dinmont rijkelijk bier en brandewijn onder hen ronddeelen en in een grooten ketel een paar zalmen voor hun avondmaal koken. Toen zij goed en wel aan den maaltijd zaten, trad Brown met zijn opgeruimden gastheer en de andere pachters in de groote, rookerige keuken, waar het smakelijke gerecht op een groote eiken tafel dampte. Allen waren van harte vroolijk en juichten onder schertsen en lachen. Brown zocht overal naar het donkere gelaat van den vossenjager; maar de man was nergens te zien. Eindelijk vroeg hij naar hem en zeide:
„Dat was een domme streek van een van u allen, om zijne fakkel juist in het water te laten vallen, toen zijn kameraad met dien grooten visch bezig was.”
„Dom!” hernam een van de herders (dezelfde jonge held, die den zalm gestoken had), „hij verdiende er, ik weet niet wat, voor; het licht uit te dooven, als men den visch in zijne kneukels heeft! Ik ben overtuigd, dat Gabriël de fakkel opzettelijk in het water liet vallen. Hij kan niet dulden, dat een ander iets beter doet dan hij zelf.”
„Hij zal zich wel schamen,” zeide een derde; „anders zou hij hier niet wegblijven. Gabriël houdt evenveel van wat goeds, als een van ons allen.”
„Is hij hier, uit deze landstreek, geboortig?” vroeg Brown.
„Neen, hij is eerst sedert kort aangesteld, maar hij is een flinke jager. Hij is van Dumfries, of ten minste van dien kant van daan.”
„En hoe is zijn naam eigenlijk?”
„Gabriël.”
„Maar hoe meer dan Gabriël?”
„Ja, dat weet de lieve hemel! wij bekommeren ons hier niet veel om de achternamen van de menschen. En zij zijn in onderscheidene oorden zoo verschillend.”
„Hoor, Mijnheer,” zei een oude herder, terwijl hij opstond, „hier in de omstreek heeten de menschen allen Armstrong, Elliot, of zoo iets; wij hebben hier maar zeer weinig namen [12]. Ter onderscheiding voeren de heeren en pachters den naam van de plaats, welke zij bewonen; bij voorbeeld, Tam van Todshaw, Hobbie van Sorbitrees, en onze goede meester hier van Charlies-hope. En dan moet gij weten, Mijnheer, dat de geringe menschen door bijnamen onderscheiden worden, die gewoonlijk van iemands beroep afkomstig zijn. Zoo noemen wij, bij voorbeeld, dezen knaap Gabriël Vos of Jager Gabriël. Hij is nog niet lang hier geweest en ik geloof niet, dat iemand hem bij een anderen naam kent. Maar wij moeten achter zijn rug geen kwaad van hem spreken: want hij is een flinke vossenjager, ofschoon hij misschien nog niet zoo goed met den drietand kan omgaan, als sommigen onder ons.
Spoedig hierop verwijderde Brown zich met zijn gastheer en de andere pachters, ten einde de luidruchtige vreugde bij dezen maaltijd door hunne tegenwoordigheid niet langer te storen, en zelven den avond onder onschuldige scherts en gezellige vroolijkheid door te brengen. Intusschen zouden de mannen bij hunne punchkom de grenzen der matigheid misschien overschreden hebben, indien niet verscheidene naburige pachtersvrouwen, welke mede te Charlies-hope gekomen waren om dezen gedenkwaardigen avond te vieren, hiertegen gewaakt hadden. Toen zij de punchkom zoo dikwijls zagen vullen, dat zij gevaar liepen dat hare tegenwoordigheid vergeten zou worden, trokken zij, onder aanvoering van de huisvrouw, moedig op de drinkebroeders los en haalden hen spoedig over, om eenen vroolijken dans te beginnen, waartoe reeds bij voorraad een paar muziekanten besteld waren, zoodat Bacchus spoedig door Venus op de vlucht gejaagd werd.
De volgende dag was aan eene otterjacht gewijd, en den hierop volgenden ging Brown met zijn gastheer op de dassenvangst uit. Nadat de jonge Peper bij deze gelegenheid, in een gevecht met een das, eenen voorpoot en Mosterd de tweede bijna het leven verloren had, verzocht Brown, als eene bijzondere gunst, aan den heer Dinmont, den armen das, die zich zoo dapper verdedigd had, niet langer te vervolgen en verder ongestoord in zijn hol te laten.
De pachter, die dit verzoek, wanneer iemand anders het gedaan had, ongetwijfeld met verachting van de hand gewezen zou hebben, vergenoegde zich thans Brown hierover zijne verbazing te betuigen. „Dat is wel een wonderlijk verzoek!” zeide hij. „Maar, daar gij u voor hem in de bres stelt, zoo zal de drommel den hond halen, die hem weer te na komt, als ik er bij ben. Ja, wij zullen het dier teekenen en het des ritmeesters das noemen. Het verheugt mij, dat ik u hiermede een dienst kan doen. Maar lieve hemel! ìk begrijp niet, hoe gij u zoo om een das bekommeren kunt!”
Na verloop van eene week, welke Brown onder soortgelijke vermaken bij zijn braven gastheer, van wiens hartelijke vriendschap hij de duidelijkste bewijzen ontvangen had, doorbracht, zeide hij de oevers van de Liddel en het gastvrije Charlies-hope vaarwel. Al de kinderen, wier lieveling hij reeds geworden was, weenden bij zijn vertrek, en hij moest hun wel twintigmaal beloven, dat hij spoedig weder komen en dan al hunne lievelingsdeuntjes zoo lang op de fluit zou voorspelen, totdat zij ze van buiten kenden.
„Kom weder ritmeester!” zei een onbeschroomde kleine jongen, „en Jenny zal uwe vrouw worden.” Het meisje, omstreeks elf jaar oud, liep weg en verschool zich achter hare moeder.
„Ritmeester, kom terug!” riep een poezelig zesjarig meisje, terwijl zij hem haar mondje tot een kus toehield, „en ik wil zelve uwe vrouw wezen.”
Waarlijk, dacht Brown, men moest een hart van steen hebben, om zonder aandoening van zulke goede, brave menschen te kunnen scheiden.
Ook de goede huisvrouw bood den vertrekkenden gast hare wang aan, met de eerbare zedigheid en de eenvoudige vriendelijkheid van vroegere dagen. „Wij kunnen zeker slechts weinig, zeer weinig doen,” zeide zij, „maar – als ik maar iets wist, dat –”
„Lieve vrouw Dinmont,” viel Brown haar in de rede, „ik zal de vrijheid nemen u een verzoek te doen. Wilt gij zoo goed zijn, mij zulk eene grijze schouderdeken te laten weven, als uw man draagt?” Hij had, gedurende zijn kort verblijf in dit oord, de taal en het gevoel van de bewoners leeren kennen en wist met hoeveel genoegen men zijn verzoek hooren zou.
„Dat zult gij hebben,” antwoordde de vrouw, terwijl hare oogen van vreugde schitterden, „en zoo goed, als er ooit een gemaakt is, of er moest geen draad wol meer in het land zijn. Ik zal er morgen met den wever te Castletown over spreken. En nu vaarwel, Mijnheer! Mocht gij zelf zoo gelukkig zijn, als gij maar iemand toewenscht het te zijn – en dat zou ik niet tegen iedereen durven zeggen!”
Ik moet niet verzuimen mede te deelen, dat onze reiziger zijn getrouwen metgezel, den kleinen Wesp, te Charlies-hope achterliet, daar hij vooruitzag, dat zijn hond een lastig gezelschap zou zijn, in geval hij zich misschien om de eene of andere reden verborgen of onbekend moest houden. De oudste knaap nam het op zich, voor Wesp te zorgen, en beloofde met de woorden van een oud lied, dat de hond
„Een stukje van zijn brood, een plaatsjen op zijn bed”
zou hebben en nooit bij het gevaarlijke tijdverdrijf, waarbij het geslacht van Mosterd en Peper zoo dikwijls verminkt was geworden, gebruikt zou worden.
In deze bergstreek houdt men veel van paardrijden. Iedere landbouwer rijdt goed en zit den geheelen dag in den zadel. Het is waarschijnlijk, dat de uitgestrektheid der graslanden en de noodzakelijkheid om ze eens vlug te kunnen in oogenschouw nemen, deze gewoonte bevorderde, – of wellicht zou een ijverige oudheidkenner ze kunnen nasporen tot de tijden van den „Laatsten der Minestreelen”, [13] toen de alarmvuren een twintigduizend ruiters bijeenbrachten. Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar dat zij van paardrijden houden en slechts met moeite gelooven, dat iemand anders dan uit zuinigheid of noodzaak te voet gaat.
Dinmont drong er dus sterk op aan, dat Brown de reis te paard zou doen. Hij wilde hem dan ook tot aan de naaste stad in Dumfries-shire vergezellen, vanwaar Brown zijne voorgenomen reis naar Woodbourne, de verblijfplaats van Julia Mannering, verder voortzetten wilde.
Onderweg vroeg Brown zijn reisgezel naar den vossenjager, maar Dinmont kon hem weinig van den man zeggen, daar hij eerst in den tijd, dat deze de jaarmarkten in het Hoogland bezocht, zijne betrekking gekregen had.
„Het schijnt een gemeene vent,” antwoordde Dinmont; „ja, ik zou wel zeggen, dat hij Heidensch bloed in de aderen heeft. Maar hij is geen van de schurken, die ons in het moeras aangerand hebben; daar kunt gij gerust op wezen: die zou ik zeer goed herkennen als ik ze eens weder te zien kreeg. Onder de Heidenen vindt men echter niet enkel slechte lieden, en wanneer ik dat oude rimpelige wijf eens weder ontmoet, geef ik haar zeker iets om tabak te koopen: want ik ben nu bijna overtuigd, dat zij het goed met mij meende.”
Toen het oogenblik der scheiding kwam, hield de brave pachter Brown lang zwijgend bij de hand en zeide eindelijk: „Ritmeester, het gaat van het jaar zoo goed met de wol, dat ik daarvan de geheele pacht kan betalen; en als nu mijn vrouwtje haar nieuw kleed en de kinderen ook ieder iets nieuws gekregen hebben, weet ik niet, wat ik met het overige geld zal doen. Ik wilde het gaarne aan eene veilige hand toevertrouwen; want het is veel te veel, om in brandewijn en suiker te verdoen. Nu heb ik wel eens gehoord, dat gij, heeren van het leger, u somtijds een hoogeren rang kunt koopen, en indien u nu bij zulk eene gelegenheid een paar honderd pond sterling konden helpen, zou mij een stukje papier van uwe hand even lief zijn als mijn geld, en gij kunt naar uw eigen goedvinden den tijd bepalen, wanneer gij het mij terug geven wilt. Daarmede zoudt gij mij een grooten dienst doen.”
Brown wist de kieschheid van den pachter, die onder den schijn van eene gunst te verzoeken hem een dienst aanbood, naar eisch te waardeeren. Hij bedankte zijn welmeenenden vriend hartelijk en verzekerde hem, dat hij zonder schroom zijne toevlucht tot zijne beurs zou nemen, als de omstandigheden dit mochten vereischen. Hierop scheidden zij onder betuiging van wederzijdsche hoogachting.
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Zoo gij weet wat het heet barmhartig te zijn, Keer mijn gelaat naar den muur en laat mij sterven.
Joanna Baillie.
Nadat onze reiziger afscheid van Dinmont genomen had, huurde hij een rijtuig naar Kippletringan, waar hij eerst eenige berichten aangaande de familie te Woodbourne wilde inwinnen, vóor dat hij het waagde, Julia Mannering van zijne tegenwoordigheid te verwittigen. De afstand was vrij groot, een uur of zes zeven, en de weg liep dwars door het veld. Niettegenstaande eene hevige sneeuwjacht hadden zij reeds een paar uren afgelegd, zonder dat de voerman in het minst scheen te twijfelen of zich te bedenken; eerst toen het volkomen duister werd, uitte hij eenigen twijfel, of zij wel op den weg waren. Een zeer onaangename toestand, daar er volstrekt geen weg te onderscheiden was, en de sneeuw, die den voerman onophoudelijk in de oogen joeg, zijne kennis van dit oord nog meer in de war bracht en het bijna onmogelijk maakte, het rechte spoor weder te vinden. Brown steeg eindelijk uit het rijtuig en keek overal rond, of hij ook ergens een huis ontdekte, waar hij naar den weg kon vragen. Maar te vergeefsch, en er bleef hem dus niets anders over, dan op goed geluk af verder door te rijden. Zij reden door zulke uitgestrekte plantsoenen, dat Brown vermoedde, dat zij niet ver van een landgoed konden zijn. Eindelijk hield de voerman, nadat zij met veel moeite nog een eindje afgelegd hadden, stil en verklaarde, dat zijne paarden geen voet meer verzetten wilden, maar zeide tevens, dat hij een licht tusschen de boomen zag, ’t welk zeker uit een huis moest komen, en dat zij dáar naar den weg konden vragen. Te dien einde steeg hij af en waadde op deze ontdekkingsreis, belast met zijn langen jas en zijne zware laarzen, welke in dikte met het zevenvoudig schild van Ajax hadden kunnen wedijveren, door de dikke sneeuw, tot dat Brown zijn geduld verloor, uit het rijtuig sprong en den knaap beval bij de paarden te blijven, terwijl hij zelf het huis wilde opzoeken; een bevel, waaraan de voerman met vreugde gehoorzaamde.
Onze reiziger liep eenigen tijd langs de omheining waardoor het licht scheen, totdat hij een hek en een voetpad vond, dat in het uitgestrekte plantsoen leidde. Brown volgde dit voetpad, dat naar het licht, het voorwerp van zijn zoeken, scheen te voeren, maar verloor het schijnsel spoedig tusschen de boomen uit het gezicht. Het pad, dat bij den ingang van het bosch, waardoor het ging, breed en zeer zichtbaar was, werd nu moeielijk te onderscheiden, ofschoon het door de versch gevallene sneeuw nog al eenigszins licht was. Terwijl hij zooveel mogelijk de meest open plaatsen van het bosch zocht, liep hij een heelen tijd door, zonder het licht weder te zien, of iets, dat op eene woning geleek, te ontdekken. Evenwel oordeelde hij het best, zijn weg in dezelfde richting te vervolgen: want het licht moest zeker uit de hut van een boschwachter geschenen hebben, daar het te onbewegelijk stond, om het schijnsel van een dwaallichtje te zijn. De grond werd eindelijk oneffen en begon sterk te hellen. Brown dacht nog steeds, dat hij op een spoor, hetwelk ten minste eens een voetpad geweest was, ging; maar het was nu zoo oneffen en de hoogten en laagten zoo zeer door de hoe langer zoo dichter vallende sneeuw bedekt, waarover hij zich in zijn ongeduld weinig bekommerd had, dat hij meer dan eens viel en ernstig aan terugkeeren begon te denken.