Een huwelijk in Indië

Part 9

Chapter 94,004 wordsPublic domain

»Laat ons dan liever wat rondwandelen, dan dansen, ik word zoo duizelig door het walsen.”

»Wilt gij ook liever gaan zitten, mevrouw?”

»O neen, zitten niet!—Loopen of dansen!”

Er was zoo iets wilds in den toon waarop zij dit zeide, dat Werner het gesprek plotseling afbrak en haar schijnbaar onverschillig vroeg: »Zijt gij hier reeds met het land bekend, mevrouw?”

»Neen, ik ben nog niet verder dan den tuin geweest, en die bevalt mij bijzonder.”

»Maar het land is hier prachtig! De omstreken van A. troffen mij zoo toen ik pas hier kwam, dat ik de eerste veertien dagen letterlijk geen oogenblik in huis geweest ben. Dagen achtereen dwaalde ik te voet of te paard in de bosschen en het gebergte rond, en nu nog, ofschoon ik hier al bijna tien jaar woon, nu nog geniet ik, als ik nu en dan eens mijn werkzaamheden ontvluchten kan, om mij in het beschouwen der rijke, grootsche natuurtooneelen te verlustigen die zich in duizend nieuwe vormen aan het bewonderend oog ontrollen! Zoo gij altijd in de benedenlanden geweest zijt, zult gij hier zeker menig genotvol uurtje opgetogen van dankbaarheid in de vrije natuur doorbrengen, waarin gij ondervinden zult, welk een onuitsprekelijk geluk het is zich als geheel alleen op aarde te kunnen beschouwen, alleen met die heerlijke natuur, die ons onze tegenwoordige nietigheid en onze toekomstige volmaaktheid gevoelen doet. Zulke oogenblikken zijn heilzaam voor alle menschen; want is men droefgeestig of ongelukkig dan geven zij kracht en troost aan het zwakke half gebroken hart, en heeft men geluk en fortuin, dan doen zij de dartele, oppervlakkige ziel ontwaken, brengen haar tot nadenken en leeren haar waardeeren zelfs dat wat zij eerst slechts....”

»Dat heb ik ondervonden!” riep Louise, hem plotseling in de rede vallende. »Ik geloof dat ik gestorven zou zijn, indien ik hier geen grooten lommerrijken tuin gevonden had, waarin ik vrij kon wezen! Vrij, zooals ik heel mijn leven geweest was!”

Zij gevoelde dat zij te veel gezegd had, en wilde haar woorden verbeteren door er bij te voegen:

»Want hoe gelukkig men ook is, toch zijn er oogenblikken waarin niets ons een volkomen vrijheid vergoeden kan, en die oogenblikken heeft men alleen wanneer men hetgeen men de »wereld” noemt vergeet.”

Het was Werner als duizelde hij, toen hij deze woorden der zestienjarige Louise hoorde. Zulk een kalme, sombere onderwerping als er in ieder van haar woorden en blikken lag, zulk een diep lijden als haar geheele persoon verraadde, deden hem huiveren voor de toekomst der jonge, schoone, gevoelvolle vrouw, verbonden aan een man wiens geheele leven, voor zoover het hem bekend was, een aaneenschakeling van pronkzucht, eigenwaan en toomelooze drift geweest was.

»Kent gij hier reeds eenige families?” vroeg hij, weder van onderwerp veranderende.

»Neen, niemand dan den dokter,” antwoordde Louise met een glimlach. »Ik ben van avond meer vreemdelinge in mijn eigen huis dan ik nog ooit in dat van een ander geweest ben.”

»Kent gij de familie Oristorio di Frama nog niet? Zelfs niet bij naam?”

»Ik heb haar heden avond voor het eerst gezien; maar mevrouw is gedurende mijn ongesteldheid zoo allerliefst voor mij geweest, dat ik waarlijk niet weet, hoe ik haar mijn dank zal kunnen betuigen.”

»Door haar lief te hebben, mevrouw, en dat zult gij zeker, want mevrouw Oristorio di Frama is een dier zeldzame vrouwen, die alles in zich vereenigen, deugd, schoonheid, poëzie, kennis, geest, alles in éen woord wat den mensch aan een volmaakt geluk hier op aarde zou kunnen doen gelooven. Ook mijnheer di Frama is waarlijk een goed mensch. Kalm maar ferm, verstandig, menschlievend en joviaal. Hij heeft de goede hoedanigheden van den Italiaan behouden en de gebreken van zijn natie tegen het nadenken en de vastberadenheid van de onze verwisseld. En hun dochtertje, de dertienjarige Melatie, is het vroolijkste, het aanvalligste kind dat men zich denken kan. Verbeeld u mevrouw, een meisje van dertien jaar dat vijf talen spreekt, het maleisch niet medegerekend: hollandsch, fransch, engelsch, duitsch, en italiaansch. En dat hier in Indië!”

»Mijn hemel, welk een wonderkind! Hoe heeft zij dat alles hier kunnen leeren?”

»O zeer gemakkelijk. Mijnheer Oristorio di Frama, een Italiaan van geboorte, spreekt met vrouw en kind altoos zijne moedertaal en met zijn kennissen fransch of maleisch, daar hij de medeklinkers van het hollandsch nooit goed heeft kunnen leeren uitspreken. Mevrouw di Frama is een engelsche dame, maar heeft jaren lang met haar ouders in Nederland gewoond, waar zij gedeeltelijk haar opvoeding genoten heeft. Toen zij het ongeluk had, haar beide ouders te verliezen, kwam zij als gouvernante bij een familie te Batavia, bij wie zij gebleven is tot haar huwelijk. Zij nu spreekt nooit anders dan hollandsch of engelsch met Melatie, terwijl juffrouw Van Wageningen zich met haar hoofdzakelijk op de duitsche taal heeft toegelegd.”

»En juffrouw Van Wageningen,” vroeg Louise nieuwsgierig, »weet gij ook iets bijzonders van haar?”

»Ja zeker, mevrouw! Lina van Wageningen is hier in het begin als een ware curiositeit beschouwd geworden omdat zij excerceeren en schermen kon als de beste militair.”

»O ho!” riep Louise lachend, geen woorden vindende om haar verbazing uit te drukken.

»Daarbij komt nog,” vervolgde Werner, »dat zij voorzeker de beste amazone van Indië is en de eenige vrouw die hier in het land gymnastische oefeningen tot eene kunst verheven heeft.”

»Dat mooie jonge meisje! O gij moet mij nog veel van haar vertellen, mijnheer Werner, want Lina van Wageningen is maanden lang een charme van me geweest zonder dat ik haar persoonlijk kende.”

»Hoe dat, mevrouw?”

»Papa had naar Holland geschreven om een gouvernante voor mij en was met juffrouw Van Wageningen in correspondentie geraakt. Mij beviel zij in hare brieven bijzonder, ik hield zelfs zóo idolaat van mijn onbekende gouvernante dat ik ongelukkig was als de mail geen tijding van haar bracht. Maar mama had iets tegen haar: ik geloof dat het de schuld van een mijner tantes in Holland was, die haar trotsch genoemd had en coquette. Enfin ik weet niet wat er de reden van geweest is, maar ik weet wel dat ik een andere gouvernante gekregen heb, een leelijk, onaangenaam oud mensch, dat ik letterlijk weggekibbeld heb, en dat juffrouw Lina, mijn charme, Samarang doorgetrokken is zonder zelfs bij ons aan te komen. Papa wist dat zij in de stad was en twee dagen bij de Langens, kennissen van ons, logeeren zou, maar hij heeft er mij niets van gezegd vóor dat zij weer vertrokken was. Hij wist ook wel dat ik anders niet te houden zou geweest zijn, dat ik mijn jufje had moeten zien, en haar éens ten minste de hand drukken eer ze verder zou gaan.”

»’t Is jammer genoeg dat zij uw gouvernante niet geworden is, want haar zoudt gij zeker niet weggekibbeld hebben. Gij zoudt in haar niet alleen een bekwame leermeesteres hebben gevonden, maar ook zeker een trouwe vriendin.”

»Dat dacht ik ook, ofschoon ik wel wat bang was voor zoo iets buitengewoon knaps.”

»O neen, mevrouw, wanneer gij haar kennen leert, zult gij zien dat Lina van Wageningen niet iemand is om bang voor te wezen. Zij is de goedheid en de eenvoud zelve en heeft het zachtste, liefste, meegaandste karakter dat men zich denken kan. En talent! O, gij zult haar hooren zingen hoop ik. Heerlijk! verrukkelijk! Met een gevoel dat de diepste snaren der ziel doet trillen. Ik heb menigen avond bij de familie Oristorio di Frama doorgebracht, waarop ik volmaakt gelukkig was en gevoelde dat ik beter werd in die atmosfeer van deugd, beschaving en schoonheidsgevoel. Het is alsof die uitmuntende menschen het verward gegons der wereld ontvlucht zijn, om op Felicità, zoo heet de fabriek, dat ensemble eener volmaakte familie samen te stellen, zooals men ze, vooral in Indië, maar hoogst zeldzaam aantreft.”

»Hoe?” vroeg Louise op eens, »galoppeert men?”

Werner begreep eerst de vraag niet, en wist toen niet recht wat hij zag. »Het schijnt zoo,” antwoordde hij eindelijk. »Ik geloof wezenlijk dat men een nieuwen dans begonnen is.”

Het was de derde reeds, sedert hij zijn wandeling met Louise te midden der dansende paren aangevangen had.

»Het is alsof ik van avond bestemd ben om indiscreet te wezen,” vervolgde hij. »Ik heb zoozeer misbruik van uwe goedheid gemaakt, dat ik nauwlijks op vergeving durf hopen. Maar ik heb ook in het geheel aan geen dansen meer gedacht!”

»Ik ook niet!” liet Louise zich ontvallen, maar zich terstond weer herstellende, voegde zij er schielijk bij: »Wie zou ook geen dans vergeten voor een familie Oristorio di Frama!”

Naar haar plaats terugkeerende, hoorde zij een cavalier tegen zijn dame zeggen: »Het is half drie geslagen.”

En het speet haar dat het zoo laat was.

Nog éen quadrille slechts zou er gedanst worden, een monster-quadrille, waarin zoo mogelijk het gansche bal vereenigd zou zijn. Louise danste met den resident, tegenover hen stond Werner met Lina van Wageningen, omdat mijnheer Joly, de vis-à-vis van den resident, plotseling met zware hoofdpijn van het bal verdwenen was en er niemand anders meer overbleef dan Werner, die met Lina zat te praten omdat hij geen vis-à-vis had kunnen vinden.

Louise vond het heel aardig dat zij Lina eens van nabij bekijken kon, maar het hinderde haar dat Werner tegenover haar stond. Waarom? Dit wist zij zelve niet. Het was haar als schaamde zij zich voor hem. En waarover? Ook dit wist zij niet.

De resident was weer uitgelaten vroolijk en onbeschrijfelijk luidruchtig. Hij gaf zelf de figuren op, moedigde de muzikanten aan, riep elk oogenblik »en galop!” en was zoo opgewonden en druk dat zijn vroolijkheid aanstekelijk werd en de gansche quadrille eindelijk lachend in het honderd liep. Toen riep hij nog eens: »en galop! En galop voor finale!” en die galop was zoo wild en woest, dat de meeste paren zich zoo schielijk mogelijk terugtrokken en, onder daverend handgeklap, den resident en zijn vrouw eenparig de zegepraal toekenden, toen zij eindelijk, hijgend en afgemat, het laatst van allen naar hun plaatsen terugkeerden.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK

EEN NIEUW GEVOEL

Den volgenden morgen was de resident reeds sedert eenige uren op zijn bureau en nog had Louise haar kamer niet verlaten. Zij was vermoeid en had behoefte aan rust, en de resident had bevolen dat men haar rust eerbiedigen zou.

De dienstboden spraken geen woord en slopen als schimmen door het huis, omdat mevrouw sliep. En mevrouw zat intusschen in kaïn kabaya, met loshangend haar, op een rotangstoel door de half geopende jalousiën in den tuin te staren. Zij keek naar het lustig springen der vogels op de dunne takjes der tamarindeboomen, en volgde met een glimlach de snelle bewegingen der kleine, fijne blaadjes, terwijl zij dacht aan het bal van gisteren....

Aan het bal?—Neen, eigenlijk niet zoozeer aan die golvende, verwarde, bonte menschenmassa, aan dat schuivend, sleepend, gonzend, zingend en trommelend geraas, als wel aan het eenige dat zij in dien chaos opgemerkt had.

Werner!

Werner was een zonderlinge verschijning voor haar geweest. Zij zag hem nog. Zij hoorde hem, verstond hem, bewonderde hem. Het was of hij den afstand tusschen den resident en haar nog grooter had gemaakt, en alsof er geheel geen afstand bestond tusschen Werner en haar.

Ziedaar voor het gevoel.

Voor het verstand was Werner niet anders als een ander, niets meer dan een vreemdeling. Iemand dien men toevallig ontmoet, met wien men danst en spreekt, dien men goed vindt en..... vergeet!

Verstand en hart waren nog niet tot elkander gekomen, daarom begreep het eene niet wat het andere gevoelde.

Louise zag de bladeren bewegen, glimlachte en besefte niets.

Zij kende Werner niet, en toch was het haar alsof hij sedert jaren reeds een vriend van haar geweest was. Die man moest weten wat er in hare ziel omging: dat gevoelde zij.

»Die man weet niets!” riep het kalm berekenend verstand.

»Die man is edelmoedig en groot en niet in staat iemands vertrouwen te misbruiken. Hij is beter dan de beste mannen die gij tot dusver ontmoet hebt, en volmaakter dan allen die gij ooit ontmoeten zult!” klopte weer het hart.

»Zij die zich het beste voordoen, zijn dikwijls de slechtsten,” hernam het hoofd.

En Louise glimlachte voort, met Werners naam op de lippen, en besefte nauwlijks welke haar gedachten waren.

Plotseling sprong zij op: zij had in de binnengalerij de voetstappen van den resident gehoord. In verwarring snelde zij naar de deur, doch even verward keerde zij weer naar haar plaats terug, blozende en verwonderd over haar eigen ontsteltenis.

De resident trad nauw hoorbaar de kamer binnen, om zijn vrouw niet in haar slaap te storen, maar toen hij haar klaar wakker naar zich toe zag komen, ving hij haar luid lachend in zijn armen en plaatste haar naast zich op de rustbank, terwijl hij vriendelijk vroeg:

»Nu, hoe gaat het, Poes? Zijt gij eindelijk uitgerust van de vermoeienissen van gisteren? Weet gij wel hoe laat het is? Bij half twaalf! Verbeeld je!”

»Bij half twaalf?”

»Ja, bij half twaalf. Gij hebt zoo wat een uur of acht aan éen stuk doorgeslapen! Wat zegt gij daarvan?”

»Dat het mij zeker goed zal doen!”

»Komt gij straks aan tafel? Of wilt gij liever wat eten in uw kamer hebben? Dan behoeft gij u niet te kleeden, want de secretaris blijft van daag.”

»O! ja, stuur mij als je blieft maar wat eten hier, en excuseer mij bij den secretaris, die toch zeker liever met u alleen zal zijn.”

»Neen, neen! Daar ben je van de wijs! Metman blijft juist, op hoop van je te zien. Hij is smoorlijk verliefd op je. Hij vindt je zóo mooi dat hij den ganschen morgen bij mij op het bureau gezeten heeft zonder een oogenblik op te houden uw éloges te maken!”

»Dat waren de uwen ook.”

»Natuurlijk.”

»Maar wie is Metman ook weer? Ik kan mij in het geheel niet herinneren wien gij mij gisteren als den secretaris voorgesteld hebt.”

»Wel, zoo’n klein, zwart kereltje, met levendige oogen en....”

»O ik weet het. Net een muisje dat men half verdronken bij zijn oortjes uit het water heeft gehaald!”

»Die is unique! Ik zie er hem in! Wacht dat zal hem leeren verliefd zijn op de vrouw van een ander! Ja, zóo zijn de vrouwen, zoo spreken zij over de arme drommels die zich de moeite geven van haar éloges te maken!

»A propos, Louise, ik heb mijnheer Oristorio di Frama gisteren beloofd, dat wij hem morgen een bezoek op Felicità zouden brengen; ik heb reeds een span paarden vooruit gezonden, en den koetsier gezegd dat hij morgen ochtend vóor zessen gereed zou zijn om af te rijden. Zorg dus dat gij op uw tijd klaar zijt, dan zullen wij eens een prettig uitstapje maken.”

De resident drukte nog even Louise’s hand in de zijne en keerde naar zijn bureau terug.

Louise’s hart klopte schier hoorbaar. Zij zou naar de familie Oristorio gaan! En dat reeds morgen! Verscheidene dagen mogelijk, zou zij te zamen zijn met de vrienden van Werner!

Zij wist zelve niet wat zij gevoelde en waarom zij op eens zoo gelukkig was. Voor het eerst sedert haar komst te A. speelde er een hoopvolle lach om haar lippen en daalde er een ongekende vreugde in haar hart.

Toen dacht zij aan het kleed dat zij aan zou doen, aan het kapsel dat haar het beste stond, aan de kleuren die haar het meest flatteerden, aan alles, in éen woord, dat haar gisteren nog volkomen onverschillig was en nu haar hart deed bonzen met een onstuimigheid, waarvan zij zich geen rekenschap kon geven.

EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

SYMPATHIE

Het was bij tienen toen de resident en mevrouw Stevens van Langendijk den volgenden morgen op Felicità aankwamen, waar mijnheer en mevrouw Oristorio di Frama in de voorgalerij gereed stonden om hen te ontvangen.

Louise was opgetogen van bewondering over de heerlijke gezichten, die zich op reis onophoudelijk voor haar oog ontrold hadden. Zij sprong het eerst het rijtuig uit, reikte mijnheer Oristorio de hand, vloog mevrouw om den hals en vroeg terstond naar Lina en Melatie.

»De meisjes zullen dadelijk te huis komen, hoop ik,” antwoordde mevrouw di Frama, Louise bij de hand naar binnen geleidende. »Zij zijn even uitgegaan om bloemen te plukken, daar Melatie beweerde dat gij te jong waart om een kamer te betrekken die niet behoorlijk met bloemen versierd was.”

»Zij heeft gelijk, en weet mogelijk bij ondervinding, dat bloemen vrienden zijn, die wij altijd blij zijn weer te vinden, omdat ze ons vriendelijk welkom heeten, waar wij ze ook op onzen weg ontmoeten!”

Lina trad binnen, gevolgd door Melatie, die, op Werners arm geleund, een vreemde bloem bewonderde, welke beiden vasthielden.

»Kijk mama....”

Zij zag mevrouw Stevens, zweeg, trok haar hand uit Werners arm terug en liet de bloem los, die ook Werner vallen liet.

Louise stond op om de nieuwgekomenen te groeten, reikte hun de hand, maar sprak geen woord en kon haar oogen niet afwenden van de jonge, gelukkige Melatie, wier buitengewone schoonheid schier een onaangenamen indruk op haar maakte. Nog nooit had zij iemand iets benijd en nu benijdde zij dat vroolijk, lachend kind haar open oog en haar verstandig voorhoofd! Zij schaamde zich het onbestemd gevoel van wangunst, dat zich plotseling van haar meester had gemaakt, en wilde het overwinnen door Melatie nader te leeren kennen. Zij trok het meisje naar zich toe, vroeg haar hoe oud zij was, of zij van uitgaan hield, of zij gaarne naar A. ging enz. enz. en eindigde zelfs met haar te logeeren te vragen. »Als gij er lust in hebt en uw ouders er niets tegen hebben, kunt gij morgen avond met ons meegaan.”

»Als ik lust heb?” herhaalde Melatie opgetogen. »O ik zou dol gaarne met u meegaan mevrouw, maar ik ben nog nooit alleen uit logeeren geweest.”

»Welnu, dan zal het voor het eerst wezen, indien uw mama u ten minste aan mijn zorgen toevertrouwen wil. Ik beloof dat ik goed op u passen zal en dat wij u zelven weder te huis zullen brengen om zeker te zijn dat gij goed terecht komt.”

Melatie wierp een smeekenden blik op haar moeder, daarna op haar vader, eindelijk op haar gouvernante, en vloog toen met een kreet van vreugde mevrouw Stevens om den hals.

»Ik mag! ik mag! Lieve mevrouw, wat maakt gij mij gelukkig!” riep zij met zulk een geestdrift, dat Louise haar in de armen sloot en plotseling die krachtige sympathie, die hartelijke genegenheid voor haar gevoelde, welke slechts door de innige overeenstemming van verwantschapte zielen ontstaan kan.

Van dat oogenblik af waren mevrouw Stevens en Melatie onafscheidelijk. Telkens zaten zij te zamen te fluisteren of wierpen zij elkander blikken van verstandhouding toe, door die vriendinnen van éen oogenblik, verstaan en beantwoord alsof zij haar leven lang bij elkander waren geweest en nimmer nog een andere taal dan die samen gesproken hadden.

Melatie, die in een atmosfeer van sympathie en liefde te huis behoorde, begreep terstond de aantrekkingskracht die mevrouw Stevens voor haar had, en gaf zich geheel aan de inspraak van haar hart over, met den eenvoud en de oprechtheid, zoo eigen aan haar ongekunstelde vrije natuur. Louise daarentegen begreep niets, en zij verwonderde zich over de zonderlinge gevoelens, die Werner en Melatie sedert een paar dagen bij haar hadden opgewekt. Nog nooit was zij zoo opgeruimd en gelukkig geweest als op dit oogenblik, en toch lag er iets dat aan weemoed grensde, in het vriendelijk oog der jonge vrouw, terwijl er iets dat naar medelijden geleek, uit den half weerhouden lach van het jonge meisje sprak.

Wat waren zij samen gelukkig! Zij speelden piano, zongen duo’s die wegstierven in een schaterlach, vlogen op het heetst van den dag den tuin in om lelies te plukken aan den waterkant, kleedden zich toen in dezelfde kamer aan en lachten om den resident, die in de voorgalerij zat te pruttelen over de onbezonnen wildheid zijner vrouw.

Zóo vloog de dag voorbij tot dat tegen half zes des namiddags de deftigheid hersteld werd door een wandeling, waaraan alle huisgenooten deel namen.

Mijnheer en mevrouw Oristorio riepen Melatie ter zijde om haar onder het oog te brengen dat haar vrijpostigheid de grenzen der welvoegelijkheid te buiten begon te gaan. »Vergeet niet,” dus eindigde haar moeder, »vergeet niet dat mevrouw Stevens de vrouw is van den resident van A.”

Maar Melatie die een oogenblikje sip gekeken had, zag vragend om naar haar nieuwe vriendin en fluisterde haar moeder zacht in ’t oor: »Zij houdt veel meer van mij dan van den resident, mama, en ik houd ook veel meer van haar dan van hem.”

Een veelbeteekenend »chut!” van vader en moeder tegelijk, deed Melatie gelukkig nog in tijds zwijgen, daar de resident hand in hand met zijn vrouw kwam aanloopen om lachend aan mevrouw Oristorio te vragen, of zij ooit een kinderachtiger residentsvrouw gezien had dan Louise was?

»Nog nooit,” antwoordde de gastvrouw vriendelijk, »maar ik heb ook nog nooit een residentsvrouw van de jaren van mevrouw Stevens ontmoet,—evenmin als een resident van uw leeftijd.”

Melatie had intusschen Werner in een der tamarindelanen ontdekt. Met een kreet van vreugde snelde zij hem te gemoet, vatte hem bij de hand en vertelde hem, geheel buiten adem door het loopen, dat mevrouw Stevens haar vriendin geworden was. »O, zij is zoo lief,” fluisterde zij lachend. »Zoo vroolijk en zoo goed! Zij heeft mij beloofd van avond quatre-mains met mij te spelen, en dan zal jufje zeker zingen. Gij blijft bij ons, niet waar, mijnheer Werner?”

»Ja, uwe ouders hadden mij verzocht een paar dagen langer te blijven; maar ik moet morgen naar de fabriek terug, waar mijn bezigheden mij wachten. Heden avond kan ik dus nog van uw aller talenten genieten.”

Daarna werd het gesprek algemeen en wandelde het gezelschap tot een kleine hoogte voort, welke men beklom om van dáar een blik te werpen over de omliggende vlakten en dessahs.

De resident klapte in de handen van bewondering toen hij, het eerst boven gekomen, zijn oog liet weiden over het prachtige landschap dat aan zijn voeten lag.

»Jongens! jongens! Wat is dat hier toch een rijk land!” riep hij uitgelaten. »Kom gauw kijken, Louise! Hier, zie eens even die rijstvelden. Dáar dat riviertje dat tusschen al die dessahs doorkronkelt! Die hooge bosschen daar ginder! Die bergen op den achtergrond! Mijn God! mijn God! Het verwondert mij niet dat jelui, landheeren, hier allen fortuin maakt. ’t Zou wel vreemd zijn, als het anders was. Dom geluk!”

Louise wierp een blik in de richting door den resident aangewezen.

»Mooi, hè?” vroeg hij, zijn arm om haar middel slaande.

»Hm—m!” antwoordde zij afgetrokken. Toen wikkelde zij zich uit zijn arm los en begaf zich naar de andere zijde der hoogte, van waar men de zon in volle pracht zag ondergaan, achter een der schoonste landschappen die men zich denken kan. Dáar bleef zij staan, als vastgenageld aan den grond, met vonkelende oogen, half geopenden mond en saamgevouwen handen, opgetogen, verrukt, meegesleept, zich badend in zielsgenot.

Zóo zag Werner haar en de bewondering die hij voor haar gevoelde, moet geleken hebben naar die welke zij voor de natuur gevoelde.

Naar gelang de wolken haar gouden randen verloren en de laatste zonnestralen wegzonken achter het uitgestrekt gebergte, verminderde ook Louise’s opgetogenheid. Langzamerhand verloren haar oogen hun glans, sloten haar lippen zich, boog zij het schoone hoofd neder. Haar armen hingen machteloos, groote tranen trilden aan de lange zwarte pinkers en een diepe zucht ontsnapte den geprangden boezem.

»Ha! ha! ha!” klonk de schelle stem van den resident. »Is dat nu uw manier van bewonderen? Ik lach als ik iets zie dat mij bevalt, en gij huilt er om!”

Louise begreep niet recht. Zij sloeg haar groote, donkere oogen treurig op, wierp een teleurgestelden blik om zich heen en bleef zwijgen.

»Kom, kom, weg met die tranen! En nu vroolijk en welgemoed naar huis terug, niet waar mevrouw di Frama?”

Dit zeggende greep hij Louise bij de hand en trok haar mede den berg af.

Louise lachte even, maar dat lachje was zoo diep weemoedig, dat het Werner als een droeve klacht in de ziel drong en hem haastig het hoofd van haar deed afwenden.