Een huwelijk in Indië

Part 8

Chapter 84,085 wordsPublic domain

Het was ver weg, in de dessah geweest, dat de menschen haar verteld hadden, dat njonja resident stervende was.

»Kassian!” had zij gezegd, en tegen het vallen van den avond had zij haar kinderen verlaten en was zij naar A. gegaan »om te helpen.”

Louise ontwaakt. Zij vraagt om drinken. Alima hoort het niet. Zij slaapt. Maar Mina is dáar. Zij luistert en zij waakt, zij helpt en verzorgt de jonge vrouw alsof zij haar zuster was, den ganschen nacht door tot aan den morgen.... Nog altijd blijft Alima slapen.

Plotseling wordt de deur geopend en treedt Stevens binnen. Mina staat naast het ledikant met een lepel medicijnen in de hand. De resident dringt haar ter zijde, zonder acht op haar te slaan. Hij buigt zich over Louise heen, drukt haar een kus op het voorhoofd en vraagt bijna zacht:

»Hebt gij goed geslapen, Poesje?”

De jonge vrouw is te zwak om te antwoorden.

»Hoe heeft mevrouw het van nacht gemaakt?” vraagt hij de meid die naast hem staat.

»Goed.—Maar njonja resident heeft behoefte aan stilte en rust.... en de harde stem van toewan hindert haar.”

De resident springt drie voet achteruit:

»Gij!”

Hij grijpt Mina bij den arm en sleurt haar mede naar het venster, dat hij wijd open gooit om te zien of zijn gehoor hem ook misleid kan hebben.

Mina glimlacht even in het heldere licht dat op haar valt, en dat haar holle oogen, haar ingevallen wangen, haar vermagerde gestalte beschijnt, als om den resident het scherpste verwijt te doen, dat hem in deze kamer, en op dit oogenblik met mogelijkheid gedaan kon worden.

Toch twijfelt hij nog.

»Mina!—Hier, bij Louise!—Niet mogelijk!”

Hij siddert, verbleekt, staart haar aan alsof hij een spookverschijning ziet, bevoelt haar, trekt haar naar zich toe, stoot haar terug.

»Mina!” roept hij op eens, hijgend van kwaadheid en angst.

»Mina!” antwoordt de jonge vrouw kalm, hem uittartend in de oogen ziende.

»Hoe komt gij hier, en wat doet gij hier?” vraagt hij, tandenknarsend van woede.

»Mina komt ongeluk brengen over het huis, dat vervloekt is geworden door de vrouw die gij bedrogen hebt, door de kinderen die gij verstooten hebt.”

»Gij hebt haar vermoord, vergiftigd!” roept hij bijna gillend, en, geheel buiten zichzelven van woede, grijpt hij Mina bij de keel, sleurt haar naar de binnengalerij, werpt haar neder, slaat, stompt, schopt, trapt haar, totdat zij levenloos voor de deur van Louise’s kamer liggen blijft.

»Oppas!” schreeuwt hij, een ander voorwerp zoekend om zijn drift op te koelen dan die gevoellooze massa, die den spot schijnt te drijven met zijn machtelooze woede. »Oppas! Wie uwer heeft die vrouw in huis gelaten?”

Niemand antwoordt.

»Hier, zeg ik, neem op, breng weg, en zorg dat zij verdwijnt. De duivel hale je, indien zij ooit weer onder mijn oogen komt!”

ACHTTIENDE HOOFDSTUK

DE KINDEREN VAN MINA

Acht dagen later zat Louise voor het eerst op haar rotangstoel bij het open venster te lezen. Of neen, eigenlijk las zij niet. Haar uitgeteerde vingers speelden met de bladen van een boek, en haar oogen dwaalden rond van een bloem naar een kind of van een kind naar een bloem, zonder dat zij zelve wist wat zij zag. Reeds een groot half uur had zij zóo gezeten; haar vingers hielden op met bladeren, haar oogen bleven neergeslagen....

Plotseling stond zij op, en, met wankelende schreden naar de deur gaande, klapte zij in de handen om Alima te roepen, die een oogenblik later binnentrad.

»Alima, doe de deur eens dicht,” sprak zij zacht, »ik heb u een geheim te openbaren dat niemand weten mag—zelfs de resident niet.”

Alima sloot de deur en wachtte.

»Hebt gij nooit,” begon Louise, »van een vrouw gehoord, die Mina heet, en die vóor mijn komst hier, bij toewan resident geweest moet zijn?”

»Neen, njonja.”

»Die vrouw moet kinderen hebben, twee of drie: dat zijn de kinderen van den resident.”

»Alima kent die kinderen niet, mevrouw.”

»Ik ken ze ook niet, maar zij zijn door mijn komst ongelukkig geworden. Ik heb hun moeder beloofd dat ik voor hen zorgen zou, wanneer zij mijn hulp ooit noodig zouden hebben.”

»Wil njonja dat Alima die kinderen zal opzoeken?”

»Neen, maar ik wil dat die vrouw en die kinderen nooit weggezonden zullen worden, wanneer zij hier zullen komen om mij te spreken.”

»Er zijn eenige dagen geleden een paar kinderen hier geweest. Zij vroegen naar njonja, maar de resident heeft ze weg laten jagen door de Oppas.”

»Gij moet mij morgen weten te zeggen wie die kinderen waren, Alima. Ik wil het weten, hoor? Hoe zij heeten, waar zij wonen, en waarom zij hier zijn geweest.”

»Goed mevrouw.”

Den volgenden morgen werd er zacht aan de deur van Louise’s kamer geklopt.

»Binnen.”

Het was Alima.

»Njonja moet niet kwalijk nemen,” begon de jonge slavin, »dat Alima ongeroepen komt, maar Alima heeft gevraagd naar de kinderen die gekomen waren om njonja resident te zien, en de Oppas hebben haar gezegd dat het de kinderen van Mina waren.”

»En wat verlangden zij?”

»Dat wilden zij aan niemand zeggen dan aan njonja zelve.”

»Waar wonen zij?”

»Zeven paal van hier, in het gebergte, den weg op naar B.”

»Goed. Zie hier twintig gulden. Gij zult een man huren op wien gij vertrouwen kunt, gij zult hem zenden naar de woning van Mina, en gij zult hem zeggen dat hij zorgt dat de kinderen hier zijn tegen het vallen van den avond. Dan zult gij ze hier in mijn kamer brengen en zorgen dat niemand ze ziet.”

»Goed mevrouw.”

Dien avond tegen half zeven bracht Alima twee kleine jongens in Louise’s kamer.

»Heeft njonja nog iets te bevelen?”

»Niets. Het is goed zoo.”

Alima ging heen.

Louise zag de beide jongens aan, zooals deze haar aanzagen, met groote, nieuwsgierige, welwillende oogen; toen reikte zij beiden de hand en plaatste ze naast zich, den een op de bank, den ander op een rotangstoeltje.

»Zijt gij vermoeid van de reis?” was haar eerste vraag.

»Neen mevrouw,” antwoordden beiden te gelijk. »Wij zijn te paard tot A. gekomen en toen hebben wij geloopen om niet herkend te worden,” voegde de oudste er bij.

»Wij zijn achter door de heg in den tuin geslopen,” vervolgde de jongste, »omdat wij bang waren dat....”

Een blik van den ander deed hem zwijgen.

»Dat?” vroeg Louise aanmoedigend.

»Dat papa ons zien zou,” antwoordde het kind gerustgesteld.

En Louise bloosde even als de beide kinderen over deze laatste woorden.

»Houdt gij van snoepen?” vroeg zij opstaande. »Hier heb ik wat manissan en kwee-kwee voor u.”

Geen van beiden antwoordde, maar zij lachten en stonden op om de bordjes aan te nemen, die Louise voor hen gereed had gemaakt.

Toen zij aan het eten waren, begon de jonge vrouw zich wat meer op haar gemak te gevoelen, en eindelijk moed te krijgen om te vragen naar hetgeen haar op het hart lag, naar Mina.

»Hoe gaat het uw moeder....”

De beide kinderen zagen haar zóo verbaasd aan, dat de woorden haar op de lippen bestierven. Een oogenblik later hernam zij aarzelend:

»Heeft uw moeder u niets gezegd?—Heeft zij u geen boodschap gegeven voor mij?”

»Moeder is weg gegaan, naar huis gegaan, en niet terug gekomen,” zei de kleinste.

»Dood,” fluisterde de grootste Louise in het oor.

»Dood!” herhaalde zij verbleekend. »En sedert wanneer is zij dood?”

»Zij heeft een week geleden onze dessah verlaten, om naar huis terug te keeren; toen heeft papa haar geslagen. Willem weet niet waarom, en den volgenden dag werd zij in de dessah terug gebracht door mannen die haar droegen in een joeli, omdat zij niet meer loopen kon. Den dag daarna, tegen het ondergaan der zon zijn zij weer gekomen om haar weg te halen, en te brengen naar den doodenberg, waar zij haar begraven hebben, met fakkellicht. Ik heb het zelf gezien, want ik ben mee geweest. Ik liep heel achter aan, ver weg, achterom de boomen, want zij hadden mij opgesloten, met August, omdat ik niet zien mocht waar zij heengingen.”

Het kind zweeg even om adem te halen, hij was vermoeid van al dat fluisteren, en toch had hij niet gewild dat August, die geheel verdiept in zijn manissan was, iets hooren zou van hetgeen hij zeide.

»Mama heeft ons iets gezegd,” vervolgde hij overluid, »toen zij terugkwam van huis, maar August is het vergeten en ik heb het niet aan de Oppas durven zeggen.”

»Neen, ik weet het nog!” riep het kleintje, al etende.

»Nu zeg het dan?”

»Mama heeft gezegd, dat hier een andere mama gekomen was, die voor August zorgen zou, als mijn mama niet terug zou komen.... En dat die andere mama heel lief voor August wezen zou, en voor Willem ook—veel liever dan papa.”

»Papa zal ook goed voor u wezen,” zeide Louise, met tranen in de oogen, en, de beide kinderen omhelzende, vervolgde zij levendiger: »Ik ben die andere mama, van wie uw moeder u gesproken heeft, en ik zal lief voor u zijn, zoo lief als uw moeder u gezegd heeft dat ik voor u wezen zou. Ik beloof het u.”

Op dat oogenblik werd de deur geopend en trad Stevens binnen.

De kinderen sprongen verschrikt op. Louise werd nog bleeker dan zij reeds was, en de resident bleef onbewegelijk op dezelfde plaats staan. Hij geloofde niet aan hetgeen hij zag. »Mina’s kinderen met Louise aan tafel!”

Toch zag hij ze, en zijn verbazing was zoo groot, dat hij geen pas kon doen, geen woord kon uiten.

»Ga papa een zoen geven,” fluisterde Louise zacht, en de kinderen slopen schoorvoetend naar hem toe en boden hem hunne gezichtjes tot kussen aan.

Stevens omhelsde ze stug weg, en liep hen voorbij om zijn vrouw de hand te geven.

»Hoe komen die kinderen hier?” vroeg hij wrevelig.

»Hunne moeder is gestorven,” antwoordde Louise zacht. »Kassian! arme kinderen! Mag ik hun moeder zijn?”

Stevens gevoelde zich vernederd door die eenvoudige woorden, en toch trokken zij hem aan. Zonder een woord te spreken greep hij de beide jongens bij de hand en wierp ze in Louise’s armen.

Van dat oogenblik af kwam er iets anders in de verhouding van den resident tegenover zijn vrouw. Louise wist meer van zijn vorige levenswijze af, dan zij hem bekennen wilde, dit gevoelde hij, maar wat wist zij? Hoe diep was hij gezonken in de achting der vrouw, over wier lippen hij nog nimmer een klacht of een verwijt had hooren komen. Meer dan eens was hij op het punt geweest van het haar te vragen, maar wanneer die donkere oogen hem dan zoo kalm, zoo ernstig, zoo vastberaden aanzagen, begaf hem de moed en bleef hij zwijgen, onwillekeurig buigend voor dat groote sterke karakter dat hij bewonderde en dat hem nijdig maakte omdat hij het niet doorgronden kon.

Ook die kinderen van Mina, altijd om en bij Louise, die zij lief hadden, waren hem een doorn in ’t oog. En de genegenheid die zij hen voor hun vader inprentte, o! dat was de grootste bespotting die zijn vrouw hem kon aandoen.

Louise van haar kant, gevoelde zich zoo ver boven den resident verheven, dat zij het beneden zich achtte, den armen man nog kleiner te maken dan hij reeds was. Daarom zweeg zij over al wat niet meer hersteld kon worden, en verborg zij zijne gebreken, zelfs die welke haar het meest griefden, zooveel zij vermocht.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK

DE EERSTE RECEPTIE

Eenige dagen later bevond Louise zich in den grooten lommerrijken tuin; het was bijna avond en, terwijl de halve stad aan het wandelen en toeren was, zat zij alleen onder een ouden Weringinboom te spelen met de kinderen van Mina.

Wat waren die kleinen gelukkig! En wat was Louise vroolijk te midden van die vliegers en knikkers, terwijl die lachende kinderstemmen haar hare eigene jeugd herinnerden en haar in zachten weemoed terug voerden naar de onbewolkte dagen harer kindsheid, waarin zij, evenals Willem en August, met haar geheele ziel aan de vlucht van een vlieger hing, of met een schaterlach haar grootste leed vergat in ’t rollen van een bonten knikker.

De resident is zoo pas van een rit te paard teruggekeerd, en loopt, door een oppasser gevolgd, de lange lanen door om zijn vrouw te zoeken. Louise hoort hem naderen, maar blijft afgetrokken op een knikker staren, totdat hij naast haar staat.

»Wel,” vraagt hij, half lachend, half wrevelig, »hoe gaat het?”

Langzaam heft zij het hoofd naar hem op, en hem de hand reikend zegt zij zacht:

»Gij zijt niet lang uitgebleven, dunkt mij.”

»Niet lang? Wel kind, ik ben meer dan twee uur aan het dwalen geweest, en noem je dat niet lang? Maar wat zie ik? Ben je nog niet gekleed? En ik dacht dat wij van avond receptie zouden hebben?”

»Juist daarom ben ik niet gekleed. Ik heb nog voor gebakken moeten zorgen, en toen was ik zoo vermoeid dat ik hier wat rust ben komen zoeken, met plan om mij na het eten te kleeden.”

»Na het eten? Dat is veel te laat!”

»Neen, stellig niet, ik heb zooveel tijd niet noodig voor mijn toilet.”

»Maar ik verlang dat gij mooi zult zijn, Louise, en gij zoudt mij pleizier doen met u terstond naar uw kamer te begeven en u aan te kleeden, ten einde in tijds gereed te zijn om de honneurs van uw huis waar te nemen.”

Louise stond zwijgend op en begaf zich met wankelende schreden naar haar kamer, waar zij half uitgeput op een stoel neerzeeg en Alima beval haar te kappen.

»Taroe banjak kembang di saya poenja ramboet [32],” zeide zij met de ellebogen op de tafel geleund en het hoofd in de beide handen rustende, en »sedijak saga poenja kleed njang paling bagoes [33], Alima.”

De jonge meid sloeg dadelijk de handen aan het werk, en na haar meesteres met witte rozen gekapt te hebben, opende zij de deur van de hangkast om er een geschikte japon uit te krijgen. Mevrouw had gezegd: »Mijn fraaiste kleed”, het oog der meid viel op haar witte bruidskleed, en zonder zich een oogenblik te bedenken, nam zij dàt en wierp het haar meesteres over het hoofd.

»De resident stuurt de groeten aan mevrouw en laat vragen of mevrouw aan tafel wil komen,” kwam een der oppassers zeggen.

»Zijt gij gereed, Alima?” vroeg Louise, die, tegen de deurpost geleund, zich met een grooten, vederen waaier wat koelte zocht te verschaffen.

»Saaya njonja.”

En zonder zelfs éen blik in den spiegel geworpen te hebben, verscheen Louise aan tafel.

»Zoo, goed zoo! Zoo mag ik het zien!” riep de resident, haar met welgevallen beschouwende. »Wel kind, je kunt niet te mooi zijn van avond. Je eerste receptie! Je entrée in onze wereld, om zoo te zeggen. Je moet van avond de heele stad verliefd op je maken, oud en jong, arm en rijk. Jongens, jongens wat zullen zij mij mijn vrouwtje benijden!”

Louise zag nu eerst wat zij aan had.

»Mijn hemel, mijn bruidskleed.... Hoe kan die meid zoo dwaas zijn! Ik in het wit! Ik moet er dunkt mij uitzien als een geest.”

»Volstrekt niet, volstrekt niet, gij ziet er uit om te stelen.”

»O neen! Laat mij na het eten wat anders gaan aandoen. Ik ben nu te bleek en te mager voor dit toilet!”

»Integendeel, ik verlang dat gij zoo blijven zult. Die zware zijde staat rijk, zij doet uw dun middeltje betooverend uitkomen, en die dikke ronde plooien hebben zulk een heerlijken gloed bij het lamplicht, dat ik niet weet welk toilet u meer zou kunnen flatteeren dan dit.”

Louise antwoordde niet, zij zette zich in haar bruidsgewaad aan tafel en bleef dien avond zoo.

Al wat eenigszins in de termen viel van bij den resident ontvangen te kunnen worden, verscheen dien avond op de receptie. Men had te A. zooveel van Louise’s buitengewone schoonheid gehoord, en de adsistent-resident en de dokter hadden zooveel ophef over haar vroolijkheid en haar bevalligheid gemaakt, dat er bijna niemand in A. gevonden kon worden die niet om de een of andere reden verlangend was, persoonlijk kennis te maken met de jonge residentsvrouw.

Maar de arme Louise was niet meer, wat zij eenmaal geweest was. Geen wonder dus dat de hooggespannen verwachting werd teleurgesteld. Men had Louise beschreven als een lief, vriendelijk, lachend kind, wier gansch uiterlijk leven, geest en spotlust teekende, en zij die dáar met statigen ernst haar gasten verbeidde, geleek niets naar die beschrijving.

Louise was slank en buigzaam van gestalte, haar houding was fier en haar gang statig, daarbij waren haar bewegingen langzaam, terwijl haar oogopslag rustig was, en de lijdende treurige uitdrukking van haar gelaat iets onbeschrijfelijk zachts en innemends gaf aan haar geheele persoonlijkheid.

Toch was zij bij den eersten aanblik menigeen tegengevallen, die te vergeefs naar vroolijkheid gezocht had in die diepliggende oogen of naar spotlust in dien fijn besneden mond. Maar nauwelijks had zij eenige woorden gesproken, of haar lieve zachte stem, haar droeve lach vooral, deden haar terstond de harten winnen zelfs van hen wier oogen zij het minst had kunnen bevredigen.

De resident geleidde een dame van meer dan middelbaren leeftijd binnen. »Mevrouw Joly,” zeide hij, haar aan zijn vrouw voorstellende, »de adsistent-resident, haar echtgenoot, is u bekend, Louise.”

Mevrouw Joly nam naast Louise plaats en zat haar van ter zijde op te nemen.

Daarop volgden een vijftal café-au-lait-kleurige schoonen, de jonge dames Joly, haar dochters, die allen in het wit gekleed waren met donkerroode bloemen in het gitzwarte haar, zóo keurig opgemaakt, zoo glad, zoo glimmend, dat het aan vernis deed denken.

»Mooi, ja?” vroeg Antje de jongste der gezusters, zoodra zij met haar vijven op een rijtje hadden plaats genomen.

»Hek!” antwoordde de oudste, Lotje, die de g niet uit kon spreken als het noodig was.

»Niet lief,” zeide Fietje, de derde.

»Hek”, herhaalde de oudste weer. »Net precies as bruid zoo mooi, en zij hebruik sleep net as hoeverneursvrouw. Hek!”

»Mag ik u mevrouw Oristorio di Frama voorstellen, Louise,” ging de resident weer voort. »Uw onbekende vriendin, die gedurende uw ongesteldheid zooveel belang in u gesteld heeft en die gij zoozeer verlangdet persoonlijk te leeren kennen.”

Louise bleef midden in haar neiging steken, hief haar groote oogen naar de nieuw gekomene op en reikte haar de hand.

»O mevrouw, wat zijt gij goed voor mij geweest!” riep zij met een dier glimlachen pijnlijk om aan te zien, »zoo ik nogmaals mijn moeder missen zal, wilt gij dan weder haar plaats bij haar arme Louise innemen?”

Mevrouw Oristorio beantwoordde haar woorden met een handdruk, terwijl de resident mejufvrouw Lina van Wageningen en mijnheer George Werner, een landheer of planter uit den omtrek, aan zijn vrouw voorstelde.

Zij neigde even voor Werner, zonder acht op hem te slaan, en reikte Lina de hand met de woorden:

»Ik heb reeds zooveel over u hooren spreken, juffrouw Van Wageningen, dat het mij bijzonder aangenaam is u hedenavond hier te zien.”

De jonge gouvernante ging aan Werner’s arm naar het lagere einde der zaal, terwijl Louise langzamerhand door de voornaamste dames der stad omringd werd, met wie zij weldra in gesprek gewikkeld was over de prijzen van rijst en olie, en het aantal en den ouderdom van alle mogelijke lieve kleinen der haar onbekende gasten—onderwerpen die haar, gul uit gezegd, in het minst niet schelen konden.

»Een lief vrouwtje dunkt mij,” zeide Lina tegen haar cavalier, »en beelderig mooi.”

»Een vrouwtje dat diep gevoelt,” antwoordde Werner met een zucht.

Lina zweeg een oogenblik.

»Denkt gij dat er vanavond gedanst zal worden?” vroeg zij, van onderwerp veranderende.

»Gedanst? Ja, ja, er wordt gedanst, maar de muzikanten zullen eerst tegen negen uur komen, omdat de resident er op gesteld is dat het van avond geen bal zal heeten.”

»Zou mevrouw Stevens dansen?”

»Ik denk het wel, alle dames dansen hier, tot de oude mevrouw Joly toe, die ik laatst nog met haar vijf dochters in dezelfde quadrille zag staan.”

»Louise, mag ik het genoegen hebben je overste Van Ellenburg voor te stellen, die de eerste wals met je wenscht te doen?”

Louise antwoordde den resident met een wenk op de oude mevrouw Joly die naast haar zat en stotterde iets van »ter nauwernood hersteld—excuseeren—vermoeid.”

De resident wierp haar een blik toe die de woorden op haar lippen deed besterven en antwoordde voor haar, dat zij »volgaarne het vriendelijk aanbod aannam.”

De resident en de overste hadden als civile en militaire autoriteiten, naar gewoonte weder eens met elkaar overhoop gelegen. Natuurlijk over een kleinigheid, een aanmatiging van de eene zijde en een onheusche weigering van de andere. Eerst sedert een paar dagen waren zij weder met elkander verzoend; daarom moest Louise, die niets van de zaken des residents behoefde af te weten, en ook inderdaad niets wist, haar eerste wals aan den overste geven. Zóo zouden de menschen kunnen zien dat de quaestie uit de wereld was.

De overste vond zijn jonge danseuse allerbekoorlijkst. Daarom presenteerde hij haar drie keer eau de Cologne en vroeg hij haar zes keer of zij ook vermoeid was. Toen was de dans geëindigd.

Had de overste kunnen handelen naar de inspraak van zijn hart, dan zou hij terstond naar de whisttafel van den resident gesneld zijn, om zijn ouden vijand eens ter dege »af te rossen”, want: »Is dat een vrouwtje voor zoo’n kerel! Een engel van zachtheid en onderwerping voor zoo’n brut als hij!”

De overste was zoo verontwaardigd in zijn bewondering van Louise, dat hij in een vlaag van afgunst en wanhoop zijn sabel vroeg en ... naar huis stapte.

Louise danste intusschen onafgebroken voort. Zij had een enkelen galop overgeslagen omdat zij bijna niet meer voort kon van vermoeidheid. Maar toen was de resident van zijn speeltafeltje opgestaan en had haar verzocht om zich terstond weder in de vreugde te mengen daar iedereen haar »gracieuse wijze van dansen bewonderde”. »O Louise!” vervolgde hij, »gij weet niet hoe trotsch ik van avond op u ben! Alle menschen zijn opgetogen over de schoonheid van mijn vrouwtje!”

Louise bloosde, trok haar hand uit die van den resident en voegde zich bij een groepje dames.

De resident lachte van welgevallen over den indruk dien zijne woorden op zijn vrouw schenen gemaakt te hebben.

»Zij kon haar blijdschap ternauwernood verbergen,” dacht hij bij zichzelven, »men kan toch alles van een vrouw gedaan krijgen, indien men haar ijdelheid slechts weet te vleien!”

En Louise?

Zij had zich gekrenkt gevoeld door de woorden van den resident. Zij was zwak en vermoeid en toch moest zij dansen, toch moest zij zich nog meer vermoeien, omdat haar echtgenoot verlangde dat zijn vrouw bewonderd zou worden.

»Besta ik dan enkel om bewonderd te worden?” vroeg zij zichzelve met bitterheid af, en toen rees er voor haar geest een chaos van denkbeelden die haar deden huiveren van angst en afgrijzen. Op dat oogenblik vroeg Werner haar voor een wals.

»Een wals? .... Een wals?.... O gaarne!” riep zij verward, en zij wierp zich met een soort van dankbaarheid in zijn armen, om in de verdooving van den dans elke gedachte te vergeten.

Werner meende wanhoop te zien in de koortsachtige wijze waarop de jonge vrouw zich aan hem overgaf. »Zij is niet gelukkig,” dacht hij bij zichzelven, en toen, een oogenblik later, zijn oog op Louise’s verbleekt gelaat, op haar hijgenden boezem rusten bleef, gevoelde hij zulk een diep medelijden met haar, dat hij plotseling ophield met dansen en haar in de grootste verwarring vroeg:

»Mijn God, wat deert u mevrouw?”

Zij zag hem met verbazing aan. »Niets mijnheer,” antwoordde zij zacht: »Ik ben volkomen wel.”

»O neen, gij lijdt!—Gij lijdt vreeselijk! ... Maar mogelijk wilt gij het niet bekennen, uit beleefdheid voor uw gasten?—O! mevrouw, vergeef mij, gij zult mij mogelijk indiscreet vinden, maar .....”

»Maar?” herhaalde Louise.

»Gij zijt slechts sedert kort van een zware ziekte hersteld, mogelijk vermoeit u die drukte om u heen en verlangt gij naar rust. Wilt gij mij veroorloven uw gasten te verzoeken zich wat vroeger huiswaarts te begeven, dan men hier gewoon is? De partijen eindigen hier meestal niet vóor drie uur in den morgen.”

»O! neen, neen. Ik dank u voor uw goedheid, maar ik ben hier nog te weinig bekend om nu reeds tegen een aangenomen gebruik te zondigen.”

»Men zal u gaarne die zonde vergeven, indien zij u van nut kan wezen,” antwoordde Werner dringend.

»Och neen, laat mij geen vreugdeverstoordster wezen! Drie uurtjes toch zijn spoedig om, en morgen zal ik tijd genoeg tot rusten hebben. Maar wilt gij mij een genoegen doen, mijnheer Werner? Wilt gij u een kleine opoffering voor mij getroosten?”

»Voor u? Alles mevrouw!”