Geschiedenis van Arthur Pendennis

Part 85

Chapter 853,792 wordsPublic domain

Het diner, dat ter eere van Pen door zijn huurder op Fairoaks gegeven en door de oude mevrouw Stokes, kapitein Glanders, jonker Hobnell en den dominé van Tinckleton met diens vrouw bijgewoond werd, was voor Pen zeer vervelend en melancholisch, tot de dienstknecht uit Clavering (die den stalknecht van den kapitein en den bottelier van mevrouw Stokes hielp), dien Pen nog als straatjongen gekend had en die nu barbier in het genoemde plaatsje was, een schotel over Pen’s schouder liet vallen, waarop mijnheer Hobnell (die hem nu en dan ook in dienst had) uitriep: „Zeg eens, Hodson! uwe handen zijn zeker glibberig van de pommade. Hij smijt altijd het aardewerk aan stukken, die Hodson – ha, ha!” Hodson begon te blozen en zag er zoo verlegen uit, dat Pen begon te schateren, en van nu af waren genoegen en vroolijkheid aan de orde van den avond. Als second service kreeg men een haas en patrijzen aan het boven- en benedeneinde van de tafel, en toen Pen, nadat de bedienden zich verwijderd hadden, tegen den predikant van Tinckleton zeide: „Mij dunkt, mijnheer Stooks, gij hadt Hodson maar moeten verzoeken (op den haas wijzende) haar te snijden,” werd de woordspeling dadelijk met gelach beantwoord door den dominé, waarop de kapiteins Stokes en Glanders binnen weinige minuten volgden, en eindelijk mijnheer Hobnell, heel wat later, met een daverenden schaterlach er ook mee instemde.

Terwijl mijnheer Pen zich ten platten lande op de bovengenoemde wijze bezig hield, kwam de dame van zijne keuze, zoo niet van zijn hart, van de villa te Tunbridge naar Londen, om aankoopen in winkels te doen, of andere belangrijke zaken te verrichten. Zij was vergezeld van de oude jufvrouw Bonner, haar moeders kamenier, die sedert Blanche’s kindsheid aanhoudend met haar geleefd en gekrakeeld had, en die, nu zij op het punt stond den dienst van Lady Clavering met den huwelijksstaat te verwisselen, als eene hartelijke ziel gaarne een bewijs van eerbiedige genegenheid aan haar oude en jonge meesteres wilde aanbieden, alvorens die beiden geheel te verlaten en haar post als vrouw van Lightfoot en kasteleines van het Wapen van Clavering te gaan bekleeden.

De brave vrouw riep de hulp van jufvrouw Amory’s smaak in, bij de keuze van het souvenir, dat zij mylady wilde schenken, terwijl zij de schoone Blanche uitnoodigde zelve iets naar haar eigen zin uit te kiezen, hetgeen haar kon blijven herinneren aan haar oude min, die in menigen onrustigen nacht, bij het krijgen van menig gevaarlijk tandje, bij menigen aanval van koorts in de kinderjaren, bij haar gewaakt en haar bijna als haar eigen kind bemind had. De aankoopen werden gedaan, en daar de min volstrekt een kolossalen bijbel voor Blanche wilde koopen, gaf de jonge dame in overweging of Bonner niet het groote Woordenboek van Johnson voor hare mama zou aanschaffen. Elk der beide dames had voorzeker heel wat nut kunnen trekken uit het geschenk.

Vervolgens kocht jufvrouw Bonner eenig linnen, dat zij in het Wapen van Clavering kon noodig hebben, en eene roode en gele das, zooals Blanche dadelijk begreep, voor mijnheer Lightfoot bestemd. Jufvrouw Bonner beschouwde dien jonkman, die ten minste vijf en twintig jaar jonger was dan zij zelve, met zoowel moederlijke als echtelijke teederheid en schikte hem gaarne met allerlei sieraden op, zoodat hij steeds schitterde van spelden, ringen, hemdsknoopjes, kettingen en snuisterijen, alle op kosten van het goede schepsel aangeschaft.

Jufvrouw Bonner deed hare aankoopen in het Strand, met behulp van jufvrouw Blanche, die dit heel aardig vond, en toen de oude jufvrouw alles gekocht had wat zij begeerde en den winkel verliet, vroeg Blanche met een innemend lachje en eene vriendelijke buiging aan een der winkelbedienden: „Zoudt ge zoo goed willen zijn, mijnheer, ons eens te zeggen, welken weg wij naar Shepherd’s Inn moeten inslaan?”

Daar Shepherd’s Inn slechts weinige ellen ver en Old Castle Street dichtbij was, wees de elegante jeugdige winkelbediende den hoek aan, welken de jonge dame moest omslaan, waarop deze met hare gezellin den tocht voortzette.

„Shepherd’s Inn! Wat hebt gij in Shepherd’s Inn te doen, Blanche?” vroeg jufvrouw Bonner. „Daar woont mijnheer Strong. Moet gij den kapitein spreken?”

„Ik zou den kapitein zeer gaarne eens zien. Ik houd wel van den kapitein. Maar ik ga hèm niet opzoeken. Ik moet een lief goed meisje gaan zien, dat heel vriendelijk is geweest voor – voor mijnheer Arthur, toen hij verleden jaar zoo ziek was, en die als het ware zijn leven heeft gered. Ik wil haar daarvoor bedanken en vragen of ik haar met iets helpen kan. Ik heb heden morgen opzettelijk verscheidene mijner kleedjes uitgezocht, Bonner!” en daarbij keek zij Bonner aan op eene wijze, alsof zij aanspraak op bewondering mocht maken en eene buitengewoon deugdzame daad verricht had. Blanche hield zeer veel van bonbons; zij zou die aan de armen te eten hebben gegeven, als zij er genoeg had gehad, en eene boerenmeid eene harer baljaponnen hebben geschonken, wanneer zij die had afgedragen en er niet meer van gediend beliefde.

„Een lief meisje – eene lieve jonge vrouw!” mompelde jufvrouw Bonner. „Ik weet wel, dat ik geene lieve jonge vrouwen in de nabijheid van Lightfoot zal laten komen;” en te gelijk bevolkte zij in hare verbeelding het Wapen van Clavering met een harem van de afschuwelijkste werkmeiden en buffetjufvrouwen.

Blanche was met haar paarsch en blauw, hare veeren en snuisterijen (de châtelaine, die verbazende uitvinding, was nog niet bekend, anders kan men zeker zijn, dat zij er een zou gedragen hebben), met haar zijden kleed met weerschijn, een prachtigen mantel en een beeldje van een parasol, zulk eene sierlijke en schoone verschijning, dat zij de oogen van jufvrouw Bolton verblindde, die den vloer der portierswoning van Shepherd’s Inn schrobde, terwijl Betsy-Jane en Amalia-Anna verrukt opkeken.

Blanche zag met een lachje van onbeschrijfelijke lieftalligheid en hoogheid op allen neer, gelijk Rowena, die Ivanhoe ging bezoeken, gelijk Marie Antoinette, toen zij gedurende den hongersnood de armen opzocht, gelijk de markiezin van Carabas, toen zij met haar rijtuig met vier paarden aan de deur van den armen boer stilhield en van Jan No. 2 het pakje Engelsch zout ten behoeve van den zieke overnam, om het met haar eigene vorstelijke hand in de ziekenkamer te brengen. Blanche achtte zich eene koningin, die van haar troon afdaalt om een onderdaan te bezoeken, en verkeerde in de volle overtuiging, dat zij eene goede daad verrichtte.

„Vrouwtje? Ik zou Fanny wel eens willen spreken, – Fanny Bolton. Is die hier?”

Blanche’s prachtig voorkomen deed plotseling de verdenking bij jufvrouw Bolton oprijzen, dat zij eene tooneelspeelster of nog iets ergers moest zijn.

„En wat moet gij van Fanny hebben, hè?” vroeg zij dus.

„Ik ben de dochter van Lady Clavering – gij hebt Sir Francis Clavering toch wel hooren noemen? En ik zou Fanny Bolton heel gaarne spreken.”

„O, kom dan als het u belieft binnen, jufvrouw. Betsy-Jane, waar is Fanny?”

Betsy-Jane antwoordde, dat Fanny de trap van No. 3 opgegaan was, waarop jufvrouw Bolton verklaarde, dat zij zich dan waarschijnlijk op de kamers van Strong zou bevinden, en het kind gelastte te gaan zien, of zij inderdaad dáár was.

„Op de kamer van kapitein Strong! O, laten wij naar kapitein Strong’s kamer gaan!” riep jufvrouw Blanche uit. „Ik ken hem heel goed. Kom, kindlief, wijs ons den weg eens naar kapitein Strong!” vervolgde jufvrouw Blanche; want de vloer rook naar het schrobben, en de godin hield niet van reuk van groene zeep.

Toen zij de trap opgingen, maakte een heer met name Costigan, die over het plein drentelde en een schelmschen blik onder Blanche’s hoed sloeg, bij zich zelven de opmerking: „Dat is eene verduiveld mooie meid, voor den drommel, die daar naar Strong en Altamont gaat; die twee hebben altijd mooie meisjes op hunne trap.”

„Hola – wat is dat?” riep hij een oogenblik later uit, naar de vensters opkijkende, door welke een schel gegil naar buiten drong.

Op het geluid der stem van eene vrouw, die in nood verkeerde, rende de onversaagde Cos de trap op, zoo snel als zijn oude beenen hem dragen konden, maar hij werd bijna omvergeloopen door Strong’s bediende, die de trap afsnelde. Cos vond de buitendeur van Strong’s apartementen dicht en begon donderende slagen met den klopper te geven. Na een aantal van die krachtige slagen werd de binnendeur gedeeltelijk opengedaan en keek Strong eventjes om den hoek.

„Ik ben het, beste jongen. Wat beteekent dat leven, Strong?” vroeg Costigan.

„Loop naar den duivel!” was het antwoord, waarop de deur weer voor Costigan’s eerbiedwaardigen rooden neus werd dichtgesmeten. Onder het mompelen van bedreigingen van wraak over de beleediging, die hem was aangedaan, en zwerende dat hij voldoening zou moeten hebben, ging hij de trap af. Ondertusschen zal de lezer, gelukkiger dan kapitein Costigan, het voorrecht genieten, bekend te worden gemaakt met het geheim, dat voor dien officier verborgen werd gehouden.

Wij hebben reeds vermeld van welk een vrijgevig karakter mijnheer Altamont was, en met welk eene milde hand hij zijn geld besteedde, zoodra hij er van voorzien was. Daar hij ook een gastvrijen aard bezat, kende hij geen grooter genoegen dan met anderen te drinken, zoodat te Greenwich en te Richmond niemand méér welkom was dan de afgezant van den nabob van Lucknow.

Nu wilde het toeval dat de kolonel, op den dag toen Blanche en jufvrouw Bonner de trap naar de kamer van Strong in Shepherd’s Inn beklommen, jufvrouw Delaval van den koninklijken schouwburg van – en hare moeder, mevrouw Hodge, uitgenoodigd had tot een tochtje op de rivier met bepaling, dat zij op zijne kamers zouden bijeenkomen, om dan gezamenlijk op een aanlegplaats in het naburige Strand aan boord eener stoomboot te gaan. Toen derhalve jufvrouw Bonner en Mes Larmes aan de deur kwamen, zeide Grady, Altamont’s bediende, die daar op post stond, met de meeste voorkomendheid: „Gaat binnen, dames,” en leidde haar het vertrek in, dat versierd was alsof zij verwacht werden. Wezenlijk stonden twee ruikers, dien morgen in Covent Garden gekocht, als bewijzen van Altamont’s kiesche galanterie, zijne gasten op de tafel te wachten. Blanche rook aan een der bouquetten, stak er haar aardig nuffig neusje in, trippelde de kamer rond, en keek achter de gordijnen, en naar de boeken en prenten, en naar den plattengrond van het landgoed Clavering, die aan den muur hing; zij had den knecht naar kapitein Strong gevraagd, maar diens bestaan bijna weer vergeten, evenals het doel waarmee zij hier gekomen was, namelijk Fanny Bolton te bezoeken, – zoo ingenomen was zij met dit nieuwe avontuur en het malle, zonderlinge, aardige, kluchtige ideetje van zich op de kamers van een ongehuwd heer in zulk een wonderlijk oud hoekje van de stad te bevinden!

Intusschen was Grady met een paar groote verlakte laarzen in zijn meesters kamer verdwenen. Blanche had ternauwernood opgemerkt hoe groot die laarzen waren en hoe weinig zij op die van Strong geleken.

„De vrouwen zijn gekomen,” zeide Grady, toen hij de laarzen aan zijn meester overhandigde.

„Vraag haar, of zij niet een glaasje van het een of ander willen gebruiken,” zeide Altamont.

Grady kwam nu buiten en zeide tegen de dames: „Hij vraagt of gij een borreltje wilt hebben?” waarop Blanche, die deze vraag heel aardig vond, in een lachje uitbrak en aan jufvrouw Bonner vroeg: „Willen wij een glaasje nemen?”

„Nu, gij kunt het nemen of niet, naar keuze,” zeide Grady, die zijn aanbod geminacht waande en wien de hooge manieren der nieuw aangekomenen niet bevielen, zoodat hij haar alleen liet.

„Zullen wij een glaasje nemen?” vroeg Blanche andermaal en brak wederom in lachen uit.

„Grady!” riep eene stem uit de andere kamer, eene stem, die jufvrouw Bonner verschrikt deed opzien.

Grady gaf geen antwoord. Men hoorde hem veraf zingen in de keuken op de bovenverdieping, waar hij zijn werk met zijne muziek begeleidde.

„Grady, mijn rok!” schreeuwde de stem uit de belendende kamer.

„Dat is de stem van mijnheer Strong niet?” zeide de sylphide, nog altijd half lachende. „Grady, mijn rok! – Bonner, wie is „Grady mijn rok?” Ik geloof, dat het beter zou zijn als wij heengingen.”

Bonner keek nog altijd zeer ontsteld over het geluid der stem, die zij gehoord had.

Op dit oogenblik ging de deur der slaapkamer open en kwam de persoon, die: „Grady, mijn rok!” geroepen had, zonder dat kleedingstuk te voorschijn.

Hij knikte de dames toe en ging de kamer door met de woorden: „Ik vraag excuus, dames. Grady, breng me mijn rok! Een mooie dag, dames, en wij zullen een prettig tochtje maken –”

Maar verder kwam hij niet, want op dit oogenblik riep jufvrouw Bonner, die hem met verschrikte oogen had aangestaard, plotseling uit: „Amory! Amory!” en zonk gillende en in zwijm op haar stoel neer.

De man, die aldus aangesproken werd, keek de vrouw een oogenblik aan, en snelde toen naar Blanche, die hij omhelsde en kuste „Ja, Betsy,” sprak hij, „bij den hemel, ik ben het. Mary Bonner heeft mij herkend. Wat zijt ge een mooi meisje geworden! Maar onthoud wel, dat het een geheim is. Ik ben dood, al ben ik uw vader. Uw arme moeder weet niets van mij. Wat zijt ge lief opgegroeid! Geef mij een kus – een stevigen kus, Betsy. Voor den drommel, ik heb u lief; ik ben uw ouwe vader!”

Betsy – of Blanche scheen ten eenemale verbijsterd en begon ook te gillen – eenmaal, tweemaal, driemaal; en het waren hare doordringende kreten, die kapitein Costigan hoorde, toen hij beneden op het plein wandelde.

Toen de ontstelde vader dat gillen hoorde, wrong hij zijne handen (zijne manchetten hingen open, en daardoor zag men op zijn eenen gebruinden arm zekere blauwe letters, die er in geprikt waren), snelde zijne kamer binnen, kwam weer terug met een eau-de-cologne-flesch uit zijne groote zilveren toiletdoos en begon jufvrouw Bonner en Blanche overvloedig met den inhoud te besprenkelen.

Het gillen der vrouwen lokte de andere bewoners van het apartement naar de kamer; Grady uit zijne keuken en Strong uit zijn vertrek op de bovenverdieping. De laatste zag aan het voorkomen der beide vrouwen dadelijk wat er gebeurd was.

„Grady, ga naar beneden op het plein wachten,” zeide hij, „en als er iemand komt – ge begrijpt mij?”

„Ja, ook de actrice met hare moeder?” vroeg Grady.

„Ja – loop naar den drommel – zeg dat er niemand thuis is en dat de partij wordt uitgesteld.”

„Moet ik dat zeggen, mijnheer? nadat ik die bouquetten gekocht heb?” vroeg Grady aan zijn meester.

„Ja,” zeide Amory, op den grond stampende, en toen Strong zich naar de deur begaf, kwam hij er juist bijtijds om kapitein Costigan, die de trap opgeklommen was, buiten te houden.

Dien dag werden de dames van het tooneel niet te Greenwich onthaald en legde Blanche haar bezoek bij Fanny Bolton niet af; en Cos, die de gelegenheid waarnam om op eene majestueuse wijze aan Grady te vragen wat voor ongeluk er gebeurd was en wie daar gilde, kreeg ten antwoord, dat het eene vrouw en nog een andere vrouw was, en dat de vrouwen, naar Grady’s oordeel, de oorzaak waren van bijna al het onheil, dat op aarde plaats had.

ZEVEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN PEN AAN ZIJNE VERKIEZING BEGINT TE TWIJFELEN.

Terwijl Pen aldus in zijn eigen graafschap zijne zelfzuchtige plannen en parlementaire vooruitzichten trachtte te verwezenlijken, ontving hij de tijding, dat Lady Rockminster te Baymouth was aangekomen en onze vriendin Laura had meegebracht. Toen Pen vernam, dat zijne zuster Laura zich in zijne nabijheid bevond, beving hem een gevoel van schuld. Hij wenschte wellicht in haar achting hooger te staan dan in die van iemand anders ter wereld. Zij was hem, als het ware, door zijne moeder gelegateerd. Hij moest in zekeren zin haar bestuurder en beschermer zijn. Hoe zou zij het nieuws opnemen, dat hij haar had mee te deelen, en hoe zou hij haar de plannen uiteenzetten, die hij koesterde? Hij nam een gevoel bij zich waar, alsof noch hij noch Blanche Laura’s schitterenden en kalm onderzoekenden blik zou kunnen uithouden, en alsof hij zijne wereldsche verwachtingen en vooruitzichten niet aan die reine ziel zou durven bekennen. Zoodra zij te Baymouth was aangekomen, schreef hij haar een brief vol mooie uitdrukkingen en betuigingen van genegenheid en met eene goede hoeveelheid luchtigen spot en scherts; doch onder dat alles kon mijnheer Pen zich niet ontveinzen, dat hij zeer beducht was voor hetgeen komen zou en dat hij zich als een schelm en schijnheilige gedroeg.

Hoe kan een eenvoudig landmeisje bij zulk een voorbeeldig gentleman als mijnheer Pen, vrees en siddering verwekken? Hij gevoelde, dat zijne wereldsche berekeningen en plannen, zijne satirieke levensbeschouwing en zijne wereldkennis den toets van hare reinheid niet konden doorstaan. En hij moest bekennen, dat zijne voornemens van dien aard waren, dat hij aan dat brave meisje de waarheid niet openbaren kon. Toen hij van Clavering naar Baymouth reed, gevoelde hij zich zoo schuldig als een schooljongen die zijne les niet kent en straks tegenover den gevreesden meester zal staan. Want de waarheid is immers altijd de meesteres, die de macht bezit en het boek in de hand houdt?

Laura had, onder de hoede van Lady Rockminster, hare welgezinde doch eenigszins willekeurige en gebiedende beschermster, in het afgeloopen jaar het een en ander gezien, zich eenige nieuwe bekwaamheden eigen gemaakt en uit de lessen der wereld veel nut getrokken. Menig meisje, gewoon aan de al te groote vertroeteling, aan Laura vroeger ten deel gevallen, zou ongeschikt zijn geworden voor het leven, dat zij thans moest leiden. Helena aanbad hare beide kinderen en dacht, gelijk vrouwen, die nooit iets van de wereld gezien hebben, doorgaans doen, dat het heelal voor hen geschapen was, of eerst na hen in aanmerking kwam. Zij verzorgde Laura met eene waakzaamheid en eene liefde, die haar nooit verliet. Had het meisje hoofdpijn, de weduwe was zoo ontsteld, alsof nooit iemand anders ter wereld hoofdpijn had gehad. Zij sliep en ontwaakte en leerde en bewoog zich onder haar moeders liefderijk oppertoezicht, waarvan zij nu beroofd was, evenzeer als van die teedere vrouw zelve, wier zorgvolle hart niet meer kloppen zou. En Laura zal ongetwijfeld smartelijke oogenblikken van verdriet en neerslachtigheid hebben gekend, toen zij zich alleen in de groote onverschillige wereld bevond. Niemand sloeg acht op hare smart of haar eenzaamheid. Zij stond in maatschappelijken rang geenszins gelijk met de dame tot wier gezelschap zij strekte, of met de vrienden en betrekkingen der heerschzuchtige, doch welgezinde oude douairière. Er waren er waarschijnlijk wel, die haar geen goed hart toedroegen; sommigen behandelden haar misschien wel eens met mindere achting; de bedienden bejegenden haar somtijds en de vrouw des huizes dikwijls met zekere ruwheid. Laura woonde niet zelden familiebijeenkomsten bij, waar zij gevoelde dat het vertrouwen en de gemeenzaamheid door haar aanwezigheid verstoord werd, en hare gevoeligheid werd natuurlijk gekwetst door de gedachte, dat zij hinder zou geven of ondervinden. Hoe vele gouvernantes zijn er in de wereld, dacht de opgeruimde Laura – hoevele dames, die, door de omstandigheden gedwongen, slavinnen en gezelschapsjufvrouwen van beroep zijn! Hoeveel kwade humeuren en grove bejegeningen moeten deze niet verduren! Hoe oneindig gelukkiger is mijn lot bij deze wezenlijk vriendelijke en hartelijke menschen, dan dat van duizenden meisjes, die in de wereld alleen staan! Met dezen gewilligen geest schikte zich onze jonge dame in hare nieuwe positie en bood met een vertrouwelijk lachje aan de Fortuin het hoofd.

Hebt ge ooit iemand gekend, die de Fortuin aldus te gemoet ging en op wien die godin niet vriendelijk neerzag? Worden zelfs slechte menschen niet eindelijk gewonnen door een onverstoorbare goede luim en een rein en toegenegen hart? Toen de kinderen in het bosch, waarvan de ballade spreekt, zoo lief en vertrouwelijk opzagen naar de verfoeilijke schelmen, die hun oom gehuurd had om de kleinen van kant te maken, weten wij allen, dat een dier schavuiten vermurwd werd en den ander uit den weg ruimde, daar hij den moed niet bezat om zooveel onschuld en schoonheid wreed te behandelen. O, zalig degenen, die deze onverstoorbare goede gedachte van de wereld en dit zoete en opgeruimde vertrouwen op haar bezitten, en geen kwaad vreezen, omdat zij geen kwaad denken! Jufvrouw Laura Bell was een van die bevoorrechte wezens, en droeg buiten het diamanten kruisje van de liefderijke weduwe, hetwelk Pen, gelijk wij gezien hebben, haar geschonken had, een flikkerenden en schitterenden kohinoor in haar hart, nog kostbaarder dan die beroemde steen; want voor den eigenaar is die niet slechts een schat hier op aarde, maar hij behoudt dat kleinood ook in eene betere wereld, waar men zegt dat diamanten niets meer waard zijn, en het is en blijft een talisman tegen het kwade en verlicht de duisternis des levens, gelijk de vermaarde steen van Copia Hassan.

Dientengevolge was er, eer jufvrouw Bell een jaar ten huize van Lady Rockminster had vertoefd, geen enkel persoon onder dat dak, wiens genegenheid zij niet door het gebruik van dien talisman had gewonnen. Laura had de welwillendheid en vriendelijke gezindheid van iedereen, van de oude dame tot de geringste persoon in haar dienst, verworven. Met eene meesteres van zulk een humeur kon men niet verwachten, dat mylady’s kamenier (die hare mevrouw veertig jaren verdragen had en gedurende al dien tijd dag en nacht was gehavend, uitgescholden en beleedigd) zelve een goed humeur zou hebben, en dus was zij in den beginne boos tegen jufvrouw Laura, gelijk zij het tegen de vijftien vroegere gezelschapsjufvrouwen van mylady geweest was. Doch toen Laura te Parijs ziek lag, wilde deze oude vrouw haar oppassen in spijt van hare meesteres, die bang was de koorts te krijgen, en vocht letterlijk met Martha van Fairoaks, die nu tot kamenier van jufvrouw Laura bevorderd was, om de eer van de geneesmiddelen aan de patiënte te mogen toedienen. Toen zij aan de beterhand was, scheelde het weinig of Grandjean, de chef, had haar vermoord met de vele lekkernijen, die hij voor haar gereedmaakte, en toen zij haar eerste stukje kip at, weende hij van vreugde. De Zwitsersche majordomo der huishouding bezong jufvrouw Bell’s lof in bijna alle Europeesche talen, die hij alle even slecht sprak; de koetsier was verheugd haar te mogen rijden; de page schreide toen hij hoorde dat zij ziek lag; en Calverley en Coldstream (die twee lakeien, die zoo lang, doorgaans zoo kalm en altijd zoo moeielijk te roeren waren) braken op de tijding van hare beterschap in een ongehoorde vroolijkheid los, en maakten den page in een wijnhuis beschonken, om haar herstel te vieren. Zelfs Lady Diana Pynsent (onze oude kennis, mijnheer Pynsent, was in den tusschentijd getrouwd), die een tijdlang veel afkeer van Laura had gekoesterd, geraakte zoo zeer in geestdrift, dat zij verklaarde, dat zij jufvrouw Bell een heel aardig meisje vond en dat grootmama eene groote trouvaille in haar had gedaan. Al die welwillendheid en vriendschap had zich Laura noch door list of vleierij verworven, maar enkel door de kracht van haar goed humeur en door de kostbare gave om te behagen en zich behaaglijk te gevoelen.