Geschiedenis van Arthur Pendennis

Part 88

Chapter 884,074 wordsPublic domain

De arme weduwe had den drank met haar eigen penningen moeten koopen, en daarom gebruikte Morgan er des te rijkelijker van. Juist had hij zijn avondmaal genuttigd en ledigde hij zijn derde glas, toen de oude Pendennis uit zijne club terugkwam en de trap opging naar zijne kamers. Mijnheer Morgan vloekte als een razende Roeland over Pendennis en diens schel, toen hij deze laatste hoorde klinken, en dronk bedaard zijn glas grog uit, eer hij op die aanmaning naar boven ging.

Stilzwijgend verdroeg hij de vloeken, die hij weer over zijne trage komst ontving, en het was beneden de waardigheid van den majoor, de woede, die den man bezielde, in diens gloeiend gelaat en vlammende oogen te lezen. Het voetbad voor den ouden heer stond bij den haard en zijne kamerjapon en pantoffels lagen hem te wachten. Morgan knielde neer, om met passende ondergeschiktheid Pendennis’ laarzen uit te trekken, en terwijl de majoor hem van boven vervloekte, bromde Morgan eene reeks van verwenschingen aan zijne voeten. Toen dus Pendennis uitriep: „Voor den duivel, kerel, let op die souspieds: – wel vervl–, trek mij den voet niet af!” toen drukte Morgan sotto voce den wensch uit, om hem te worgen, te verdrinken, of hem de hersens in te slaan.

Nadat de laarzen waren uitgetrokken, was het noodig den heer Pendennis van zijn rok te ontdoen, en daarvoor moest de bediende natuurlijk zeer dicht bij zijn meester komen, zoo dicht, dat Pendennis wel moest opmerken waarmee mijnheer Morgan zich het laatst had beziggehouden, hetgeen de majoor in die eenvoudige en krachtige taal te kennen gaf, waarmee heeren soms gewoon zijn hunne bedienden te bejegenen, door Morgan te verwijten, dat hij een dronken zwijn was en naar den brandewijn rook.

Nu echter verloor de knecht zijn geduld, sloeg alle ondergeschiktheid in den wind, en brak los: „Ei! ben ik dronken? Ei! ben ik een zwijn? Ei! ben ik verd–? jou gemeene ouwe schelm! Wat let mij, jou de hersens in te slaan of je in een emmer water te verdrinken. Denk je, dat ik nog langer je verwenschte brutaliteit zal verduren, ouwe Pruikenburg? Knars maar niet de tanden, grijzende ouwe baviaan! Kom maar op, als ge een man zijt en een man staan durft! Ha, lafaard een mes! een mes!”

„Als ge een stap nader komt, steek ik het je tusschen de ribben,” zeide de majoor terwijl, hij een mes opnam, dat in zijne nabijheid op tafel lag. „Ga naar beneden, dronken beest, en verlaat het huis; stuur morgenochtend om uw boekje en uw loon, en kom mij met uw brutale gezicht nooit meer onder de oogen. Uw verd– onbeschaamdheid is in de laatste maanden aanhoudend toegenomen. Gij zijt te rijk geworden en niet meer geschikt om mij te dienen. De kamer uit en het huis uit!”

„En waar zou ik dan buitenshuis heen moeten?” vroeg de knecht. „Zou het morgenochtend niet evengoed gaan? – toetafée meme sjose, siveplée, mesjeu.”

„Zwijg, ellendeling, en ga heen!” schreeuwde de majoor.

Morgan begon op onheilspellende wijze te lachen. „Luister eens, Pendennis,” zeide hij en ging daarbij zitten, „sedert ik op de kamer ben gekomen, hebt ge mij zwijn, beest en hond genoemd, en mij verd–, niet waar? Hoe denkt gij, dat zulke taal den eenen man van den anderen smaakt? Hoeveel jaren heb ik u gediend, en hoeveel vervloekingen hebt gij mij nevens mijn loon geschonken? Houdt gij een mensch voor een hond, dien gij op deze manier kunt toespreken? Waarom zou ik niet een weinigje drinken, als ik daartoe lust gevoel? Ik heb in mijn tijd menig gentleman dronken gezien en het misschien van hen geleerd. Ik ben niet van plan dit huis te verlaten, ouwe jongen; en wil ik je eens vertellen waarom niet? Het huis is mijn huis, elk meubelstuk behoort mij toe, behalve uwe oude lorren en uw stortbad en uwe pruikedoos. Ik zeg u nog ééns, dat ik door eigen vlijt en spaarzaamheid dit huis heb kunnen koopen. Voor elke vijftig pond, die gij of uw verwenschte verwaande neef kan toonen, kan ik er u honderd laten zien. Ik heb u eerlijk gediend en de nu verloopen twaalf jaren alles voor u gedaan; en moet ik nu een hond zijn? Moet ik nu een zwijn wezen? Dat is taal voor gentlemen, maar niet voor menschen van onzen stand. Ik wil het nu niet langer verdragen. Ik zeg u den dienst op, want ik heb er genoeg van; ik verzeker u, dat ik lang genoeg uw oude pruik gekamd en uw oude lendebanden aangegespt heb. Kijk mij maar zoo woest niet aan! op mijn eigen stoel, in mijn eigen kamer, zit ik u de waarheid te zeggen. Ik wil niet langer uw zwijn en uw beest en uw hond zijn, gepensioneerd majoor Pendennis!”

Toen de woede van den ouden heer op het plotselinge verzet van zijn bediende stuitte, werd zij door dien schok getemperd en bekoeld, zoo goed alsof er een stortbad of een emmer koud water onverwacht over hem ware uitgestort. Toen die uitwerking teweeggebracht en zijne drift gestild was, had Morgan’s toespraak hem belangstelling ingeboezemd en begon hij zelfs een zeker ontzag voor zijn tegenstander en diens moed om hem het hoofd te bieden, te koesteren, gelijk hij in vroegere dagen in de schermzaal de tegenpartij zou bewonderd hebben, die hem geraakt had.

„Gij zijt niet langer in mijn dienst,” zeide de majoor, „en het huis kan u toebehooren; maar deze kamers heb ik gehuurd en gij zult wel zoo goed zijn die te verlaten. Morgenochtend zal ik, zoodra wij onze rekening vereffend hebben, andere kamers betrekken. In den tusschentijd wensch ik te slapen en heb ik niet de minste begeerte naar uw verder gezelschap.”

„Wij zullen tot eene vereffening komen, wees daarover maar niet bezorgd,” zeide Morgan en stond op; „want ik heb nog niet afgedaan met u, noch met uwe familie, noch met de familie Clavering, majoor Pendennis, en dat zult gij gewaar worden.”

„Wees zoo goed de kamer te verlaten, mijnheer, ik ben vermoeid,” zeide de majoor.

„Ha, gij zult nog wel vermoeider worden eer gij van mij af zijt,” antwoordde de man met een spottenden grijns en ging de kamer uit, terwijl hij den majoor alleen liet om na dit buitengewone tooneel weer zoo goed hij kon tot bedaren te komen.

Hij ging in het hoekje van den haard over de vroegere gebeurtenissen en over de verwenschte onbeschaamdheid en ondankbaarheid der bedienden zitten mijmeren en overlegde hoe hij een nieuwen knecht zou krijgen; hoe drommels onpleizierig het was voor een man op zijn leeftijd en met zijne gewoonten, van een kerel te moeten scheiden aan wien hij gewend was; hoe Morgan een recept voor schoensmeer bezat, dat onvergelijkelijk beter en gemakkelijker was, dan eenig mengsel, dat hij ooit beproefd had; hoe goed hij bouillon kon maken, en hoe trouw hij hem bij ziekte oppaste. „Het is drommels hard zulk een kerel te verliezen, maar hij moet weg,” dacht de majoor. „Hij is rijk en sedert dien tijd onbeschaamd geworden. Wat was hij van avond vreeselijk dronken en brutaal! Wij moeten scheiden en ik moet deze kamers verlaten. Het spijt mij wel, want zij bevallen mij en ik ben er aan gewoon. Op mijn leeftijd te moeten verhuizen is zeer onpleizierig.” In dier voege peinsde de oude heer voort. Het stortbad had hem goedgedaan; zijne korzeligheid was overgegaan, en hij had het verlies der paraplu en den verfreuk in de club vergeten door de later gevolgde grootere spanning. „Die brutale rekel!” dacht de oude heer. „Hij wist juist wat ik behoefde en was de beste knecht in geheel Engeland.” Hij dacht over zijn bediende zooals iemand over een paard denkt, dat hem lang en goed gedragen heeft, maar nu met hem gestort is en niet langer te vertrouwen is. Hoe drommel zal hij het vervangen? Waar zal hij een tweede dier van dien aard vinden?

De majoor zat naast zijn vuur in dit somber gepeins verdiept, na zelf zijne kamerjapon aangetrokken, zijn zakdoek om zijn hoofd gewonden en zijne pruik afgezet te hebben (waarin mijnheer Truefitt onlangs wat grijs had gebracht, hetgeen den majoor een zeer natuurlijk en achtbaar voorkomen bijzette), toen er bedeesd aan zijne deur geklopt en deze onmiddellijk daarop door zijne huisjufvrouw geopend werd.

„Heere bewaar me! jufvrouw Brixham!” riep de majoor uit, vol schrik dat eene dame hem in het simple appareil van zijn nachtgewaad zag. „Het is – het is al zeer laat, jufvrouw Brixham.”

„Zou ik u een oogenblik mogen spreken, mijnheer?” vroeg de jufvrouw op zeer klaaglijken toon.

„Zeker over Morgan? Heeft hij zich onder de pomp bekoeld? Ik kan hem niet weer in mijn dienst nemen, jufvrouw Brixham. Onmogelijk. Ik had reeds vroeger besloten hem te ontslaan, toen ik vernam dat hij zich met geldschieten ophield. Daarvan hebt ge toch zeker ook wel gehoord, jufvrouw Brixham? Mijn knecht is een kapitalist, voor den drommel!”

„O, mijnheer,” antwoordde jufvrouw Brixham, „dat weet ik tot mijn ongeluk. Vijf jaren geleden leende ik een sommetje van hem, en ofschoon ik hem dat reeds vele malen terugbetaald heb, ben ik geheel in zijne macht. Hij heeft mij geruïneerd, mijnheer. Al wat ik bezat, behoort hem toe. Het is een verschrikkelijk mensch.”

„Ei, ei, jufvrouw Brixham? Tant pis, – het spijt mij, dat gij er zoo bij staat, en dat ik, na hier zoo lang gewoond te hebben, uw huis moet verlaten. Maar er is niets aan te doen; ik moet vertrekken.”

„Hij zegt, dat wij er allen uit moeten, mijnheer,” snikte de rampzalige weduwe. „Hij kwam zoo even naar beneden – hij had gedronken en dan is hij altijd zeer kwaadaardig – en zeide, dat gij hem beleedigd en voor een hond uitgescholden en hard behandeld hadt; en hij zwoer dat hij wraak zou nemen, en – en ik ben hem honderd twintig pond schuldig, mijnheer – en hij heeft een bewijs van eigendom van al mijne meubelen – en zegt, dat hij mij uit het huis zal zetten en mijn armen George in de gevangenis werpen. Die man is de ruïne van mijne familie geweest.”

„Het spijt mij verduiveld, jufvrouw Brixham. Ga zitten. Wat kan ik voor u doen?”

„Zoudt gij onze voorspraak niet bij hem willen wezen? George zal de helft van zijn salaris afstaan en mijne dochter kan ook iets zenden. Als gij maar wildet blijven, mijnheer, en een vierendeel jaars huur vooruitbetalen –”

„Lieve jufvrouw, daartegen zou ik volstrekt geen bezwaar hebben, indien ik hier bleef wonen. Maar dat kan ik niet doen, en ik ben niet rijk genoeg om twintig pond weg te werpen, jufvrouw-lief. Ik ben een arm gepensioneerd officier, en heb elken duit noodig, dien ik bezit, waarlijk. Als eene kleine som helpen kan – een pond of vijf bij voorbeeld – dan wil ik er mij niet aan onttrekken en zal het mij genoegen doen als ik u van dienst kan zijn. Ik zal het u morgenochtend gaarne geven; maar – het wordt laat en ik heb eene reis met den spoortrein achter den rug.”

„Gods wil geschiede, mijnheer,” zeide de arme vrouw, hare tranen drogende, „ik moet mijn lot dragen.”

„En het is verduiveld hard. Ik beklaag u van harte, jufvrouw Brixham. Nu, als ge er niets tegen hebt, zal ik – zal ik er tien pond van maken. Goedennacht!”

„Toen Morgan beneden kwam, mijnheer, en ik hem verzocht medelijden met mij te hebben en hem verweet dat hij mijn gezin geruïneerd had, zeide hij iets, dat ik niet volkomen begreep, namelijk, dat hij iedereen hier in huis zou ruïneeren, dat hij iets wist hetgeen u ook te gronde zou richten, – en dat hij u uwe brutaliteit zou betaald zetten. Ik moet u bekennen, mijnheer, dat ik mij voor hem op de knieën heb geworpen, en toen zeide hij mij, met een zwaren vloek tegen u, dat hij u ook nog voor hem op de knieën zou doen vallen.”

„Mij? – Bij den hemel, dat is al te kluchtig! Waar is de gemeene fielt?”

„Hij is uitgegaan, mijnheer, en zeide, dat hij u morgenochtend wel zou spreken. O, tracht hem toch tot bedaren te brengen, en mij en mijn armen jongen te redden!” En met die bede ging de weduwe heen om den nacht door te brengen zoo goed het gaan wilde en met schrik den morgen te gemoet te zien.

De laatste woorden, die majoor Pendennis betroffen hadden, ergerden hem zoo zeer, dat hij door het nadenken over zijn eigene omstandigheden geheel en al de rampen van jufvrouw Brixham vergat.

„Mij op de knieën doen vallen?” dacht hij, toen hij in bed stapte: „die onbeschaamde vlegel! Wie heeft mij ooit op mijne knieën zien liggen? Wat duivel weet de kerel? Ik heb in de laatste twintig jaren geen enkele affaire gehad. Ik tart hem.” En daarop keerde de oude krijgsman zich om en viel in een zeer gezonden slaap. De voorvallen van den dag – den laatsten, zoo besloot hij, dien hij in Bury Street zou hebben doorgebracht – hadden hem geprikkeld en vermaakt. „Het is onmogelijk te blijven wonen met een knecht, die den baas wil spelen, en eene hospita, die bankroet is. Wat kan ik ten voordeele van die arme vrouw doen? Ik zal haar twintig pond geven – daar zijn de twintig pond van Warrington, die hij juist betaald heeft; maar waartoe zal het dienen? Zij zal aanhoudend meer noodig hebben, en die roofvogel van een Morgan zal alles opzwelgen. Neen, voor den drommel, ik ben niet rijk genoeg om arme lui te kennen; en morgen zeg ik allen, zoowel jufvrouw Brixham als mijnheer Morgan, vaarwel.”

NEGEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN DE MAJOOR NOCH ZIJNE BEURS NOCH ZIJN LEVEN AFSTAAT.

Den volgenden morgen vroeg werden Pendennis’ vensterluiken door Morgan opengezet, die, naar gewoonte, met een ernstig en eerbiedig gezicht verscheen en de kleeren, de kannen water en de omslachtige toiletbehoeften van den ouden heer meebracht.

„Zoo! zijt gij het?” riep de oude man van zijn bed. „Ik kan u niet terugnemen; dat begrijpt ge toch wel.”

„Ik heb niet de minste begeerte om teruggenomen te worden, majoor Pendennis,” antwoordde mijnheer Morgan met kalme waardigheid, „noch om u of iemand anders te dienen. Maar daar ik wensch, dat gij op uw gemak zult zijn zoolang gij u in mijn huis bevindt, ben ik boven gekomen om het noodige te verrichten.” En nogmaals, en thans voor de laatste maal, plaatste mijnheer James Morgan de zilveren toiletdoos op tafel en zette het blinkende scheermes aan.

Na deze diensten bewezen te hebben, richtte hij zich met onbeschrijfelijke deftigheid tot den majoor en voegde hem toe: „Daar ik dacht, dat gij waarschijnlijk een fatsoenlijk man zoudt noodig hebben tot gij met een bediende slagen kunt, heb ik er gisterenavond een jonkman over gesproken, die nu hier is.”

„Wezenlijk?” riep de krijgsman uit zijne tent.

„Hij heeft bij de eerste familiën gediend en ik kan voor zijne fatsoenlijkheid instaan.”

„Gij zijt verbazend beleefd,” grinnikte de oude majoor. Om de waarheid te zeggen, had Morgan, na het gebeurde van den vorigen avond, zich naar zijne club begeven, en toen hij daar Frosch aantrof, een koerier en kamerdienaar, die juist van eene buitenlandsche reis met den jongen Lord Cubley teruggekeerd en voor het oogenblik buiten dienst was, aan Frosch verteld, dat hij „een verduiveld standje met zijn ouwe had gehad” en het vak nu geheel liet varen, zoodat Frosch, indien hij een noodhulpdienst verlangde, dezen waarschijnlijk zou kunnen bekomen door zich in Bury Street aan te melden.

„Gij zijt zeer beleefd en uw aanbeveling is natuurlijk van veel gewicht,” zeide de majoor.

Morgan bloosde, want hij gevoelde, dat zijn meester hem voor den gek hield. „Die man heeft u reeds vroeger bediend, mijnheer,” zeide hij zeer deftig. „Lord de la Pole, mijnheer, heeft hem aan zijn neef den jongen Lord Cubley meegegeven en met hem heeft hij buitenslands gereisd: doch daar Frosch niet wilde meegaan naar Fitzurse Castle, omdat hij eene zwakke borst heeft en de kille lucht van Schotland niet verdragen kan, is hij in de gelegenheid al dan niet in uw dienst te treden, naar uwe verkiezing.”

„Ik zeg nog eens, mijnheer, dat gij uitstekend beleefd zijt,” hernam de majoor. „Kom binnen, Frosch – gij staat mij nog al aan. Mijnheer Morgan, zoudt gij de bijzondere goedheid willen hebben –”

„Ik zal hem zeggen wat hij doen moet, mijnheer, en hoe gij het gewoon zijt. Verkiest gij hier te ontbijten, of in de club, majoor Pendennis?”

„Als gij het mij veroorlooft, zal ik hier ontbijten, en daarna zullen wij onze kleine rekening vereffenen.”

„Als het u belieft, mijnheer.”

„Wilt ge mij nu het genoegen doen, mijne kamer te verlaten?”

Morgan verwijderde zich. De bovenmatige beleefdheid van zijn gewezen meester kwetste hem bijna even diep als diens bitterste scheldwoorden hadden gedaan. En terwijl de oude heer zijn geheimzinnig toilet maakt, zullen ook wij ons bescheiden verwijderen.

Na het ontbijt hield majoor Pendennis zich, met zijn nieuwen adjudant, met toebereidselen tot het vertrek bezig. De boedel van den ouden vrijgezel was niet zeer omslachtig. Hij belastte zich met geen nuttelooze kleeren. Zijne letterkundige en kunstverzamelingen bestonden uit een Bijbel (dien van zijne moeder), een reisgids, Pen’s roman (sierlijk in leder gebonden) en de Depèches van den hertog van Wellington, benevens eenige prenten, kaarten en portretten van dien beroemden veldheer, van verschillende vorsten en vorstinnen van dit land, en van den generaal onder wien majoor Pendennis in Indië gediend had. Hij kon dus altijd binnen weinige uren marschvaardig zijn, en de kisten, waarmee hij vijftien jaar geleden zijne goederen naar deze kamer vervoerd had en die nu op zolder stonden, waren nog altijd ruim genoeg om zijn geheelen inboedel te bergen. Die kisten bracht het meisje, dat het huiswerk verrichtte en door hare meesteres Betty, maar door Morgan Slaafje genoemd werd, uit hare bergplaats te voorschijn en stofte en reinigde die onder het oog van den verschrikkelijken Morgan. Hij gedroeg zich bedaard en deftig; vooralsnog had hij tegen jufvrouw Brixham geen woord verder over zijne bedreigingen van den vorigen avond gesproken, maar hij zag er wel naar uit alsof hij die zou vervullen, en sidderend wachtte de arme weduwe haar lot af.

Met zijn rotting in de hand hield de oude Pendennis het toezicht over het inpakken zijner goederen en voorwerpen door mijnheer Frosch, terwijl Slaafje de papieren verbrandde, die hij niet wilde bewaren; hij wierp de deuren en kastjes open, om te zien of alles ledig was; en thans waren alle kisten en koffers gesloten, met uitzondering van zijn lessenaar, die gereed stond om de laatste rekeningen van mijnheer Morgan te ontvangen.

Deze verscheen daarop, bracht zijne boekjes mede, en zeide bij het binnentreden: „Daar ik u afzonderlijk wensch te spreken, zult gij misschien wel zoo goed willen zijn, Frosch naar beneden te zenden.”

„Haal als het u belieft een paar vigilanten, Frosch – en blijf beneden wachten tot ik om u schel,” zeide de majoor. Morgan wachtte tot Frosch beneden was, keek hem langs de straat na toen hij zijne boodschap ging doen en bracht zijne boekjes en rekeningen ter tafel, die van zeer eenvoudigen aard en dus spoedig vereffend waren.

„En thans, mijnheer,” zeide hij, na het wisseltje, dat zijn gewezen meester hem gaf, op zak gestoken en met mooie krulletters gequiteerd te hebben, „nu de rekening tusschen ons afgesloten is, mijnheer,” vervolgde hij, „wil ik eens tot u spreken als de eene man tot den anderen” (Morgan hoorde gaarne zijn eigen stem en voerde dus, hetzij in de club, hetzij in de huishoudsterskamer het woord, telkens als er maar gelegenheid toe was) „en moet ik u zeggen, dat ik van goederhand ingelicht ben.”

„En mag ik vragen waarover gij ingelicht zijt?” zeide de majoor.

„Het zijn inlichtingen van groot belang, majoor Pendennis, zooals gij zeer goed weet. Ik weet van een huwelijk, dat geen huwelijk is – van een baronet, die evenmin getrouwd is als ik, en wiens vrouw met een ander gehuwd is, gelijk gij evenzeer weet, mijnheer.”

Pendennis doorzag oogenblikkelijk alles. „Ha! dit is dan de sleutel van uw gedrag. Gij hebt zeker aan de deur staan luisteren, mijnheer,” zeide de majoor, zeer uit de hoogte; „ik vergat naar het sleutelgat te kijken in die herberg; anders had ik wel kunnen vermoeden wie er achter stond.”

„Ik mag toch zeker wel mijne bedoelingen hebben, gelijk gij de uwe?” antwoordde Morgan. „Ik mag evengoed als iemand anders berichten inwinnen, en mij daarnaar regelen en er partij van trekken? Een arme knecht mag immers toch ook wel eens een buitenkansje hebben, evenals een gentleman? Trek maar zulk een voornaam gezicht niet, mijnheer, en tracht niet tegen mij den aristocraat te spelen. Dat is met mij altemaal verloren moeite. Ik ben een Engelschman, dat ben ik, evengoed als gij.”

„Waar wilt gij voor den duivel heen? Ik zou wel willen weten in welk opzicht het geheim, dat gij ontdekt hebt, mij aangaat,” zeide majoor Pendennis met groote majesteit.

„In welk opzicht het mij aangaat! Men zou zeggen! Wat houden wij ons onnoozel! In welk opzicht gaat het onzen neef misschien aan? en zijne plaats in het parlement? en de medeplichtigheid aan bigamie? Wat gaat u dit alles aan? Zoudt gij de eenige man zijn, die een geheim bezat en er gebruik van maakte? Waarom zouden wij niet deelen, majoor Pendennis? Ik heb het ook ontdekt. Luister eens! ik wil niet onredelijk zijn. Beloon mij goed en ik houd het voor mij. Laat Arthur zijn lidmaatschap en zijne rijke vrouw hebben, als gij dat goedvindt; ik heb geen lust haar te trouwen. Doch ik wil mijn deel; zoo zeker als mijn naam James Morgan is. En als ik het niet krijg –”

„En als gij het niet krijgt, mijnheer, – wat dan?” vroeg majoor Pendennis.

„Als ik het niet krijg, dan klap ik en vertel alles. Ik zal Clavering te gronde richten en hem met zijne vrouw wegens dubbel huwelijk te recht doen staan, – dat zal ik doen, zoo waarlijk helpe mij – ! Ik werp het huwelijk van den jongen windbuil in duigen, en stel u en hem ten toon, dat gij van dit geheim gebruik hebt gemaakt, om Sir Francis eene plaats in het parlement en zijne vrouw een fortuin te ontfutselen.”

„Mijnheer Pendennis weet even weinig van deze zaak als een pasgeboren kind.” riep de majoor met ontzetting uit, „evenmin als Lady Clavering en jufvrouw Amory.”

„Maak dat de poes wijs, majoor,” antwoordde de knecht; „die vlieger gaat bij mij niet op.”

„Twijfelt gij aan mijn woord, fielt?”

„Geen schelden, als het u belieft. Het is mij glad onverschillig, of gij al dan niet de waarheid spreekt. Ik zeg u, dat ik mij voorgenomen heb, majoor, dat dit geval mij een aardige lijfrente zal opbrengen, want ik heb u allen in de knip en zal niet zoo dwaas zijn u te laten ontsnappen. Het komt mij voor, dat gij onder elkander gemakkelijk vijfhonderd pond ’s jaars kunt bijeenbrengen. Pas mij het eerste kwartaal op staanden voet neer en ik ben stom als een visch. Geef mij maar een papiertje voor honderd vijf en twintig pond; uw bankiersboek ligt daar nog op uw lessenaar.”

„En dit ligt er ook nog, schelm,” riep de oude heer uit. In den lessenaar namelijk, waarop de knecht wees, lag een klein pistool met dubbelen loop, dat aan Pendennis’ ouden chef, den Indischen opperbevelhebber, toebehoord en hem gedurende menigen veldtocht vergezeld had. „Als gij nog een woord spreekt, schurk, schiet ik u als een dollen hond neer. Wacht – bij den hemel, ik zal het nu maar dadelijk doen! Zoudt gij mij durven aanranden? Zoudt gij, leugenachtige lafaard, een oud man willen slaan? Kniel neer en doe uw gebed, mijnheer, want bij God, gij zult sterven!”

De majoor keek met woedende blikken zijne tegenpartij aan, die hem een oogenblik ontzet aanzag en toen onder het geroep van: „Moord!” naar het open venster sprong, onder hetwelk juist een agent van politie heen en weer liep. „Moord! Diender!” bulderde mijnheer Morgan.

Tot zijne verbazing schoof majoor Pendennis de tafel op zijde, ging naar het andere raam, dat ook openstond, en wenkte den agent. „Kom eens boven, agent,” riep hij en plaatste zich vervolgens voor de deur.

„Ellendige huichelaar,” voegde hij Morgan toe: „dit pistool is in geen vijftien jaar geladen geweest, zooals gij zeer wel hadt kunnen weten, als gij niet zulk een lafaard waart. De politieagent komt daar aan, en ik zal hem naar boven laten gaan om uwe koffers te doorzoeken, want ik heb reden om u voor een dief te houden, mijnheer. Ik weet, dat gij een dief zijt, en ik zal zweren, dat de voorwerpen mij toebehooren.”

„Gij hebt ze mij gegeven – gij hebt ze mij gegeven!” riep Morgan.