Geschiedenis van Arthur Pendennis

Part 89

Chapter 893,923 wordsPublic domain

De majoor begon te lachen en zeide: „Wij zullen zien,” en de schuldige knecht herinnerde zich eenige fraaie overhemden met linnen borsten, zekeren rotting met een gouden knop en een tooneelkijker, dien hij vergeten had weer naar beneden te brengen, en dien hij zich had toegeëigend met en benevens zekere kleedingstukken van zijn meester, die de oude dandy niet meer gebruikte en waarnaar hij ook niet vroeg.

Diender X. trad binnen, gevolgd door de ontstelde jufvrouw Brixham en hare dienstmeid, die aan de deur had gestaan en deze slechts met moeite had kunnen sluiten voor den neus der straatslijpers, die gaarne wilden zien wat er gaande was. De majoor nam dadelijk het woord op.

„Ik heb dezen dronken schelm uit mijn dienst moeten ontslaan,” zeide hij. „Gisterenavond en heden morgen heeft hij mij beleedigd en aangerand. Ik ben een oud man en heb een pistool opgenomen. Gij ziet, dat het niet geladen is, en deze lafaard schreeuwde voordat hij geslagen werd. Het verheugt mij, dat gij gekomen zijt. Ik beschuldigde hem, dat hij zich goederen van mij toegeëigend heeft, en wilde zijne koffers en zijne kamer doorzoeken.”

„Den fluweelen mantel hebt gij in drie jaar niet gedragen, en de vesten ook niet, en ik dacht, dat ik de hemden wel hebben mocht, en – en ik kan zweren, dat ik den tooneelkijker weer wilde terugbrengen,” schreeuwde Morgan, van woede en vrees krimpende.

„De man erkent, dat hij een dief is,” zeide de majoor kalm. „Hij is vele jaren in mijn dienst geweest en ik heb hem op de vriendelijkste en vertrouwelijkste wijze behandeld. Wij zullen naar boven gaan, om zijne koffers na te zien.”

Mijnheer Morgan bewaarde dingen in die koffers, welke hij liefst aan het algemeen oog wilde onttrekken. Morgan, de geldschieter, leverde zoowel goederen als geld aan zijne klanten. Hij voorzag jonge verkwisters van snuifdoozen, spelden, juweelen, prenten en sigaren, en die sigaren, juweelen en prenten waren van zeer dubbelzinnige hoedanigheid. Hunne overbrenging op een politiebureau, de bekendwording van zijne geheime zaken en de vertooning der goederen van den majoor, die hij eer tot zich genomen dan wel gestolen had, zou niet hebben bijgedragen tot verhooging van mijnheer Morgan’s reputatie. Hij was dus het beklagenswaardigste toonbeeld van ontzetting en teleurstelling.

„Hij zou mij te gronde richten? Ei?” dacht de majoor. „Ik zal hem verbrijzelen en voorgoed met hem afrekenen.”

Doch hier bedacht hij zich even. Hij zag jufvrouw Brixham’s ontstelde gezicht en overwoog tevens, dat die man, als hij tot het uiterste gebracht en in de gevangenis geworpen werd, zaken kon openbaren, die het beter was geheim te houden, zoodat het raadzaam was een kerel, die niets ontzag, niet te hard aan te tasten.

„Wacht eens, agent,” zeide hij. „Ik zal nog even met dezen mensch spreken.”

„Levert gij mijnheer Morgan aan mij over?” vroeg de politieagent.

„Ik heb nog geene bepaalde beschuldiging tegen hem ingebracht,” antwoordde de majoor, met een veelbeteekenenden blik op zijn knecht.

„Ik dank u, mijnheer,” fluisterde Morgan zeer zacht.

„Wilt ge even naar buiten gaan, agent, en daar wachten? – Nu, Morgan, gij hebt een spelletje met mij gespeeld, en zijt er niet goed afgekomen, vriendje. Neen, voor den drommel, gij zijt er niet goed afgekomen, ofschoon gij veel op mij vóór hadt; en nu moet gij ook betalen, schelm.”

„Ja, mijnheer,” zeide de man.

„Ik heb eerst verleden week de zaken leeren kennen, die gij drijft, schurk. De jonge De Boots, van het Blauwe regiment, herkende u als den man, die in de kazerne zaken is komen doen, een derde in geld, een derde in Eau de Cologne en een derde in Fransche prenten, verwenschte schijnheilige oude zondaar! Ik had niets gemist noch mij bekommerd om hetgeen gij tot u genomen hadt, aap; ik schoot maar in den wilde, maar ik raakte toch – ik raakte het wit, voor den drommel. Verduiveld, mijnheer, ik ben een oude vos!”

„Wat wilt gij van mij, mijnheer?”

„Dat zal ik u zeggen. Ik vooronderstel, dat gij uwe papieren in dat groote zakboek bij u draagt; is het zoo niet? Wilt gij het stuk van jufvrouw Brixham verbranden?”

„Mijnheer, ik ben niet voornemens mijn eigendom te vernietigen,” snauwde Morgan.

„Vijf jaar geleden hebt gij haar zestig pond geleend. Zij en die arme duivel van een klerk, haar zoon, hebben u sedert dien tijd elk jaar vijftig pond betaald; en gij hebt nog een akte van overdracht van hare meubelen en een acceptatie van honderd vijftig pond van haar gekregen. Dat heeft zij mij gisterenavond verteld. Bij den hemel, mijnheer, gij hebt die arme vrouw genoeg uitgezogen.”

„Ik geef het niet over,” zeide Morgan. „Als ik het doe, mag ik –”

„Agent!” riep de majoor.

„Gij zult het stuk hebben,” zeide Morgan. „Gij zult toch geen geld van mij eischen, – gij, een gentleman?”

„Ik zal u over eenige oogenblikken noodig hebben,” zeide de majoor tegen X., die binnenkwam, maar zich daarop weer verwijderde.

„Neen, waarde heer,” vervolgde de oude gentleman; ik wensch geen verdere geldzaken met u te hebben; maar wij zullen een klein papiertje opstellen, dat gij de goedheid zult hebben te teekenen. Neen, wacht! – gij moet het zelf schrijven; gij zijt in den laatsten tijd ontzaglijk vooruitgegaan in de schrijfkunst en hebt nu eene zeer goede hand. Ga zitten, en schrijf, als het u belieft – daar, aan die tafel – zoo – laat eens zien – wij moeten er den juisten datum bij zetten. Schrijf: „Bury Street, St. James, 21 October 18–.”

En Morgan schreef, gelijk hem bevolen was en hetgeen de onbarmhartige oude majoor hem verder voorzeide:

„Ik ondergeteekende, James Morgan, die doodarm ben gekomen in den dienst van den weledelgeboren heer Arthur Pendennis, van Bury Street in St. James’s, majoor in harer majesteits dienst, beken, dat ik vijftien jaren lang een ruim loon en kostgeld van mijn meester ontvangen heb. – Hiertegen zult gij wel niets in te brengen hebben,” zeide de majoor.

„Ontvangen heb,” schreef Morgan.

„Gedurende welken tijd ik, door mijn eigen beleid en spaarzaamheid,” dicteerde de ander voort, „genoeg geld heb weten bijeen te brengen, om het huis te koopen, waarin mijn meester woont, en bovendien nog nadere spaarpenningen over te leggen. Onder andere personen, van welke ik geld ontvangen heb mag ik mijne tegenwoordige huurster, jufvrouw Brixham, noemen, die, voor zestig pond, welke ik haar vijf jaar geleden geleend heb, mij de som van tweehonderd vijftig pond sterling heeft terugbetaald en mij bovendien een acceptatie van honderd twintig pond gegeven, die ik haar op verlangen van mijn gewezen meester majoor Arthur Pendennis teruggeef, terwijl ik te gelijk hare meubelen, van welke ik een akte van overdracht bezat, van het verband onthef. – Hebt gij dat geschreven?”

„Ik geloof dat ik jou, als dat pistool geladen was, voor den kop zou schieten,” zeide Morgan.

„Neen, dat zoudt gij niet. Gij stelt veel te veel prijs op uw eigen kostbaar leven, vriendje,” antwoordde de majoor. „Laten wij voortgaan en een nieuwen zin beginnen.

„„En daar ik mijn meesters welwillendheid vergolden heb door goederen van hem te stelen, die ik beken, dat boven op mijne kamer in mijne koffers liggen, en lasteringen ten opzichte van hem en andere geachte familiën heb verspreid, betuig ik bij deze, uit erkentelijkheid voor zijne goedertierenheid jegens mij, mijn leedwezen, dat ik die leugens verspreid en zijne goederen gestolen heb, en verklaar ik, dat ik geen geloof verdien en dat ik hoop – ja, voor den drommel, dat moet er in – „dat ik hoop mij in het vervolg te beteren.” Onderteeken dat nu, James Morgan.””

„Ik mag verd– worden als ik dat onderteeken,” zeide Morgan.

„Goede vriend, dat zal u toch weervaren, of gij het teekent of niet,” zeide de oude heer, zeer opgetogen over zijn eigen geestigheid. „Ik beloof u, ik zal dat stuk niet gebruiken dan wanneer ik, dat begrijpt ge, daartoe genoodzaakt word. Ik houd mij overtuigd, dat jufvrouw Brixham en onze vriend de diender tot getuigen zullen willen strekken, zonder het te lezen; en ik zal de oude jufvrouw haar acceptatie teruggeven en er bijvoegen, hetgeen gij bevestigen zult, dat ge quitte met elkander zijt. Ik zie daar, dat Frosch met de vigilante voor mijne koffers teruggekomen is: ik zal naar een logement gaan. – Kom maar binnen, agent; ik heb met mijnheer Morgan onzen kleinen twist geschikt. Als jufvrouw Brixham dit papier wilde teekenen, en gij, agent, dit ook wildet doen, zou ik u beiden zeer verplicht zijn. Jufvrouw Brixham, gij zijt niets meer schuldig aan uw achtenswaardigen huisheer, mijnheer Morgan. Ik wensch u toe, dat gij veel pleizier van hem moogt hebben. Laat Frosch binnenkomen en het overige van den boedel bijeenpakken.”

Onder het kalme toezicht van mijnheer Morgan droeg Frosch, door Slaafje bijgestaan, de koffers van majoor Pendennis naar de rijtuigen, die stonden te wachten; en jufvrouw Brixham kwam, toen haar vervolger niet in de nabijheid was, nogmaals binnen en bad ’s hemels zegen af op den majoor, haar redder en te gelijk den stilsten en vriendelijksten van alle heeren op kamers. Na haar een vinger gereikt te hebben, voor welken de nederige vrouw eene nijging maakte en boven welken zij eene met tranen afgewisselde toespraak wilde houden, sneed de majoor die afscheidsrede af en verliet het huis, om zich naar het hotel in Jermyn Street te begeven, dat niet ver van Morgan’s woning lag.

De laatstgenoemde keek onderwijl het venster uit en zond zijn vertrekkenden huisgenoot alles behalve zegenbeden na; doch de onversaagde oude heer was voor Morgan niet bang en wierp hem een blik van de grootste verachting en spotzucht toe, terwijl hij, op zijn rotting steunende, wegstrompelde.

Majoor Pendennis had zijne woning in Bury Street nog slechts weinige uren verlaten en mijnheer Morgan genoot zijn otium op deftige wijze en bekeek den avondmist onder het rooken eener sigaar op zijne stoep, toen de weledelgeboren heer Arthur Pendennis, de held dezer geschiedenis, zich aan die welbekende deur vertoonde.

„Oom is zeker uit, Morgan?” vroeg hij aan den knecht, daar hij zeer goed wist, dat het rooken in de nabijheid van den majoor met verraad gelijk stond.

„Majoor Pendennis is uit, mijnheer,” antwoordde Morgan met eene statige buiging, maar zonder het sierlijke mutsje aan te raken, dat hij ophad. „Majoor Pendennis heeft vandaag dit huis verlaten, mijnheer, en ik heb de eer niet meer in zijn dienst te zijn, mijnheer.”

„Wezenlijk? En waar is hij dan nu?”

„Ik geloof, dat hij voor het oogenblik kamers genomen heeft in het hotel van Cox in Jermyn Street,” zeide mijnheer Morgan en liet er, na een oogenblik zwijgens, op volgen: „Blijft gij eenigen tijd in de stad, mijnheer? Woont gij nog in den Temple? Ik zou gaarne de eer hebben u daar een bezoek te brengen, en ik zou u zeer dankbaar zijn indien gij mij een kwartiertje te woord wildet staan.”

„Wenscht gij, dat oom u weer zou terugnemen?” vroeg Arthur op den man af, maar alleen uit goedhartigheid.

„Neen, dat verlang ik in het geheel niet; ik zou hem liever –,” en bij die woorden keek de man hem eenige oogenblikken woest aan, doch hield zich in. „Neen, mijnheer, ik dank u,” zeide hij op zachter toon; „ik wenschte u alleen te spreken over zekere zaken, die u betreffen, en misschien zoudt gij mij het genoegen willen doen van binnen te komen.”

„Als het niet te lang duurt, wil ik u wel aanhooren, Morgan,” zeide Arthur en dacht bij zich zelven: „Ik denk, dat de kerel zich in mijne gunst wil aanbevelen,” waarop hij het huis binnentrad. Er stond reeds een papier voor het venster aan de straat, met het bericht dat er kamers te huur waren, en na mijnheer Pendennis in de eetkamer gelaten en hem een stoel aangeboden te hebben, nam Morgan er zelf een en begon hem zekere zaken mede te deelen, die de lezer reeds vernomen heeft.

ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN PENDENNIS ZIJNE REKENING OPMAAKT.

Onze vriend was pas dien dag te Londen aangekomen en wel slechts voor een kort bezoek, en na eenige zijner medereizigers te hebben achtergelaten in een hotel, waarheen hij hen uit het westen van Engeland begeleid had, haastte bij zich naar zijne kamers op Lamb Court, die zich in zooveel zonlicht bakerde als in dat sombere, doch niet geheel onherbergzame gebouw verkoos door te dringen. In den Temple vervangt de vrijheid den zonneschijn, en de Tempeliers grommen wel, maar maken het zich gemakkelijk. Pen’s bediende berichtte hem, dat Warrington zich ook weer op de kamers bevond, en natuurlijk begaf Arthur zich rechtstreeks naar het vertrek van zijn vriend, dat hij als vanouds, doortrokken vond van tabaksrook, terwijl George weer voor zijne couranten en tijdschriften zat te werken. Beiden groetten elkander met die ruwe hartelijkheid, waarmee jonge Engelschen elkander behandelen en waarbij eene groote mate van warmte en welwillendheid onder eene harde schors verborgen is. Warrington glimlachte en nam de pijp uit zijn mond met de woorden: „Zoo, jongetje!” Pen trad voorwaarts, strekte de hand uit en vroeg: „Hoe gaat het, ouwe jongen?” Aldus liep de ontmoeting af tusschen twee vrienden, die elkander in maanden niet gezien hadden. Alphonse en Frédéric zouden in elkanders armen zijn gevlogen en over elkanders schouders uitgegild hebben: „Ce bon coeur! ce cher Alphonse!” Max en Wilhelm zouden een half dozijn kussen, die naar Havana roken, op elkanders snorren gedrukt hebben. „Zoo, jongetje!” „Hoe gaat het, oude jongen?” is hetgeen twee Britten tegen elkander zeggen, nadat zij wellicht den vorigen dag elkander het leven hebben gered. Morgen zullen zij elkander zelfs de hand niet meer drukken en elkander slechts toeknikken wanneer zij aan het ontbijt komen. Zij stellen het volste vertrouwen in elkaar en dragen elkander de grootste achting toe; de een zou zijne beurs ter beschikking van den ander stellen en, wanneer hij zijn vriend hoorde gispen, in luide loftuitingen over hem losbarsten; doch zij verlaten elkander met een bloot „Goedendag!” en zien elkander terug met een eenvoudig „Hoe vaar je?” en in den tusschentijd schreven zij elkander in het geheel niet. Merkwaardige terughouding zonderlinge, stoïcijnsche deftigheid der Engelsche vriendschap! „Ja, wij zijn zoo hartstochtelijk niet als die verwenschte buitenlanders,” zegt Hardman, die niet alleen geen vriendschap aan den dag legt, maar die ook zijn leven lang niet gevoeld heeft.

„In Zwitserland geweest?” vraagt Pen. „Ja,” zegt Warrington, „ik kon geen tabak vinden die rookbaar was, voordat wij te Straatsburg kwamen, waar ik wat caporal machtig werd.” Het gemoed van den man is hoogst waarschijnlijk vervuld met de grootsche tafereelen, die hij gezien heeft, met de innige aandoeningen, waarmee de groote werken der natuur het hebben vervuld. Doch zijne geestdrift is te schuchter om zich, zelfs aan zijn vertrouwdsten vriend, uit te laten, en hij hult haar dus in eene wolk tabaksrook Hij zal echter openhartiger spreken op avonden waarop zij vertrouwelijk bij elkander zitten, en met vuur en geestdrift schrijven over hetgeen hij te schuw is om te vertellen. De denkbeelden en ervaringen, die hij op zijne reis heeft opgedaan, zullen uit zijne geschriften blijken, evenals de geleerdheid, die hij nooit in zijn spreken toont, zijn stijl doet uitblinken door treffende toespelingen en schitterende toelichtingen, zijn edele welsprekendheid bezielt en puntigheid bijzet aan zijn geest.

De oudste geeft een vluchtig verslag van de plaatsen, die hij op zijne reis bezocht heeft. Hij heeft Zwitserland, Noord-Italië en Tirol gezien, en is over Weenen, Dresden en den Rijn huiswaarts gekeerd. Hij spreekt over die plaatsen met eene gesmoorde, onwillige stem, alsof hij er liever in het geheel geen gewag van maakte en het zien daarvan hem zeer onaangenaam had aangedaan. Nadat de oudste van beiden op die bedrukte wijze eene schets van zijne reis heeft gegeven, begint de jongste te spreken. Hij heeft op het land vertoefd – zich geweldig verveeld – toebereidselen gemaakt voor de verkiezing – alles ging heel saai toe – hij is hier voor een paar dagen en gaat naar – naar de omstreken van Tunbridge Wells, naar eenige vrienden – dat zal ook heel saai wezen.

„En hoe staat het met de plaats in het parlement, Pen? Hebt gij alles in orde?” vraagt Warrington.

„Alles in orde,” geeft Pen ten antwoord; „zoodra het parlement bijeenkomt en eene nieuwe verkiezing kan worden uitgeschreven, legt Clavering zijn mandaat neer en treed ik in zijne plaats op.”

„En onder welk vaandel zult gij strijden?” vroeg Warrington. „Zullen wij ons doen kennen als een conservatief liberaal, of als een ministerieel, of als een onafhankelijke?”

„Hm! Er bestaat tegenwoordig eigenlijk geen politiek meer; of liever, allen hebben nagenoeg dezelfde politiek. Ik bezit geen landerijen genoeg om een protectionist te zijn, en ik geloof ook, dat ik, al bezat ik al het land van het gansche graafschap, er geen zou kunnen zijn. Ik zal doorgaans het gouvernement ondersteunen en in sommige quaestiën, die ik gedurende de vacantie bestudeerd heb, verder gaan dan de regeering. Grinnik maar niet, oude cyniker; ik heb inderdaad de parlementsstukken doorgelezen, en mij voorgenomen, bij de vraagstukken over den publieken gezondheidstoestand en over de kolonisatie, goed beslagen ten ijs te komen.”

„Wij behouden ons voor, desnoods tegen het gouvernement te stemmen, ofschoon wij het over het algemeen gunstig gezind zijn. Wij zijn echter vrienden van het volk avant tout. Wij houden voordrachten in de leeszaal te Clavering en drukken knappe werklieden hartelijk de hand. Wij zijn van oordeel, dat het stemrecht aanzienlijk moet uitgebreid worden, maar te gelijker tijd zien wij er geen bezwaar in een postje aan te nemen, zoodra de Kamer eenige puntige redevoeringen van ons aangehoord en de regeering onze talenten opgemerkt heeft.”

„Ik ben geen Mozes,” zeide Pen, als naar gewoonte op eenigszins weemoedigen toon. „Ik heb geen wetten uit den hemel ontvangen, om die van den berg aan het volk te verkondigen. Ik behoor in het geheel niet tot de bergpartij, noch werp mij op tot een leider en hervormer der menschheid. Daarvoor is mijn geloof niet sterk, en mijne ijdelheid of schijnheiligheid niet groot genoeg. Ik zal geen onwaarheden vertellen, dat beloof ik u, George, en met geen meerdere leugens instemmen dan onvermijdelijk en algemeen aangenomen zijn, als muntstukken, die niet afgeschaft kunnen worden zonder ze alle buiten cours te brengen. Laat mij ten minste voordeel trekken van mijne twijfelzucht. Als ik bespeur, dat ik in het parlement iets goeds weet te zeggen, dan zal ik het zeggen; wordt er een goede maatregel voorgesteld, ik zal dien ondersteunen; komt er eene goede betrekking voor, ik zal ze aannemen en mij over mijn geluk verblijden. Maar ik zal evenmin de grooten als het volk vleien; en nu weet gij ongeveer zooveel van mijne politiek als ik zelf. Welke roeping heb ik, om een Whig te zijn? De beginselen der Whig’s zijn geen goddelijke instelling. Waarom zou ik niet stemmen met de liberale conservatieven? Deze hebben voor de natie gedaan hetgeen de Whig’s nooit zonder hunne hulp zouden hebben kunnen tot stand brengen. Wie zijn het, die hen beiden hebben bekeerd? De radicalen en de natie als geheel. Ik geloof, dat de Morning Post dikwijls gelijk en Punch dikwijls ongelijk heeft. Ik beweer niet, dat ik eene roeping heb, maar ik maak gebruik van de gelegenheid. Parlons d’autre chose.”

„Wat u, na de eerzucht, het naast aan het hart ligt, is waarschijnlijk de liefde?” zeide Warrington. „Hoe is het met onze jeugdige minnarijen gegaan? Hebben wij besloten van levenswijze te veranderen en onze kamers op te zeggen? Gaat gij van mij scheiden, Arthur, en eene vrouw nemen?”

„Waarschijnlijk. Zij is zeer goedhartig en levendig. Zij zingt, en heeft niets tegen het rooken. Zij zal een aardig fortuintje hebben – ik weet nog niet hoeveel – maar mijn oom verwacht alles van de mildheid der begum en zegt, dat zij diep in de beurs zal tasten. En ik geloof, dat Blanche verduiveld veel van mij houd,” zeide Arthur met een zucht.

„Hetgeen wil zeggen, dat wij ons hare liefkoozingen en haar geld laten welgevallen.”

„Hebben wij niet reeds vroeger gezegd, dat het leven eene minnelijke schikking was?” merkte Pendennis aan. „Mij zal het hart niet om haar breken. Ik heb haar vrij rondborstig verklaard wat mijne gevoelens waren en – en – ik heb mij met haar geëngageerd. En sedert ik haar het laatst gezien heb, en inzonderheid de beide laatste maanden, die ik op het land heb doorgebracht, geloof ik dat zij meer en meer van mij is gaan houden. Dit schijnt wel te blijken uit hare brieven aan mij en vooral aan Laura. De mijne zijn hoogst eenvoudig geweest; gij begrijpt, dat er niets van verrukking of beloften in voorkwam, maar dat ik de zaak als een affaire faite beschouwde, en geen bijzondere begeerte aan den dag legde om de voltrekking er van te bespoedigen of uit te stellen.”

„En Laura? hoe gaat het haar?” vroeg Warrington heel ongedwongen.

„Laura, George,” zeide Pen, zijn vriend in de oogen ziende, – „bij den hemel, Laura is het beste, edelste en liefste meisje onder de zon.” Zijne stem begon zelve bij die woorden te haperen; het was alsof hij ze ternauwernood kon uitbrengen; en hij strekte zijne hand naar zijn metgezel uit, die ze aannam en hem toeknikte.

„Hebt ge dat nu pas ontdekt, jongetje?” zeide Warrington na een oogenblik zwijgens.

„Wie is er, die niet te laat heeft geleerd, George?” riep Arthur op zijne driftige wijze uit en vond woorden en aandoeningen onder het verder spreken. „Wiens leven is niet eene teleurstelling? Wie is er, die zijn hart geheel onverminkt in het graf meeneemt? Ik heb nog nooit iemand gezien, die volmaakt gelukkig was. Wie heeft zich niet ten koste van den eenen of anderen dierbaren schat uit de handen van het Noodlot moeten loskoopen? Gelukkig indien wij, na onze boete betaald te hebben, met rust worden gelaten en de tiran ons niet meer komt opzoeken. Neem eens aan, dat ik ontdekt had dat ik den kostbaarsten prijs ter wereld had verloren, nu die niet meer de mijne kan zijn, – dat ik jaren lang een engel onder mijne tent had geherbergd en die heb laten heengaan, – ben ik dan de eenige, och, beste vriend, ben ik de eenige, die dat gedaan heeft? En zoudt gij denken, dat mijn lot gemakkelijker te dragen is omdat ik beken, dat ik het verdien? Zij heeft ons verlaten. Gods zegen over haar! Zij had kunnen blijven en ik heb haar laten gaan; het is als met Ondine, niet waar, George?”

„Eenmaal is zij in deze kamer geweest,” zeide George.

Hij zag haar daar – hij hoorde hare lieve, zachte stem – hij zag haar zoeten glimlach en die oogen, welke zoo vriendelijk straalden – haar gelaat, dat hij zich met zooveel aandoening herinnerde, waaraan hij in zoovele doorwaakte nachtelijke uren gedacht had, dat hij altijd had gezegend en bemind, en dat nu verdwenen was! Een glas, waarin een ruiker gestaan, een Bijbel met een woordje van Helena’s hand er in, – dit was alles wat hem van dien korten bloeitijd zijns levens overbleef. Men zegge, dat het een droom was en dat die vervliegt: de herinnering aan een droom is beter dan het nutteloos ontwaken uit eene stomme verdooving.

De beide vrienden zaten eene wijle zwijgend bij elkander, ieder met zijn eigen gedachten bezig en bewust van die van den ander. Pen verbrak de stilte eindelijk door te verklaren, dat hij zijn oom moest gaan bezoeken, om den ouden heer verslag te doen van den stand der zaak. De majoor had in eene zeer kwade luim geschreven. Hij gevoelde, dat hij oud begon te worden. „Ik zou, voordat ik aftreed, u gaarne opgenomen zien in het parlement en op uw gemak gevestigd in een deftig huis en met een erfgenaam van den familienaam. Laat mij dit alles beleven,” schreef de majoor, „en dan zal de oude Arthur Pendennis gaarne plaats maken voor het jongere geslacht; hij heeft lang genoeg het plaveisel van Pall Mall bewandeld.”