Geschiedenis van Arthur Pendennis

Part 90

Chapter 904,033 wordsPublic domain

„Er klopt toch een liefderijk hart in de borst van dien ouden heiden,” zeide Warrington. „Hij stelt nog belang in iemand anders dan zich zelven, ten minste in een ander deel van hem zelven dan het deel, dat achter de knoopen van zijn eigen rok zit, – in u namelijk en uw geslacht. Hij zou het nakroost der Pendennis’en willen zien vermeerderen en toenemen en hoopt dat zij het land zullen beërven. De oude patriarch zegent u uit het groote venster der club van Bays en zal begraven worden onder de zerken der St.-Jameskerk, in het gezicht van Piccadilly en van de standplaats der vigilantes, en van de rijtuigen, die naar de receptie ten hove gaan. Het is een stichtelijk uiteinde!”

„Het nieuwe bloed, dat ik in de familie breng,” zeide Pen peinzende, „is min of meer bezoedeld. Indien ik had mogen kiezen, geloof ik, dat mijn schoonvader Amory niet de man zou geweest zijn, dien ik tot stamvader voor mijn geslacht zou begeerd hebben, noch mijn vrouws grootvader Snell, noch onze oostersche voorouders. A propos, wie was die Amory? Hij moet stuurman op een Oostindievaarder zijn geweest. Blanche heeft eenige verzen op hem geschreven, waarin zij spreekt van den storm, de hemelhooge golven, het graf des zeemans, haar roemrijken vader en meer van dien aard. Amory verdronk tijdens hij het bevel voerde over een Indisch schip, dat tusschen Calcutta en Sidney voer. Amory en de begum leefden niet gelukkig met elkander. Die goede oude dame is niet voorspoedig geweest in de keus harer mannen, want, onder ons, ik durf zeggen, dat geen verachtelijker voorwerp dan die baronet Sir Francis Clavering, van Clavering Park, ooit –” „Ooit wetten hielp maken voor zijn land,” viel Warrington hem hier in de rede, hetgeen Pen min of meer deed blozen.

„A propos,” zeide Warrington, „te Baden trof ik onzen vriend den chevalier Strong in groote pracht en met zijne ridderorden op de borst aan. Hij verhaalde mij, dat hij twist had gehad met Clavering, over wien hij bijna even ongunstig scheen te denken als gij; kortom, ik meen mij te herinneren, hoewel ik er niet voor wil instaan, dat hij mij als zijn gevoelen te kennen gaf, dat Clavering een eervergeten schurk was. Die Blondell, die u te Oxbridge leerde kaartspelen, bevond zich in gezelschap van Strong, en het kwam mij voor, dat zijne kostbare talenten zich ondertusschen nog meer ontwikkeld hadden en hem een nog uitgeleerder schelm hadden doen worden dan hij reeds in zijn studententijd was. Maar de koning daar ter plaatse was de vermaarde kolonel Altamont, die allen overschaduwde, partijen aan al de aanwezigen gaf en, naar men zeide, de bank deed springen.”

„Mijn oom weet het een en ander betreffende dien kerel en Clavering ook. Er is iets met hem, dat niet recht in den haak is. Maar kom aan, ik moet als getrouwe neef naar Bury Street.” En bij die woorden zijn hoed opnemende, maakte zich Pen gereed om heen te gaan.

„Ik wil ook wel eens wandelen,” zeide Warrington en beiden gingen dus de trap af, doch vertoefden een oogenblik op Pen’s kamers, die nu, gelijk wij den lezer hebben meegedeeld, eene verdieping lager waren.

Hier begon Pen zich met Eau de Cologne te besprenkelen en zorgvuldig zijn haar en zijne bakkebaarden met dat reukwater te bevochtigen.

„Wat is er gaande? Gij hebt toch niet gerookt. Heeft mijne pijp u verpest?” bromde Warrington.

„Ik moet dames gaan bezoeken,” antwoordde Pen. „Ik – ik moet met haar dineeren. Zij reizen hier door en houden zich in een hotel in Jermyn Street op.”

Warrington keek met welwillende belangstelling den jongen dandy aan, die zich in een volmaakten Adonis herschiep en ten slotte met een prachtig overhemd en das, nieuwe handschoenen en glimmende laarzen verscheen. George had een paar zware halve laarzen aan, terwijl zijn oud overhemd aan de borst gescheurd, en aan het halsboord, hetwelk zijn borstelige baard had doen slijten, uitgerafeld was.

„Wel, jongetje,” zeide hij eenvoudig, „ik weet niet hoe het komt, maar ik mag u wel wat fatterig zien. Als ik met u ga, is het mij alsof ik eene roos in mijn knoopsgat droeg. En echter zijt gij altijd minzaam jegens mij. Ik geloof niet, dat er een jonkman in den Temple is, die zich zoo goed kleedt als gij, en ik heb niet kunnen bemerken, dat gij u ooit geschaamd hebt met mij over straat te gaan.”

„Neem geen loopje met mij, George,” zeide Pen.

„Zeg eens, Pen,” hernam de ander op droevigen toon, „als gij – als gij aan Laura schrijft, doe mij dan het genoegen haar uit mijn naam Gods besten zegen toe te wenschen.”

Eerst bloosde Pen, vervolgens zag hij Warrington aan en eindelijk – eindelijk barstte hij in een onweerhoudbaren lach uit.

„Ik ga met haar dineeren,” gaf hij ten antwoord. „Ik heb haar en Lady Rockminster vandaag van buiten naar de stad begeleid – wij deden er twee dagen over – gisterennacht sliepen wij te Bath. Kom mee, George, en ga er ook dineeren. Ik mag vragen wien ik wil, en de oude dame spreekt altijd over u.”

Maar George wees dit van de hand. Hij moest nog een artikel schrijven. Hij aarzelde echter en, zonderling! eindelijk gaf hij zijne toestemming om mee te gaan. Zij spraken af, dat zij met hun beiden de dames zouden gaan bezoeken, en daarop sloegen zij zeer opgeruimd den weg naar het hotel in Jermyn Street in. Wederom straalde dat dierbare gelaat hem te gemoet, wederom sprak die lieftallige stem hem toe en drukte die teedere hand de zijne ten welkomstgroet.

Er zou nog een half uur vóór het diner verloopen. „Nu kunt gij uw oom nog opzoeken, mijnheer Pendennis,” zeide de oude Lady Rockminster. „Maar breng hem niet mee te dineeren, want zijn oude geschiedenissen zijn onverdraaglijk, en ik moet met mijnheer Warrington spreken; ik weet zeker, dat hij ons zal vermaken. Uwe verhalen hebben wij allemaal gehoord. Wij zijn twee volle dagen in elkanders gezelschap geweest en zullen alzoo wel genoeg van elkander hebben.”

En dus aan de bevelen van mylady gehoorzamende, ging Arthur naar beneden en begaf zich naar de woonplaats van zijn oom.

EEN EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

FIAT JUSTITIA.

Het diner was reeds opgedragen toen Arthur terugkeerde, en Lady Rockminster begon hem te beknorren, dat hij zoo laat kwam. Maar Laura bemerkte, toen zij haar neef aanzag, dat zijn gelaat zoo bleek en ongesteld was, dat zij hare heerschzuchtige beschermster in de rede viel en met teedere bezorgdheid vroeg wat er gebeurd was, en of Arthur zich ongesteld gevoelde.

Na een glas sherry gedronken te hebben, antwoordde deze, met een blik op de bedienden: „Ik heb het wonderbaarlijkste nieuws gehoord, dat men zich kan voorstellen; ik zal het u later wel meedeelen.” Gedurende het diner was hij zeer zenuwachtig en onrustig. „Trap zoo niet met de voeten onder tafel,” zeide Lady Rockminster. „Gij hebt op Fido getrapt en zijn etensbakje omgeworpen. Gij ziet wel, dat mijnheer Warrington de voeten stilhoudt.”

Aan het dessert – nadat het geschenen had alsof dit onzalige maal nooit zou afloopen – zeide Lady Rockminster: „Dit diner is verbazend vervelend geweest. Ik geloof, dat er iets gebeurd is en dat gij Laura wilt spreken. Ik ga mijn slaapje doen. Ik weet niet of ik wel thee zal gebruiken – neen! Goedenavond, mijnheer Warrington. Gij moet weerkomen, als er geen zaken te bespreken zijn.” En daarbij verliet de oude dame, haar hoofd in den nek werpende, met groote deftigheid de kamer.

George en de anderen waren met haar opgestaan en Warrington stond op het punt te vertrekken en nam afscheid van Laura, die er natuurlijk zeer ontroerd uitzag over haar neef, toen Arthur zeide: „Blijf toch, George. Gij moet mijn nieuws ook vernemen en mij in dit geval met uw raad bijstaan. Ik weet bijna niet hoe ik handelen moet.”

„Het is zeker iets betreffende Blanche, Arthur?” zeide Laura, wier hart klopte en wier wangen bloosden, zooals zij geloofde, dat zij nog nooit in haar leven gebloosd hadden.

„Ja – en wel de meest vreemde geschiedenis,” antwoordde Pen. „Toen ik u straks verliet, om mij naar ooms woning te begeven, vond ik zijn knecht Morgan, die zoo lang in zijn dienst is geweest, aan de deur staan. Hij verhaalde mij, dat hij dien morgen den dienst van zijn meester verlaten had, dat mijn oom uit het huis was gegaan en zich naar een hotel had begeven – dit zelfde hotel waar wij ons thans bevinden. Morgan zeide vervolgens, dat hij mij iets van groot gewicht had mee te deelen, en verzocht mij even binnen te komen in dat huis, hetwelk nu zijn eigendom is. De schelm schijnt heel wat geld overgelegd te hebben, en is nu een kapitalist, misschien wel een millionair. Ik ging dan binnen, en wat denkt gij wel dat hij vertelde? Het moet een geheim onder ons blijven, – indien wij het althans geheim kunnen houden, nu het in de macht is van dien schavuit. Blanche’s vader is niet dood; hij is weer onder de levenden verschenen, en Clavering’s huwelijk met de begum is geen huwelijk.”

„En Blanche is dus waarschijnlijk de erfgename van haar grootvader?” merkte Warrington op.

„Wel mogelijk, – maar de dochter van welk een vader! Amory is een ontvlucht misdadiger. Dat weet Clavering, dat weet mijn oom; en met deze wetenschap, die hij als een zwaard boven Clavering’s hoofd hield, dwong hem die rampzalige oude man, zijne plaats in het parlement aan mij af te staan.”

„Blanche weet dat toch immers niet, evenmin als die arme Lady Clavering?” vroeg Laura.

„Neen,” gaf Pen ten antwoord: „Blanche kent zelfs haar vader levensloop niet. Zij wist, dat haar vader en hare moeder van elkaar gescheiden waren, en als kind had zij van Bonner gehoord, dat mijnheer Amory in Nieuw Zuid-Wallis verdronken was. Doch hij bevond zich daar als strafgevangene, en niet in de hoedanigheid van scheepskapitein, gelijk het arme meisje dacht. Lady Clavering heeft mij verhaald, dat zij met haar man niet gelukkig was en dat hij zeer slechte eigenschappen bezat. Zij beloofde mij eenmaal alles te zullen vertellen, en ik herinner mij, dat zij eens met tranen in de oogen tegen mij zeide, dat het voor eene vrouw zeer pijnlijk was, te moeten bekennen, dat zij zich verheugde dat haar man dood was, en dat zij tweemaal in haar leven eene slechte keus had gedaan. Wat staat er nu te doen? De man kan zich niet vertoonen en zijne vrouw terugeischen; als hij zich bekend maakt, is het waarschijnlijk, dat hij ter dood veroordeeld, en althans zeker, dat hij weer gedeporteerd zal worden. Maar de schelm heeft reeds sinds eenigen tijd Clavering met die ontdekking gedreigd en hem daarmee van tijd tot tijd geld afgeperst.”

„Dat is natuurlijk onze vriend kolonel Altamont,” zeide Warrington; „alles wordt mij nu duidelijk.”

„Als de schelm terugkeert,” ging Arthur voort, „zal Morgan, die zijn geheim kent, er tot zijn nadeel gebruik van maken, en daar hij het nu in zijne macht heeft, ons allen geld trachten af te zetten. De verd– schavuit dacht, dat ik er van wist,” zeide Pen, bleek van verontwaardiging; „hij vroeg mij of ik hem een jaargeld wilde verzekeren, om het stil te houden, en bedreigde mij, mij, alsof ik met het ongeluk dier arme oude begum mijn voordeel deed en dien ellendigen Clavering eene plaats in het parlement wilde afdwingen. Gerechte hemel was mijn oom waanzinnig, toen hij zich met zulke kuiperijen inliet? Verbeeld u eens, Laura, dat de zoon onzer moeder met zulk een verraad speculeerde!”

„Ik kan mij dat niet voorstellen, lieve Arthur,” zeide Laura, terwijl zij zijne hand vatte en die kuste.

„Neen,” kwam Warrington hier met zijn zware stem, die een weinig trilde, tusschen en sloeg den blik met een onbeschrijfelijke uitdrukking van toegenegenheid en smart op de beide edele en liefhebbende jongelieden. „Neen. Onze jonge vriend mag aan zulk een ellendige intrigue geen deel nemen. Arthur Pendennis kan niet trouwen met een dochter van een misdadiger en in het parlement zitting nemen als afgevaardigde van de galeien. Gij moet uwe handen van die gansche zaak wasschen, Pen, en de betrekking afbreken. Gij moet geen uitleg van het hoe en waarom geven, maar eenvoudig verklaren, dat familieredenen het huwelijk onmogelijk maken. Het is beter, dat die arme vrouwen u voor trouweloos houden, dan dat zij de ware toedracht der zaak leeren kennen. Bovendien kunt gij van dien rekel van een Clavering – ik kan daarvoor desnoods wel zorgen – gemakkelijk eene verklaring krijgen, dat de redenen, die gij hem als hoofd der familie hebt blootgelegd, meer dan voldoende zijn, om de voorgenomen verbintenis onmogelijk te maken. Gelooft gij dat ook niet, Laura?” vroeg hij; maar bij die woorden durfde hij haar ternauwernood aanzien. Hij wist, dat hij de flauwe hoop, die hij wellicht nog koesterde, de laatste plank van de schipbreuk van zijn geluk, waaraan hij zich nog had vastgeklemd, van zich stiet en de golven zijner ellende boven zijn hoofd liet samenvloeien. Pen was, terwijl hij zoo sprak, opgesprongen en zag hem met belangstelling aan. Hij wendde zijn hoofd af. Hij zag ook Laura opstaan en zich naar Pen begeven, wiens hand zij andermaal greep en kuste. „Zij gelooft het ook – God zegene haar!” zeide George.

„Haar vaders schande is Blanche’s schuld niet, lieve Arthur, niet waar?” zeide Laura, zeer bleek en zeer snel sprekende. „Zoudt gij, indien gij met haar getrouwd waart, haar verlaten, ofschoon zij geen kwaad heeft gedaan? Zijt gij niet aan haar verloofd? Zoudt gij nu van haar willen afzien, omdat tegenspoed haar treft? En zoudt gij haar niet troosten, nu zij ongelukkig is? Onze moeder zou het doen, als zij nog hier ware.” En bij die woorden omstrengelde het lieve meisje hem met haar armen en verborg haar gelaat aan zijne borst.

„Onze moeder is een engel bij God,” snikte Pen. „En gij zijt de liefste en beste der vrouwen – de liefste, de liefste en de beste! Leer mij mijn plicht, en bid, gij reine ziel, dat ik dien vervullen moge. God zegene u, God zegene u, zuster!”

„Amen,” zuchtte Warrington, wiens hoofd op zijne handen rustte. „Zij heeft gelijk,” sprak hij bij zich zelven. „Dat meisje kan, geloof ik, geen kwaad doen.” En inderdaad toonde zij een gelaat en een lachje als een engel. Nog dikwijls na dien dag zag hij dien lach – zag hij het stralende gelaat, waarmee zij naar Pen opkeek, – en zag hij hoe zij blozend en lachend hare lokken achterwaarts streek en hem nog altijd met een teederen blik aanstaarde.

Een oogenblik liet zij haar blanke handje op de tafel rusten en spelen. „En nu – en nu –,” sprak zij, de beide heeren aanziende.

„En nu dan?” vroeg George.

„Nu zullen wij thee gaan drinken,” antwoordde jufvrouw Laura met dat zelfde lachje.

Doch eer dit onromantische slot van een vrij sentimenteel tooneel kon plaats hebben, bracht een bediende de boodschap, dat majoor Pendennis in het hotel teruggekeerd was en zijn neef verwachtte. Laura sloeg bij deze tijding niet zonder bezorgdheid een smeekenden blik op Pen, die scheen te zeggen: „Houd u goed, blijf het rechte pad bewandelen en doe uw plicht; gedraag u bedaard, doch standvastig tegenover uw oom,” en nam, met deze waarschuwing als op haar gelaat geteekend, van de beide heeren afscheid en begaf zich naar hare slaapkamer. Warrington, die over het geheel niet veel van thee hield, had nu sterk verlangd naar een kopje. Waarom had de oude Pendennis niet een uur later kunnen thuis komen? Maar wat kwam het ook op een uur vroeger of later aan? Eindelijk slaat toch het uur. Het onvermijdelijke oogenblik breekt aan, waarop men „vaarwel” moet zeggen. Men drukt elkander de hand, de deur wordt gesloten, de vriend is vertrokken, de korte vreugde voorbij, en men is alleen. „Uit welk venster onder die vele van het hotel schittert haar licht?” vraagt hij zich misschien af, terwijl hij de straat opgaat. Hij stapt naar de rookkamer eener naburige club en zoekt daar zijn gewonen troost bij eene sigaar. De heeren spreken druk en luid over de politiek, de balletdanseressen, de wedrennen, de schandelijke willekeur van het bestuur der club; en hij begeeft zich met het gewijde geheim in zijn hart te midden van dat rumoer. Spreek maar op, luider dan iemand anders. Snater maar voort en snijd aardigheden op. Schater het maar uit en vertel uwe wonderbare geschiedenissen. Het is eene zonderlinge gewaarwording, wanneer men plaats neemt midden in dien rook en dat gedruis, en bedenkt, dat iedereen hier in deze omgeving hoogst waarschijnlijk zijn geheime ego heeft, die eenzaam en afgezonderd in zijn eigen kluisje zit, verre van de luide pret, waaraan wij anderen deel nemen!

Arthur voelde, toen hij door de gangen van het hotel ging, dat zijn bloed begon te koken. Hij gloeide van verontwaardiging bij de gedachte, dat die oude heer, dien hij binnen weinige oogenblikken zou zien, hem tot een werktuig en een speelpop gebruikt en zijn eer en goeden naam op het spel gezet had. De hand van den ouden man was zeer kil en beverig, toen Arthur haar aanvatte. Hij zat te kuchen, en gromde bij het vuur, en beklaagde zich, dat Frosch zijne kamerjapon niet bracht en zijne papieren niet rangschikte, zooals die verd–, onbeschaamde schurk van een Morgan dat verstond. Kregel en bits klaagde de oude heer over zijn lot en vervloekte Morgan’s ondankbaarheid.

„Die verwenschte, onbeschaamde schurk! Hij was gisterenavond dronken en daagde mij uit om met hem te vechten, Pen; en waarachtig, er kwam een oogenblik dat ik zoo opgewonden was, dat ik bijna een mes had opgenomen om hem dood te steken; en die duivelsche schelm heeft, geloof ik, wel tien duizend pond bij elkander geschraapt; hij verdient gehangen te worden en dat zal hem ook wel gebeuren; maar, voor den drommel, ik wenschte dat hij het mijn tijd had uitgehouden. Hij kende al mijne gewoonten, en waarachtig, zoodra ik schelde, bracht de verwenschte dief juist wat ik noodig had – heel anders dan die domme Duitsche lummel. En hoe is het u op het land gegaan? Veel bij Lady Rockminster geweest? Gij kunt niet beter doen. Zij is nog van de oude school – vieille école, bonne école, niet waar? Voor den drommel, er worden tegenwoordig geen heeren en dames meer gevormd, en over vijftig jaar zal men den een niet van den ander kunnen onderscheiden. Maar het zal mijn tijd wel duren. Ik zal niet lang meer hier zijn; ik begin heel oud te worden, Pen, beste jongen; en toen ik vandaag mijne weinige boeken bijeenpakte, was er een Bijbel onder, die aan mijne moeder toebehoord heeft en dien ik wenschte, Pen, dat gij bewaren zult. Ik bedacht, dat gij waarschijnlijk de kist zoudt openen als zij uw eigendom was geworden en de oude knaap onder de zoden was gelegd, neef,” zeide de majoor, terwijl hij kuchte en zijn oud hoofd bij het vuur schudde.

Pen gevoelde zijn toorn eenigszins ontwapend door den ouderdom en de welwillendheid van den majoor, en was een weinig verlegen met den stap, dien hij op het punt stond te doen. Hij wist, dat, hetgeen hij zeggen zou, de streelendste verwachtingen van den ouden heer in duigen werpen en hem vreeselijk grieven en schokken zou.

„Ja, ja, ik ga heen, neef,” zeide de oude; „maar voordat ik het hoofd neerleg, zou ik nog wel eene redevoering van u in de Times wenschen te lezen, bijv.: De heer Pendennis zeide: „Met schroom vat ik het woord op,” enz. Hè, Arthur? Nu, gij ziet er drommels goed en gezond uit, mijnheer. Ik heb het altijd wel gezegd, dat mijn broeder Jack de familie weer op de been zou helpen. Gij moet naar het westen van Engeland gaan en ons oud erfgoed terugkoopen, mijnheer. Nec tenui pennâ, hè? Wij zullen weer stijgen, mijnheer – de vleugelen weer ontplooien – en het zou mij, voor den drommel, niet verwonderen, indien gij nog vóór mijn dood tot baronet verheven wierdt.”

Zijne woorden deden Pen zeer. „En ik zelf,” dacht hij, „moet het luchtkasteel van dien ouden man in duigen werpen. Maar het moet gebeuren; daar gaat het! Ik – ik ben naar uwe kamers in Bury Street geweest, oom, maar ik vond u daar niet,” begon Pen langzaam, „en heb toen met Morgan gesproken.”

„Wezenlijk?” zeide de oude heer, wiens wangen onwillekeurig begonnen te gloeien terwijl hij mompelde: „Nu is de kogel door de kerk!”

„Hij vertelde mij eene geschiedenis, die mij ten hoogste verbaasde en smartte,” vervolgde Pen.

De majoor trachtte een onverschillig gezicht te zetten. „Wat – die geschiedenis van – van – hoe heet hij ook weer hè?”

„Van jufvrouw Amory’s vader, van Lady Clavering’s eersten man, en wie en wat die is.”

„Hm! een verduiveld onaangenaam geval!” zeide de oude heer, zich den neus wrijvende. „Ik heb die – die verwenschte geschiedenis kort geleden vernomen.”

„Ik wenschte, dat ik ze vroeger of in het geheel niet vernomen had,” hernam Arthur somber.

„Het is in orde,” dacht de oude heer en gevoelde zich zeer verlicht. „Waarachtig, ik had het geheel en al voor u willen verbergen – en voor die beide arme vrouwen, die aan de gansche zaak zoo onschuldig zijn als pasgeboren kinderen.”

„Gij hebt gelijk. Er bestaat geen reden, waarom die beide vrouwen het zouden vernemen, en ik zal het haar nooit vertellen – ofschoon die schurk van een Morgan het misschien wel doen zal,” zeide Arthur somber. „Hij schijnt voornemens met zijn geheim te speculeeren, en heeft mij reeds eene schikking voorgesteld. Ik wenschte, dat ik die zaak vroeger geweten had, oom. Het is voor mij geen aangename gedachte, dat ik verloofd ben met de dochter van een veroordeeld misdadiger.”

„Dat is juist de reden, waarom ik er u niet over gesproken heb, beste jongen. Doch jufvrouw Amory is niet de dochter van een misdadiger, begrijpt ge? maar de dochter van Lady Clavering met een bruidschat van vijftig of zestig duizend pond; en haar stiefvader, een baronet, een landedelman van aanzien, keurt het huwelijk goed en staat zijn lidmaatschap van het parlement aan zijn schoonzoon af. Wat zou eenvoudiger kunnen zijn?”

„Is het waar, mijnheer?”

„Waarachtig is het waar; natuurlijk is het waar. Amory is dood. Ik verzeker u, dat hij dood is. Bij het eerste teeken van leven, dat hij geeft, is hij een lijk. Hij kan zich niet vertoonen. Wij hebben hem in de klem, net als dien kerel in dat tooneelstuk – de Criticus, hé? – een verduiveld aardig stuk, die Criticus. Te drommel, neef, ik herinner mij, toen ik aan de Kaap was –”

De spraakzaamheid van den ouden heer en zijne begeerte om Arthur naar de Kaap te verplaatsen vloeide misschien voort uit zijn wensch om het onderwerp te ontwijken, dat zijn neef het naast aan het hart lag; doch Arthur kon zich niet bedwingen en viel hem in de rede met de woorden: „Indien gij mij deze geschiedenis eerder verteld hadt, geloof ik dat gij mij en u zelven veel verdriet en teleurstelling zoudt bespaard hebben, en ik niet gebonden zou zijn aan een engagement, waarvan ik mij niet met eere kan losmaken.”

„Neen, wij hebben u vastgezet – en een man, die genoodzaakt is eene plaats in het parlement en een mooi meisje met een paar duizend pond ’s jaars te aanvaarden, is er niet slecht aan toe, dat verzeker ik u,” zeide de oude man.

„Maar, gerechte hemel!” riep Arthur uit, „zijt gij dan blind? Kunt gij niet zien?”

„Wat zien, jonge heer?” vroeg de ander.

„Kunt gij niet inzien, dat ik, liever dan partij te trekken van dat geheim van Amory, mijn schoonvader op de galeien zou gaan vergezellen?” hernam Arthur. „Kunt gij niet inzien, dat ik evengoed het zilverwerk van Clavering’s tafel zou kunnen stelen als eene plaats in het parlement van hem aan te nemen tot loon voor mijn stilzwijgen? Kunt gij niet inzien, dat gij mij de dochter van een misdadiger tot vrouw gegeven, mij tot armoede en schande gedoemd, mijne loopbaan bedorven hebt, die – die, zonder uwe tusschenkomst, zoo geheel anders had kunnen zijn? Ziet gij niet in, dat wij een eerloos spel hebben gespeeld, maar dat anderen ons de loef hebben afgestoken; en dat, toen ik aanbood dat arme meisje te trouwen, omdat zij geld had en mij in de wereld kon vooruithelpen, ik mij verlaagde en mijn eer schandvlekte?”

„Wat bedoelt gij in ’s hemels naam met dat alles, mijnheer?” riep de oude man uit.