Geschiedenis van Arthur Pendennis

Part 84

Chapter 843,734 wordsPublic domain

Jufvrouw Blanche was een beetje jaloersch en gevoelde vrij wat spanning en nieuwsgierigheid ten aanzien van Fanny. Men kan wel aannemen, dat onze held, onder de vele vertrouwelijke praatjes, die hij met jufvrouw Amory gedurende hunne heerlijke ritjes op het land en hunne liefelijke avondwandelingen hield, niet zal hebben nagelaten haar eene voor hem zelven zoo gewichtige en waarschijnlijk ook voor haar zoo belangwekkende geschiedenis als die van de liefde en het leed der arme Ariadne in Shepherd’s Inn mee te deelen. Om hem recht te laten weervaren, moeten wij erkennen, dat hij de rol, die hij zelf in dat drama vervuld had, met gepaste zedigheid beschreef, daar de moraal, die hij uit deze historie wenschte te trekken, met zijn gewonen satirieken geest strookte, namelijk dat de vrouwen haar eerste liefde even gemakkelijk te boven komen als de mannen (want in hunne vertrouwelijke gesprekken plaagde de schoone Blanche mijnheer Pen onophoudelijk over zijne geduchte nederlaag bij zijn eigene maagdelijke liefde tot jufvrouw Fotheringay) en, wanneer nommer één van de baan is, zich zonder veel bedenking aan nommer twee overgeven. En de arme kleine Fanny moest het voorbeeld zijn, om die theorie toe te lichten. Welke smart zij doorstaan en overwonnen had, welke bittere rampen eener hopelooze liefde zij had verduurd, hoeveel tijd er noodig was geweest om de wonden van dit teere, bloedende hartje te heelen, wist mijnheer Pen niet, of verkoos hij misschien niet te weten; want hij koesterde een bescheiden twijfel omtrent zijne gaven als hartenveroveraar, en wilde ongaarne gelooven, dat hij in dat hart in het bijzonder eenige betreurenswaardige verwoestingen had aangericht, ofschoon het voorbeeld en het argument, dat hij in dit geval bezigde, tegen hem getuigde; want indien jufvrouw Fanny, gelijk hij zeide, thans verliefd was op haar medischen aanbidder, die noch voorkomen, noch manieren, noch geest, noch iets anders dan liefde en getrouwheid tot zijn aanbeveling had, moest zij dan niet, bij den eersten aanval der liefdekwaal, ernstig en zwaar geleden hebben om der wille van een man, die ongetwijfeld een aantal dier in het oog loopende bekoorlijkheden bezat, welke mijnheer Huxter miste?

„Ondeugend, akelig schepsel!” zeide jufvrouw Blanche, „ik geloof dat het u ergert, dat Fanny u heeft durven vergeten, en dat gij werkelijk op mijnheer Huxter jaloersch zijt.” Misschien trof jufvrouw Amory den spijker wel op den kop, daar er zijns ondanks een blos op zijne wang begon te komen (een van die oorvegen, welke men telkens van de ijdelheid ontvangt), een bewijs dat Pen zich boos maakte bij de gedachte, dat hij door zulk een mededinger verdrongen was. Door zulk een kerel, zonder eenige denkbare goede eigenschap! O, mijnheer Pendennis! (ofschoon deze opmerking niet toepasselijk is op zulk een uitstekend jongmensch als gij zijt) indien de natuur niet aan ieder geslacht een steun geschonken had in de lichtgeloovigheid van het andere, waardoor men voortreffelijkheden ziet waar er geene bestaan, waardoor men sierlijkheid ontdekt in ezelsooren, geest in ezelskoppen en muziek in het ezelbalken, dan zou er op verre na zooveel trouwen en ten huwelijk geven niet geweest zijn als nu het geval is en ook vereischt wordt voor de behoorlijke voortplanting en instandhouding van het edele ras, waartoe wij gerekend worden!

„Jaloersch of niet – en ik wil het niet tegenspreken, Blanche –,” zeide Pen, „ik had wel gewenscht, dat Fanny beter af ware gekomen dan op die wijze. Ik houd er niet van, dat geschiedenissen op die koele wijze afloopen en dat wij, als wij aan het einde der liefdeshistorie van een mooi meisje komen, zulk eene figuur als dien Huxter op de laatste bladzijde van den roman ontmoeten. Is het gansche leven dan slechts een compromis, schoone dame, en is eene lafhartige overgave het einde van den liefdestrijd? Moet het zoeken naar den Minnegod, dien mijn arme kleine Psyche in de duisternis najaagde, – den god, waarnaar hare ziel smachtte, den god met de rozenwangen en de regenboogkleurige vleugeltjes, – uitloopen op Huxter, riekende naar tabak en likpotten? Ik wenschte, ofschoon ik het in het leven niet zie gebeuren, dat de menschen op Jenny en Jessamy, of op mylord en Lady Clementina in de verhalen en deftige romans geleken en, als de trouwplechtigheid voltrokken wordt, ja, als het ware op het oogenblik dat de predikant de inzegening uitspreekt, te gelijk mooi en braaf wierden, om daarna voor altijd gelukkig en goed te zijn.”

„En zijt gij niet voornemens goed en gelukkig te zijn, Monsieur le Misanthrope, – en zijt gij zoo ontevreden met uw lot, en zal uw huwelijk een compromis zijn?” vroeg de schrijfster van Mes Larmes met eene betooverende moue, „en is uwe Psyche een leelijk, gemeen meisje? Ondeugend, satiriek schepsel, ik kan u niet uitstaan! Gij steelt de harten van jonge meisjes, speelt er mee en werpt ze verachtelijk weg. Gij vraagt om liefde en vertrapt die! Gij – gij maakt mij aan het schreien, dat doet gij, Arthur, en – och neen, laat dat! – ik wil niet op die manier getroost worden – en ik ben overtuigd dat Fanny volkomen gelijk had, toen zij van zulk een schepsel zonder hart afzag.”

„Ik zal het weer niet tegenspreken,” zeide Pen, terwijl hij Blanche zeer somber aanzag en de poging om haar te vertroosten niet herhaalde, die haar de lieftallige waarschuwing, „och neen, laat dat!” ontlokt had. „Ik geloof niet, dat ik veel bezit van hetgeen de menschen hart noemen; maar ik maak er ook geen aanspraak op. Op mijn achttiende jaar ontstak ik mijne lamp en toog uit om Cupido te zoeken. En wat ontdekte ik op mijne liefdereis? een alledaagsche danseres. Ik heb mij vergist, zooals ieder, of bijna ieder doet; doch het is gelukkiger zich vóór dan na het huwelijk te vergissen.”

„Merci du choix, monsieur!” zeide de sylphide met eene nijging.

„Zie, kleine Blanche,” zeide Pen, hare handgrijpende, met eene stem vol weemoedige vriendelijkheid, „ik verlaag mij ten minste tot geen vleierijen.”

„Juist het tegendeel,” zeide jufvrouw Blanche.

„En vertel u geen dwaze onwaarheden, zooals alledaagsche mannen doen. Waarom zouden gij en ik met onze ondervinding romaneskheid trachten voor te wenden en liefde te veinzen? Ik geloof niet, dat jufvrouw Blanche Amory de schoonste der schoonen, noch de grootste dichteres, noch de uitstekendste musicienne is, evenmin als ik geloof, dat gij de rijzigste vrouw zijt van de gansche wereld, gelijk de reuzin, die wij gisteren afgebeeld zagen, toen wij de kermis over reden. Maar zoo ik u niet als heldin beschouw, stel ik ook uw onderdanigsten dienaar niet als held voor. En ik vind, dat gij – nu dan, dat gij er zeer goed uitziet.”

„Merci!” zeide jufvrouw Blanche met eene tweede nijging.

„Ik geloof, dat gij heerlijk zingt. Ik weet, dat gij verstandig zijt. Ik hoop en geloof, dat gij een goed hart en een gezelligen aard bezit.”

„En derhalve, mits ik u eene zekere som gelds en eene plaats in het parlement aanbreng, wilt gij u wel verwaardigen mij tot uwe Sultane te verheffen, zeide Blanche. „Que d’honneur! Wij plachten uwe hoogheid den prins van Fairoaks te noemen. Welk een eer, te mogen denken dat ik tot den troon verheven zal worden en den sultan eene plaats in het parlement als geschenk mag aanbieden! Het verheugt mij, dat ik verstandig ben en zoo spelen en zingen kan, dat het uwe goedkeuring wegdraagt; mijne liedjes zullen mylord’s ledigen tijd korten!”

„En indien er dieven rondom het huis zwerven,” zeide Pen, de vergelijking met bijtenden spot voortzettende, „veertig lastige dieven in de gedaante van dreigende zorgen en vijanden, die in hinderlaag liggen, en hartstochten, die onder de wapenen staan, dan zal mijne Morgiana met eene tamboerijn voor mij dansen en de schelmen en dieven met een lachje verslaan. Dat zal zij immers?” Maar Pen zag er uit alsof hij niet geloofde, dat zij het doen zou. „Och, Blanche,” ging hij na een oogenblik stilzwijgens voort, „wees niet boos; trek het u niet aan, dat ik zoo rond voor de waarheid uitkom. Voelt gij niet, dat ik u altijd bij uw woord neem? Gij zegt, dat gij eene slavin zult zijn en dansen, en ik zeg: dans! Gij zegt, dat ik u neem met hetgeen gij aanbrengt, en ik herhaal: „Ik neem u met hetgeen gij aanbrengt.” Waarom zouden wij bij de noodzakelijke misleidingen en huichelarijen des levens er nog nuttelooze en onnoodige bijvoegen? Indien ik mij u aanbied, omdat ik geloof dat wij een goeden kans hebben om samen gelukkig te zijn en ik met uw behulp voor ons beiden een goeden stand en een niet onaanzienlijken naam kan verwerven, waarom zoudt gij dan van mij eischen, dat ik eene verrukking zou voorwenden en eene romaneskheid veinzen, waaraan wij geen van beiden gelooven? Wenscht gij, dat ik zou komen vrijen in het costuum van een prins uit een tooverballet, gehuurd bij een costumier, om u complimentjes op te disschen gelijk een Sir Charles Grandison? Zoudt gij willen, dat ik verzen maakte, zooals in de dagen toen wij – toen wij kinderen waren? Dat zal ik doen, als gij het verkiest, om ze daarna aan Bacon en Bungay te verkoopen. Moet ik mijn prinsesje bonbons te eten geven?”

„Mais j’adore les bonbons, moi,” zeide de kleine Sylphide met een kluchtig pruilend gezichtje.

„Ik kan er bij Fortnum en Mason een hoed vol koopen voor een guinje. En het kindje zal zijne bonbons hebben, zijne hondjes van bruidsuikertjes, dat zal het,” zeide Pen met een bitteren glimlach. „Nu, lieve, liefste kleine Blanche, schrei niet. Droog uwe mooie oogjes af, dat kan ik niet aanzien;” en daarop bood hij haar die vertroosting aan, welke door de omstandigheden vereischt en door de tranen, de echte tranen van spijt, die nu aan de vertoornde oogen der schrijfster van Mes Larmes ontsprongen, gevorderd werd.

De spottende en sarcastische toon van Pendennis verschrikte en overblufte het meisje. „Ik – ik wil uw troost niet! Nie – niemand heeft nog ooit te vo – te voren zoo tegen mij gesproken,” snikte zij op de ongekunsteldste wijze.

„Niemand?” kreet Pen, in een woesten lach uitbarstende, waarop Blanche een der echtste blosjes kreeg, die zich ooit op hare wang vertoond hadden, en uitriep: „O, Arthur, vous êtes un homme terrible!” De wufte kleine coquette, die gedurende de laatste twaalf jaren haars levens de verliefde gespeeld had, was verbijsterd, onthutst en in het nauw gedreven en toch mishaagde het haar niet, dat zij eindelijk haar meester vond.

„Zeg eens, Arthur,” sprak zij, na een oogenblik van pauze in deze vreemdsoortige minnarij, „waarom geeft Sir Francis Clavering zijne plaats in het parlement op?”

„En kom maar ter zake, – waarom staat bij die aan mij af?” vroeg Arthur, die nu op zijne beurt bloosde.

„Gij drijft altijd den spot met mij, mijnheer,” hernam zij. „Als het lidmaatschap van het parlement ergens toe dient, waarom legt Sir Francis het dan neer?”

„Mijn oom heeft hem daartoe overgehaald. Hij zeide altijd, dat er voor u niet toereikend gezorgd was. Bij de – de familietwisten is er, toen uwe mama zijne schulden met zoo milde hand vereffende, waarschijnlijk bepaald, dat gij – ik bedoel, dat ik – dat wil zeggen, op mijn woord ik weet niet waarom hij aftreedt,” zeide Pen met een tamelijk gedwongen lach. „Gij ziet, Blanche, dat gij en ik twee zoete kindertjes moeten zijn, dat dit huwelijk voor ons beraamd is door onze mama’s en ooms en dat wij moeten gehoorzamen, gelijk een zoeten jongen en een zoet meisje betaamt.”

Toen Pen dus weer naar Londen ging, zond hij Blanche eene doos bonbons, van welke elk stukje in Fransche deviezen van den teedersten aard gewikkeld was, en daarenboven vaardigde hij eenige gedichten van zijn eigen maaksel naar haar af, die even ongekunsteld en oprecht gemeend waren; geen wonder dus, dat hij niet aan Warrington vertelde welke gesprekken hij met jufvrouw Amory had gehad, zoo teer waren zij geweest en natuurlijk van zulk een vertrouwelijken aard.

Doch zoo Arthur Pendennis, de zoon der weduwe, het voornemen koesterde om afvallig te worden, gelijk menig beter en slechter man vóór hem gedaan heeft, en zich te verkoopen, wij weten wel aan wien, zoo wendde de renegaat ten minste niet voor, dat hij de nieuwe leer geloofde, die hij gereed stond te omhelzen. En indien slechts ieder man en iedere vrouw in dit koninkrijk, die zich verkocht heeft voor geld of rang, gelijk mijnheer Pendennis op het punt stond te doen, een exemplaar van zijne Gedenkschriften wilde koopen, hoeveel duizenden ponden boeken zouden de uitgevers Bradbury en Evans af te leveren hebben!

ZES EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN PEN ZIJNE VERKIEZING VOORBEREIDT.

Het groote huis in Clavering Park, waar het zoo melancholisch was geweest vóór het huwelijk van Sir Francis Clavering, toen de verarmde eigenaar nog genoodzaakt was in vreemde landen eene schuilplaats te zoeken, zag er niet veel vroolijker uit toen de baronet er kwam wonen. De meeste vertrekken waren afgesloten en de baronet nam slechts eenige kamers van de benedenverdieping in gebruik, waar de huishoudster en hare handlangster uit het portiershuisje bij het groote hek der buitenplaats, den rampspoedigen heer in zijne gedwongen afzondering bedienden en een gedeelte van het wild toebereidden, met welks jacht hij de vervelende morgens doorbracht. Zijn kamerdienaar Lightfoot was in mylady’s dienst overgegaan en had, gelijk Pen uit een brief van mijnheer Smirke vernam, die de plechtigheid had voltrokken, gevolg gegeven aan zijn verstandig besluit om mylady’s kamenier, jufvrouw Bonner, te trouwen, die in hare gevorderde jaren door de bekoorlijkheden van een jonkman betooverd was en hem met hare spaarpenningen en hare meer dan rijpe persone begiftigd had. Beider hoogste eerzucht was kastelein en kasteleines van het Wapen van Clavering te worden, en er was overeengekomen, dat zij tot het volgende kwartaal in dienst van Lady Clavering zouden blijven, om daarna bezit te nemen van hun hotel. Pen had welwillend beloofd dáár zijn verkiezingsdiner te zullen geven, als de baronet zijn lidmaatschap ten gunste van den jonkman neerlegde; en gelijk met zijn oom was afgesproken, aan wien de baronet niets scheen te kunnen weigeren, kwam Arthur in September ten bezoek op Clavering Park, welks eigenaar zeer verheugd was over een metgezel, die afwisseling in zijn eenzaamheid zou brengen en hem misschien wat klinkende specie leenen kon.

Pen voorzag, een paar dagen na zijne komst op Clavering, zijn gastheer van dien gewenschten toevoer; en nauwelijks had Sir Francis dit geringe bedrag op zak of hij herinnerde zich, dat hij te Chatteries en in de omliggende badplaatsen moest zijn, van welke het graafschap er vele telt. Hij ging daarheen voor zijne zaken, die, gelijk te verwachten was, op de renbanen en in de biljartkamers afgedaan werden. Arthur kon zich zeer wel alleen vermaken, daar hij vele uitwegen en genoegens op verstandelijk gebied kende, waarbij hij geen gezelschap van anderen noodig had; des morgens zwierf hij met den jager rond, en voor de avonden was er een overvloed van boeken en werk voor een letterkundig genie gelijk mijnheer Arthur, die niet meer dan eene sigaar en een paar vellen papier noodig had, om den avond aangenaam door te brengen. Om de waarheid te zeggen, hij vond Sir Francis Clavering’s gezelschap reeds in een paar dagen onuitstaanbaar, zoodat hij met ondeugende voorkomendheid aan Clavering den geringen geldelijken bijstand aanbood, dien deze, volgens zijne gewoonte, verzocht, en hem de middelen verschafte om zijn eigen huis te ontvluchten.

Bovendien moest onze slimme vriend de gunst der inwoners van Clavering en der kiezers van het district, dat hij wenschte te vertegenwoordigen, trachten te verwerven; en hij wijdde zich met te meer ernst aan die taak, daar hij zich herinnerde hoe impopulair hij vroeger in Clavering geweest was en zich voorgenomen had den afkeer te overwinnen, welken hij aan die eenvoudige lieden had ingeboezemd. Zijn gevoel voor humor deed hem behagen scheppen in die taak. Van nature teruggetrokken en stil, zoodra hij zich in het publiek bevond, werd hij plotseling zoo spraakzaam en handelbaar en prettig als kapitein Strong. Hij lachte met iedereen, die tegen hem wilde lachen, gaf handjes rechts en links, met hetgeen men eene behendige hartelijkheid had kunnen noemen, verscheen op de markt en aan de boerentafel, en gedroeg zich kortom als een volleerd schijnheilige en zooals heeren van de hoogste geboorte en de onberispelijkste braafheid zich gedragen wanneer zij zich bij hunne kiezers aangenaam willen maken, of het een of ander van de landbewoners wenschen te verkrijgen. Hoe komt het, dat wij ons door eene gladde tong, een gullen lach en ronde manieren zoo spoedig niet laten misleiden, maar innemen? Wij weten meerendeels, dat het valsche munt is, en desniettemin nemen wij die aan; wij weten, dat het vleierijen zijn, die niets kosten, al deelt men ze aan iedereen uit, en evenwel willen wij die liever ontvangen dan missen. Onze vriend Pen gaf zich op zijne wandelingen door Clavering alle moeite om zich heel natuurlijk voor te doen en met alles ingenomen te zijn, en was een geheel ander wezen dan de hooghartige en tamelijk stuursche jonge dandy, dien de inwoners zich van tien jaar vroeger herinnerden.

De pastorie was gesloten, want doctor Portman had zich met zijne jicht en zijne familie naar Harrowgate begeven, – een omstandigheid, door Pen diep betreurd in zijn brief aan den doctor, in welken hij met eenige weinige innemende en ongekunstelde woorden zijn leedwezen betuigde, dat hij zijn ouden vriend niet had mogen aantreffen, wiens raad hij zoo gaarne had ingewonnen en wiens hulp hij wel te eeniger tijd kon noodig hebben; maar Pen troostte zich over de afwezigheid van den doctor door kennis te maken met mijnheer Simcoe, den predikant der tegenpartij, en met de beide deelgenooten in de lakenfabriek te Chatteries, en met den dominé van de vrije gemeente aldaar, die hij allen ontmoette in het Athenæum van Clavering, door de liberale partij opgericht naar de eischen van den verlichten geest der eeuw en misschien ook als tegenwicht voor het oude leesmuseum, waar de Edinburgh Review vroeger slechts met moeite onder de tijdschriften opgenomen was en geen winkelier tot lid werd aangenomen. Hij kreeg den jongsten compagnon der lakenfabriek op zijne hand, door hem familiaar ten eten te vragen op het Park; hij vereerde mevrouw Simcoe (de freule) met hazen en patrijzen uit die zelfde plaats en met een verzoek om de laatste preek van haar man ter lezing, en toen de schavuit op zekeren dag zich een weinig ongesteld gevoelde, maakte hij van die gelegenheid gebruik om zijne tong aan mijnheer Huxter te laten zien, die hem daarop eenige geneesmiddelen zond en den volgenden morgen een bezoek bij hem kwam afleggen. Wat zou de oude Pendennis zich over zijn leerling verheugd hebben! Pen zelf had pleizier in het spel dat hij dreef, en de opgang, dien hij maakte, vervulde hem met een soort van ondeugend vermaak.

En toch, als hij des avonds Clavering verliet, na eene vergadering van het Athenæum gepresideerd te hebben, of den namiddag te hebben doorgebracht bij mevrouw Simcoe, die evenals haar man onder den indruk der reputatie van den jongen Londenaar gebukt ging en gehoord had van den opgang, dien hij in de wereld had gemaakt; en wanneer hij de oude welbekende brug over den klaterenden Brawl overging en het gedruis der wateren daarbeneden hoorde, hetgeen hij zich nog zoo goed herinnerde, en zijn eigen huisje Fairoaks tusschen het geboomte zag liggen, welks donkere omtrekken zoo duidelijk tegen den met sterren bezaaiden hemel afstaken, – dan rezen er ongetwijfeld wel andere gedachten in den geest van den jonkman op en verwekten daar gevoelens van smart en schaamte. Er placht nog altijd een licht te schijnen uit de vensters der kamer, die hem zoo helder voor den geest stond en waarin de heilige, die hem zoo had liefgehad, zoo menig uur in zorg en verlangen en gebed had doorgebracht. Hij wendde zijn oog van het flauwe licht af, dat hem met verwijtenden glans scheen te volgen, alsof het de geest zijner moeder was, die op hem lette en hem waarschuwde. Wat was de nacht helder! wat flikkerden de sterren! wat schoot het water rusteloos voort! de oude bekende boomen ruischten, en wuifden zachtkens met de donkere kruinen en takken boven het dak van het huisje. Ginds, onder den flauwen sterrenglans, lag het terras waar hij in zijne jongensjaren, vol vuur en goed vertrouwen, onbevlekt, onbeproefd, onbekend met twijfelzucht en hartstocht, tot nog toe aan den reinen en zorgenden boezem zijner liefhebbende moeder tegen de besmetting der wereld beveiligd, op de zomeravonden rondwandelde ... De klok der naburige stad, wier krachtige slagen het middernachtsuur verkondigen, stoort de mijmeringen van onzen reiziger en doet hem met versnelde schreden door de portierswoning aan den ingang van Clavering Park en onder de donkere booggewelven der ruischende lindeboomen naar de plaats, waar hij overnachten zal, voortspoeden.

De volgende maal dat hij zijn ouderlijk huis weerziet, prijkt het in den gloed der ondergaande zon: de vensters der slaapkamers, waar den vorigen avond licht brandde, staan open; en Pen’s huurder, kapitein Stokes van de Indische artillerie (wiens moeder, de oude mevrouw Stokes, te Clavering woont) ontvangt zijn huisheer zeer hartelijk ten bezoek. Hij laat hem den tuin zien en den vijver, dien hij in het achterste gedeelte bij den stal heeft aangelegd; hij spreekt vertrouwelijk met hem over het dak en de schoorsteenen, en verzoekt mijnheer Pendennis zelf maar een dag te willen bepalen wanneer hij den kapitein en mevrouw Stokes het genoegen zal willen doen, enz. Pen, die zich reeds sinds veertien dagen op het land bevindt, vraagt verschooning den kapitein niet eerder bezocht te hebben, en komt er rond voor uit, dat hij daartoe den moed niet bezat. „Ik begrijp u volkomen mijnheer,” zegt de kapitein, en nu op dit oogenblik komt mevrouw Stokes, die weggeslopen was toen er gescheld werd (wat kwam het Pen zonderling voor, zelf hier aan te schellen!), in haar beste gewaad en door hare kinderen omringd, naar beneden. De kleintjes klauteren tegen Stokes op; de jongen springt op een armstoel. Het was de armstoel van Pen’s vader, en Arthur herinnerde zich den tijd zeer goed, toen hij het evenmin in de gedachte zou hebben gekregen op dien stoel te gaan zitten, als den troon des konings te gaan beklimmen. Hij vraagt aan de jonge jufvrouw Stokes, die het evenbeeld harer moeder is, of zij spelen kan? dan zou hij wel iets op die piano willen hooren. Daarop speelt zij. Hij hoort de door ouderdom verzwakte tonen der piano nu weder, maar luistert niet naar de speelster. Hij luistert naar Laura, zooals zij in de dagen hunner jeugd zat te zingen, en ziet hoe zijne moeder, onder het slaan van de maat, zich over den schouder van het meisje heenbuigt.