Guy Mannering of de Sterrewichelaar
Part 16
Brown had dienzelfden morgen van zijn vriend Dudley afscheid genomen, en was zijne eenzame wandeling naar Schotland begonnen. Het eerste uur of wat was hij, door gemis van het gezelschap, waaraan hij in de laatste dagen zoo gewoon was geworden, eenigszins droefgeestig; maar deze ongewone stemming week spoedig voor zijne natuurlijke opgeruimdheid, die door de beweging en de frissche winterlucht nog meer opgewekt werd. Hij floot onder het wandelen, niet uit gedachteloosheid, maar om zijne opgewektheid, die hij op geene andere wijze kon uiten, lucht te geven. Voor iederen boer, dien hij ontmoette, had hij eenen vriendelijken groet of eene vroolijke scherts, welken zij met een hartelijk „God zegene u!” beantwoordden, en menig meisje, dat met haren korf naar de markt ging, keek meer dan eens over den schouder naar de krachtige gestalte en het opgeruimde openhartige gelaat van den vreemdeling. Een ruige dashond, die hem altijd vergezelde en met zijnen meester in vroolijkheid wedijverde, snelde nu eens met duizend lustige sprongen vooruit, kwam dan weder bij zijnen heer terug en sprong bij hem op, alsof hij te kennen geven wilde, dat hij zich ook op de wandeling vermaakte.
De beroemde Dr. Johnson verbeeldde zich, dat dit leven weinig aanbiedt, wat te verkiezen zou zijn boven het genot van een reis in een wagen door vlugge postpaarden getrokken; maar hij, die in zijne jeugd de onafhankelijkheid en het zelfvertrouwen van een flinken voetreiziger in eene schoone landstreek en bij heerlijk weêr gekend heeft, zal niet veel geven om het oordeel van den grooten wijsgeer aangaande dit punt.
Brown had den ongewonen weg door de oostelijke woeste streken van Cumberland mede gekozen, ten einde de overblijfsels te bezichtigen van den beroemden Romeinschen muur, welke in die streek beter bewaard zijn dan ergens anders. Hoe gebrekkig en oppervlakkig zijne opvoeding ook geweest was, hadden echter noch de woelige tooneelen, waarin hij gewikkeld geweest was, noch de vermaken der jeugd, noch zijne wisselvallige omstandigheden hem belet, om zijn geest met allerlei kennis te verrijken.
„Dit is dan de Romeinsche muur,” sprak hij bij zich zelven, toen hij dat beroemde werk der oudheid van eene hoogte aanschouwde. „Welk een volk, dat werken, zelfs aan de uiterste grenzen van zijn rijk, zoo uitgestrekt en zoo grootsch volbracht heeft! Hoe weinige sporen zullen er in toekomstige eeuwen, als de krijgskunst veranderd is, van de werken van een Vauban en een Coehoorn te vinden zijn, terwijl de overblijfsels van de reuzenwerken van dit bewonderingswaardig volk ook dan nog aller blikken tot zich trekken en onze nakomelingen verbazen zullen. Rome’s vestingwerken, waterleidingen, schouwtooneelen, fonteinen – alle openbare werken hebben het ernstig, krachtig en verheven karakter van haar taal, en onze hedendaagsche werken schijnen, even als onze hedendaagsche talen, slechts uit de fragmenten der oude samengesteld te zijn.”
Onder deze bespiegelingen zette hij zijne wandeling naar eene kleine herberg voort, waar hij eenige verversching wilde nemen.
Deze kroeg – want meer was het niet – lag in een klein dal, waardoor eene beek stroomde, in de schaduw van een zwaren esschenboom. Onder een afdak met leemen muren, dat tegen den boom aangebouwd was en tot een stal diende, stond een gezadeld paard, dat met graagte zijn voeder at. De hutten, in dit gedeelte van Cumberland, zijn even ruw en onaanzienlijk als in Schotland, en het uiterlijk van dit gebouw beloofde niet veel goeds van binnen, ofschoon het pochend uithangbord, waarop het bier uit eene volle kan in een glas liep, met een bijna onleesbaar onderschrift, „goed onthaal” voor menschen en paarden beloofde.
Brown was geen aan weelde verslaafde reiziger; hij bukte zich en trad de lage deur binnen [8]. In de keuken vond hij een groot, forsch man in eenen wijden overrok, naar het uiterlijk een landman, den eigenaar van het paard, dat onder het afdak stond. Hij was druk bezig met het eten van dikke sneden koud rundvleesch en wierp nu en dan een’ vluchtigen blik door het venster, om te zien hoe zijn paard met het voêr vorderde. Eene groote kan met bier, die hij van tijd tot tijd aansprak, stond naast zijn bord. De waardin was aan het bakken. Het vuur brandde, naar landsgebruik, op een steenen haard, midden onder eenen ontzachlijken schoorsteen, met eene bank aan elke zijde. Op eene van deze banken zat eene buitengewoon groote vrouw, in een rooden mantel en met eene neerhangende muts op het hoofd. Zij zag er uit als eene ketellapster of bedelaarster, en rookte gestadig uit eene korte zwarte pijp.
Toen Brown iets te eten vroeg, veegde de waardin den éenen hoek van de tafel met haar melige voorschoot af, zette een houten bord, benevens mes en vork, voor den reiziger, wees op het stuk rundvleesch, noodigde hem om het goede voorbeeld van den anderen gast, dien zij Mijnheer Dinmont noemde, te volgen en vulde hem eindelijk eene bruine kruik met haar eigen gebrouwd bier. Brown liet zich beide wel smaken. De beide tegenover elkander zittende gasten waren in het begin te druk bezig, om zich veel met elkander te bemoeien, behalve dat zij, wanneer zij gelijktijdig naar hunne bierkannen tastten, elkander vriendelijk toeknikten. Toen onze wandelaar eindelijk den kleinen Wesp, dus heette zijn hond, begon te verzorgen, was de Schotsche pachter (dit was de heer Dinmont) ook zoo ver gevorderd, dat hij tijd had, om het volgende gesprek met Brown te beginnen.
„Een mooie hond, Mijnheer, en, naar het mij toeschijnt, een schrik voor het ongedierte, als hij maar goed afgericht is: want daar hangt alles van af”
„Daar valt niet veel op te roemen, Mijnheer,” antwoordde Brown. „Zijne opvoeding is eenigszins verwaarloosd. Zijne grootste deugd bestaat daarin, dat hij een prettige reisgezel is.”
„Dat is jammer, Mijnheer! waarlijk wel jammer. Op de opvoeding komt alles aan, zoo wel bij de dieren als bij de menschen. Ik heb, behalve mijne andere honden, zes dashonden te huis, den ouden Peper en den ouden Mosterd, den jongen Peper en den jongen Mosterd, den kleinen Peper en den kleinen Mosterd, allen naar de kunst afgericht: eerst op aas, vervolgens op bunsings: of wezels, toen op dassen en vossen, en nu vreezen zij geen dier ter wereld, dat eene ruige huid heeft.”
„Ik twijfel er in het minst niet aan, dat ze volmaakt afgericht zijn. Maar, hoe komt het, dat gij voor zoo veel honden zoo weinig namen hebt?”
„Dat is zoo een inval van mij, om het ras aan te duiden. De Hertog zelf zond naar Charlies-hope om een van mijne dashonden te hebben, zoo beroemd zijn Dandie Dinmont’s Peper en Mosterd. Hij zond den houtvester Tom Hudson [9] bij mij op een dag, dat wij juist met de vossenjacht bezig waren. Dat was een pret! ja, dat was een avond!”
„Bij u is zeker veel wild?” hernam Brown.
„Dat zou ik denken! Er zijn, geloof ik, meer hazen dan schapen op mijn land; en de korhoenders liggen er zoo dicht op elkaâr, als duiven in een’ duiventil. Hebt gij wel ooit een’ berghaan geschoten, vriend?”
„Ik heb er zelfs nooit een’ gezien, behalve in het museum te Keswick.”
„Dat dacht ik wel uit uwe zuidlandsche uitspraak. Het is wonderlijk, hoe weinig Engelschen, die bij ons komen, een berghaan gezien hebben. Zal ik u eens wat zeggen – gij schijnt mij een eerlijke jongen te zijn, en als gij bij mij komen wilt, bij Dandie Dinmont, te Charlies-hope, dan zult gij een berghaan zien, en schieten en eten.”
„Het eten is zonder twijfel het beste bij de zaak, en het zal mij aangenaam zijn, als mijn tijd het toelaat, van uwe uitnoodiging gebruik te maken.”
„Uw tijd? wat belet u, om nu dadelijk mede te gaan? hoe reist gij?”
„Te voet, vriend! en zoo dat schoone paard het uwe is, zou ik onmogelijk met u kunnen voortkomen.”
„Neen, tenzij gij veertien Engelsche mijlen in een uur afleggen kunt. Maar gij kunt nog vóor den avond te Riccarton komen; dâar is eene herberg; ik houd daar toch stil om een slokje te gebruiken; dan zal ik den waard zeggen, dat gij komt. Of wacht” – (zich tot de huisvrouw wendende:) „kunt gij dezen heer uws mans paard niet leenen? Ik zal het u morgen met den jongen terug zenden.”
„Het paard is op het land,” antwoordde de waardin, „en wil zich bijna niet laten vangen.”
„Zóo, zóo! dan is er niet aan te doen,” hernam de pachter; „maar kom dan morgen. En nu, vrouwtje, wordt het mijn tijd om te vertrekken, anders overvalt de avond mij op uwe heide, die, zoo als gij zelve weet, geen besten naam heeft.”
„Foei, foei, Mijnheer Dinmont! het is niet aardig van u, dat gij deze plaats een slechten naam geeft. Voor zoo ver ik weet, is hier op de heide niemand aangerand na den reizenden koopman Sawney Culloch, waarvoor Rowley Overdees en Jock Penny te Carlisle de doodstraf ondergaan hebben. Er woont niemand te Bewcastle, die zoo iets doen zou; wij zijn hier alle eerlijke lieden.”
„Ja, moedertje! dat zult ge wel worden vóor dat de duivel blind is geworden – en die is nog zoo ver niet. Maar hoor eens, vrouw, ik heb de graafschappen Galloway en Dumfries bijna geheel doorgereisd; ik ben te Carlisle rondgeweest en kom heden van de jaarmarkt te Staneshiebank, en het zou mij slecht aanstaan, indien ik nu, zoo nabij huis, nog afgezet werd; daarom zal ik maar dadelijk optrekken.”
„Zijt gij in Dumfries en Galloway geweest?” vroeg de oude vrouw, die bij het vuur zat te rooken en nog geen woord gesproken had.
„Ja wel, oudje! Ik heb eene lange reis gehad.”
„Dan zult gij ook het slot Ellangowan wel kennen?”
„Ellangowan, dat aan Mijnheer Bertram behoorde? Ik ken die plaats best. De heer is, naar ik gehoord heb, veertien dagen geleden gestorven.”
„Gestorven?” riep de oude vrouw, liet hare pijp vallen, stond op en trad midden in het vertrek. „Dood? weet gij dat zeker?”
„Ja, zeer zeker,” antwoordde Dinmont; „zijn dood heeft in dien omtrek vrij wat opzien gebaard. Hij stierf juist toen zijn huis en have verkocht zou worden; deze gebeurtenis deed den verkoop uitstellen en velen werden daardoor teleurgesteld. Men zeide, dat hij oók de laatste telg van een oud geslacht was, en hierover waren velen bedroefd; want goed bloed is thans in Schotland veel zeldzamer dan vroeger.”
„Dood?” herhaalde de oude vrouw, die de lezer reeds als eene oude bekende, Meg Merrilies, herkend zal hebben. „Dood? dat vereffent onze rekening. En hij stierf zonder mannelijken erfgenaam, zeidet gij?”
„Ja, moedertje! en om die reden werd het goed verkocht: want men beweerde dat het niet verkocht kon worden, als er een mannelijke erfgenaam geweest was.”
„Verkocht!” herhaalde de Heidin op driftigen toon. „En wie durfde Ellangowan koopen, zonder van Bertrams geslacht te zijn? En wie kan zeggen, dat de eenige zoon niet weder zal komen om zijn eigendom terug te vorderen? Wie durfde het goed en slot Ellangowan koopen?”
„Wel, een van die lieden, die alles koopen, een beunhaas of iets dergelijks – Glossin heet hij, geloof ik.”
„Glossin! Gilbert Glossin! dien ik honderdmaal op den arm gedragen heb! want zijne moeder was geen zier meer dan ik. Hij zich vermeten de heerlijkheid Ellangowan te koopen! God sta ons bij! het is nu eene booze wereld! – Ik heb Bertram wel wat kwaads toegewenscht, maar zooveel ongeluk niet. Wee mij! wee mij, dat ik daaraan denken moet!”
Zij zweeg eenige oogenblikken en hield den pachter, die bij iedere vraag vertrekken wilde, maar geduldig staan bleef, toen hij zag met hoeveel warme belangstelling zij naar zijne antwoorden luisterde, nog steeds met de hand terug.
„Men zal er van hooren en zien,” hernam zij; „land en zee zullen niet langer zwijgen! – Kunt gij mij ook zeggen of dezelfde man, die vóor verscheidene jaren dien post bekleedde, nog sheriff van het graafschap is?”
„Neen! Men zegt dat hij tegenwoordig een ander ambt in Edinburg heeft. – Maar, vaarwel, moeder! ik moet vertrekken.”
Zij volgde hem naar zijn paard, en terwijl hij de singels vasttrok, het valies terecht legde en zijn paard optoomde, hield zij niet op met vragen betreffende Bertram’s overlijden en het lot van zijne dochter, waarvan de brave pachter haar nochtans weinig zeggen kon.
„Hebt gij ooit eene plaats, Derncleugh genaamd, omstreeks eene mijl van het slot Ellangowan, gezien?”
„Wel zeker; het is een wild, woest dal, met verscheidene vervallen hutten. Ik ben er met iemand doorgereden, die daar in de buurt eene hoeve pachten wilde.”
„Het was vroeger een gezegend plekje!” mompelde Meg Merrilies in zich zelve. „Hebt gij gezien, of er een oude, bijna omvergewaaide wilgenboom stond, welks wortelen nog vast in de aarde zijn en die over eene kleine beek hangt? Menigen dag heb ik onder dien boom mijne kousen gebreid en op mijn bankje gezeten.”
„Wat drommel plaagt mij dat wijf met boomen, hare bankjes en Ellangowans! Om godswil, vrouw, laat mij toch gaan! – Daar hebt gij een schelling, drink daar iets voor, in plaats van mij langer met uwe lange verhalen te kwellen.”
„Ik dank u, baas! en omdat gij mij zoo gul op alle mijne vragen geantwoord hebt, zonder te vragen waarom ik ze deed, zal ik u een goeden raad geven; maar gij moet ook niet vragen waarom! De waardin zal u aanstonds een afscheidsdronk brengen en u vragen, of gij over de Willies-hei of door het Conscowtharther-moeras, zult rijden. Zeg haar wat gij wilt, maar,” (voegde zij er zacht en met nadruk bij) „draag zorg, dat gij eenen anderen weg neemt, dan gij haar zegt.”
De pachter beloofde het lachende en de Heidin verwijderde zich.
„Zult gij haren raad opvolgen?” vroeg Brown, die aandachtig naar dit gesprek geluisterd had.
„Daar zal ik wel op passen. Die oude heks! Neen, ik wilde liever dat de waardin wist welken weg ik ingeslagen had, dan zij, ofschoon Tib Mumps ook niet veel te vertrouwen is; en ik raad u ook, om den nacht niet in dit huis door te brengen.”
Hierop kwam de waardin met haar afscheidsglaasje, dat zij den pachter aanbood. Zoo als Meg Merrilies voorspeld had, vroeg zij, of hij den weg over de hei of door het moeras, volgen wilde. „Door het moeras,” antwoordde Dinmont, en reed, na afscheid van Brown genomen en hem nogmaals gezegd te hebben dat hij er op rekende, hem op zijn laatst den volgenden dag te Charlies-hope te zien, op een flinken draf weg.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Slag of stoot moet men op den straatweg afwachten!
Een winter-verhaal.
De raad van den vriendelijken pachter werd door Brown niet in den wind geslagen; maar terwijl hij zijne vertering betaalde, bleven zijne blikken onwillekeurig op Meg Merrilies gevestigd. Zij geleek nog even zeer op eene heks, als toen Mannering haar voor de eerste maal op het slot Ellangowan ontmoette. De tijd had hare zwarte lokken grijs geverwd en rimpels in hare woeste trekken gegroefd; maar hare hooge gestalte was nog niet gebogen en hare vlugheid niet verminderd. Door een werkzaam, ofschoon geen eigenlijk arbeidzaam leven had zij, even als vele vrouwen van haar aard, het volkomen gebruik van al hare ledematen behouden, zoodat hare natuurlijke houding en bewegingen vrij, ongedwongen en schilderachtig waren. Zij stond aan het venster van de herberg in eene houding, die hare krachtige gestalte voordeelig deed uitkomen, met het hoofd eenigszins achterover gebogen, opdat de groote muts, die haar hoofd tot diep in de oogen bedekte, haar niet in hare aandachtige beschouwing van Brown, hinderen zoude. Bij iederen toon, welken hij uitte, scheen zij bijna onmerkbaar te schrikken. Van zijn kant kon Brown, ofschoon hij hiervoor geene reden kon vinden, deze zonderlinge gestalte niet zonder ontroering aanzien. „Heb ik van zulk een gestalte gedroomd?” zeide hij bij zich zelven; „of roept deze vrouw, met haar woest en wonderlijk uitzicht, de vreemde gedaanten, welke ik in onze Indische pagoden gezien heb, in mijn geheugen terug?”
Terwijl hij zich met deze gedachten bezig hield en de waardin zilvergeld zocht, om hem van een halve guinje terug te geven, trad de Heidin eensklaps naar hem toe en greep zijne hand. Hij verwachtte, dat zij hem waarzeggen wilde; maar hij vergiste zich: geheel andere aandoeningen schenen haar te bezielen.
„Jongman,” sprak zij tot hem, „zeg mij, zeg mij, om Godswil, hoe uw naam is en vanwaar gij gekomen zijt?”
„Mijn naam is Brown en ik kom uit Oost-Indië.”
„Uit Oost-Indië!” herhaalde zij, terwijl zij zijne hand zuchtend losliet; „dan kan het niet zijn. Ik, oude zottin, die ik ben, verbeeld mij, dat iedereen dien ik aanzie, diegene zijn moest, welken ik zoo gaarne zien wilde. Maar uit Oost-Indië! dat kan niet zijn. Maar, wie gij ook zijt, uw gelaat en uwe spraak herinneren mij aan oude tijden. Vaarwel! spoed u op uwen weg, en indien gij iemand van ons volk ontmoet, bemoei u nergens mede, en niemand zal u leed doen.”
Brown, die nu zijn geld teruggekregen had, drukte haar een zilverstuk in de hand, groette de waardin en wandelde haastig den weg op, welken de pachter ingeslagen was en waarop het versche spoor van diens paard hem tot gids diende. Meg Merrilies zag hem eenigen tijd achterna en mompelde in zich zelve: „Ik moet dien knaap wederzien – ik moet weder naar Ellangowan. De heer is dood, en de dood vereffent alle rekeningen. Hij was toch eens een goed mensch. De sheriff is weg en ik kan mij in het bosch verschuilen; dus waag ik er niet veel bij. Ik wilde het lieve Ellangowan zoo gaarne nog wederzien voor mijn dood!”
Brown ging intusschen met snelle schreden langs den moerassigen weg door de Cumberlandsche heide. Hij kwam een eenzaam huisje voorbij, waar Dinmont waarschijnlijk stilgehouden had; ten minste leidden de voetstappen van een paard hem daarheen en een weinig verder weder op den weg. „Ik wenschte wel,” dacht Brown, „dat de goede pachter hier op mij gewacht had; ik zou hem gaarne naar den weg gevraagd hebben, die hier al woester en woester wordt.”
En waarlijk, deze landstreek is zoo wild en woest, alsof de natuur zelve ze tot een scheidsmuur tusschen twee vijandige volken bestemd had. Nergens hooge bergen of rotsen, maar overal heide en moeras, waarop slechts enkele ver van elkander verwijderde, kleine en armoedige hutten staan. Bij deze vindt men gewoonlijk een stukje bebouwd land; maar een paar veulens, die met vastgebonden achterpooten loopen te weiden, geven te kennen, dat de landlieden zich hoofdzakelijk op de paardenfokkerij toeleggen. De bewoners zijn ruwer en minder gastvrij dan in eenig ander gedeelte van Cumberland, deels uit hoofde hunner eigene zeden en gewoonten, deels door hunne vermenging met landloopers en booswichten, die in deze woeste landstreek eene schuilplaats tegen den arm der gerechtigheid zoeken. In vroegere tijden stonden de bewoners van deze streken bij hunne meer beschaafde buren in zulk een kwaden reuk, dat er bij de gilden te Newcastle eene afzonderlijke wet bestond, waarbij aan ieder gildebroeder in die stad verboden werd, om een inboorling uit deze oorden als leerling aan te nemen. Een oud spreekwoord zegt: „geef een hond een’ slechten naam en hang hem op;” en men mag er wel bijvoegen: „indien men een’ mensch, of een geheelen stam, voor slecht uitkrijt, zoo zal hij er zeer gemakkelijk toe vervallen, om iets strafwaardigs uit te voeren.” Brown had van het gesprek tusschen de waardin, Dinmont en de Heidin iets gehoord, en vermoedde nog meer; maar hij kende geene vrees, had niets bij zich, dat de roofzucht uitlokken kond, en hoopte nog bij daglicht over de heide te komen. Hierin bedroog hij zich echter; de weg was langer dan hij dacht, en het begon reeds te schemeren, toen hij aan een uitgestrekt moeras kwam.
Voorzichtig volgde hij een pad, dat nu eens tusschen met mos begroeide hoogten door, dan eens over smalle, maar diepe slooten vol slijkerig water, en soms langs hoopen puin en steenen liep, welke door zware stortregens of watervallen van de naburige heuvels op deze lage plaatsen gespoeld waren. Het scheen Brown bijna onmogelijk, dat een ruiter dezen weg volgen kon. De sporen van het paard bleven evenwel nog zichtbaar; ja hij meende soms zelfs, dat hij de hoefslagen in de verte hoorde. Overtuigd, dat Dinmont door dit moeras niet zoo snel voortkomen kon als hij zelf, besloot hij nog wat harder aan te stappen, in de hoop van hem in te halen en van zijne bekendheid met het land partij te trekken.
Eensklaps sprong de kleinen hond van onzen voetganger vooruit en begon woedend te blaffen. Brown verdubbelde zijne schreden. Toen hij den top van eene kleine hoogte bereikt had, zag hij in eenen hollen weg, omstreeks een geweerschot van hem, een man, in wien hij dadelijk den pachter herkende, met twee anderen in een wanhopig gevecht gewikkeld. Dinmont zat niet meer te paard en verdedigde zich, zoo goed hij kon, met zijne zware zweep. Vóór dat Brown hem echter te hulp snellen kon, velde een hevige slag den ongelukkige ter aarde, en een van de roovers, zich de overwinning ten nutte makende, gaf hem nog eenige geweldige slagen op het hoofd. De andere deugniet liep op Brown toe en riep zijn metgezel om hem te volgen, en „dat die eene reeds genoeg had!” Een van de roovers was met eenen houwer, de andere met een’ knuppel gewapend. Daar de weg echter vrij smal was, dacht Brown dat hij het wel met hen zou klaren, indien zij maar geen vuurwapens bij zich hadden. Met verschrikkelijke bedreigingen drongen de roovers op Brown in, maar vonden spoedig, dat hunne tegenpartij even sterk als onverschrokken was, en nadat er van weerskanten eenige slagen gevallen waren, riep een van hen onzen voetganger toe, dat hij, „ìn ’s duivels naam, zijn weg over de heide vervolgen kon, want dat zij niets met hem te doen hadden.”
Brown verwierp dit voorstel, wijl hij daardoor den ongelukkigen pachter aan de genade van de roovers, die hem hadden willen uitplunderen, zoo niet vermoorden, overgegeven zou hebben. Het gevecht was juist weder aangevangen, toen Dinmont onverwachts weder bijkwam, zich op de beenen hielp en naar de kampplaats snelde. De pachter had zich, ofschoon overvallen en alléen, zóo dapper geweerd, dat de roovers het ongeraden vonden, deze versterking van Brown af te wachten, daar deze alleen hun beiden genoeg te doen gaf. Zij ontvluchtten dus dwars door het moeras, zoo hard zij konden, gevolgd door Brown’s hond, die de vijanden gedurende het gevecht wakker in de hielen gebeten en zijn meester trouw bijgestaan had.
„De drommel! uw hond is nu toch goed op het ongedierte los gegaan,” waren de eerste woorden, welke de vroolijke pachter uitte, toen hij, met een bebloed hoofd, Brown naderde en zijn redder herkende.
„Ik hoop, dat gij niet gevaarlijk gewond zijt,” hernam Brown.
„Maar een beetje; mijn hoofd kan een’ flinken klap verdragen. Ik ben er intusschen nog al goed afgekomen, en dat heb ik aan u te danken. Maar, vriend! nu moet gij mij helpen om mijn paard te vangen en achter mij op gaan zitten; want indien wij ons niet spoedig weg maken, krijgen wij de geheele bende op den hals. De anderen zullen wel niet ver af zijn.”
Het paard werd gelukkig spoedig gevangen. Brown was bezorgd, dat de last te zwaar voor het dier zou zijn.
„Vreest gij daarvoor?” antwoordde de pachter. „Het paard kon wel zes menschen dragen, als zijn rug maar lang genoeg was. Maar, om Godswil, haast u! Ik zie ginds eenige lieden, waarop het niet geraden zou zijn te wachten, dwars door het moeras aankomen.”
Brown begreep, dat het nu geen tijd was om plichtplegingen te maken; hij steeg achter den pachter op het paard, en het sterke dier draafde met zijn zwaren last zoo vlug voort, alsof het slechts twee kinderen te dragen had. Dinmont, die alle paden in deze wildernis scheen te kennen, koos den besten weg, waarbij hem echter de schranderheid van zijn paard niet weinig te stade kwam, dat bij gevaarlijke plaatsen steeds het veiligste pad uitzocht. Nochtans was de weg zoo slecht en moesten zij zoo vele omwegen maken, dat zij hunne vervolgers niet veel vooruit kwamen. „Wees niet bang,” zei de onverschrokken Schot tot zijn reisgenoot; „als wij maar eerst de Withershins-pas bereikt hebben, dan is de weg zoo week niet meer en zullen wij hen wel uit de oogen komen.”