Part 6
»Het is waar. Gij zijt nu niet meer de vijftienjarige Louise van Amerongen, maar de aanstaande echtgenoote van een resident,” antwoordde Marie bitter.
»En voor de aanstaande echtgenoote van een resident is niets te oud, niet waar?” vroeg Louise lachend. »Mijn eerste aankoop in mijn huwelijk zal dan ook een zwart fluweelen kleed zijn, met een langen sleep om met gepaste statigheid den Gouverneur-Generaal te ontvangen, wanneer Zijn Excellentie over eenige maanden bij mij te A. logeeren komt!”
TWAALFDE HOOFDSTUK
HET VERLOVINGSFEEST
Den volgenden avond werd het bal door Louise van Amerongen en den resident Stevens van Langendijk met een vliegenden galop geopend. De resident vreesde wel eenigszins zijn waardigheid te compromiteeren door dat onzinnig in de rondte springen, maar hij was te Samarang weinig bekend en kon zich dus deze kleine uitspatting als de verloofde van Samarangs roos bij deze bijzondere gelegenheid wel veroorlooven. Men kon het hem aanzien dat hij de beste danser van het bal wilde zijn, hij danste zonder ophouden voort, van de eerste noot der muziek af, tot den laatste toe, en toen hij eindelijk genoodzaakt werd op te houden, waren zijn eerste woorden: »Kijk nu, wij waren juist zoo goed aan den gang!”
Dat was een stap nader tot den vrede.
»Hij danst heerlijk!” fluisterde Louise eenige oogenblikken later Marie in het oor. »Ik hoop dat hij nog om een dans zal komen; ik heb nog nooit zoo’n goeden cavalier gehad.”
Den volgenden dans, een quadrille, deed Louise met Henri van den Berg. De resident en mevrouw Van Amerongen stonden tegenover hen. Henri had gaarne wat verder uit de buurt harer moeder gestaan, ten einde van Louise zelve te vernemen hoe zij over haar engagement en over haar aanstaanden echtgenoot dacht, nu echter durfde hij naar niets te vragen en Louise zeide niets.
Toen eindelijk de dans geëindigd was en hij haar naar haar plaats terug had geleid, vroeg hij aarzelend: »Zoo gij nog geen cavalier voor het souper hebt aangenomen Louise, mag ik dan het genoegen hebben van u aan tafel te brengen?”
Louise bedacht zich een oogenblik eer zij antwoordde.
»Ja Henri, zooals gij weet ben ik sedert gisteren met resident Stevens van Langendijk geëngageerd, zoo hij mij dus voor het souper komt opeischen, kan ik uw vriendelijk aanbod niet aannemen, maar brengt hij mama of een andere dame aan tafel dan wil ik gaarne uw buurvrouw zijn, om nog eens over den ouden tijd te praten.”
»Dus zijt gij dan toch werkelijk geëngageerd, Louise?”
»Stellig, feliciteer mij maar.”
»Van harte, kind, van ganscher harte! God geve dat gij gelukkig moogt zijn, en dat gij in den resident moogt vinden, al wat gij u verhevens en idealisch gedroomd hebt in uw leven!”
»Dank je Henri.”
Er lag iets droevigs in dat: »Dank je Henri” en in de wijze waarop zij hem bij deze woorden de hand reikte. Ook Henri gevoelde dat zij niet gelukkig was, maar evenals Marie dacht hij te vergeefs op een middel, om haar hare vorige onbezorgde vroolijkheid weer te geven en haar van een engagement te ontslaan, dat haar reeds nu ongelukkig scheen te maken. Toch vroeg hij maar niets, daar hij wel wist dat Louise de persoon niet was om te klagen en onnoodige confidences te doen. Hij kende haar fieren, sterken geest beter dan iemand anders, hij wist hoeveel fijn gevoel, hoeveel kracht, hoeveel geestdrift, dat schijnbaar loszinnig, oppervlakkig kind bezat. Hij had Louise van klein af gekend en bestudeerd en, daar hij vele jaren ouder was dan zij, had hij gelegenheid gehad, om de geringste schakeeringen harer ziel, met het geduld en de volharding eener innige genegenheid op te merken en te doorgronden. Hij verstond dat weinig begrepen karakter, en hij beminde schier afgodisch die krachtige, edele, poëtische vrouw met haar onbezorgd, wispelturig, spelend kinderhart.
Aan het souper zat Louise naast den resident, die haar aan tafel had gebracht, en Henri aan het lagere einde der zaal, van waar hij haar onafgebroken gadesloeg.
Mijnheer Van Amerongen stond op, tikte tegen zijn glas en verzocht het woord. Toen stelde hij zijn gasten voor, om op het geluk van zijn dochter en op dat van zijn aanstaanden schoonzoon, resident Stevens van Langendijk, hunne glazen te ledigen.
Een luid »hoerah!” begroette zijn woorden, en werd door de muzikanten met het »Wien Neerlandsch bloed” besloten.
Daarop stond de resident op en beantwoordde naar behooren den toast zijns aanstaanden schoonvaders. Nogmaals deed een vreugdekreet zich hooren, weder klonk de krachtige muziek, en alles keerde terug tot de gewone gonzende feestvreugde.
Klokslag twee ving de dans weer aan, om voort te duren tot aan den morgen. De opkomende zon vernietigde het armoedig licht der lampen door haar trotsche gouden stralen en maakte een einde aan het kwijnend feest, dat weder voor geruimen tijd stof zou opleveren voor de belangrijke gesprekken van Samarangs groote wereld.
DERTIENDE HOOFDSTUK
HET EERSTE GESPREK ZONDER GETUIGEN.
De heugelijke dag was eindelijk aangebroken, waarop Louise van Amerongen en resident Stevens van Langendijk de eerste gelofte af zouden leggen van levenslange gehechtheid en trouw. Het geheele huis was groen gemaakt en met bloemen versierd, alle jongens en meiden hadden hun beste kleeren aan, en mijnheer en mevrouw Van Amerongen, de resident en eenige goede vrienden waren reeds in de binnengalerij vereenigd. Louise alleen ontbrak nog. Zij was bezig de laatste hand aan haar toilet te leggen, en toen zij gereed was riep zij Alima en Rosa bij zich en zeide zacht:
»Op mijn tienden verjaardag wilde mijne moeder mij een geschenk van waarde geven, en zij gaf mij u. Gedurende zes jaar hebt gij beide mij geholpen en verzorgd zooals mijne moeder dit van u verwacht had, daar ben ik u dankbaar voor. Weldra zal ik het ouderlijk huis verlaten en dan zal uw taak wat mij betreft volbracht zijn. Maar ik wil niet vertrekken zonder u een klein blijk mijner erkentelijkheid te geven.... Ziehier wat geld voor uw aanstaande huishouding.... en zie hier uw vrijbrief.....”
Louise’s stem en hand beefden toen zij haar oudste gezellinnen aldus haar afscheid gaf.
Rosa weende, terwijl zij het geld aannam en den vrijbrief op den grond liet vallen.
Alima kruiste de armen over de borst en sloeg de oogen neder.
»Alima, zie hier uw vrijbrief,” herhaalde Louise nauw hoorbaar.
»Ampon! [23] nonna!” riep de jonge slavin, zich aan haar voeten werpende. »Wat heeft Alima misdaan dat zij de nonna niet langer dienen mag?”
»Gij hebt mij goed gediend, Alima, gij zijt altijd trouw en eerlijk geweest en ik heb mij nooit over u te beklagen gehad, daarom wilde ik u gelukkig zien....”
»Ampon, nonna!” herhaalde Alima luid snikkend.
Ook Louise weende, maar zij trachtte haar tranen te verbergen en liet den vrijbrief vóor de knieën van Alima vallen.
»De nonna zal niet boos zijn.... en Alima niet van ondankbaarheid verdenken!” riep de jonge slavin het papier oprapende. »Alima is niet geboren om vrij te zijn—Alima zou ongelukkig wezen alleen in die groote wereld, indien zij aan niemand toebehoorde!” Toen scheurde zij haar vrijbrief in stukken en vervolgde zachter: »Ook de nonna zou haar missen in die verre, vreemde stad, waar niets haar het huis harer moeder herinneren zal!”
Toen Louise eenige oogenblikken later de galerij binnentrad, waar de resident haar, met van bewondering vonkelende oogen tegemoet kwam, was zij zoo onbewegelijk, zoo gevoelloos schoon, zouden wij bijna zeggen, dat zelfs de resident zich als terug gestooten gevoelde. Een kouden blik om zich heen werpende en achteloos de hand reikende aan hen die haar omringden, was haar eerste vraag: »Waarom zijn Marie en Henri van den Berg niet hier?”
De resident greep haar hand en bracht die hartstochtelijk aan zijn lippen.
»Schoone, bekoorlijke Louise!” sprak hij zacht.
Het meisje scheen hem noch te hooren, noch te zien, zij sloeg geen acht op hem, maar herhaalde nogmaals: »Waar blijven Henri en Marie dan toch?”
Te vergeefs trachtte de resident haar aandacht tot zich te trekken en haar »aan het spreken te krijgen”. Niets mocht hem baten. Het jonge meisje wierp zich met een zucht op een leuningstoel neder en staarde naar de deur, alsof daarbuiten alles was wat haar ziel kon boeien.
Gelukkig voor hem had de resident te veel eigenliefde en te weinig wantrouwen om aan jaloezie onderhevig te zijn, anders zou hij ongetwijfeld geleden hebben onder Louise’s afgetrokkenheid.
Mevrouw Van Amerongen, hoogst verlegen over de houding harer dochter, zond ongemerkt een der jongens naar Van den Berg, om de juffrouw te smeeken toch zoo spoedig mogelijk te komen.
Een paar minuten later rolde een rijtuig het hek in, en traden mijnheer Van den Berg, Marie en Henri binnen.
Louise sprong op als door een elektrieken schok geraakt, liep den ouden heer schier omver en wierp zich in de armen harer vriendin.
»Eindelijk!” riep zij met een glimlach, zoo droevig, zoo lijdend, dat hij Henri deed verbleeken en tranen in Marie’s zachte oogen riep.
»Kom, nu kan ik teekenen,” vervolgde zij met een doffe, vaste stem. »Nu heb ik al mijn vrienden om mij heen. Zoo gij wilt, resident?”
De plechtigheid nam een aanvang en, toen zij statig en wel volbracht was, had er een prachtig déjeuner plaats waarop het natuurlijk niet aan toasten op het geluk van bruid en bruidegom ontbrak.
Mijnheer en mevrouw Van Amerongen schenen recht gelukkig en verheerlijkt met den hooggeplaatsten schoonzoon, dien zij met onvermoeiden trots prôneerden. De meeste gasten waren stil, maar de resident was uitgelaten vroolijk en de jonge bruid bleef afgetrokken en zwijgend alsof zij zich geheel vreemd gevoelde aan hetgeen om haar heen voorviel. Slechts nu en dan, wanneer zij haastig een blik op Henri of Marie wierp, kwam er een sombere gloed in haar donker oog of een lichte blos op haar bleeke wangen.
Toen het déjeuner geëindigd was, brak er eindelijk een oogenblik van vrijheid aan, waarin elk zijn weg ging en sprak met wien hem goed dunkte. Ook Louise wilde van dat oogenblik gebruik maken en den resident zacht op den arm tikkende, verzocht zij hem haar naar de achtergalerij te volgen, waar zij ongestoord te zamen spreken konden.
De resident was eenigszins verwonderd over deze avance, zooals hij het noemde, en volgde haar nieuwsgierig.
»Daar ik nu uw bruid ben,” begon zij, »zoo zal het mij mogelijk vergund zijn u eindelijk een oogenblik zonder getuigen te spreken.”
De resident begreep niet recht; maar, ook zonder te begrijpen, sloeg hij zijn arm om de slanke leest zijner schoone bruid en drukte hij een vurigen kus op haar ijskoud voorhoofd. Louise onderging zijn liefkozing met een kalmte en een onverschilligheid alsof zij er sedert jaren aan gewoon was geweest, en toch was dit de eerste kus haars verloofden. Hij had heden eenig recht op haar verkregen, dit gevoelde zij, en daarom liet zij nu toe, hetgeen zij hem tot dusver halsstarrig geweigerd had.
»Stevens,” hernam zij weder, het was de eerste maal dat zij hem anders noemde dan »resident,” en het kostte haar blijkbaar moeite den man, die over een paar weken haar echtgenoot zou zijn, bij zijn naam te noemen. »Stevens, binnen korten tijd zal ik uw vrouw zijn en nog nooit hebt gij mij gevraagd of ik het wezen wilde.”
De resident zette groote oogen op, maar glimlachte, als dacht hij bij zichzelve: »Wat doet uw wil ter zake, kind?”
»Ik heb u mijn hand toegezegd,” vervolgde zij, »omdat mijne moeder het verlangde en mijn vader het mij beval.”
Zij wachtte even, als om den resident tijd tot antwoorden te geven, maar toen zij zag dat hij zwijgen bleef, hernam zij met meer vastheid:
»Ik moet natuurlijk mijn ouders gehoorzamen, en daar ik niemand bijzondere genegenheid toedraag, is het mij om het even aan wien mijn ouders mij afstaan.”
»Liefste, liefste Louise!” riep de resident opgetogen. »Nog nooit hebt ge iemand lief gehad, zegt gij?”
»Niemand, zelfs u niet, resident.”
»Dat zal later wel komen als wij eenmaal getrouwd zullen zijn.”
»Ik hoop het, voor u en voor mij,” antwoordde Louise kalm. »En mocht het anders wezen, dan zal de resident zich herinneren dat zijn vrouw hem gedwongen haar hand geschonken heeft.”
»Maar ik zal alles doen om u gelukkig te maken, om u het leven te veraangenamen, Louise, en wij zullen het minder aangename van vroeger vergeten, niet waar?”
Louise zeide niets. De resident vatte haar hand in de zijne en vroeg met eenige onrust:
»Haat gij mij, Louise?”
»Gij zijt mij onverschillig.”
Een lange stilte volgde.
»Gij weet nu, wat ik meende dat gij vóor ons huwelijk weten moest,” zeide zij eindelijk, »handel verder met mij naar goedvinden.”
Er lag een wanhoop in haar onderwerping en een kracht in haar zwakheid, die den resident onwillekeurig deden huiveren, doch weder viel zijn oog op haar schoon en kalm gelaat en alles werd vergeten in een kus.
Louise liet zich deze tweede liefkozing welgevallen als de eerste en beantwoordde haar met de woorden:
»Zoo gij er niets tegen hebt, resident, zullen wij naar het gezelschap terugkeeren.”
VEERTIENDE HOOFDSTUK
HOE BRUID EN BRUIDEGOM OVER ELKANDER DENKEN
Nauwlijks was de resident dien avond vertrokken of Louise begaf zich naar haar kamer, ontkleedde zich schielijk, zond haar slavinnen weg en wierp zich op haar geliefkoosden rotangstoel neder, om ongestoord te kunnen nadenken over hetgeen er dien dag voorgevallen was. Twee malen sprong zij op, liep met haastige schreden de kamer op en neer en ging weder zitten.
»Neen,” dacht zij bij zichzelve, »de resident moet zelf weten wat hem te doen staat. Geeft hij mij mijn woord niet uit eigen beweging terug, dan zal ik er hem ook niet meer om vragen. Hij weet dat hij er mij een dienst door zou bewijzen, doet hij het dus niet dan toont hij genoeg dat hij meer om zijn eigen trots geeft dan om mij.... Morgen diner—overmorgen bal—na overmorgen thé dansant in de societeit, daarna een bal bij den resident en een bij Van den Berg en dan nog kleine partijen zonder ophouden in het verschiet....”
Zij gaapte als een mensch van zestig jaar op het denkbeeld van al die vermakelijkheden.
»Maar hij zal het niet doen... welnu, dan word ik zijn vrouw... wat kan het mij schelen?—Hij of een ander... hij is ten minste goedig, een ander zou er mogelijk nog kwaad bij zijn. Hij trouwt mij omdat hij mij mooi vindt, en ik hem omdat mijn ouders het hebben willen. Wij staan dus gelijk—wij houden niet van elkander en hebben elkaar dus niets te verwijten.... Maar, mijn hemel, waarom trouwen wij dan?—Ik moet, ik zal hem nog eens spreken, mogelijk.... Neen, ik wil niet.”
»Ik zal residentsvrouw worden en dan zal ik vrij zijn. Ik zal mijn huishouden geheel naar mijn zin inrichten en hem het leven zoo aangenaam mogelijk maken.—Hij zal goed voor mij zijn. En eigenlijk—wat kan ik meer begeeren?... Ik ben nu bijna zestien jaar oud en nog nooit heb ik voor iemand een liefde gevoeld zooals men die in boeken beschreven leest. Daar zal ik niet vatbaar voor wezen.... Henri?.... O! foei, Henri! Neen, dat zou al te gek zijn. Ik houd heel veel van Henri, maar toch niet meer dan van Marie. Neen, hetgeen men liefde noemt moet nog iets anders wezen.... En de resident?—Hij zegt mij lief te hebben..... Zou dat mogelijk wezen? Maar indien hij mij waarachtig lief had dan moest hij mij meer beminnen dan zichzelven, dunkt mij.... O! ik geloof niet dat ik voor eenig offer terug zou deinzen indien het ’t geluk gold van iemand dien ik waarachtig lief had.... Hij zal het niet doen..... en toch trouwt hij mij uit liefde....”
Zij lachte afgetrokken. »Och, zulke roman-liefdes bestaan mogelijk niet eens. Ik heb er ook nooit van gehoord in het werkelijke leven....”
Zij stond op, nam een boek uit haar kast, sloeg het open bij een vouw en las:
»Osez me l’arracher! Demandez-lui s’il m’aime, Dit-elle; le voilà pour répondre lui-même. Parle, Jocelyn, dis s’il est vrai que ton coeur A trahi ton ami, ton amante, ta soeur! Dis-leur si de ce sein où Dieu m’avait jetée, Sur la pierre à leurs pieds tu m’as précipitée? Dis-leur si cet amour, notre vie en ce lieu, Tu l’aurais renié, même à la voix de Dieu! Un Dieu! S’il était vrai, si je doutais encore, Je le détesterais, autant que je t’adore!”
Met een treurigen glimlach sloeg Louise het boek dicht, maar een tweede vouw ziende, opende zij het weder om verder te lezen:
»Je me repens de tout, hors de l’avoir aimé! Et si devant ce Dieu mon amour est coupable, Que dans l’éternité sa vengeance m’accable! Je ne puis m’arracher du coeur, même aujourd’hui, Le seul être ici-bas qui m’ait fait croire en lui; Et dans mes yeux mourants son image est si belle, Que je ne comprends pas le ciel même sans elle. Oh! s’il était là, lui! Si Dieu me le rendait! Même à travers la mort, oh! s’il me regardait! Si cette heure à ma vie eut été réservée, Si j’entendais sa voix, je me croirais sauvée: Sa voix m’adoucirait jusqu’au lit du tombeau! [24]
»O neen! zulke liefde kan niet bestaan!” sprak zij met tranen in de oogen. »En toch.... indien zij eens bestond?”
Zij had zonder het te bemerken eenige bladzijden omgeslagen, en toevallig viel haar oog op de woorden:
»J’ai trahi par faiblesse, ou bien par dévoûment, Mon enfant, mon amour, mon bonheur, mon serment.”
Zij las niet verder. Zij wierp het boek weg en sprak met een nog treuriger lach dan zoo even: »Ik hoop dat ook dit overdreven zal wezen!”
Toen begaf zij zich ter ruste, doch sliep bijna niet dien nacht, en toen den volgenden morgen de eerste zonnestralen in haar kamer drongen, gevoelde zij zulk een behoefte aan ruimte en lucht dat zij zich zonder hulp harer slavinnen aankleedde en den tuin invloog.
Ook de resident had dien nacht geen rust kunnen vinden. Hij had, ’s avonds thuis komende, zijn jongen de deur uitgeschopt, omdat hij, als altijd, onder de tafel lag te slapen, omdat het nachtlampje niet meer licht gaf dan naar gewoonte, omdat de laarzen, die hij aanhad, hem knelden, omdat het warmer was in zijn kamer dan in de open lucht, en om nog vele andere redenen meer, die slechts in de verhitte verbeelding van driftige menschen zonden van onschuldigen worden.
Nu liep hij met rassche schreden zijn kamer op en neer, dan bleef hij voor het geopende venster staan en hief zijn oogen naar omhoog, zonder iets van den prachtigen sterrenhemel te zien die zich over Samarang uitstrekte; nu eens wierp hij zich moedeloos op een bank, een oogenblik later sprong hij weder op, balde de vuisten, verschoof eenige stoelen, verplaatste het nachtlichtje, de gindie [25] met water, zijn cassette, in éen woord al wat hij vinden kon, wierp de jalousiën dicht wanneer ze open waren, of opende ze wanneer hij ze een oogenblik te voren gesloten had, stampvoette, lachte, geeuwde, sprak overluid, was nu eens hoogst gelukkig dan weer diep rampzalig, dacht aan alles en toch aan niets.... Zóo werd het eindelijk dag en de resident zag met verbazing de zon in zijn kamer schijnen.
»Wat duivel is dat?” sprak hij bij zichzelven, »heb ik mij gisteren niet uitgekleed? Ik zou mij schamen voor mijn jongen als hij ’t zag!”
Hij ontkleedde zich zoo goed en zoo kwaad als hij het zonder hulp van Siedin doen kon, stak een sigaar op, wierp zich te bed en floot.
Siedin trad binnen. »Wat verlangt toewan resident?”
»Hoe laat is het?”
Hij had een halve minuut geleden nog op zijn horloge gezien.
»Bij zessen, mijnheer.”
»Leg mijn kleeren gereed, ik wil uitgaan—dadelijk.”
Siedin was buiten zichzelven van verbazing, maar vertrok geen spier en gehoorzaamde stilzwijgend.
Toen de resident eindelijk weer in de kleeren was, sprak hij haastig:
»Haal mij een kop koffie en een stuk brood, en zoek mij een gezadeld paard.”
Siedin antwoordde kalm: »Saja toewan”, maar wist volstrekt niet waar hij een gezadeld paard van daan zou kunnen halen, daar de ongelukkige, magere dieren van het logement, volgens zijn oordeel niet geschapen waren om een resident te dragen.
Het ontbijt verscheen spoedig genoeg, maar de resident had al ruim een kwartieruurs gelaarsd en gespoord op de stoep gestaan, eer zijn gezadeld paard kwam opdagen.
»Monjet! [26] Waar heb je zoolang gezeten?” vroeg hij rood van ongeduld.
»Ik heb het rijpaard van toewan secretaris....”
»Stommeling!” bromde de resident opstijgende; hij gaf het paard de sporen en reed weg.
»Oentoeng! Toewan resident kloewar [27]!” dacht Siedin bij zichzelven en recht gelukkig dat hij vrij af had, begaf hij zich naar zijns meesters kamer en lei zich in diens plaats ter ruste.
De resident reed in gedachten verzonken den Bodjongschen weg op.
»Neen,” sprak hij bij zichzelven, »neen, niets daarvan.... Wat raakt het haar?—Zij is een kind, een aardig poppetje; maar daarom behoeft zij nog niet alles te weten. En buitendien, wat zou het baten, of zij het al dan niet wist; dat zou niets aan de zaak veranderen.
»Het is, geloof ik, een koppig ding, zoo onderworpen als zij zich voordoet.... Nu, en die onderwerping! Zij wil wel zóo, anders zou ze ook zoo gehoorzaam niet wezen.... Een mooi kopje! Een lief figuurtje! Maar gisteren was zij toch verduiveld bij de hand.... En een tongetje, zoo scherp.... zoo rad....
»Maar mogelijk—Ha! daar begin ik weer! Daar ben ik nu den ganschen nacht reeds over bezig geweest, alsof haar woorden iets te beteekenen konden hebben! Louise is een kind—en een bedorven kind nog al, zij heeft zich gekrenkt gevoeld door mijn wijze van handelen, dat is al. Had ik haar een week of wat het hof gemaakt, alvorens mij tot haar ouders te wenden, dan zou het nufje zeer vereerd geweest zijn. Nu is de jonge dame beleedigd....—Ik hoor haar nog: »Stevens, binnen korten tijd zal ik uw vrouw zijn en nog nooit hebt gij gevraagd of ik het wezen wilde.” Dat waren harde woorden voor mij.... mogelijk ware het beter indien.... neen, neen! Wat drommel, waar denk ik toch aan! Louise zal mijn vrouw worden—en zij zal mij liefhebben ook, anders....
»»Ik hoop het voor u en voor mij,” gaf zij mij gisteren ten antwoord, toen ik haar van liefde in ons huwelijk sprak; »maar mocht het anders wezen, dan zal de resident zich herinneren dat zijn vrouw hem gedwongen haar hand geschonken heeft.” Verduiveld! die woorden deden mij toch aan. Het was mij, alsof zij een vloek over mijn toekomst uitsprak! Het was een oud mensch dat sprak, geen zestienjarig meisje meer. Die kalmte, die vaste, ik zou bijna zeggen, die dreigende wijze van spreken.... Als man van eer moest ik haar haar woord terug geven.... En haar de vrouw van een ander zien worden! Nooit. Alsof een ander haar meer lief kon hebben, dan ik? Alsof.... Gekheid! Non sense! daar komt niets van in!—Het mankeert er nog maar aan dat resident Stevens van Langendijk daarvoor hier gekomen zou zijn! Wat zouden zij mij uitlachen als ik zonder vrouw te A. terugkwam!—Ik—een man van rang, van vermogen, bedankt door een wispelturig kind! En dat nogal nadat de geheele wereld geweten heeft dat zij mijn bruid geweest is! Wat zou men daar wel van zeggen.... Neen, neen; dat gaat niet. Alles is goed en wel, maar ik moet niet ridicuul gaan worden op mijn ouden dag!” Zoo dacht de resident nog een groot uur voort en toen hij eindelijk vermoeid en warm te huis kwam, was hij nog niets verder gevorderd dan toen hij uitreed. Alles was verwarring in zijn hoofd zoowel als in zijn hart.
Hij was verliefd op Louise, zij was zijn bruid, zij moest zijn vrouw worden. Wel zeide zijn geweten hem dat hij verkeerd handelde, maar zijn hoogmoed, zijn ijdelheid, zijn eigenliefde, ja zelfs zijn achting voor zichzelven gedoogden niet dat hij zijn wil zou doen buigen voor die van een afhankelijk kind.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK
HET OFFER AAN EERZUCHT GEBRACHT