Een huwelijk in Indië

Part 7

Chapter 74,042 wordsPublic domain

Wij vinden Louise van Amerongen weder in een prachtig wit zijden bruidskleed; een lichte kanten sluier is smaakvol om het schoone hoofd geplooid, en omzweeft als een dunne wolk de fijne, ranke gestalte. Kostbare paarlsnoeren kronkelen om den blanken hals en armen, en een fraaie krans van oranjebloesems en witte rozen ligt op een stoel aan haar zijde. Haar gelaat is bleek, haar oogen schitteren en haar handen zijn wit en koud. Overigens is zij kalm en geen woord, geen beweging verraadt wat er in haar ziel omgaat.

De resident treedt met een glimlach om de lippen de voorgalerij binnen en beeft licht terwijl hij de hand zijner bruid in de zijne vat.

»Zal zij mij gelukkig maken?” vroeg hij zichzelven met eenige twijfeling af, en toen hij zijn oog vragend op zijn schoone Louise vestigde, ging hem een koude rilling door de leden, terwijl hij zichzelven verzekerde dat haar buitengewone schoonheid ruimschoots vergoeden zou hetgeen zij aan verstand of hart ontbreken mocht.

»Zal het mij mogelijk zijn dien man gelukkig te maken?” waren ter zelfder tijd de gedachten der bruid, en toen zij haar donker oog onzeker over de menigte liet weiden, trof haar de zachte, treurige uitdrukking van Henri’s edel gelaat en ook haar ging een koude rilling door de leden, terwijl zij haar blikken nedersloeg en zichzelve ontkende immer iets om haren neef gegeven te hebben.

Arm meisje! Hoevelen handelen als gij, en werpen zich met een bloedend hart in de armen van een man die haar onverschillig is! Hoevelen brengen, als gij, aan een fortuin, aan een rang het geluk van gansch haar leven ten offer en verloochenen, vergeten, versmaden zichzelven en anderen voor een denkbeeldige grootheid, die haar waarde verliest zoodra men gevoelt haar bereikt te hebben!

En gij, dwaze man! gij die de menschen kent en voor wien de wereld niet nieuw meer is, gij die geen jeugd, geen onervarenheid, geen plichtbesef ter uwer verontschuldiging kunt bijbrengen, hoe kunt gij u aan een woesten hartstocht overgeven waartegen uw verstand u waarschuwt en geheel uw ziel zich verzet? Hoe kunt gij, die alles gezien, gekend, genoten hebt, wien niets onthouden is geworden, zelfs niet de rampen die kracht geven en de teleurstellingen die tot nadenken brengen, hoe durft gij thans op een gelukkige toekomst hopen?

Toch zijn er velen als gij, die op een gevorderden leeftijd een jonge bruid naar het echtaltaar voeren zonder een oogenblik aan het geluk der aanstaande levensgezellin gedacht te hebben. Die haar uit eigenliefde, hoogmoed of pronkzucht, het jawoord als afpersen en haar van haar ouders afbedelen of koopen om het nietig genot te hebben van der wereld toe te roepen: »Zij, die de mijne is geworden, was te goed voor allen, de grootsten waren te gering voor haar en de rijksten te arm; maar zij heeft mij haar leven en haar toekomst toevertrouwd, mij heeft zij haar jeugd en haar schoonheid geschonken.”

Het leven is een leerschool, heeft men meer dan eens gezegd, en toch, hoevelen hollen dat leven door, zonder omzien, zonder nadenken, zonder vergelijken, zonder berekenen; verblind door al wat schittert, medegesleept door al wat kracht heeft, voortgestuwd door al wat buiten hen is. Zij zien alles en begrijpen niets, gevoelen alles en kennen niets, ondervinden alles en doorgronden niets. Uitgelaten vroolijk in voorspoed, zijn zij hopeloos in droefheid en verwoed over de geringste teleurstelling. Niets is blijvend voor hen; wat zij heden liefhebben, versmaden zij morgen; wat zij gisteren deugd noemden, is heden misdaad voor hen. Zij leven geheel voor het oogenblik, gevoelen zonder herinnering en handelen zonder aan een toekomst te denken. Vandaar dan ook dat men er zoo velen ziet die in de werkelijkheid grijs geworden zijn om hun leven in een illusie te eindigen.

In de kerk knielde de jonge bruid aan Stevens zijde neder, zijn oogen zochten de haren, de haren bleven onafgebroken neergeslagen. En toen de plechtigheid geëindigd was en zij op zijn arm geleund de kerk verliet, verried een hoog rood een onbestemd gevoel van schaamte en berouw dat zich onwillekeurig van haar meester maakte.

De resident gevoelde iets dergelijks, maar begreep het niet. Zijn oog viel op het bekoorlijke schepsel dat hem toebehoorde, en half bevend fluisterde hij haar in het oor:

»O Louise, mijn engel! Thans zijt gij de mijne voor eeuwig!”

Nu eerst gevoelde het meisje, welk een vreeselijke band er tusschen haar en dien man gelegd was geworden. Nu verstond zij eerst recht die ijselijke woorden, die een oogenblik te voren nog bloote klanken voor haar geweest zouden zijn.

Arme, arme Louise! De groote stap is thans gedaan. Mor niet tegen hetgeen geschied is, maar draag zorg voor de toekomst; wend de verblindheid uws echtgenoots ten uwen voordeele aan: hij beminde u tot heden zooals hartstocht, zooals begeerte alleen bemint, maar temper, wijzig die liefde, leid haar met verstand opdat zij een bron van geluk moge worden, voor u en voor den man wiens toekomst ook de uwe wezen moet. Ontzie uw echtgenoot daar waar gij niet met hem overeen zult stemmen, acht hem, zoo niet om zijnentwille dan uit achting voor u zelve, en bemin hem, zoo niet met uw hart, dan toch met uw geweten; want gij hebt hem gansch uw leven beloofd en zijt hem dus medewerking en genegenheid verschuldigd. Leef, ja leef geheel voor hem, jonge, schoone, rijke vrouw, en hij zal door uw deugden leeren u lief te hebben, te achten en te eerbiedigen zooals hij nog nimmer een vrouw vóor u lief gehad, geacht en geëerbiedigd heeft.

TWEEDE DEEL

HOE ZIJ WERD

Nous autres femmes nous ne demandons qu’à admirer et qu’à servir. Le sentiment de notre infériorité ne nous blesse pas, il nous charme au contraire. Ne vous étonnez donc pas si vous trouvez si peu de soumission chez les femmes c’est qu’il y a fort peu d’hommes dignes de la soumettre.

Éternité!

Quel droit avons-nous pauvres petits êtres, ignorants et impuissants, de faire une promesse pour l’éternité?—Demain ne nous appartient pas, comme l’éternité nous échappera!

Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au sujet de son livre L’Homme-Femme, par Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice.

TWEEDE DEEL

HOE ZIJ WERD

ZESTIENDE HOOFDSTUK

TE HUIS

Tegen vijf uur des namiddags reed een gemakkelijk reisrijtuig met zes paarden bespannen en door een eerewacht te paard omringd, de groote laan in, die naar het residentiehuis te A. geleidde. De loopers draafden naast de paarden, de wacht kwam in het geweer, alle bedienden vlogen naar buiten en resident Stevens van Langendijk heette zijn jonge vrouw welkom in haar nieuwe woning.

»Zorg voor de goederen,” riep hij de oppassers toe. En zijn vrouw bij de hand vattende, geleidde hij haar de stoep op en het huis rond dat voortaan het hare zou wezen.

»Wel, wat zeg je, mijn kind? Is het hier nu zoo kwaad?”

Louise wierp verwonderde blikken om zich heen en antwoordde zacht:

»Integendeel, ik vind dat gij prachtig ingericht zijt!”

»Niet waar? Ik ben ingericht zooals het behoort, rijk en net.”

»Zeer net.... dit is juist hetgeen mij frappeert.... een jongeheerenhuishouden....”

»Aha! ondeugend ding! Denkt gij zóo over het jongeheerenhuishouden.... Wacht, dan zullen wij u nog iets anders laten zien.”

Toen bracht hij haar naar de slaapkamer, waar alles smaak, gemak en weelde ademde.

»Zie hier je linnenkasten, lieve.”

»O, hoe netjes! Wie heeft dat alles zoo keurig geschikt?”

»Wel de meiden, Poes.”

»En hier deze deur?”

»Die komt in je kleedkamer uit, je heiligdom, waar je zoo vrij als een vogel zult wezen.”

Hij stiet de deur open en Louise trad binnen.

Zij zeide niets.

»Nu?” vroeg de resident.

»Prachtig.”

Op eens wierp zij zich in zijn armen.

»Wat heb je? Waarom huil je?”

»Ik weet het niet,” snikte zij afgebroken. »Gij zijt zoo goed voor mij.”

»En huil je daarom?” vroeg hij met een lach. »Kom kind, droog die tranen af en geef mij een zoen. Zóo, goed zoo. Nu, dáar staat je koffer, maak je nu eens mooi van avond, want er zal zeker wel de een of ander komen om mijn mooi, lief vrouwtje te zien.”

Hij drukte haar nog eens hartstochtelijk in zijn armen en toen verliet hij haar, opdat zij zich ongestoord zou kunnen verkleeden.

Doch nauwlijks was zij alleen of zij sloot de deur harer kamer, wierp zich op een rood fluweelen causeuse neder en weende bitter. Haar hart was zóo vol dat het haar goed deed eindelijk een oogenblik te hebben waarin zij haar tranen vrij kon laten vloeien.

De kamer waarin zij zich bevond was ruim en smaakvol gemeubeld. Alles was er in harmonie en zóo geschikt dat men niets had kunnen wegnemen of verplaatsen zonder het geheel een minder bekoorlijk aanzien te geven.

Een meubel slechts scheen misplaatst in het vroolijke, smaakvolle vertrek, omdat het te groot, te donker was, te veel in het oog viel, zouden wij kunnen zeggen. Het was een mahoniehouten hangkast, waarvan een der deuren wijd open stond, terwijl de andere gedurig kraakte alsof er iemand tegen aanleunde.

Dit gekraak trof eindelijk Louise’s oor. Zij herinnerde zich waarom zij hier gekomen was, wischte haar tranen af en stond op om zich te kleeden.

Onverschillig opende zij een houten kistje, wierp er eenige gouden armbanden en een lange snoer bloedkoralen uit, trok daarna een licht grijs zijden kleed bij éen mouw van onder uit haar koffer en klapte in de handen om Alima te roepen.

Tien minuten later was zij gereed.

»Hoe laat is het?”

»Zes uur, mevrouw.”

»Goed. Gij kunt heengaan.”

Alima vertrok.

Toen kwamen de tranen weder, en weer sloot zij snel de deur opdat niemand ze zien zou.

Maar, terwijl zij aan den eenen kant van de kamer stond met het gelaat naar de deur gekeerd, vonkelde er een donker oog om de deur der hangkast heen.... Een tweede oog, een fijnbesneden neus met beweegbare neusvleugels, een half geopende mond met vast opeengeklemde tanden, een lange uitgerekte hals volgden. Een jonge vrouw, bruin, slank, vlug, levendig, hartstochtelijk, vlood als een hinde uit de kast langs den muur, om de tafel, achter de rood fluweelen causeuse. Daar blijft zij een oogenblik onbewegelijk zitten, met de eene hand op de borst gedrukt als om de lucht terug te dringen die in een luide kreet dreigt uit te barsten, met de andere krampachtig om het gevest van een kris geslagen, dien zij in de plooien harer kabaai zoekt te verbergen.

Zij ziet Louise voor zich staan. Met éen blik meet zij den afstand tusschen haar kris en het hart der jonge vrouw, en een lach vol haat geeft voor een oogenblik een afschuwelijke uitdrukking van wreedheid en wraak aan haar anders buitengewoon schoon gelaat.

Langzaam rijst zij op—sluipt zij voort—heft zij haar kris omhoog.... »Tjilakka!” [28] gilt zij op eens, en weenend zinkt zij aan Louise’s voeten neder, terwijl zij haar kris naar het andere einde der kamer werpt.

Louise ontstelt hevig, maar terstond haar schrik verbergende, vraagt zij kalm en trotsch, op een schier bevelenden toon:

»Wie zijt gij? En wat doet gij hier?”

»Tjilakka!” herhaalt de jonge vrouw nog eens, en na een oogenblik zwijgens, waarin de beide vrouwen elkander met een onverklaarbare belangstelling, ja bijna sympathie beschouwen, vervolgt zij in vreeselijke wanhoop:

»Mina is genoeg gewroken!—Njonja resident zal ook niet gelukkig zijn! Maar toewan Allah zal rechtvaardig wezen!”

»Wie zijt gij?” vraagt Louise weder, deze keer zacht en medelijdend.

»Wie ik ben.—Wie—ik—ben?” herhaalt de jonge vrouw met bitterheid. »En dat vraagt gij mij Hier? hier, in mijn eigen huis, in mijn eigen kamer? Onder het dak van hem, dien ik tien jaar lang gediend heb als mijn meester, dien ik lief heb gehad als den vader van mijn kinderen.... voor wien ik gezorgd heb als voor mijn eigen broeder, voor wien ik gewerkt heb als voor mijn eigen vader!—Maar hij heeft mij verstooten—verstooten voor u, verstooten omdat ik arm ben.... omdat ik hem niets dan liefde geven kan—niets dan dat! En dat was niet genoeg voor hem.... Hij wilde geld hebben—geld voor zich alleen—niet eens voor zijn kinderen! Want die heeft hij verstooten als mij!—Hij was vertrokken naar Samarang, om papieren te halen; want Mina zou zijn vrouw worden en haar kinderen zouden Stevens heeten.... En toen de kinderen vroolijk waren en Mina gelukkig was en vertrouwde op hem.... toen kwam er een vreemde om te zeggen dat de resident getrouwd was!.... Hij bracht geld voor de kinderen en een bevel voor Mina om zich te verbergen in de bovenlanden, opdat njonja resident niet weten zou dat er ooit een Mina bestaan had....

»Maar de kinderen speelden met het geld en Mina geloofde niet aan het bevel.... Toen werden de kinderen heimelijk weggevoerd, Mina werd verjaagd uit het huis dat haar lief was.... En njonja resident kwam....

»Mina zat verscholen in het bloembed vóor het huis—zij zag njonja resident het rijtuig uitstappen en leunen op den arm van haren Heer.—Mina sloop het huis in, door de achtergalerij, in haar eigen kamer. Zij had een kris gekocht voor het geld van haar kinderen.... Maar zij zag tranen in de oogen van njonja resident en zij had kassian [29] met haar!”

Louise had zich lang goed gehouden, nu echter begaf haar de zelfbeheersching en half bewusteloos zonk zij op een stoel neder.

De inlandsche vrouw stond op, schonk een glas water in en bood het Louise aan, die het met een blik vol wantrouwen van zich stiet.

De oogen der jonge vrouw schoten vol tranen.

»Drink gerust, njonja resident,” sprak zij zacht. »Gij hebt niets van Mina te vreezen—het is water uit uw eigen gindie.” [30]

En na een oogenblik wachtens vervolgde zij krachtiger:

»Dáar ligt mijn kris—gij kunt mij aangeven als gij wilt. En de oppassers die mij voorheen als hun meesteres gehoorzaamden en eerbiedigden, zullen mij aangrijpen en wegvoeren, en de resident zal de moeder zijner kinderen als moordenares ter dood brengen!”

Louise snikte overluid.

»Arm, ongelukkig schepsel!” sprak zij zacht, terwijl zij de handen der verstooten vrouw in de haren nam en met kussen overdekte. »Kan ik iets voor u doen? O! zeg mij wat?”

»Niets, njonja resident.”

»Niets? Maar voor uw kinderen dan?”

»Niets mevrouw.”

»Neem dit voor uw kinderen. Ik heb op het oogenblik niets anders hier. Maar later, als mijn goed gekomen zal zijn, kom dan terug en ik zal u alles geven wat gij voor uw kinderen noodig kunt hebben.”

Mina legde de gouden armbanden, welke Louise afgedaan had om ze haar te geven, op de tafel neder, toen nam zij de diamanten knoopjes uit de mouwen harer kabaya en de soebings uit haar ooren, deed de gouden pendieng af die om haar lendenen gegespt was en nam de brillanten haarpennen uit haar kondeh.

»Dit alles heb ik van toewan resident gekregen,” sprak zij nauw hoorbaar, »en ik heb het gedragen zoolang ik voor toewan resident leven mocht....”

Zij kon niet verder spreken.

Louise sloeg haar arm om Mina’s hals en fluisterde vleiend:

»En indien njonja resident u vriendelijk verzocht die kleinodiën te blijven dragen en ze als bruidschat uwer kinderen te beschouwen?”

»Njonja resident is goed,” sprak de jonge vrouw medelijdend. »Maar Mina heeft leeren werken en zal geen gebrek lijden zoolang Toewan Allah haar de gezondheid niet ontnemen zal.”

Er werd aan de deur geklopt.

»Wie is daar?” vroeg Louise zonder te openen.

»Ik mevrouw,” antwoordde een onbekende stem. »Toewan resident laat vragen of njonja voor wil komen; er zijn gasten.”

»Terstond!” en zich tot Mina wendende vervolgde zij gejaagd: »Waar zult gij nu blijven? Gij kunt de kamer niet uitkomen, zonder gezien te worden.—En ik wil niet dat iemand hier in huis iets van het voorgevallene vernemen zal.”

Mina antwoordde niet. Droevig zag zij de kamer rond, die zoolang de hare was geweest. Haar oog bleef even op de hangkast rusten, doch zij had den moed niet om te vragen of zij in haar vorigen schuilhoek terug mocht keeren, totdat er een gunstig oogenblik komen zou om in de duisternis den tuin in te sluipen.

»Blijf hier!” sprak Louise, na zich een oogenblik bedacht te hebben. »Ik zal Alima roepen en haar zeggen dat zij vóor de deur gaat zitten en niemand binnenlaat.—Vrees niets, ga op de banko (causeuse) liggen, wanneer gij vermoeid zijt, en slaap gerust.”

Mina dankte haar met een weemoedigen lach en Louise verscheen in de voorgalerij, schoon en koud als een marmeren beeld.

De resident stelde haar den dokter en den adsistent-resident voor. »Mijne huisvrienden,” zeide hij en Louise reikte de beide heeren de hand.

Eerst was zij stil en afgetrokken, maar weldra kwam er glans in haar oogen, gloed op haar wangen, geest in haar woorden. En toen de twee heeren dien avond laat naar huis gingen, waren zij opgetogen van bewondering over de onvergelijkelijk schoone residentsvrouw, wier lieftalligheid en geest haar schoonheid evenaarde.

Ook de resident was uitgelaten van vroolijkheid en zóo trotsch op zijn bekoorlijke Louise, dat hij haar opgewondenheid voor vreugde hield en haar overspanning voor geluk, haar volmaakt tevreden achtende met haar gloeiend hoofd en haar verbrijzeld hart.

Louise had zich intusschen zoozeer vermoeid, dat zij om half twaalf in haar kleedkamer terugkeerende, nauwelijks meer loopen kon en zich om zoo te zeggen niets meer herinnerde noch van de heeren die zij gesproken had, noch van hetgeen er dien avond voorgevallen was.

Mina, altijd Mina, niets dan Mina!

»Ik heb den ganschen avond aan u gedacht!” waren haar eerste woorden, toen zij Mina weerzag. »Eer ik naar de andere kamer ga, moet gij mij een belofte doen, want morgen vind ik u hier niet meer misschien.”

»Wat verlangt njonja resident van mij?”

»Beloof mij, dat gij u, indien gij iets noodig zult hebben, nooit tot een ander zult wenden dan tot mij.”

»En wanneer njonja resident iets noodig zal hebben?.... Alle menschen kunnen ongelukkig worden....”

»Dan zal ik hulp zoeken bij u.”

»Ik beloof het, njonja.”

En nogmaals drukte Louise een hartelijken kus op het koude voorhoofd der verstooten vrouw, die zich weder in de kast verborg toen Alima haar meesteres ontkleeden kwam, en eerst in het holle van den nacht haar schuilhoek verliet, om als een dievegge het huis uit te sluipen dat eenmaal het hare was geweest.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK

WIE BIJ LOUISE WAKEN KOMT

»Nauwlijks veertien dagen gehuwd en nu reeds krank, reeds stervende! O God! heb medelijden met mij! Spaar haar! Red haar! O, mijn Vader hergeef mij mijn schoone Louise!”

En luid snikkend stond Stevens aan het ziekbed zijner echtgenoote, wier laatste uur nabij scheen en wier zachte, afgebroken ademhaling hem reeds meer dan eens aan haar leven had doen twijfelen.

»Louise hoort gij mij? Kent gij mij nog?—Weet gij.... O! God, zij sterft!—Zij sterft....”

Een diepe stilte volgde. Stevens lag geknield ter aarde en de jonge vrouw scheen deze wereld voor een betere verlaten te hebben. Haar oogen waren gesloten, haar lippen strak en blauw en haar handen koud als marmer. Stevens klemde haar dunne vingers krachtig in de zijnen en drukte ze vurig aan zijn hart, terwijl zijn gloeiende lippen zich aan het ijskoude voorhoofd vastklemden, en zijn betraande oogen met den gloed der wanhoop vonkelden.

»Louise! Louise!” weergalmde de forsche stem in het stille sombere vertrek, »Louise zijt gij ongelukkig geweest? Hebt gij reden gehad u over mij te beklagen? Hebt gij mij gevreesd? of gehaat?.... Ja, gehaat! Gehaat heeft zij mij, omdat ik haar lief had en omdat zij beefde voor een liefde, die te krachtig was, om door een zwakke vrouw, als zij, begrepen te worden.... Louise! Louise! O, herstel!.... Leef! Haat mij! Veracht mij! Regeer mij! Maar verlaat mij niet!.... O! alles, alles wil ik, alles zal ik voor u doen, alles.... Maar gij sterft! Gij wilt niet blijven? Gij zijt te schoon voor deze wereld! Te goed voor mij!”

Hij snikte overluid, een vloed van tranen stroomde langs de bleeke handen der stervende en een scherpe kreet van wanhoop ontsnapte den beknelden boezem des residents.

Een uur later.

»August!....” fluisterden de koude lippen der kranke. »August!—O kom.... Ik sterf.... Koud!.... Koud!”

Stevens drukte haar al dichter tot zich, maar sprak niet. Het was hem niet mogelijk in deze oogenblikken van spanning en smart een enkel woord te uiten. Hij beefde voor den toestand waarin hij zich bevond en huiverde voor dien welke volgen zou.

»Louise,” vroeg hij ten laatste. »Mijn kind, ik ben bij u, wat verlangt gij?”

»Red mij!”

»Gij zijt gered!—Niet waar, gij zijt weer beter? Gij wilt mij immers zóo spoedig niet verlaten?”

»O! dáar.—Dáar zijn zij!——Red mij!—Red mij dan toch!——Gij zijt gezond en sterk——vlucht met mij!”

En zij sloeg haar armen krampachtig om zijn hals, terwijl zij zich met een kracht, als die eener waanzinnige, van haar leger ophief.

»Dáar!—Dáar ginds!” vervolgde zij angstig omziende. »Kijk dan toch!—Daar staat hij.——O! mijn kind!—Het is het mijne, Henri!”

Stevens sidderde op het hooren van dien naam, toch antwoordde hij:

»Henri zal u geen kwaad doen, Louise.... en een kind? Daar is geen kind!”

»O God! Het valt.... dáar—dáar.... ’t Is dood!”

En met een rauwen gil zonk de jonge vrouw aan August’s voeten neder. Wanhopig knielde hij aan haar zijde, ondersteunde haar brandend hoofd met de eene hand en trok met de andere een kussen uit het bed om op haar verstijfde voeten te leggen.

Lang nog zwegen beiden. Louise scheen uitgeput van vermoeidheid en Stevens durfde zich nauwlijks bewegen, uit angst haar een rust te ontrooven, die mogelijk heilzaam voor haar wezen kon.

Toen zij eindelijk haar zwakke oogen weder ophief, trok zij haastig haar hand uit de zijne terug.

»Moordenaar!” sprak zij nauw hoorbaar, en, terwijl zij het hoofd met moeite van hem afwendde, trachtte zij zich los te wikkelen uit den sterken arm die haar omklemd hield.

Toen haar pogingen mislukten, greep zij Stevens hand stijf tusschen haar dunne vingers en zich naar hem toekeerende, om hem strak in de oogen te zien, riep zij koortsachtig:

»Mijn kind is dood! Dat weet gij—maar alles weet gij nog niet.... ik heb nog lang niet alles gezegd.... Ik heb het vermoord!—Weet gij het? Begrijpt gij wat ik meen? Ik, zijn moeder, heb het levend verbrand omdat het zijn kind was!—Een kind van den vreemdeling! Van hem aan wien ik toebehoor.—Van hem die mij gekocht heeft om mijn lichaam, om dat lichaam dat dáar voor hem ligt, verminkt, aan stukken gesneden, over de heele wereld verspreid! Maar mijn hoofd is weg, dat heb ik meegenomen en weggegeven en hij zal het nooit weerzien, want dat heeft hij niet willen betalen—dat gold niet mee, ofschoon het toch goed was, mijn arm, arm hoofd!....”

»Maar nog iets heeft hij niet gekregen—Chut! weet gij wat?—mijn hart!—dat heb ik begraven, eer ik met hem meeging—niemand weet waar.—Maar ik weet het—en ik kan het opgraven wanneer ik het noodig zal hebben.—Maar, chut!—Stil!—Zeg het hem niet, want dan zou hij het willen hebben, omdat het van goud is—omdat het gelukkig kan maken.—En hij krijgt het niet.... Nooit.... nooit! Al wordt hij ook duizend jaar oud!”

»Louise! mijn lieve Louise! Ach, mijn God! red haar uit dezen vreeselijken toestand!”

»Die stem!—Henri! Hebt gij haar gehoord?—Herkent gij haar?—Het is de zijne.—De vreemdeling!—Hu! daar is hij!”

En zich met een rauwen kreet uit Stevens armen losrukkende, vlood zij naar het andere einde der kamer, en zonk dáar voor dood op een matje neder.

Het is nacht. Alles rust in het groote residentiegebouw. Louise, door zwakte en vermoeidheid uitgeput, is van een flauwte in een zachte sluimering overgegaan. De resident ligt in een der logeerkamers te ronken alsof hij de gelukkigste man der wereld was. Ook Alima, de getrouwe Alima, is, na drie nachten niet van het leger harer meesteres geweken te zijn, bezweken voor de eischen der natuur, en slaapt gerust op haar gevlochten matje met een gevouwen kaïn [31] tot hoofdkussen.

Toch is er iemand die waakt over de arme, verlatene Louise.

Het is Mina.

Zij zit gehurkt achter het ledekant, verborgen in de plooien der witte neteldoeksche gordijnen, te wachten, te hopen op het oogenblik waarop zij van nut zal kunnen zijn.

Niemand weet dat zij zich hier bevindt, zelfs Louise niet.