Geschiedenis van Arthur Pendennis

Part 82

Chapter 824,023 wordsPublic domain

„Hoe maakt ge het, Sir Francis Clavering? Ik moest u noodzakelijk spreken en ben u dus hierheen gevolgd,” antwoordde de majoor, op wiens verschijning de ander een zeer lang gezicht zette.

Nu de majoor zijne tegenpartij tegenover zich had, besloot hij een krachtigen en onverwachten aanval op hem te doen en opende dus dadelijk het vuur. „Ik weet voor welken allergemeensten kerel gij mij aanzaagt, Clavering,” ging hij daarom voort, „en om welke reden gij u hier bevindt.”

„Dat gaat u niet aan, niet waar?” vroeg de baronet met een onthutsten en smeekenden blik. „Waarom gaat gij mijne gangen na; waarom matigt gij u gezag aan en bemoeit gij u met mijne zaken, majoor Pendennis? Ik heb u nooit benadeeld, niet waar? Ik heb nooit geld van u geleend. En ik verkies niet op die manier bespied en onder de plak gehouden te worden. Ik verkies het niet, en ik zal het niet dulden. Laat Lady Clavering, als zij mij eenig voorstel te doen heeft, het mij langs den behoorlijken weg en door tusschenkomst van de zaakwaarnemers doen toekomen. Ik heb met u liever niet te maken.”

„Ik kom niet vanwege Lady Clavering,” zeide de majoor, „maar uit eigen beweging, Clavering, om u te waarschuwen en pogingen te doen, om u van den ondergang te redden. Het is pas eene maand geleden, dat gij gezworen hebt en uw eed op den Bijbel wildet herhalen, dat gij geen andere wissels meer teekenen, maar u met de toelage, welke Lady Clavering u verleent, vergenoegen zoudt. Al uwe schulden zijn betaald onder die voorwaarde, en die hebt gij geschonden; die mijnheer Abrams heeft een wissel van zestig pond van u in handen.”

„Het is een oude wissel; ik zweer u plechtig dat het een oude wissel is,” bracht de baronet krijschend uit.

„Gij hebt hem gisteren pas getrokken, maar hem opzettelijk van drie maanden geleden gedateerd. Waarachtig, Clavering, ik walg van uwe leugens; ik kan het niet laten u dit te verklaren. Ik kan u, voor den drommel, niet uitstaan; gij bedriegt iedereen, en u zelven daarbij. Ik heb nog al veel in de wereld gezien, maar nooit uw gelijken in draaierijen. Ik geloof, dat gij altijd liever eene leugen vertelt dan ooit de waarheid te spreken.”

„Zijt gij hier gekomen, gij ouwe schelm, om mij te sarren om u – u aan te vliegen en – en u de oude hersens in te slaan?” riep de baronet met een blik van den doodelijksten haat op den majoor.

„Hoe, mijnheer!” schreeuwde de oude majoor, terwijl hij opsprong en zijn rotting greep, en daarbij zoo woedend keek, dat de baronet onmiddellijk van toon veranderde.

„Neen, neen,” hernam Clavering, met eene klagende stem. „Ik vraag verschooning. Ik had mij niet boos willen maken of u iets onaangenaams zeggen, majoor Pendennis, maar gij valt mij ook zoo verduiveld bar op het lijf. Wat wilt gij eigenlijk van mij hebben? Waarom vervolgt gij mij zoo? Wilt gij óók geld van mij hebben? Gij weet, bij den hemel, dat ik geen duit bezit,” en aldus ging Clavering, volgens zijne gewoonte, van vloeken tot huilen over.

Majoor Pendennis begreep aan Clavering’s toon, dat deze wist, dat de majoor zijn geheim kende.

„Ik breng van iemand eene boodschap, en ik heb jegens u niets anders in den zin,” hervatte Pendennis, „dan eene poging te doen, indien het nog niet te laat is, om u en uwe familie van den geheelen ondergang ten gevolge van uw verwenscht roekeloos gedrag, te redden. Ik kende uw geheim –”

„Ik was er geheel onkundig van, toen ik met haar trouwde; ik kan er een eed op doen, dat ik er niets van wist voordat die verd– schurk terugkwam en het mij zelf vertelde; en het is het verdriet daarover, Pendennis, dat mij zoo roekeloos maakt, dat is wezenlijk waar!” riep de baronet handenwringende uit.

„Ik kende uw geheim van het oogenblik af, dat ik Amory dronken in de eetzaal op Grosvenor Place zag komen. Ik vergeet nimmer een gezicht, dat ik eenmaal aanschouwd heb. Ik herinner mij dien kerel te Sydney als strafgevangene gezien te hebben, en hij heeft mij ook herkend. Ik weet van zijn proces, van den datum van zijn huwelijk en van zijn gewaanden dood in de wildernis. Ik kan er op zweren, dat hij die persoon is. En ik weet dus, dat gij evenmin wettig met Lady Clavering getrouwd zijt als ik. Ik heb uw geheim goed bewaard, want ik heb er aan geen sterveling iets van gezegd, – aan uwe vrouw niet en aan u zelven niet, tot op dit oogenblik.”

„Die arme Lady Clavering, het zou haar vreeselijk schokken,” snikte Sir Francis, „en mijne schuld is het niet; dat weet gij wel, majoor.”

„Liever dan u te laten voortgaan met haar te ruïneeren, zal ik het aan haar, en bovendien aan de gansche wereld, vertellen; dit zweer ik u, dat ik zal doen, tenzij ik tot eene schikking met u komen en uwe helsche dwaasheid breidelen kan. Gij hebt door spelen en schuldenmaken en uitspattingen van allerlei aard, de helft van het fortuin uwer vrouw en van hare wettige erfgenamen – let wel, van hare wettige erfgenamen – opgemaakt. Hierbij moet het blijven. Gij kunt niet met elkander leven. Gij zijt niet geschikt om in zulk een groot huis als Clavering te wonen, en eer wij drie jaar verder zijn, zoudt gij geen duit meer bezitten. Ik heb overlegd wat er gedaan moet worden. Gij zult zeshonderd pond ’s jaars ontvangen, u buitenslands begeven en van dat inkomen leven. Gij moet uw ontslag als lid van het parlement nemen, en trachten rond te komen zoo goed gij kunt. Als gij dit afslaat, geef ik u mijn woord, dat ik morgen den waren toestand van zaken zal bekend maken; ik zal zweren, dat het Amory is, zoodra hij herkend is, zal hij teruggebracht worden naar het land van waar hij gekomen is, zoodat de weduwe te gelijk van u en van hem ontslagen zal zijn. Uw zoontje verliest dan alle aanspraak op Snell’s nalatenschap, en deze gaat over op de dochter uwer vrouw. Heb ik de zaak niet vrij duidelijk uiteengezet?”

„Zoo wreedaardig zoudt gij toch jegens dien armen jongen niet zijn, Pendennis, niet waar?” vroeg de vader op klagenden toon. „Och, denk toch aan hem! Het is zoo’n aardige jongen, ofschoon hij verduiveld ondeugend is, dat moet ik bekennen, – verduiveld ondeugend.”

„Gij zijt het, die wreedaardig jegens hem handelt,” zeide de oude zedemeester. „Wel, mijnheer, gij zult u zelven onvermijdelijk binnen drie jaren ruïneeren!”

„Ja maar, weet je, misschien zal ik zoo’n verduivelden tegenspoed niet meer hebben; de kans moet keeren, en ik zal mij, bij den hemel, verbeteren, dat zal ik. En als gij de zaak bekend maakt, zou het mijne vrouw zoo schokken; – gij weet best, dat het haar vreeselijk zou aandoen.”

„Ja, de scheiding van u zou haar zeker bitter vallen,” hernam de oude majoor spottend. „Maar gij weet, dat zij niet langer met u leven wil.”

„Maar waarom kan mylady niet buitenslands, of te Bath of te Tunbridge, of de hemel weet waar gaan wonen, en ik hier blijven?” ging Clavering voort. „Ik ben liever hier dan in het buitenland, en ik blijf gaarne in het parlement. Lid van het parlement te zijn, kan zoo voordeelig wezen. Er zijn nog slechts weinige plaatsen gelijk de mijne over; en als ik die verkocht aan het ministerie, twijfel ik niet of men zou mij tot gouverneur van een eiland benoemen, of mij iets verduiveld goeds geven; want ge weet, dat ik een man van drommels aanzienlijke geboorte ben en een titel heb – en zoo meer, majoor Pendennis. Wel, ziet gij dat niet in? Gelooft gij niet, dat zij mij iets zeer aannemelijks zouden geven, als ik mijne kans goed waarnam? En dan, weet ge, zou ik geld overleggen en mij buiten die verwenschte speelholen en het rouge et noir houden – en – en ik zou dus, met uw welnemen, het parlement liefst niet verlaten.” Want het was voor onzen weifelmoedigen baronet niets ongewoons het eene oogenblik iemand te haten en het hoofd te bieden, het volgende in zijne tegenwoordigheid te schreien, en ten laatste volkomen vertrouwelijk en vriendschappelijk met hem om te gaan.

„Wat uwe plaats in het parlement betreft,” zeide de majoor met een blosje op de wang en eene zekere ontroering, welke de baronet niet opmerkte, „die moet gij afstaan, Sir Francis Clavering, aan – aan mij.”

„Hoe, wilt gij lid van het Lagerhuis worden, majoor Pendennis?”

„Neen, ik niet; maar mijn neef Arthur is een zeer talentvol jonkman en zou daar een goed figuur maken: toen er twee leden voor Clavering werden afgevaardigd, had zijn vader er licht één van kunnen zijn, en – en ik zou gaarne zien, dat Arthur er zitting nam,” besloot de majoor.

„Wel verduiveld! weet die het ook al!” riep Clavering uit.

„Niemand buiten deze kamer weet er iets van,” antwoordde Pendennis, „en als gij mij die gunst wilt bewijzen, houd ik mijn mond. Zoo niet, dan zal ik, als man van mijn woord, doen wat ik gezegd heb.”

„Zeg eens, majoor,” zeide Sir Francis met een buitengewoon nederig lachje: „zoudt ge mij niet, als een goede kerel, mijn eerste kwartaal vooruit kunnen bezorgen? Gij kunt alles met Lady Clavering doen wat gij wilt, en ik zal, dat zweer ik u, dien wissel van Abrams terugnemen. Die verwenschte kleine schelm zal mij, dat weet ik, met deze zaak bedriegen; hij bedriegt mij altijd: en als gij dit voor mij kondt uitwerken, majoor, zou ik eens zien.”

„En ik geloof, dat het beste voor u zou zijn in September naar Clavering te gaan om te jagen, en mijn neef mee te nemen, om hem bij de kiezers bekend te maken. Ja, dat zal inderdaad de beste tijd zijn. En dan zullen wij de zaak van dat voorschot wel in orde trachten te brengen.” (Dat kan Arthur wel leenen, dacht de oude Pendennis. Wat drommel, eene plaats in het parlement is wel honderd vijftig pond waard.) „En gij zult natuurlijk wel in gedachte houden, Clavering, dat mijn neef niets van deze zaak weet. Gij geeft uw wensch te kennen om af te treden hij is een inboorling van Clavering en een goed vertegenwoordiger voor die plaats: gij stelt hem voor en uwe kiezers stemmen voor hem. Begrepen?”

„Wanneer zoudt gij mij honderd vijftig pond kunnen bezorgen, majoor? Wanneer zal ik bij u komen? Zijt gij van avond of morgenochtend thuis? Wilt gij niets gebruiken? Zij hebben aan het buffet verduiveld goed bitter; ik neem dikwijls een bittertje, want dat knapt een mensch heelemaal op.”

De majoor wilde echter geen verversching gebruiken, maar stond op en nam afscheid van den baronet, die hem tot aan de deur van de herberg uitgeleide deed, en toen naar het buffet ging, waar hij bij de kasteleines een bittertje dronk; en daar er juist een heer binnentrad, die in betrekking stond tot het boksersvak en in „Fortuna’s rad” in den kost was, ontstond er tusschen hem en Sir Francis Clavering en den kastelein een gesprek over het boksen en andere vermaken; en eindelijk verscheen mijnheer Moss Abrams met het bedrag van des baronets wissel, waarvan hij zijn eigen aanzienlijk commissieloon had afgetrokken, waarna Sir Francis uit het overschot een diner te Greenwich aan zijn achtbaren vriend gaf en den avond verder vroolijk in den Vauxhall doorbracht.

Onderwijl had majoor Pendennis eene vigilante in Piccadilly genomen en zich naar Lamb Court in den Temple laten rijden, waar hij spoedig met zijn neef in druk gesprek gewikkeld was.

Na dat onderhoud scheidden zij op zeer vriendschappelijken voet van elkander en het was ten gevolge van dit gesprek, hetwelk niet in schrift bewaard is gebleven, maar waarvan de lezer desniettemin de strekking zeer wel zal kunnen gissen, dat Arthur zich uitliet op de wijze als wij in zijn onderhoud met Warrington, in het vorige hoofdstuk vermeld, gehoord hebben.

Wanneer iemand gedrongen wordt iets te doen, dat hem zelven behaagt, kan hij honderderlei vernuftige redenen vinden, om zijn zin te volgen; en Arthur overlegde onophoudelijk bij zich zelven, dat hij gaarne in het parlement zou zijn, dat hij zoo trachten zich daar te onderscheiden, en dat het er niet op aankwam bij welke partij hij zich voegde, daar er bij elke partij waarheid en onwaarheid werd aangetroffen. Op deze en andere punten meende hij, dat hij zijn geweten wel zou kunnen gerust stellen, en dat de Sadduceesche leer toch een makkelijk en vroolijk geloof was.

VIER EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

PHILLIS EN CORYDON.

Lady Clavering had op eene schilderachtige heidevlakte in de nabijheid van Tunbridge Wells eene lieve villa gevonden, die zij na hare huwelijksrampen op het einde van dat ongelukkige Londensche seizoen betrok. Jufvrouw Amory vergezelde hare moeder natuurlijk, en de jonge heer Clavering kwam met de vacantie thuis. Met hem te vechten en te krakeelen was Blanche’s voornaamste bezigheid. Maar dit was slechts eene huiselijke uitspanning, en de jeugdige schoolknaap was geen vriend van spelen binnenshuis. Hij kon te Tunbridge cricket spelen en vond er paarden en een aantal kameraden. Het huis van de goedhartige begum was bestendig vol met jonge heeren van dertien jaar, die veel te veel taartjes aten en champagne dronken, die wedrennen op het grasperk hielden en de liefhebbende moeder telkens deden schrikken, die rookten en er onpasselijk van werden en de eetzaal onbruikbaar maakten voor jufvrouw Blanche, die bovendien van het gezelschap van jonge heeren van dertien jaar niet hield.

Aan dat lieve jeugdige schepseltje was iedere verandering welgevallig, als het maar verandering was; en een paar weken lang zou zij zelfs behagen geschept hebben in armoede en een hutje en in een korstje brood met kaas, en een enkelen nacht misschien in een kerker op brood en water, en derhalve was de verhuizing naar Tunbridge haar in geenen deele onwelkom. Zij wandelde in de bosschen en teekende boomen en boerderijen uit; zij las geregeld Fransche romans; zij reed vrij dikwijls naar Tunbridge Wells, om elke tooneelvoorstelling of bal, of goochelavond of concert bij te wonen, dat daar plaats had; zij sliep veel; des morgens twistte zij met mama en Frans; zij vroeg naar de dorpsschool en legde daar een bezoek af; eerst liefkoosde zij de meisjes en plaagde de onderwijzeres, en vervolgens beknorde zij de meisjes en lachte om de jufvrouw, en natuurlijk kwam zij trouw ter kerk. Het was een aardig kerkje, eene heerlijke antiquiteit – een klein Anglo-Normandisch juweeltje, eergisteren gebouwd en versierd met allerlei geschilderde vensters, gebeeldhouwde heiligenkoppen, bijbelteksten in vergulde letters en vrije banken. Blanche begon dadelijk, volgens hoogkerkelijk gebruik, een altaarkleed voor dat kerkje te werken. Een tijdlang was zij eene heilige in het oog van den dominé, dien zij geheel verblindde en zoo kunstig vleide en prees en in de hoogte stak, dat de arme mevrouw Smirke, die haar eerst heel lief vond, haar vervolgens slechts duldde en eindelijk haast niet meer woord wilde staan, en bijna dol was van jaloerschheid. Mevrouw Smirke was de echtgenoote van onzen ouden vriend Smirke, den leermeester van Pen en den aanbidder van de arme Helena. Hij had zich over haar afwijzing getroost met eene jonge dame van Clapham, welke zijne moeder voor hem gezocht had. Na het overlijden van deze laatste, werden de begrippen van onzen vriend van dag tot dag strenger. Hij sneed den kraag van zijn rok af en liet zijn haar tot in den hals groeien. Met zelfverloochening deed hij afstand van de kuif, die hij vroeger droeg, en van den knoop zijner das, waarop hij tamelijk trotsch was geweest. Hij liep nu geheel zonder das, vastte elken Vrijdag, las de Roomsche gebeden en gaf te verstaan dat hij bereid was in de consistoriekamer de biecht af te nemen. Ofschoon hij het onschuldigste schepsel ter wereld was, werd hij door Muffin, in de afgescheiden kerk, en door mijnheer Simeon Knight, in de oude kerk, voor een zwarten en allergevaarlijksten Jezuïet en papist uitgekreten. Mijnheer Smirke had van het geld, dat zijne moeder te Clapham hem had nagelaten, zijne Kapel der Ruste gebouwd. Heere! heere! wat zou zij wel gezegd hebben, als zij eene tafel een altaar had hooren noemen! als zij er kaarsen op gezien had! als zij brieven ontvangen had, gedagteekend van het feest van Sint Dinges, of van Sint Die- en Die! Al die dingen bracht de jonge geestelijke van Clapham in practijk, en zijne getrouwe vrouw ging daarin met hem mee. Maar toen Blanche een onderhoud van bijna twee uren met mijnheer Smirke in de consistoriekamer had, liep Belinda het grasperkje op en neer, waar tot nog toe slechts twee grafzerkjes lagen, en zou gewenscht hebben dat er nog een derde lag, ware het niet te vreezen geweest, dat hij dan waarschijnlijk zijne hand aan dat schepsel zou aanbieden, hetwelke hem in minder dan veertien dagen betooverd had. Neen, zij zou de plaats ruimen, zij zou in een klooster gaan, de gelofte afleggen en hem verlaten. In zulk een slechten reuk stond Smirke bij zijne vrouw en zijne buren; deze laatsten hielden het er voor, dat hij in rechtstreeksche briefwisseling met den bisschop van Rome stond; de eerste betreurde afdwalingen, die in haar oog nog hatelijker en noodlottiger waren, en echter had onze vriend niet het minste kwaad ter wereld in den zin. De post bracht hem nooit een brief van den paus, en zeker is het, dat hij Blanche wel in den beginne als het vroomste, begaafdste, rechtzinnigste en innemendste meisje beschouwde, dat hij ooit ontmoet had, terwijl hare manier van zingen in de kerk hem geheel wegsleepte; – maar na eenigen tijd begon jufvrouw Amory hem te vervelen; hare manieren en lieftalligheden stonden, waardoor dan ook, hem tegen; vervolgens begon hij aan jufvrouw Amory te twijfelen; eindelijk verwekte zij een opschudding op de school, maakte zich boos en tikte de kinderen op de vingers. Blanche wekte eerst bewondering en bracht later tegenzin bij vele mannen teweeg. Zij trachtte hun te behagen, spreidde al hare bekoorlijkheden op eenmaal ten toon, en overlaadde hen met hare liefste lachjes, vleierijen, aardigheden en lonkjes. Maar weldra begonnen zij haar te vervelen en verveelden haar tevens die kunstgrepen om hen te behagen, en daar zij nooit iets om hen gegeven had, liet zij hen varen; en zoo begon zij ook de mannen te vervelen, die zich van hun kant terugtrokken. Het was een zalige avond voor Belinda toen Blanche heenging, en haar man meteen blosje en een zuchtje bekende, „dat hij zich in haar bedrogen had; hij had gemeend, dat zij met vele kostbare begaafdheden was toegerust, en nu vreesde hij, dat dit alles maar klatergoud was; hij dacht, dat zij rechtzinnig was, en hij vreesde nu dat zij den godsdienst slechts tot een tijdverdrijf had gebezigd; in ieder geval had zij zich boos gemaakt tegen de onderwijzeres en Polly Rucker barbaarsch op de kneukels geslagen.” Belinda vloog in zijn armen en er was geen sprake meer van graf of sluier. Teeder kuste hij haar op het voorhoofd. „Er is niemand u gelijk, mijne Belinda,” zeide hij, terwijl hij zijne mooie oogen naar de zoldering opsloeg, „gij gezegende onder de vrouwen!” En wat Blanche betrof, zoodra Smirke en Belinda buiten haar gezicht waren, dacht zij aan beiden geen oogenblik meer en bekommerde zich in het minst niet over hen.

Maar tot dit punt van onverschilligheid was het met jufvrouw Blanche of den eenvoudigen dominé nog niet gekomen, toen Arthur naar Tunbridge Wells overkwam, om eenige dagen bij de begum door te brengen. Smirke beschouwde haar nog als een engelin en een wonder onder de vrouwen. Zulk een toppunt van volmaaktheid had hij nog nooit gezien, en als zij op de zomeravonden muziek maakte, zat hij, in bewondering opgetogen en zijne thee en boterhammen vergetende, met open mond naar haar te luisteren. Hoe wegslepend hij ook had gehoord dat de muziek in de opera was – hij had maar eens eene voorstelling van dien aard bijgewoond (waarvan hij slechts blozende en zuchtende sprak – het was op dien avond toen hij Helena en haar zoon naar den schouwburg te Chatteries vergezeld had) – zoo kon hij zich toch niets liefelijker, niets hemelscher, zou hij bijna gezegd hebben, dan jufvrouw Amory’s muziek voorstellen. Zij was een hoogbegaafd wezen; zij had een allerverhevenste ziel; zij bezat alleropmerkelijkste talenten en, voor zoover men oordeelen kon, een engelachtig humeur, enz., enz. In dezen geest liet Smirke, die toen op het toppunt van opgewondenheid en bewondering voor Blanche stond, zich tegen Arthur over haar uit.

Het weerzien der beide oude bekenden was zeer hartelijk geweest. Arthur hield van iedereen, die van zijne moeder gehouden had, en Smirke kon met ongeveinsd gevoel en aandoening over haar spreken. Zij hadden elkander honderd dingen te vertellen, die hun reeds in hun leven overkomen waren. „Arthur zou wel opmerken,” zeide Smirke, „dat zijne – zijne begrippen over kerkelijke zaken sedert hun vriendschappelijken omgang eene hoogere vlucht genomen hadden.” Mevrouw Smirke, eene dame van voorbeeldigen levenswandel, bevorderde die naar vermogen. Hij had zijn kerkje gebouwd na het afsterven zijner moeder, die hem genoegzame middelen had nagelaten. Ofschoon hij zelf, als het ware, in een klooster leefde, was Arthur’s reputatie toch tot hem doorgedrongen. Hij zeide dit alles op zijn vriendelijksten en weemoedigsten toon; daarbij sloeg hij de oogen neer en liet zijn blond hoofd op zijde hangen. Arthur vermaakte zich onbeschrijfelijk met hem, met zijne manieren, zijn eigenaardigheden en zijn onnoozelheid, met zijne witte das en zijn lang haar, met zijne wezenlijke goedheid, zachtmoedigheid en vriendschappelijkheid. En zijne loftuitingen over Blanche behaagden en verrasten onzen vriend niet weinig en waren oorzaak, dat hij haar met bijzonder gunstige oogen aanzag.

Blanche was inderdaad zeer verheugd Arthur te zien, gelijk men zich verblijdt over de aankomst van een onderhoudend man op het land, die het laatste nieuws en de laatste anekdotes uit de hoofdstad meebrengt, die beter kan praten dan de meeste landbewoners en ten minste die liefelijke Londensche brabbeltaal kan spreken, die voor de bewoners der hoofdstad zoo aangenaam en onmisbaar is, en door personen, die buiten de wereld leven, zoo weinig verstaan wordt. Den eersten dag van Pen’s overkomst hield hij Blanche na het diner uren lang aan het lachen. Zij zong hare liedjes met dubbele opgewektheid. Zij keef niet met hare moeder, maar vertroetelde en kuste haar, tot verbazing van de eerzame begum. Toen het tijd werd om zich ter rust te begeven, riep zij met een allerliefst spijtig gezichje: „Déjà!” Zij was wezenlijk wanhopig, dat zij reeds naar bed moest gaan, en klemde Arthur’s hand op de innigste wijze in de hare, terwijl hij van zijn kant aan dat lieve handje een zeer hartelijken druk gaf. Onze jonge heer was van zulk eene natuur, dat oogen, die slechts middelmatig schitterden, hem spoedig van zijn stuk brachten.

„Zij is aanmerkelijk verbeterd,” dacht Pen, in de stilte van den nacht naar buiten ziende: „aanmerkelijk. Ik vooronderstel, dat de begum er niets tegen zal hebben, dat ik uit het open venster rook. Het is een opgeruimde, goede oude vrouw, en Blanche is ontzaglijk verbeterd! Haar omgang met hare moeder heden avond beviel mij zeer. Wat lachte zij aardig om dien mallen hokkeling van een jongen, dien men niet moest toestaan zich te bedrinken. Zij zong die versjes alleraardigst, en het waren ook verduiveld aardige versjes, ofschoon ik misschien de laatste ben, die dat moest zeggen.” En daarop neuriede hij een wijsje, dat Blanche op eenige zijner eigen verzen gemaakt had. „O, wat een heerlijke nacht! Wat is eene sigaar bij avond toch aangenaam! Wat ziet dat Saksische kerkje er in het maanlicht lief uit! Wat zou die ouwe Warrington nu wel op het oogenblik doen? Ja, het is een verduiveld aardig kopje, zooals oom zegt.”

„O, hoe hemelsch!” liet zich thans eene stem uit een met clematis begroeid venster hooren – eene meisjesstem: het was die der schrijfster van Mes Larmes.

Hier barstte Pen in het lachen uit. „Vertel niet, dat ik gerookt heb,” zeide hij, zich uit zijn eigen venster vooroverbuigende.

„O, ga maar voort! Ik vind het heerlijk,” riep de dame van Mes Larmes. „O, wat een hemelsche nacht! Hemelsche, hemelsche maan! Maar ik moet mijn venster sluiten en niet met u praten, vanwege les moeurs. Wat zijn die toch kluchtig, les moeurs. Adieu.” En Pen begon den „goeden nacht aan Don Basile” te zingen.