Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Part 17

Chapter 173,779 wordsPublic domain

Zij bereikten spoedig de genoemde plaats, eene smalle strook lands, met een’ kleinen, zacht vlietenden stroom, vol heldergroene waterplanten doorsneden. Dinmont wendde zijn paard naar eene plaats, waar het water over een harderen grond scheen te vlieten; maar het dier scheen hier den doortocht niet te willen wagen: het stak den kop naar beneden, alsof het den moerassigen grond nader onderzoeken wilde, strekte de voorbeenen vooruit en stond onbewegelijk, alsof het van steen was.

„Zou het niet beter zijn als wij afstegen en het paard aan zich zelf overlieten?” vroeg Brown. „Of kunt gij het niet door den poel krijgen?”

„Neen, neen,” hernam Dinmont; „wij moeten het beestje zijn zin geven. Het heeft meer verstand dan menig christenmensch.” Met deze woorden liet hij den teugel schieten, schudde dien zacht en zeide: „ga nu uw eigen’ gang. Wij zullen zien, hoe gij er ons doorbrengt!”

Het paard, nu aan zijn eigen wil overgelaten, draafde vlug naar eene andere plaats, welke op het oog minder betoofde, maar die het dier waarschijnlijk door ondervinding als een’ veiliger’ doortocht kende. Het paard ging hier in het water en kwam zonder veel moeite aan de overzijde.

„Ik ben blijde dat wij uit dat moeras zijn, waar men meer stallen voor paarden, dan herbergen voor menschen vindt,” zeide Dinmont. „Wij komen nu op den zoogenaamden Meisjesweg en dan hebben wij geen nood meer.”

Zij bereikten nu spoedig een ruwen straatweg, het overblijfsel van eenen ouden Romeinschen weg, welke in eene noordelijke richting door deze woeste streken loopt. Hier ging het vlug voort, beurtelings in draf of galop, zoo als het paard verkoos.

„Ik zou hem nog harder kunnen laten loopen,” zei Dinmont, „maar wij zijn toch beiden een paar lange, zware kerels en het zou jammer zijn het beest te plagen. Ik zag zijns gelijke niet op de jaarmarkt heden.”

Brown was het volkomen met hem eens dat men het paard sparen moest, en voegde er bij dat, nu zij buiten bereik der roovers waren, het zaak zou zijn voor Dinmont, een doek om het hoofd te winden, uit vrees dat de koude zijne wonden gevaarlijker zou maken.

„Waarom zou ik dat doen?” antwoordde de dappere pachter. „Het beste is, het bloed op de wond te laten stollen; dat wint pleisters uit.”

Brown, die, als krijgsman, zoo velen gezien had, welke zwaar gewond werden, kon de aanmerking niet terughouden, dat hij nooit iemand ontmoet had, die zoo weinig scheen te geven om zulke ernstige wonden.

„Gekheid, vriend! Dacht gij, dat ik om zoo iets veel leven zoude maken? – Maar binnen vijf minuten zijn wij in Schotland en gij gaat met mij naar Charlies-hope; dat is eene uitgemaakte zaak!”

Brown nam deze gastvrije uitnoodiging gereedelijk aan. De avond viel, toen onze ruiters eene kleine rivier in het gezicht kregen, welke door eene bevallige bebouwde landstreek kronkelde. De heuvels waren groener en lager dan in de streken, waardoor zij tot hiertoe gekomen waren, en de grasrijke steilten helden zachtjes naar den stroom af. Het geheele oord had een eenzaam, woest en toch landelijk voorkomen. Men zag geene omheinde velden, geene wegen, ja, bijna geene sporen van bebouwing. Het was een land, dat een patriarch tot eene weide voor zijne kudde kiezen zou. De overblijfsels van eenige verspreid staande, vervallen torens gaven echter te kennen, dat hier eens geheel andere, minvreedzame menschen gewoond hadden, die vrijbuiters namelijk, van wier daden de oorlogen tusschen Engeland en Schotland gewagen.

Het vlugge paard draafde voort langs het bekende pad, en nadat het op eene waadbare plaats door het riviertje gegaan was, ging het snel langs den oever, tot onze reiziger twee of drie lage, bij elkander staande huizen bereikten. Dit was Charlies-hope, de woonplaats van den pachter, in de landtaal „de stad” genaamd. Met een woedend geblaf werden de aankomenden door het geheele geslacht van Mosterd en Peper, benevens een groot aantal onbekende bondgenooten, begroet. De pachter liet zijne welbekende stem hooren, om de rust en orde te herstellen. De meid, die de deur opende, smeet ze oogenblikkelijk weder toe, vloog in huis en riep luidkeels: „Vrouw, vrouw, de meester is er en nog een ander man bij hem!” Het paard liep van zelf naar de staldeur, waar zijn hinneken om binnen gelaten te worden, door zijne kennissen van binnen beantwoord werd. Brown had intusschen moeite genoeg, om zijnen Wesp tegen de andere honden te beschermen, welke, minder gastvrij dan hun meester, grooten lust hadden, om den indringenden vreemdeling te mishandelen.

Een knecht bracht het paard spoedig in den stal. Intusschen verscheen de huisvrouw, een aardig, mooi wijfje, en verwelkomde haren man met ongeveinsde vreugde. „Ei, ei, vader,” riep zij, „gij zijt dezen keer wel lang uitgebleven!” [10]

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De Liddelstroom, – tot nu toe onbekend, Tenzij in liedren door het minnend hart gedicht – Voert helder stroomend naar het westen heen De kristalle, heldre golfjes. –

De kunst om gezond te blijven.

De tegenwoordige pachters in het zuiden van Schotland zijn veel beschaafder dan hunne voorvaders, en de zeden en gewoonten, welke hier geschilderd worden, zijn óf geheel verdwenen óf ten minste zeer veranderd. Zonder hunne landelijke eenvoudigheid van zeden verloren te hebben, kennen zij thans veel, dat aan vroegere geslachten onbekend was, en dat niet alleen tot verbetering van hunne bezittingen, maar ook tot veraangenaming van het leven dient. Hunne huizen zijn gemakkelijker, hunne leefwijze is meer overeenkomstig met die der beschaafde wereld, en eene edele zucht naar kennis, de schoonste weelde, is in de laatste dertig jaren in hunne bergstreken opgewekt. Het onmatig drinken, voorheen hunne hoofdondeugd, neemt van dag tot dag sterk af; en hunne gastvrijheid, die steeds nog groot blijft, heeft, zoo te zeggen, een beschaafder karakter aangenomen en is binnen behoorlijke grenzen bepaald.

„Plaagt u de drommel?” sprak de pachter tot zijne vrouw, terwijl hij zich zachtjes en met een liefdevollen blik uit hare armen losmaakte; „plaagt u de drommel, Ailie? Ziet gij dien vreemden heer niet?”

Ailie keerde zich om, ten einde zich te verontschuldigen. „Waarlijk, Mijnheer, ik was zoo verheugd mijn man te zien, dat – Maar, goede Hemel! wat is er met u beiden voorgevallen?” riep zij uit, toen zij met beide de mannen in de kamer gekomen was en bij het kaarslicht zag, dat haar man gewond en de kleederen van zijn reisgenoot even als de zijne met bloed bevlekt waren. „Gij zijt zeker weder met de paardenkoopers van Newcastle aan het vechten geweest, Dandie! Foei! een gehuwd man, die zoo vele lieve kinderen heeft, als gij, moest beter bedenken, hoeveel het leven van een vader waard is.” – Bij deze woorden stonden de goede vrouw de tranen in de oogen.

„Stil, stil, moedertje!” antwoordde haar man met een hartelijken kus. „Verontrust u maar niet, het heeft niets te beduiden. Deze heer kan u zeggen, hoe het gekomen is. Ik had mij even bij Lourie Lowthers opgehouden, om een glaasje te drinken, en toen ik nu welgemoed mijn weg door het moeras vervolgde, sprongen twee landloopers uit een kuil op mij los, scheurden mij van het paard en takelden mij, ofschoon ik mij met mijne zweep woedend verdedigde, erg genoeg toe: en bij den hemel, vrouw, ware deze eerlijke jongen niet toegeloopen, zij zouden mij meer slagen gegeven hebben dan mij lief was, en meer geld afgenomen dan ik missen kon. Naast God, zijt gij hem dus dank verschuldigd.”

Bij deze woorden haalde hij eene groote lederen brieventasch uit den zak, die hij zijne vrouw ter bewaring gaf.

„God zegene dezen heer! dat wensch ik van ganscher harte. Maar hoe kunnen wij het anders vergelden, dan door hem voedsel en huisvesting te geven, welke wij ook den armsten niet weigeren, tenzij, – eene blik op de brieventasch werpende, welke haar bedoeling met de meest mogelijke kieschheid uitdrukte – tenzij zulks op eene andere wijze gebeuren kon?”

Brown wist de edelmoedige dankbaarheid, welke de pachtersvrouw in hare eenvoudigheid op eene zoo ongekunstelde en tevens kiesche wijze aan den dag legde, naar waarde te schatten. Daar hij echter bemerkte, dat zijne eenvoudige, nu gescheurde en met bloed bedekte kleeding hem tot een voorwerp van medelijden maakte, haastte hij zich te verklaren dat hij Brown heette, ritmeester bij het ** regiment dragonders was en, zoowel uit verkiezing als zuinigheid, te voet reisde. Daarop herinnerde hij de vriendelijke gastvrouw, dat het noodig zoude zijn, dat zij naar de wonden van haren man keek, welke deze niet door hem had willen laten onderzoeken.

Vrouw Dinmont, die er meer aan gewoon was haren man met een gat in ’t hoofd te huis te zien komen, dan aan het bezoek van eenen dragonder officier, zag eenigszins verlegen naar het niet meer geheel schoone tafelgoed, en bedacht zich eenige oogenblikken, hoe zij het met het avondeten zou maken. Zij klopte daarop haren man op den schouder en verzocht hem te gaan zitten, er bijvoegende, dat hij een dolle stijfkop was, die zich zelven en anderen gedurig in vechtpartijen wikkelde.

Dinmont deed, om met de bezorgdheid zijner vrouw den spot te drijven, eerst een paar vroolijke sprongen door het vertrek, vóor dat hij zich nederzette om zijn rond, zwartharig hoofd door haar te laten onderzoeken. Brown dacht, dat hij den regiments-heelmeester bij lichtere wonden wel eens een ernstiger gezicht had zien trekken. De vrouw toonde echter eenige kennis van de heelkunde te bezitten; zij knipte de bebloede haren, die haar bij de behandeling hinderden, weg, legde wat pluksel met eene zalf, welke in het geheele dal voor het beste heelmiddel gehouden werd, en wier genezende kracht door de gevolgen van kermisnachten dikwijls proefondervindelijk bevestigd was, op de wonden, deed er zorgvuldig een verband over, en zette eindelijk haren man, hoeveel deze er ook tegen inbracht, eene slaapmuts op het hoofd, om alles behoorlijk in orde te houden. Eenige kneuzingen aan voorhoofd en schouders moesten met brandewijn gewasschen worden, wat de gekwetste echter niet toeliet, vóor dat het geneesmiddel een zwaren tol aan zijne lippen betaald had. Toen zij hiermede gereed was, bood zij Brown ook vriendelijk hare hulp aan.

Deze verzekerde dat hij ze niet behoefde, en niets noodig had dan eene waschkom en een handdoek.

„Daaraan had ik eerder moeten denken,” antwoordde zij. „ik heb er eigenlijk wel aan gedacht, maar ik durfde de deur niet opendoen; onze kinderen staan daar allen voor, die arme schapen; ze willen zoo gaarne bij vader komen.”

Dit gezegde verklaarde de beteekenis van een hard getrommel en gekerm dat Brown, niet zonder verwondering, buiten de kamer hoorde, van welke de moeder, zoodra zij het bemerkte, de deur gegrendeld had. Nauwelijks opende zij ze nu, om waschwater en een handdoek te halen (want het kwam haar niet in de gedachte om haren gast in een ander vertrek te brengen), of een drom blondharige kinderen stormde de kamer in. Eenigen kwamen uit den stal, waarheen zij geweest waren, om het geliefde paard met een gedeelte van hunne boterhammen te verwelkomen; anderen uit de keuken, waar zij naar de vertellingen en liedjes van de oude Lijsje geluisterd hadden. Het jongste was half naakt uit bed geklommen, en wilde met geweld vader ook zien en hem vragen, wat hij hun van de onderscheidene jaarmarkten, die hij bezocht had, medegebracht had. Onze ridder van het bebloede hoofd kuste en omhelsde ze eerst allen, en deelde vervolgens fluitjes, trompetten en peperkoek uit. Toen eindelijk hunne vreugde over de ontvangene schatten en de tehuiskomst van hun vader onverdragelijk luidruchtig werd, riep hij zijn gast toe: „Het is moeders schuld, ritmeester! zij geeft den kinderen te veel hunnen zin.”

„Lieve hemel!” zeide Ailie, die juist met eene kom met water en een handdoek de kamer intrad, „wat zal ik er aan doen? Ik heb hun immers niets anders te geven, die arme kinderen!”

Eindelijk liet Dinmont zijn vaderlijk gezag gelden en, deels vleiende, deels dreigende en gedeeltelijk de kinderen buiten de deur schuivende, zuiverde hij het vertrek van de geheele wilde schaar, behalve een knaap en een meisje, de beide oudsten, die zich, zoo als hij zeide, reeds behoorlijk wisten te gedragen. Om dezelfde reden, maar met veel minder omstandigheden, werden alle honden weggejaagd, behalve de eerwaardige oudsten, de grijze Peper en Mosterd, die door menigvuldige tuchtigingen en hun hoogen ouderdom zoo verdraagzaam geworden waren, dat zij den kleinen Wesp, die tot hiertoe onder den stoel zijns meesters eene schuilplaats had gezocht, na eenige wederzijdsche brommende verklaringen, veroorloofden, een gedroogd schapenvel, met de wol naar boven, waarop zij lagen, met hen te deelen.

De zorgvuldige huisvrouw had intusschen ter eere van haren gast een paar kippen geofferd, welke, uit gebrek aan tijd om ze anders gereed te maken, op den rooster gebraden waren en dampend op de tafel gezet werden. Een ontzachlijk groot stuk koud gezouten rundvleesch, eieren, boter, gebak en een overvloed van pannekoeken van gerstemeel, benevens voortreffelijk zelfgebrouwen bier en eene flesch brandewijn, maakten het feestelijk onthaal uit. Weinige krijgslieden zouden, na een moeielijken dag, en een gevecht bovendien, iets op zulk een maaltijd hebben aan te merken, en ook Brown deed den gerechten veel eer aan. Terwijl de huisvrouw, na geëindigden maaltijd, eene groote, stevige dienstmaagd, met wangen even rood als haar strik in het haar, hielp, om het tafelgereedschap op te ruimen en suiker en heet water in de plaats te brengen (wat zij bijna in haren ijver, om een kapitein in levenden lijve goed te bekijken, vergeten zou hebben), nam Brown de gelegenheid waar, om zijn gastheer te vragen of het hem niet berouwde, dat hij de waarschuwing van de Heidin in den wind geslagen had.

„Wie weet, of het mij geholpen zou hebben?” antwoordde hij. „Het is een raar volk. Misschien was ik de eene bende ontsnapt, om de andere in handen te vallen. Ik wil dit echter niet stellig beweren; en als dat oude wijf te Charlies-hope kwam, zou zij een flesch brandewijn en een pond tabak voor den winter hebben. Het is een drommels raar volk, de Heidenen, zoo als mijn oude vader placht te zeggen. Zij zijn het ergste daar, waar men hen het slechtst voorgaat; zij hebben zoo wel hunne goede als hunne kwade zijde.”

Onder deze en andere gesprekken moesten de bierkan en punchkom nog eens aangesproken worden. Maar daarop weigerde Brown volstrekt om langer op te blijven zitten en meer te drinken, buitengewone vermoeidheid en slaperigheid, als gevolgen van zijne lange wandeling en het doorgestane gevecht, voorwendende, daar hij wel inzag, dat voorstellingen bij zijn gastheer niets zouden baten en dit het eenige middel was, om dezen voor het gevaar te vrijwaren, om zijne opene wonden en zijn bebloed hoofd door onmatigheid te benadeelen. Een klein slaapkamertje met een uitmuntend bed stonden voor den reiziger gereed, en de gastvrouw verzekerde, dat hij er meê tevreden kon zijn, „daar het linnen gewasschen was in de Tooverbron, gebleekt werd op de witte zandheuvels en door de meid en haar zelve gerekt en gevouwen – en dat, als zij eene koningin was, zij niet meer voor hem zou kunnen doen.” De kleine Wesp lekte zijn meester de handen en legde zich, na bekomen verlof, op de deken aan zijne voeten neder, terwijl de oogen van den reiziger weldra door een weldadigen slaap gesloten werden.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

– Op dan gij Britten, onbevreesd Vervolgt den roover, die de kudde jaagt, ’s Nachts zijn smoode handwerk roekeloos drijft, En dan een schuilplaats in de rotsen zoekt.

Thomson.

Brown stond den volgenden morgen vroeg op en ging uit, om de, hoeve van zijn nieuwen vriend te bezichtigen. In den omtrek van het huis was alles ruw en verwaarloosd. In den kalen tuin was volstrekt geene moeite aangewend, om den bodem geschikt en vruchtbaar te maken. Nergens zag hij sporen van de netheid, waardoor eene Engelsche pachthoeve zulk een bekoorlijk gezicht oplevert. Het was evenwel duidelijk te zien, dat zulks alleen uit gebrek aan smaak of uit onkunde, en niet uit armoede en verwaarloozing, het gewone gevolg daarvan, voortsproot. Integendeel, een fraaie stal vol schoone melkkoeien, een andere met tien uitmuntend gemeste ossen, twee goede spannen paarden, het noodige werkvolk, dat vlijtig en met zijn lot tevreden scheen, met één woord, een zekere overvloed, die, ofschoon met slordigheid gepaard, in alles zichtbaar was, getuigde van de ruime omstandigheden van den pachter. Het huis lag op eene zacht hellende hoogte bij de rivier, en werd dus gevrijwaard voor al het vuil, dat anders daaromheen opgestapeld had kunnen blijven. Op eenigen afstand was de geheele troep kinderen aan het spelen en vermaakte zich met het bouwen van huisjes van turf rondom een ouden eikenboom, die den naam droeg van Charlies-boom, naar een vrijbuiter, die, volgens de overlevering, den reeds genoemden oude burcht bewoond zou hebben. Tusschen het huis en een’ grasrijken heuvel was een diep moeras, dat eens tot verdediging van het kasteel gediend had, waarvan thans geene sporen meer aanwezig waren.

Brown zocht kennis met de kinderen te maken; maar toen hij nader kwam, namen zij alle den vlucht, en slechts de beide oudsten waagden het van verre te blijven staan en hem aan te zien.

Brown nam nu zijn weg over eenige groote steenen, die lang niet vast lagen, maar als tot eene soort van pad door het moeras gelegd waren naar den heuvel. Terwijl hij dien beklom, zag hij een man van boven afkomen, in wien hij spoedig zijn vriendelijken gastheer herkende, die nu zijn reisgewaad met een grijs geruiten herdersmantel verwisseld en, gemakshalve, zijn verbonden hoofd met een muts uit het vel van eene wilde kat vervaardigd, in plaats van met een hoed bedekt had. Toen Brown, die gaarne sterke, menschen zag, hem uit den morgennevel te voorschijn zag treden, kon hij zich niet weerhouden, de hooge gestalte, de breede schouders en den vasten tred van den pachter te bewonderen, en Dinmont zag met hetzelfde gevoel op den forschen, gespierden jongeling, dien hij nu nauwkeuriger dan hij tot hiertoe gedaan had, beschouwde. Na den gewonen morgengroet vroeg Brown zijn gastheer hoe hij zich, na de ongemakken van den vorigen dag, bevond.

„Daar denk ik bijna niet meer om,” antwoordde de pachter; „maar mij dunkt dat, als wij thans in het moeras waren, ieder met een fikschen eiken knuppel gewapend, wij dan, nu ik frisch en nuchter ben, voor geen half dozijn zulke schelmen de vlucht zouden nemen.”

„Maar is het wel voorzichtig, vriend, dat gij, na zulke zware kneuzingen, geen uur of wat langer rust genomen hebt?”

„Daar moet een echte Bergschot niet van weten. Eens viel ik, bij eene vossenjacht, hals over kop van den top van de Christenbury-rots en toch sprong ik dadelijk weer op en bracht de honden op het spoor. – Neen, er is niets dat mij zwak van hoofd maakt, tenzij een slokje te veel. Buitendien moest ik heden morgen wel eens rondloopen, om te zien hoe het met mijn vee gaat: want er wordt somtijds geen acht genoeg op gegeven, als ik van huis ben. Ik heb zoo even Tam van Todshaw met eene menigte andere buren ontmoet, die op de vossenjacht gingen. Wilt gij ook mede? dan zal ik u mijn paard van gisteren avond geven en zelf de merrie nemen.”

„Ik zal heden morgen wel moeten vertrekken, Mijnheer Dinmont!”

„Daar wil ik niet van hooren! Binnen veertien dagen laat ik u volstrekt niet gaan. Neen, neen! zulke vrienden, als gij zijt, vindt men alle avonden niet op het Bewcastler-moeras.”

„Brown, die op deze reis niet aan den tijd bepaald was, nam deze hartelijke uitnoodiging aan, en beloofde ten minste eene week te Charlies-hope te zullen vertoeven.

Toen zij weer te huis kwamen, wachtte de huisvrouw hen reeds met het wel voorziene ontbijt. Zij keurde de voorgenomen vossenjacht wel niet volkomen goed, maar scheen er ook geenszins bekommerd of verwonderd over.

„Dandie, Dandie!” zeide zij, „gij zijt nog steeds de oude. Gij laat u door niets waarschuwen, zoo lang tot ge eens een zwaar ongeluk krijgt.”

„Kom, kom, vrouw! gij weet immers zelve, dat zulke tochten mij nooit kwaad gedaan hebben.”

Hij verzocht nu Brown zich met het ontbijt te haasten, daar het spoor, uit hoofde van het ingevallen dooiweder, dien morgen voortreffelijk te volgen zou zijn.

Hierop begaven zij zich op weg naar Otterscopescaur, waarheen Dandie hem den weg wees. Zij verlieten spoedig het dal, kwamen bij vrij steile bergen, langs wier zijden de bergstroomen in den wintertijd, of na hevige regens, woedend nederstortten. Grijze nevels, de overblijfsels der morgenwolken, hingen nog om de toppen der bergen, want de vorst was geweken voor een fikschen regenbui. Honderden kleine beekjes stroomden als zilverdraden langs de hellingen der bergen, en schitterden door den doorzichtigen nevelsluier. Langs smalle paden, welke voorbij deze steilten leidden en waarover Dinmont zonder de minste vrees voortdraafde, naderden zij eindelijk de verzamelplaats, waar de andere jagers zoowel te voet als te paard bijeenkwamen. Brown kon niet begrijpen, hoe eene vossenjacht in zulk eene bergachtige streek plaats kon hebben, waar geene andere, dan paarden aan die wegen gewoon draven konden, en waar de rijder, die even van het spoor afweek, gevaar liep in moerassen te verzinken of in afgronden te storten. Zijne verwondering verminderde niet, toen hij op de jachtplaats zelve aankwam.

Zij waren langzamerhand tot op eene aanzienlijke hoogte gekomen en bevonden zich nu op een bergrug, die een zeer diep, maar eng dal omsloot. Hier waren de jagers verzameld en bezig met geduchte toebereidselen te maken, die een Engelschen jager geërgerd zouden hebben; want daar men de uitroeiing van een schadelijk en vernielend dier op het oog had, evenzeer als het vermaak door de jacht opgeleverd, gunde men den armen vos veel mindere kansen om te ontsnappen dan in het open jachtveld. Maar de sterkte van zijn hol en de gesteldheid van den grond rondom stelden hem hiervoor schadeloos. De zijden van het dal, gedeeltelijk kale rotsen, waren vol kloven en scheuren, en helden steil naar beneden tot aan den kleinen stroom, die door het diepe dal kronkelde. Slechts hier en daar waren ze met eenige struiken of heiplanten bezet. De jagers schaarden zich te paard en te voet langs den rand van dit nauwe en diepe dal. Bijna iedere pachter had ten minste een koppel vurige windhonden van de grootste soort bij zich, van denzelfden aard als gebruikt werd op de hertejacht, maar door kruising van ras van mindere grootte. De districtsjager, een provinciaal beambte, die eene zekere hoeveelheid meel en eene belooning voor iederen gedooden vos ontvangt, was reeds beneden in het dal, waar de echo’s het zware geblaf der voshonden terugkaatsten. Een goed aantal dashonden, waaronder het geheele geslacht van Peper en Mosterd, door een herder reeds hierheen gebracht, stonden ook bij den rand van het dal geschaard, waar men ook allerlei andere soorten van honden ontwaarde, terwijl de toeschouwers hunne windhonden gereed hielden om hen op den vos los te laten, zoodra de jagers onder in het dal hem uit zijn schuilhoek verdreven zouden hebben.