Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Part 23

Chapter 233,928 wordsPublic domain

„Nu dan,” dus begon de waardin haar verhaal weder, „nu dan! Hij zeide als er zulk een persoon naar Mijnheer Brown komt vragen, dan moet gij zeggen, dat ik naar het meer Creeran, zoo als gij het noemt, gegaan ben om de schaatsenrijders te zien, en dat ik tegen den middag weder terugkom. Maar hij is niet teruggekomen. Ik verwachtte hem zoo vast, dat ik zelve een kip voor hem gebraden had, en dat is anders mijn gewoonte niet, Mijnheer Glossin! Hoe weinig dacht ik er aan, dat hij met zulk een boos opzet heengegaan was – dien goeden, onschuldigen jongen Hazlewood neer te schieten!”

Nadat de heer Glossin als een voorzichtig rechtsgeleerde zijne getuige behoorlijk tijd gelaten had, om aan hare verbazing en verontwaardiging lucht te geven, begon hij te vragen of de verdachte persoon ook eenige goederen of papieren in de herberg achtergelaten had.

„O ja, hij heeft mij een pakje, een klein pakje in bewaring gegeven. Ook gaf hij mij wat geld en verzocht mij hem daarvoor een half dozijn overhemden te laten maken. Peg Pawley is er thans juist mede bezig. – Laat hij ze aan doen, als hij den gang naar de galg doet, die booswicht!”

Glossin wenschte nu het pakje te zien, maar hier aarzelde de waardin. Zij wilde niet zeggen dat de gerechtigheid haren vrijen loop niet moest hebben, evenwel, wanneer iemand iets aan een ander toevertrouwde, was deze er ook zonder twijfel verantwoordelijk voor. Maar zij wilde den diaken Bearcliff roepen, en indien Mijnheer Glossin dan ten overstaan van den diaken eene lijst van de goederen verkoos op te maken en haar een bewijs wilde geven, dat hij ze van haar ontvangen had, of wat zij nog veel liever had, als die verzegeld en in handen van den diaken Bearcliff gesteld kon worden, dan kon zij volkomen gerust zijn. Zij was nergens meer voor, dan voor gerechtigheid aan alle kanten.

Toen Glossin zag dat de natuurlijke scherpzinnigheid en het door ondervinding gescherpte wantrouwen dezer vrouw onverzettelijk waren, zond hij om den diaken Bearcliff, om met hem over den booswicht, die den heer Charles Hazlewood gekwetst had, te spreken. Bearcliff verscheen op het verzoek van den vrederechter zoo haastig, dat hij zich niet eens den tijd gegund had, om zijne paruik, tegen welke hij de muts waarmede hij zijne klanten gewoonlijk bediende verwisseld had, recht te zetten. Vrouw Mac-Candlish haalde hierop het pakje, dat Brown haar in bewaring gegeven had, te voorschijn.

Men vond er de beurs van de Heidin in. Bij het gezicht van den gemengden maar zeer kostbaren inhoud er van, verheugde de waardin zich over hare genomene voorzorgen, vóor dat zij ze aan Glossin overgaf, terwijl hij met een schijn van belanglooze kieschheid de eerste was, die het voorstel deed, om de goederen behoorlijk op te schrijven en ze aan den diaken Bearcliff ter hand te stellen, tot dat ze van rechtswege opgevorderd zouden worden. „Hij wilde niet gaarne persoonlijk verantwoordelijk zijn” zeide hij, „voor zaken die zulk eene aanzienlijke waarde schenen te hebben en zonder twijfel door de verfoeielijkste middelen verworven waren.”

Hij bekeek vervolgens het papier waarin de beurs gewikkeld geweest was. Het was de achterzijde van een brief aan den heer V. Brown, maar het overige van het opschrift was weggescheurd. De waardin, die thans, daar de gemengde en kostbare inhoud van de beurs haar genoegzaam scheen te bewijzen, dat alles niet was zoo als het behoorde, even gaarne licht over de vlucht van den misdadiger wilde verspreiden, als zij ze vroeger zocht te bedekken – de waardin verklaarde verder aan Glossin, dat haar postiljon en haar stalknecht beiden den vreemdeling op denzelfden dag, waarop de jonge Hazlewood gekwetst was, op het ijs gezien hadden.

Onze oude bekende, Hans Jabos, werd het eerst geroepen en verklaarde rondborstig, dat hij dien morgen op het ijs een vreemdeling gezien en gesproken had, die, zoo als hij hoorde, den vorigen nacht in the Gordon Arms gelogeerd had.

„Welke wending nam uw gesprek?” vroeg Glossin.

„Wending? wij maakten geheel geene wending, maar gingen rechtuit op het ijs.”

„Maar waarover spraakt gij? meen ik.”

„Waarover? hij deed juist zulke vragen als ieder vreemdeling gewoonlijk doet.”

„Waarnaar vroeg hij dan?”

„Wel, naar het volk dat op het ijs aan het spelen was, naar den ouden Jock Stevenson, naar de dames en zoo al verder.”

„Naar welke dames, Hans? en wat vroeg hij omtrent haar?”

„Welke dames? Het waren de dames Julia Mannering en Lucie Bertram, die gij zelf zeer goed kent, Mijnheer Glossin! Zij wandelden met den jongen heer van Hazlewood op het ijs.”

„En wat hebt gij hem van haar gezegd?”

„Wij zeiden hem: de eene was juffrouw Lucie Bertram, die, naar men zegt, eens een groot landgoed in onze streek bezeten heeft, en de andere juffrouw Julia Mannering, die met den jongen Hazlewood zou trouwen. Zie maar eens, hoe zij aan zijn arm hangt. – Wij spraken er met hem over, zoo als wij landlieden gewoon zijn. Het was een zeer flinke man, zoo zonder komplimenten.”

„Nu, wat antwoordde hij hierop?”

„Hij keek de jonge dames scherp aan en vroeg, of het huwelijk tusschen juffrouw Mannering en den jongen Hazlewood zeker voltrokken zou worden? Ik antwoordde hem, dat het stellig en uitgemaakt zeker was, zoo als ik ook met recht zeggen kon: want mijne nicht Johanna Clavers (zij is ook met u vermaagschapt, Mijnheer Glossin, gij kent haar ook sedert lang) is eene bloedverwante van de huishoudster te Woodbourne en heeft mij meer dan eens gezegd, dat het heel waarschijnlijk was.”

„En wat zei de vreemdeling, toen gij hem dit alles verhaaldet?”

„Zeggen? hij zei geen woord. Hij keek hen aan, terwijl zij het meer rondwandelden, als of hij hen opeten wilde. Hij wendde geen oog van hen af, en zei geen enkel woord meer, ofschoon het zoo buitengemeen vroolijk bij het spel toeging. Hij keerde zich om, verliet het meer, ging langs het kerkpad in het Woodbourner dennenbosch en wij zagen niets meer van hem.”

„Denk eens,” zei vrouw Mac-Candlish, „welk een steenen hart hij gehad moet hebben, dat het bij hem opkomen kon, den armen jongen voor de oogen van de dame, met wie hij huwen zou, aan te vallen.”

„Soortgelijke gevallen worden er wel meer in de gerechtelijke akten gevonden, vrouw Mac-Candlish!” hernam Glossin. „Hij wilde zich zonder twijfel wreken, waar de wraak het scherpst treft en het zoetst is.”

„God beware ons!” riep de diaken Bearcliff, „wat zijn wij toch arme, zwakke schepsels, als wij aan ons zelven overgelaten zijn! Hij dacht niet aan hem, die gezegd heeft: de wraak komt mij toe; ik zal het vergelden.”

„Hoort eens, Mijne Heeren,” zei Hans, die met zijne onbeschaafde sluwheid het spoor van het wild scheen te vinden, terwijl anderen in de struiken klopten, „hoort eens! gij kondet het hier allen toch wel eens mis hebben. Ik kan me volstrekt niet verbeelden, dat iemand het plan zou maken, om een’ ander’ met diens eigen geweer, dat hij hem eerst afnemen moest, dood te schieten. De hemel beware ons! ik ben zelf ginds op het eiland onder-boschwachter geweest en ik houd staande, dat, als de grootste en sterkste man uit Schotland mij een geweer ontnemen wilde, ik hem vroeg genoeg den kogel door het lijf zou jagen, ofschoon ik maar een klein zwak ventje ben, dat nergens goed toe is, dan om op den zadel of den bok van een wagen te zitten; – neen, neen, zoo iets zou geen verstandig mensch wagen! Ik verwed er mijn besten broek op, en ik heb die op de Kirkudbrighter jaarmarkt eerst nieuw gekocht, dat het een ongelukkig toeval geweest is. Maar als gij mij niets meer te zeggen hebt, moest ik, dunkt mij, heengaan, om mijne paarden te voêren.” En met deze woorden verliet Hans het vertrek.

De verklaring van den stalknecht, die hem vergezeld had, kwam met de zijne volkomen overeen. Glossin vroeg hierop weder, of Brown op dien ongelukkigen morgen ook wapens bij zich gehad had? Het antwoord was: „geene andere, dan eene gewone kleine sabel of houwer.”

„Inderdaad,” zei de diaken, terwijl hij Glossin vertrouwelijk bij een roksknoop trok (door ingespannen nadenken over deze ingewikkelde zaak had hij den nieuw verkregen rang van den vrederechter vergeten), „inderdaad, alles wel overwogen, komt mij het geval zeer twijfelachtig voor, meester Gilbert, – want het is volstrekt niet waarschijnlijk, dat hij met zulk een ellendig wapen er op uit gaan zou om te vechten.”

Glossin maakte zich uit de handen van Bearcliff los en ontweek alle verdere verklaring, maar alles op zachte en vriendelijke wijze: want er lag hem thans veel aan gelegen, om allerhande menschen gunstig voor hem te stemmen. Hij vroeg naar den prijs van thee en suiker, en liet zich eenige woorden ontvallen, als of hij een voorraad voor het geheele jaar wilde opdoen. Hij gaf vrouw Mac-Candlish bevel, om een goed middagmaal in gereedheid te hebben voor een gezelschap van vijf vrienden, die hij op Zaterdag over acht dagen in the Gordon Arms ten eten wilde verzoeken, en tot slot gaf hij Hans Jabos, die, in plaats van den stalknecht, zijn paard vasthield, een daalder.

„Wel,” zei Bearcliff tegen de waardin, terwijl hij een glaasje bitter dronk, dat zij hem aanbood, „ik moet zeggen dat de duivel niet zoo leelijk is, als hij uitgeschilderd wordt. Men moet zich verheugen, dat iemand zich de belangen van het land zoo aantrekt, als Mijnheer Glossin doet.”

„Daaraan hebt gij wel gelijk, diaken!” antwoordde de waardin, „en toch verwondert het mij, dat onze heeren hier hunne zaken aan zoo iemand overlaten. Maar zoo lang een stuk geld gangbaar is, moet men niet al te nauwkeurig toezien, welk koningsbeeld er op staat.”

„Ik geloof, dat Glossin er ten laatste nog slecht afkomen zal,” bromde Hans, terwijl hij de schenktafel voorbijging; „maar dit is toch goede munt!”

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

„Een mensch, die gelooft dat de dood niet vreeselijker is dan een dronkemansroes, – die zorgloos, roekeloos is en zich om het verledene, het tegenwoordige en hetgeen nog komen moet niet bekommert, – die ongevoeliger is voor de onsterfelijkheid en wanhopig sterfelijk blijft.”

Maat om maat.

Glossin had de berichten, welke hij ingewonnen had, zorgvuldig opgeteekend. Ze verspreidden hem weinig licht over de gebeurtenissen; maar de beter onderrichte lezer is, door zijn onderzoek, bekend geworden met het wedervaren van Brown, sedert wij hem op zijne wandeling naar Kippletringan uit het oog verloren hebben tot aan het oogenblik, dat hij door ijverzucht aangedreven, zich zoo onverwacht en ongelukkig aan Julia Mannering vertoonde en de strijd, door zijne verschijning veroorzaakt, bijna zulk een noodlottig einde had genomen.

Glossin reed, peinzende over hetgene hij vernomen had, langzaam naar Ellangowan terug en werd hoe langer zoo meer overtuigd, dat hij door krachtdadig en, zoo mogelijk, voorspoedig deze geheimzinnige zaak uit te vorschen, zulk eene gunstige gelegenheid had, om zich de gunst van Hazlewood en Mannering te verwerven, dat hij ze volstrekt niet verwaarloozen mocht. Misschien gevoelde hij ook dat, om den naam van een ijverig en scherpzinnig ambtenaar te verdienen, er voor hem veel aan gelegen lag, zijne pogingen met een gelukkig gevolg bekroond te zien. Zeer verheugd was hij dus, toen zijne bedienden hem bij zijne tehuiskomst met veel ophef berichtten, dat de gerechtsdienaar Mac-Guffog en een paar zijner makkers een man gevat hadden en met den gevangene in de keuken op hem wachtten.

Hij sprong oogenblikkelijk van zijn paard, snelde in huis en beval eenen bediende: „Laat mijn klerk dadelijk komen; hij zit in het groene kamertje te schrijven. Breng alles in mijn studeervertrek in orde; plaats de groote lederen stoel bij de schrijftafel en zet een stoel voor Mijnheer Scrow. – Scrow!” (tegen den klerk, toen deze binnentrad) „krijg het werk van Sir George Mackenzie over crimineele misdaden: sla de afdeeling Vis Publica et Privata op en leg eene vouw bij de plaats over het dragen van verboden wapens. Help mij mijn jas uittrekken en hang die in de kleerkast op. Laat nu den gevangene binnenbrengen: ik denk, dat ik het wel met hem zal klaren. Maar neen; laat Mac-Guffog eerst bovenkomen. – Nu, Mac-Guffog! waar hebt gij dezen knaap opgedaan?”

Mac-Guffog, een forsche kerel met kromme beenen, een’ hals als een stier, een echt gauwdievengezicht en geweldig scheel ziende met het linkeroog, begon, na vele lompe buigingen voor den vrederechter, zijn verhaal, dat hij met sluwe knikjes en veelbeteekenende wenken, die eene groote gemeenzaamheid tusschen den verhaler en zijn voornaamsten toehoorder schenen te verraden, vergezeld deed gaan. „Hoor eens, Mijnheer, ik ging naar de plaats, die ge wel weet, waar die vrouw woont, die gij wel kent, ginds aan het strand. – „Wat komt gij hier doen?” zeide zij. „Ge komt zeker van Ellangowan om hier iemand op te halen?”

„Hoe drommel zou dit kunnen gebeuren?” zei ik. „Ge weet zelve, dat in vroegere dagen Mijnheer met –”

„Genoeg, genoeg! treed niet in bijzonderheden; maar vertel mij de hoofdzaak.”

„Nu dan, terwijl wij over den brandewijn zaten te praten, welken ik beweerde noodig te hebben, kwam hij binnen.”

„Wie is hij?” vroeg de vrederechter.

„Die daar,” antwoordde Mac-Guffog en wees naar de keuken, waar de gevangene bewaakt werd. „Hij had zijn mantel dicht omgeslagen en ik begreep wel, dat hij goed gewapend was. Ik dacht dus, dat het best was, eerst maar heel vriendelijk met hem te praten; en ik zag, dat hij geloofde dat ik een van het handwerk was, en dat ik van het eiland Man kwam, en ik plaatste mij tusschen hem en haar in, uit vrees dat zij hem een wenk mocht geven. Wij begonnen met elkander te drinken en nu wedde ik, dat hij geen mutsje Hollandsche jenever in ééne teug kon uitdrinken. Hij deed het en toen kwamen Jock en Dick Spurem toeschieten. Wij knevelden hem en namen hem gevangen, zoo gemakkelijk als een lam. Hij heeft nu uitgeslapen en is zoo frisch als een bloem, en zeer goed in staat, om de vragen te beantwoorden, welke gij hem zult verkiezen te doen.”

Dit verhaal, dat door vele wonderlijke gebaren vergezeld ging, verschafte den verhaler den lof en dank, welke hij scheen te verwachten.

„Had hij geene wapens?” vroeg de rechter.

„Zeer zeker; zulke lieden zijn nooit zonder pistolen en dolken.”

„Ook papieren?”

„Dit pakje,” antwoordde Mac-Guffog en overhandigde den rechter een morsig zakboek.

„Wacht nu buiten de deur en zend den gevangene hier.”

Mac-Guffog verliet het vertrek. Weldra hoorde men het rammelen van ketenen op den trap, en na eenige oogenblikken werd er een dik, gespierd man geboeid binnen gebracht, die, ofschoon zijn grijs haar een reeds vrij ver gevorderden leeftijd aanduidde en hij niet groot van gestalte was, nochtans zoo sterk scheen, dat slechts weinigen een worstelstrijd met hem zouden hebben durven ondernemen. Zijn ruw en norsch gelaat droeg nog steeds de sporen van den roes, waaraan hij zijne gevangenneming te danken had, maar de korte slaap, welken Mac-Guffog hem vergund had, en meer nog de gedachte aan het gevaarvolle van zijn toestand hadden hem zijne volkomene bezinning weder gegeven. De waardige rechter en de niet minder achtenswaardige gevangene keken elkander eene geruime poos onbewegelijk aan, zonder één woord te spreken. Glossin herkende blijkbaar den gevangene, maar scheen verlegen, hoe hij zijn onderzoek inrichten zou. Eindelijk brak hij het stilzwijgen af en zeide: „Wel, kapitein! zijt gij het? gij hebt deze kust sedert eenige jaren weinig bezocht.”

„Weinig bezocht?” hernam de gevangene. „Dat wil ik wel gelooven. Ik ben hier geheel vreemd. De duivel hale mij, zoo ik ooit te voren hier geweest ben.”

„Dat gaat zoo niet door, kapitein!”

„Wat drommel! Dat moet doorgaan, Mijnheer de vrederechter!”

„En hoe verkiest gij u thans te noemen?” hernam Glossin, „of moet ik eenige lieden laten komen, die u helpen, om u te herinneren wie gij zijt, of, ten minste, wie gij voorheen waart?”

„Wie ik ben? wat bliksem! ik ben Jan Janson van Cuxhaven. Wie zou ik anders zijn?”

Glossin nam uit eene kast een paar kleine zakpistolen, welke hij met eene in het oogvallende zorgvuldigheid laadde, en zei toen tegen zijn klerk: „Scrow, gij kunt met de anderen weggaan, maar blijf in het spreekkamertje, zoo dat ik u beroepen kan.”

Scrow scheen eenige bedenkingen te willen maken over het gevaar van met zulk een verschrikkelijk, ofschoon in ketenen geboeid mensch alleen te blijven; maar Glossin wenkte hem ongeduldig met de hand, dat hij vertrekken zou.

Toen hij de kamer verlaten had, wandelde Glossin het vertrek een paar malen op en neder, plaatste daarop zijn stoel vlak tegenover den gevangene, zag hem scherp aan, legde zijne pistolen met gespannen haan voor zich en zeide met vaste stem; „Gij zijt Dirk Hatteraick van Vlissingen; is het niet zoo?”

De gevangene zag als onwillekeurig naar de deur, alsof hij vreesde dat iemand luisterde. Glossin stond op en opende de deur, zoo dat de gevangene zich met eigen oogen overtuigen kon, dat geen menschelijk oor hen hooren kon; sloot ze vervolgens weder, ging weder op zijne plaats zitten en herhaalde zijne vraag: „Gij zijt Dirk Hatteraick, voorheen kapitein van het schip Juffer Haagenslaapen, niet waar?”

„Duizend duivels! als gij dat weet, waarom vraagt gij het dan?”

„Omdat het mij verwondert u op eene plaats te zien, waar gij, indien uwe veiligheid u lief is, het allerminst behoordet te wezen.”

„Wat duivel! hij, die zoo tegen mij spreekt, vergeet zijne eigene veiligheid!”

„Hoe? ongewapend en in boeien! mooi gesproken, kapitein! Maar zwetsen helpt hier niet. Men zal u hier bezwaarlijk laten vertrekken, vóor dat gij rekenschap van zeker voorval geeft, dat voor eenige jaren bij kaap Warroch heeft plaats gehad.”

Hatteraick keek zoo somber als de nacht.

„Ik voor mij,” vervolgde Glossin „wensch geenszins hard jegens een ouden bekende te handelen; maar ik moet mijn plicht doen. Ik zal u dus, heden nog, met een rijtuig naar Edinburg laten brengen.”

„De drommel! dat zult gij niet doen. Hebt gij niet de halve waarde van eene geheele lading in wissels op van Beest van Bruggen ontvangen?”

„Het is reeds zoo lang geleden, kapitein Hatteraick, dat ik waarlijk vergeten heb, wat ik voor mijne moeite ontving.”

„Uwe moeite? uw stilzwijgen, meent gij!”

„Dat was eene zaak, die mijn beroep betrof, en ik heb, sedert eenigen tijd, mijne zaken neergelegd.”

„’t Kan zijn. Ik geloof echter, dat ik u weder aan de oude zaken kan doen denken. Ja, man! de duivel hale mij, als ik u niet een bezoek brengen wilde, alleen om u iets te zeggen, daar gij groot belang bij hebt.”

„Van den knaap?” vroeg Glossin met drift.

„Ja, Mijnheer!”

„Hij leeft toch niet meer? niet waar?”

„Ja, hij leeft even goed als gij of ik.”

„Goede God! – maar toch in Indië?”

„Neen, voor den duivel! hier, op uwe ellendige kust,” hernam de gevangene.

„Maar, Hatteraick, als dit waar is (wat ik toch niet geloof), zal het ons beiden in het verderf storten. Hij zal zich zeker de poets, die gij hem gespoeld hebt, nog wel herinneren en voor mij zal het ook de ergste gevolgen hebben. Ik zeg u nog eens, het zal ons beiden in het verderf storten.”

„En ik u; het zal u alléen in het verderf storten. Met mij is het toch reeds zoo ver, en als ik eenmaal hangen moet, zal ik alles aan het licht brengen.”

„Maar waarom zijt gij toch als een dolleman weder op deze kust gekomen?” riep de rechter driftig.

„Waarom? Het geld was op, het huis wankelde en ik dacht, dat die oude poets reeds lang vergeten zou zijn.”

„Wat kan en moet er nu gedaan worden? Loslaten durf ik u niet. Maar zoudt gij onder weg niet vrij kunnen komen? Ja, dat zal gaan! Slechts een woord aan uw luitenant Brown gezegd – en ik laat uw geleide met u den weg langs het strand nemen.”

„Neen, neen, dat gaat niet. Brown is dood – dood – en begraven. De duivel heeft hem reeds.”

„Dood? – doodgeschoten? Bij Woodbourne, veronderstel ik.”

„Ja, Mijnheer!”

Glossin zweeg eenige oogenblikken. Het angstzweet parelde op zijn voorhoofd, terwijl de booswicht, die tegenover hem zat, zonder eenige aandoening te laten blijken, koelbloedig zijn pruimpje tabak kauwde en in den haard spoog.

„Het zou mijn ondergang zijn,” sprak Glossin in zich zelven, „mijn ondergang, als de erfgenaam weder optrad – en aan den anderen kant, wat zouden de gevolgen zijn, als ik met zulke lieden als deze heulde? – Bovendien is er weinig tijd om maatregelen te nemen! – Hoor eens,” zeide hij eindelijk tegen Hatteraick, „hoor eens, ik kan u niet op vrije voeten stellen, maar u wel op eene plaats in verzekering laten brengen, waar gij u zelf op vrije voeten stellen kunt; ik wil gaarne een ouden vriend de behulpzame hand bieden. Ik zal u heden avond in het oude slot laten opsluiten en uwe wacht eene dubbele portie sterken drank geven. Mac-Guffog zal zeker in denzelfden strik vallen, waarin hij u gevangen heeft. De ijzeren staven van de gevangenkamer zijn bijna doorgeroest; het venster is niet veel meer dan twaalf voet boven den grond, en de sneeuw ligt hoog.”

„Maar mijn boeien,” zei Hatteraick, naar zijne ketenen ziende.

„Hier,” hernam Glossin, terwijl hij eene kleine vijl uit een kistje kreeg. „Hier is een vriend, die u wel helpen zal, en den weg langs den trap naar de zee kent gij immers wel?”

Hatteraick schudde vroolijk zijne ketenen, alsof hij reeds in vrijheid ware, en poogde zijn geboeide handen tot zijnen beschermer uit te strekken. Glossin legde, met eenen waarschuwenden blik op de deur, den vinger op den mond en vervolgde: „als gij ontsnapt zijt, moet gij u naar Derncleugh begeven.”

„Dat nest is uitgeroeid.”

„Vervloekt! nu, dan kunt gij mijne boot, die ginds aan het strand ligt, wegnemen en u daarmede voortmaken. Bij kaap Warroch moet gij u vervolgens verschuilen en wachten tot ik bij u kom.”

„Bij kaap Warroch?” zeide Hatteraick bedremmeld. „Waarschijnlijk in het hol? Ik had liever, dat het ergens anders ware. Daar spookt het. – De menschen beweren, dat hij daar spookt. – Maar, voor den duivel! ik heb hem bij zijn leven nooit gevreesd en, nu hij dood is, zal ik ten minste niet bang voor hem wezen. Neen, geen mensch zal kunnen zeggen, dat Dirk Hatteraick ooit dood of duivel gevreesd heeft! – Ik moet daar dan wachten, tot gij bij mij komt?”

„Ja, ja,” antwoordde Glossin, „en nu moet ik mijne lieden roepen,” en hij deed het.

Zoodra zij binnen traden, zeide hij tot Mac-Guffog: „Ik kan niets met kapitein Janson, zoo als hij zich noemt, beginnen en het is te laat om hem naar de gevangenis te brengen. Is er geene gevangenkamer in het oude slot?”

„O ja, Mijnheer, „antwoordde Mac-Guffog. „Mijn oom, de onderschout, heeft ten tijde van den ouden Ellangowan eens een man drie dagen lang daarin bewaard. Daar heeft men een lawaai over gemaakt! Men heeft de zaak voor de rechters gebracht.”

„Ja, ja, dat weet ik, maar de gevangene zal er nu niet lang blijven; het is slechts voor éen nacht. In het kleine voorvertrek kunt gij voor u en uwe lieden een vuur aanleggen, en ik zal u genoeg zenden om u vroolijk te maken. Maar vergeet vooral niet de deur van den gevangene goed te sluiten en geef hem ook wat vuur in zijn kamer; het is anders te koud. Misschien zal hij morgen beter te spreken zijn.”

In de vaste hoop en vol vertrouwen, dat Mac-Guffog en zijne helpers den nacht met waken noch bidden zouden doorbrengen, zond de vrederechter hen hierop naar het oude slot, om er den gevangene gedurende den nacht te bewaken.

Men denke echter niet, dat Glossin zelf dien nacht zeer gerust sliep. Zijn toestand was hoogst gevaarlijk. De gevolgen van zijn geheel misdadig leven schenen hem nu op eenmaal te zullen verpletteren.