Geschiedenis van Arthur Pendennis

Part 83

Chapter 833,899 wordsPublic domain

Den volgenden dag wandelden zij lachend en snappend, als het vroolijkste paar bekenden dat men zien kon, door het veld. Zij spraken over de dagen hunner jeugd en Blanche was alleraardigst sentimenteel. Zij babbelden over Laura, die allerliefste Laura, die Blanche als eene zuster bemind had; gevoelde zij zich gelukkig bij die oude Lady Rockminster? Zou zij niet te Tunbridge bij hen willen komen logeeren? O, wat zouden zij samen heerlijke wandelingen doen! Wat zouden zij liederen zingen – die oude, oude liederen! Laura bezat eene heerlijke stem. Wist Arthur – zij kon hem niet anders dan Arthur noemen – wist Arthur, nu hij zulk een groot man was geworden en zulk een succès had verworven, nog wel welke liederen zij zongen in die gelukkige vroegere dagen? enz., enz.

En den daaropvolgenden dag, door een lief uitstapje in het bosch naar Penshurst en de bezichtiging van dat mooie park met het heerenhuis verlevendigd, had het gesprek met den dominé plaats, waarvan wij reeds melding hebben gemaakt, en hetgeen onzen vriend heel veel te denken gaf.

„Is zij wezenlijk zoo voortreffelijk geworden?” vroeg hij zich af. „Is zij nu ernstig en godsdienstig? Bemoeit zij zich met de school en bezoekt zij de armen? Is zij jegens hare moeder en haar broeder zoo vriendelijk? Ja, ik ben er van overtuigd, want ik heb dat zelf gezien.” En toen Pen met zijn gewezen leermeester diens kleine gemeente doorwandelde en zijne school bezocht, zag hij met onuitsprekelijk genoegen, dat Blanche de kinderen zat te onderwijzen, en daarbij stelde hij zich voor, hoe geduldig en goedhartig en onschuldig, hoe wezenlijk eenvoudig en onbedorven zij was.

„En houdt gij inderdaad van het verblijf op het land?” vroeg hij haar, toen hij met haar wandelde.

„Ik zou wenschen, die akelige stad nooit weer te zien. O, Arthur – ik wil zeggen mijnheer – nu, Arthur dan – de goede gedachten ontkiemen bij den mensch in deze liefelijke bosschen en in deze kalme eenzaamheid, gelijk die bloemen, die gij wel weet, dat in Londen niet willen bloeien. De tuinier komt eenmaal ’s weeks de bloemen op ons balkon vernieuwen. Ik geloof, dat ik Londen niet meer in het gezicht zal kunnen zien – in dat leelijke, berookte, ijzeren gezicht. Maar och!”

„Waarom die zucht, Blanche?”

„Och, dat komt er niet op aan.”

„Ja, het komt er voor mij wel op aan. Vertel mij alles, alles!”

„Ik wenschte, dat gij niet waart overgekomen,” en er verscheen eene tweede uitgave van Mes Soupirs.

„Hebt gij dan niet gaarne, dat ik hier ben, Blanche?”

„Ik heb niet gaarne, dat gij weggaat. Ik geloof niet, dat het hier heel genoeglijk zal zijn als gij weg zijt, en dit is de reden waarom ik wenschte, dat gij niet gekomen waart.”

Bij deze woorden werden Mes Soupirs ter zijde gelegd en Mes Larmes voor den dag gebracht.

Ach, welk antwoord volgt er op deze, wanneer zij zich in de oogen eener jonge vrouw vertoonen? Welk middel wordt er aangewend, om ze weg te wisschen? Wat gebeurde er? O, tortelduifjes en rozen! o, dauwdroppels en wilde bloemen! o, golvende boschjes en balsemgeurende zomerluchtjes! Hier had men twee afgesloofde Londensche pretmakers, die zich zelven voor een oogenblik bij den neus namen en meenden dat zij op elkander verliefd waren, gelijk Phillis en Corydon!

Wanneer men aan het leven op het land en de wandelingen in de boschjes denkt, verwondert men zich, dat er nog één man bestaat, die ongetrouwd is gebleven.

VIJF EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

VERZOEKING.

Vanwaar, dat Arthur, die altijd zoozeer op zijn gemak en zoo openhartig was met Warrington, deze vriend en vertrouwde van al zijne geheimen niet onderrichtte van de kleine voorvallen, die op de villa nabij Tunbridge Wells hadden plaats gehad? Hij sprak zonder omwegen over het weerzien van zijn ouden leermeester Smirke, over diens vrouw, over zijn Anglo-Normandische kerk en over zijne reis van Clapham naar Rome; maar als hij over Blanche ondervraagd werd, gaf hij ontwijkende of algemeene antwoorden; hij verklaarde, dat zij een goedhartig en geestig schepseltje was en onder goede leiding misschien nog zoo’n slechte vrouw niet zou zijn, maar dat hij voor het oogenblik geen trouwlustige plannen koesterde, dat zijne romaneske dagen voorbij waren, dat hij met zijn tegenwoordigen toestand tevreden was, en meer van dien aard.

In den tusschentijd kwamen er nu en dan op Lamb Court in den Temple aardige kleine gesatineerde enveloppen, voorzien van een zeer net geschreven adres en verzegeld met een van die verbazende naamcijfers, waaruit Warrington, indien hij nieuwsgierigheid genoeg had bezeten om op de brieven van zijn vriend te letten, of indien dat naamcijfer maar ontcijferbaar ware geweest, zou gezien hebben, dat mijnheer Pen briefwisseling voerde met eene jonge dame wier voorletters B. A. waren. Mijnheer Pen beantwoordde die lieve opstelletjes op zijne beste en galantste manier, met grappen, stadsnieuwtjes, geestigheden, ja, waarschijnlijk wel met aardige versjes, in antwoord op de gedichtjes der muze van Mes Larmes. Wij weten dat Blanche rijmt op „avalanche” en „revanche”, en een heer van Pen’s vernuft heeft zeker deze gelegenheden niet laten voorbijgaan, maar het zijne gezegd bij die lieve woordjes. Wij gelooven dan ook inderdaad, dat die minnedichtjes van Pen, welke zooveel opgang maakten in de Rozebladeren, dat mooie jaarboekje, hetwelk onder redactie van Lady Violet Lebas uitkwam en door den beroemden teekenaar Pinkney met de portretten der voornaamste adellijke dames opgeluisterd werd, in dit tijdperk des levens van onzen held zijn vervaardigd en eerst per post aan Blanche waren gezonden, eer zij in druk verschenen als bloempjes aan Pinkney’s kunstguirlande.

„Versjes zijn heel aardig.” zeide de oude Pendennis, toen hij Pen eenmaal in de club bezig vond met het opschrijven van een dezer ongekunstelde ontboezemingen, terwijl hij op zijn diner zat te wachten, „en het schrijven van brieven is ook goed, als mama het toestaat, en tusschen zulke oude vrienden, die elkander kennen sedert den tijd dat zij ten platten lande woonden, mag natuurlijk wel eenige briefwisseling en meer van dien aard plaats hebben, – maar pas op, Pen, dat gij u niet vastwerkt, beste jongen. Want wie weet, voor den drommel, wat er gebeuren kan? Het best is, te zorgen dat er in uwe brieven niets van belang staat. Ik heb nooit van mijn leven een brief geschreven, die vat op mij gaf, en toch, voor den drommel, neef, heb ik heel wat ondervinding van vrouwen gehad.” En daarop verhaalde deze achtenswaardige heer, die, naarmate hij in jaren vorderde, ook spraakzamer en vertrouwelijker met zijn neef werd, een aantal treffende voorbeelden van de slechte gevolgen, welke dit gebrek aan voorzichtigheid voor verscheidene voorname lui had gehad; – hij vertelde, hoe de jonge Spoony, door te vurige uitdrukkingen in eenige verzen aan de weduwe Naylor te bezigen, zich had blootgesteld aan een bezoek van haar broeder, kolonel Flint, die daarover opheldering kwam vragen, waardoor Spoony gedwongen was geworden eene vrouw te trouwen, oud genoeg om zijne moeder te zijn, – dat Hopwood, van de Garde, nadat het Louisa Salter eindelijk gelukt was den jongen Sir John Bird tot eene declaratie te brengen, met eenige brieven voor den dag was gekomen, die jufvrouw S. hem geschreven had, waarop Bird van haar afzag en later metjufvrouw Stickney van Lyme Regis trouwde, enz. Zoo de majoor niet veel had gelezen, had hij daarentegen veel opgemerkt en kon hij zijne betoogen met een aantal voorbeelden toelichten, die hij door langdurige en zorgvuldige studie van het groote boek der wereldkennis opgezameld had.

Pen lachte om die voorbeelden en zeide, met een blosje over de raadgevingen van zijn oom, dat hij die in gedachte houden en voorzichtig wezen zou. Misschien sproot zijn blos daaruit voort, dat hij ze in gedachte had gehouden, dat hij voorzichtig was, dat hij zich, hetzij onwillekeurig, hetzij uit een gevoel van eerlijkheid, in zijn geschrijf aan jufvrouw Blanche van alle verklaringen onthouden had, die hem konden binden. „Herinnert gij u de les niet, oom, die ik in die zaak met Lady Mirabel – met jufvrouw Fotheringay, gekregen heb? Ik zal mij niet meer laten vangen,” zeide Arthur, met schijnbare openhartigheid en onderdanigheid. De oude Pendennis wenschte zich zelven en zijn neef van harte geluk met de behoedzaamheid en de vorderingen van dezen laatste en verheugde zich over het juiste standpunt, dat Arthur als man van de wereld gekozen had.

Ware Warrington geraadpleegd, diens oordeel had ongetwijfeld anders geluid; voorzeker zou hij verklaard hebben, dat de dwaze brieven van den knaap beter waren dan de behendige complimenten en sluwe vleierijen van den man; en dat slechts een schelm, of een lafaard, bedekt en langs zijpaden en met een veiligen aftochtsweg achter zich er op uittrekt om de vrouw te verwerven, die hij bemint. Doch Pen sprak over dit onderwerp niet met Warrington, daar hij zeer goed wist èn dat hij schuldig was èn in welken zin het vonnis van zijn vriend zou luiden.

Kolonel Altamont was nog slechts sinds weinige weken op zijne buitenlandsche reis en Sir Francis Clavering had zich ten gevolge zijner overeenkomst met majoor Pendennis onderwijl naar buiten begeven, toen de slagen des lots onverwacht en zwaar op den eenigen overgebleven compagnon der kleine firma in Shepherd’s Inn begonnen neer te dalen. Toen Strong, bij zijn afscheid van Altamont, in de volheid zijner beurze en de edelmoedigheid zijns harten het geld had afgewezen, dat laatstgenoemde hem ter leen aanbood, bracht hij een offer aan zijn geweten en zijne kieschheid, dat hem later menigmaal berouw en spijt veroorzaakte, en hij gevoelde (wat hem niet dikwijls in zijn leven gebeurd was), dat hij in dit geval te kiesch en te schroomvallig was geweest. Waarom zou iemand, die in verlegenheid verkeerde, een vriendelijk aanbod van de hand wijzen? Waarom zou een dorstig mensch eene kan water uit eene welwillende hand weigeren, al was die een weinig onzindelijk? Strong gevoelde gewetensknagingen, dat hij iets had afgewezen, hetwelk de ander eerlijk gewonnen en gul aangeboden had; en hij bedacht met smart, nu het te laat was, dat Altamont’s geld even veilig in zijn zak zou zijn bewaard geweest als in dien van de speeltafelhouders te Baden of te Ems, aan wien zijn excellentie onvermijdelijk zijne winst van de wedrennen verliezen zou. Onder de winkeliers, de geldschieters en anderen, die in geldelijke betrekking tot kapitein Strong stonden, liep het praatje, dat zijne compagnieschap met den baronet ontbonden en het „papier” van den kapitein dus voortaan waardeloos was. De winkeliers, die hem tot nog toe een onbeperkt vertrouwen hadden geschonken – want wie was tegen Strong’s prettig gezicht en ronde manieren bestand? – begonnen thans met beleedigend wantrouwen hunne rekeningen in te zenden. Er werd zonder ophouden aan de deur der kamers in Shepherd’s Inn geklopt, en de kleermakers, laarzenmakers, en koks, die diners geleverd hadden, maakten in persoon, of vertegenwoordigd door hunne knechts, hunne opwachting bij Strong. Hierbij kwamen nog een paar personen van minder luidruchtigen, maar veel slimmer en gevaarlijker aard, – de jonge deurwaardersklerken namelijk, die rondom de Inn zwierven, of zich met den klerk van den heer Campion op diens kantoor in de nabijheid in verband stelden en in hunne onheilspellende portefeuilles dagvaardingen hadden, waarbij Edward Strong gelast werd op dien en dien dag te verschijnen voor de rechtbank, ten einde zich te hooren veroordeelen, enz., enz.

De arme Strong, die geen guinje op zak had, wist zich natuurlijk tegen dien aanval van schuldeischers nergens beter te beveiligen dan in des Engelschmans kasteel, waarin hij dan ook de wijk nam en de binnen- en buitendeur voor den neus van den vijand sloot, terwijl hij zijne sterkte eerst na het vallen van den avond verliet. De vijand kwam en rameide en vloekte tegen de buitenwerken, en onder de hand begluurde de chevalier hen door het gordijntje, dat hij over de opening van zijne brievenbus gehangen had, en had de treurige zelfvoldoening de lange gezichten van woedende klerken en brullende schuldeischers te zien, die met hun hoofd door den muur wilden en weder moesten terugdeinzen. Daar echter de vijanden van den chevalier niet altijd vóór zijne deur konden staan, noch op zijne trap overnachten, lieten zij hem tusschenbeide met rust.

Terwijl Strong aldus door zijne neringdoende vijanden in het nauw werd gebracht, stond hij niet alleen tegenover hen, maar hij had zich een paar bondgenooten weten te verzekeren. Zijne vrienden hielden, volgens afspraak, gemeenschap met hem door middel van bijzondere signalen; op die wijze bewaarden zij het garnizoen tegen den hongerdood door de vereischte toevoeren binnen te brengen en schraagden zij den moed van Strong, dien zij, door hem in zijne schuilplaats te bezoeken en op te beuren, van de overgave weerhielden. Huxter en jufvrouw Fanny Bolton waren twee van Ned’s trouwste bondgenooten; wanneer er vijanden rondom de Inn loerden, hadden Fanny’s zusjes geleerd een bijzonderen kreet aan te heffen, welken zij met het onschuldigste gezicht op het plein uitkraaiden; wanneer Fanny en Huxter Strong kwamen bezoeken, zongen zij met voorbedacht die zelfde tonen vóór zijne deur, waarop de slagboom dadelijk werd opgeheven, het dappere garnizoen lachend naar buiten kwam, de mondbehoeften en de kan porter werden binnengebracht en de belegerde een genoeglijken avond in het gezelschap zijner beproefde vrienden doorbracht. Sommigen zouden zulk een staat van spanning niet kunnen uithouden, maar Strong was, gelijk wij reeds zeiden, een dapper man, die in den oorlog was geweest en in het gevaar nooit den moed verloor.

Doch onze generaal had zich niet alleen bondgenooten verzekerd, maar voor iets nog noodzakelijkers in geval van uitersten, namelijk voor den aftocht, gezorgd. Op vroegere bladzijden hebben wij verhaald, dat de heeren Costigan en Bows in het huis naast Strong woonden, en dat het venster van een hunner kamers niet ver verwijderd was van het keukenvenster op de bovenverdieping van Strong’s verblijf. Eene looden waterpijp en goot liep langs die beide vensters, en toen Strong op zekeren dag uit zijn keukenraam keek, zag hij, dat hij zeer gemakkelijk op het kozijn van zijn buurmans venster kon springen en opklauteren tegen de pijp, die van het eene huis naar het andere liep. Lachend had hij zijn kameraad Altamont op dien uitweg gewezen, en beiden waren overeengekomen, dat het best was er kapitein Costigan niet mede bekend te maken, daar diens schuldeischers talrijk waren en de kapitein dus onophoudelijk langs die pijp hunne vertrekken zou binnendringen, als hij dit redmiddel eenmaal kende.

Doch nu de kwade dagen voor Strong aangebroken waren, maakte deze zelf van dien weg gebruik, en stond op zekeren middag plotseling met zijn prettig gezicht voor Bows en Costigan, aan wie hij vertelde, dat de vijand op zijne trap zat te wachten en hij nu dit middel bedacht had om hem bij den neus te nemen. Terwijl dus de adjudanten van mijnheer Marks in den gang van No. 3 stonden te wachten, ging Strong de trap van No. 4 af, dineerde in de Albion Tavern, begaf zich naar den schouwburg en kwam te middernacht weer thuis, tot verbazing van jufvrouw Bolton en Fanny, die hem niet hadden zien uitgaan en niet konden begrijpen hoe het hem gelukt was de reeks van schildwachten te verschalken.

Strong doorstond dat beleg eenige weken met bewonderenswaardige geestkracht en standvastigheid, gelijk ook alleen van zulk een oud en dapper soldaat te verwachten was, want de onaangenaamheden en ontberingen, die hij te doorstaan had, zouden voldoende zijn geweest, om iemand van alledaagschen moed neerslachtig te maken; maar wat hem het meest hinderde en ergerde, was de helsche onverschilligheid en snoode ondankbaarheid van Clavering, dien hij den eenen brief na den anderen schreef, welken de baronet met geen enkelen regel noch met het geringste geldsommetje beantwoordde, ofschoon een bankje van vijf pond, gelijk Strong zeide, op dat tijdstip een schat voor hem zou geweest zijn.

Doch er waren voor den chevalier betere dagen in aantocht, en te midden van zijn wanhopigen en radeloozen toestand deed zich de meest gewenschte hulp voor hem op. „Ja, zonder dezen goeden kerel,” zeide Strong, „– want ge zijt een goede kerel, Altamont, mijn jongen, en ik mag dit en dat zijn, als ik u niet mijn leven lang de hand boven het hoofd houd, – geloof ik, Pendennis, dat het met Ned Strong slecht afgeloopen zou zijn. Het was reeds de vijfde week dat ik opgesloten werd gehouden, want ik kon niet altijd langs die waterpijp den hals er aan wagen en mijn weg door het venster van den armen ouden Cos nemen, zoodat de moed mij geheel ontzonk, mijnheer, geheel ontzonk, en ik begon te overleggen hoe een einde aan mijn leven te maken, hetgeen ik ook de volgende week zou gedaan hebben, toen Altamont plotseling als uit den hemel kwam vallen!”

„De hemel was juist de plaats niet, Ned,” zeide Altamont; „ik kwam uit Baden-Baden, waar ik eene verduiveld gelukkige maand had gehad. Dat is de eenvoudige loop der zaak.”

„Nu, mijnheer, hij voldeed de rekening van Marks, en betaalde al die andere kerels, die mij op de hielen zaten, – dat deed hij, als een ferme kerel,” zeide Strong vol geestdrift.

„En het zal mij genoegen doen eene flesch aan het gezelschap te schenken, of zooveel meer als men verkiest,” zeide Altamont met een blos. „Hola, Jan, breng eens eene flesch van den besten, – van den allerbesten, hoor! Dan zullen wij elkanders gezondheid drinken, mijnheer, en ik hoop, dat ieder goede kerel als Strong een anderen goeden kerel moge vinden, die hem helpt als hij in den nood zit. Zoo denk ik er over, mijnheer Pendennis, ofschoon uw naam mij niet aangenaam in de ooren klinkt.”

„En waarom niet?” vroeg Arthur.

Strong trapte onder tafel den kolonel op den voet, waarop Altamont, in een min of meer opgewonden toestand, nog een glas vulde, Pen toeknikte, het glas uitdronk en toen liet volgen, dat hij een gentleman was, en dit was voldoende, en alle aanwezigen waren ook gentlemen.

De bijeenkomst van al deze gentlemen had te Richmond plaats, waar Pendennis was gaan dineeren en den chevalier en diens vriend in de koffiekamer aan tafel vond. De beide laatsten waren buitengewoon vroolijk, spraakzaam en door den wijn opgewonden, en Strong, die een uitmuntend verteller was, verhaalde de geschiedenis van zijn eigen beleg, zijn avonturen en zijn uitreddingen, zeer levendig en luimig en bootste de gesprekken, die de deurwaarders op zijne trap gehouden hadden, de aardige seintjes van Fanny, de potsierlijke verbazing van Costigan toen de chevalier door diens venster binnenkwam, en eindelijk zijne redding door Altamont, op zulk eene sprekende wijze na, dat zijne toehoorders aan zijne lippen hingen.

„Wat mij betreft, heeft het niets te beteekenen,” zeide Altamont. „Zoodra de bemanning van een schip is afgemonsterd, gaan de matrozen hun geld verteren, weet je. Het zijn eigenlijk die kerels van het zwart en rood te Baden-Baden, wien er de eer van toekomt. Ik heb daar eene fiksche som gewonnen, en ben van plan er nog vrij wat meer te winnen, niet waar, Strong? Ik neem hem mee, want ik heb nu een vast systeem en zal zijn fortuin maken, dat verzeker ik u. Ik zal uw fortuin ook maken, als ge er lust in hebt, – voor den drommel, ieders fortuin! Maar, jongens, één ding beloof ik u, namelijk dat ik ook voor de kleine Fanny zal spelen. Wat drommel, mijnheer, wat denkt gij wel, dat zij deed? Zij bezat twee pond, en waarachtig zij ging naar Ned Strong om hem dat sommetje ter leen aan te bieden, niet waar, Ned? Laten wij eens op hare gezondheid drinken.”

„Zeer gaarne,” antwoordde Arthur en dronk dien toast uit den grond zijns harten mee.

Vervolgens begon mijnheer Altamont met de grootste vlugheid en de meeste uitvoerigheid zijn stelsel uiteen te zetten. Hij beweerde dat het, met bedaardheid toegepast, onfeilbaar was. Hij had het van een kameraad te Baden geleerd, die er wel is waar mee verloren had, maar alleen omdat hij geen kapitaal genoeg bezat; had hij het nog ééne wenteling van het rad kunnen volhouden, hij zou al zijn geld hebben teruggekregen. Die liefhebber zou nu met verscheidene kameraden geld bijeenbrengen en het geluk nog eens beproeven. Hij zelf, Altamont, zou elken duit, dien hij bezat, in die zaak steken, en was nu teruggekomen om zijn geld los te maken en kapitein Strong af te halen. Strong zou voor hem spelen, want hij kon Strong en diens bedaardheid beter vertrouwen dan zijn eigene, en veel beter dan Bloundell Bloundell, of dien Italiaan, die borg wilde blijven voor den goeden uitslag. Onder het ledigen zijner flesch, beschreef de kolonel al zijne plannen en vooruitzichten tot in de kleinste bijzonderheden aan Pen, die met belangstelling naar deze verhalen en bekentenissen van zijn vermetelen doch goedhartigen tafelvriend luisterde.

„Kort geleden ben ik met dien zonderlingen Altamont in gezelschap geweest,” zeide Pen een paar dagen later tegen zijn oom.

„Altamont? Welke Altamont? Zoo heet Lord Westport’s zoon,” antwoordde de majoor.

„Neen, neen; die kerel, die op zekeren dag dronken bij de Clavering’s binnenkwam, toen wij daar aten,” hernam de neef lachend; „hij zeide, dat de naam Pendennis hem niet beviel, ofschoon hij mij de eer bewees, mij voor een fatsoenlijk man te houden.”

„Ik geef u mijn woord, dat ik niemand van den naam van Altamont ken,” zeide de ondoorgrondelijke majoor, „en wat uwe kennismaking betreft, geloof ik, Arthur, dat, hoe minder gij u met hem inlaat, hoe beter.”

Arthur moest nogmaals lachen en antwoordde: „Hij wil ons land verlaten en zijn fortuin gaan maken door middel van een speelsysteem. Hij is compagnon van mijn lieven academievriend Bloundell, en neemt Strong als adjudant mee. Ik wilde wel eens weten, wat de band is, die den chevalier met Clavering verbindt.”

„Ik zou denken, – let wel, Pen, ik zou denken (doch natuurlijk is het slechts een onderstelling) dat er in Clavering’s vroeger leven iets is voorgevallen, hetgeen aan die menschen, en eenige anderen, zekere macht over hem geeft; en indien er zulk een geheim bestaat, hetgeen, mijn beste jongen, ons niet aangaat, dan is dit eene les, dat een man het rechte pad door het leven moet bewandelen en zich in niemands macht stellen.”

„Nu, het komt mij voor, oom, dat ook gij zekeren invloed op Clavering bezit; waarom zou hij mij anders zijne plaats in het parlement afstaan?”

„Clavering acht zich niet geschikt voor het parlementaire leven,” gaf de majoor ten antwoord. „En dat is hij ook niet. Wat zou hem beletten u, of ieder ander op zijn zetel te plaatsen, als hij dat verkiest? Denkt gij, dat het gouvernement of de oppositie eenig bezwaar zou maken, om de beschikking over die plaats aan te nemen, als hij hun die aanbood? Waarom zoudt gij schroomvalliger zijn dan de voornaamste en achtenswaardigste mannen, mannen van de hoogste geboorte en het meeste aanzien in het land, voor den drommel?” De majoor beantwoordde de meeste opmerkingen van Pen in dezen zin en Pen vereenigde zich met die antwoorden van zijn oom, niet zoozeer omdat hij ze geloofde, maar omdat hij ze wilde gelooven. Wij doen het een of ander – wien onzer is dit niet gebeurd? – niet omdat „iedereen het doet”, maar omdat het ons behaagt; en onze instemming bewijst, helaas! niet, dat iedereen gelijk heeft, maar dat wij en al onze medemenschen zwakke schepselen zijn.

Mijnheer Pen verzuimde niet, bij zijn eerstvolgend bezoek te Tunbridge, jufvrouw Blanche te doen lachen over de door hem te Richmond vernomen historie van de belegering van den chevalier en het ontzet, dat deze aan den dapperen Altamont te danken had gehad. En nadat hij dit verhaal op zijne gewone satirieke wijze had gedaan, vermeldde hij, met lof en aandoening, hoe edelmoedig de kleine Fanny zich jegens den chevalier had gedragen en hoeveel geestdrift Altamont daardoor voor haar had opgevat.